CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Plan-MER onderzoeksrapport

Raadsvergadering 25 november 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Energietransitie Ontwerp Warmteprogramma 2026–203531.731 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De wijktypologie is op basis van de bebouwingsdichtheid, breedte van het straatprofiel, het percentage openbaar groen en de aanwezigheid en grootte van tuinen. In navolging van de CBS wijkindeling zijn de wijktypen bedrijventerreinen en het buitengebied in de wijktypologie “groene wijken” ingedeeld. De omschrijving per wijktypologie is weergegeven in Tabel 2.3. Tabel 2.3 Beschrijving wijktypologieën gemeente Eindhoven Wijktypologie

Omschrijving

Drukke wijken

Hoge bebouwingsdichtheid > 22%

Wijktypen 

Tuindorp

Smalle straatprofielen <10 m

Volkswijk

Te weinig openbaar groen <20%

Geen tuinen

Gemiddelde

Gemiddelde bebouwingsdichtheid 15 - 25 %

Tuinstad hoogbouw

wijken

Normale straatprofielen 8 – 14 m

Tuinstad laagbouw

Redelijk veel openbaar groen 20 – 30 %

Hoogbouw

Kleine tot normale tuin aanwezig

Bloemkoolwijk

Naoorlogse woonwijk

Vernieuwd

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Wijktypologie

Omschrijving

Wijktypen

Groene wijken

Lage bebouwingsdichtheid < 18%

Villawijk

Ruimte straatprofielen > 12 m

Vinex

Veel openbaar groen > 30 %

Buitengebied

Grote tuinen

Bedrijventerreinen

In onderstaande kaart (figuur 2.1) is weergegeven welke wijken er onder welke categorie vallen.

Figuur 2.1 Onderverdeling gemeente Eindhoven in wijktypologieën (drukke wijk, gemiddelde wijk en groene wijk)

2.3

Processtappen planMER

Voor het opstellen van de planMER zijn de volgende processtappen doorlopen. Het proces is begonnen in november 2024 met een startoverleg tussen het kernteam van TAUW en de gemeente. Vervolgens vond een startoverleg met de specialisten van beide organisaties plaats. In dit startoverleg met de specialisten is een toelichting gegeven op het warmteprogramma en hebben de specialisten de thema’s en aspecten uit de NRD gezamenlijk verder uitgewerkt. Vervolgens heeft TAUW de uitwerking van de HSAO gedaan en had de gemeente een controlerende rol. Na het afronden van de HSAO (zie bijlage 1) is de effectbeoordeling gestart. De specialisten van zowel de gemeente als TAUW hebben per thema bij elkaar gezeten om de effecten per onderzoeksvariant uit te werken. TAUW heeft deze verder uitgeschreven (zie hoofdstuk 4 en 5). De gemeente had hierbij een controlerende rol. Parallel aan het uitwerken van de effectbeoordeling hebben de gemeente en TAUW een sessie gehad om het doelbereik van het

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

warmteprogramma te bepalen (zie hoofdstuk 6), de omgang met monitoring (zie hoofdstuk 8) en het warmteprogramma aan te scherpen (zie hoofdstuk 5.2). Alle uitkomsten en hoofstukken zijn samengevoegd in een concept planMER. De gemeente heeft dit planMER gecontroleerd, waarna het planMER – na verwerking van de feedback – gereed was voor de terinzagelegging en het adviestraject van de Commissie mer.

2.4

Referentiesituatie en beleidskader

2.4.1 Referentiesituatie Voor de effectbeoordeling worden de onderzoeksvarianten in dit MER afgezet tegen de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie en de autonome ontwikkeling (HSAO). In de referentiesituatie wordt de huidige situatie van het plangebied en omgeving beschreven en wordt aangegeven wat de zogenaamde autonome ontwikkelingen zijn. Dit zijn de ontwikkelingen die hier de komende 20 à 25 jaar plaats zullen vinden, waar al een besluit over is genomen, zonder dat de voorgenomen activiteit (dus het warmteprogramma) wordt uitgevoerd. De referentiesituatie per thema is opgenomen in Bijlage 1. Voor het MER wordt de referentiesituatie aan warmtevoorziening gelijk gesteld aan de huidige situatie met autonome ontwikkelingen die onafhankelijk van het warmteprogramma plaats zullen vinden. Alle ontwikkelingen op het gebied van warmte en aardgasvrij maken, zijn namelijk onderdeel van de voorgenomen activiteit. Er wordt bij de referentiesituatie uitgegaan van de volgende uitgangspunten:  De levering van warmte blijft op het temperatuurniveau van 2020

Alle huidige warmte-infrastructuur blijft behouden (bijvoorbeeld het aardgasnet, bestaande warmtenetten en bestaande warmtepompen) De bestaande gebouwen zullen richting 2050 gemiddeld rond de 20 % energie besparen op

hun warmtevraag Als gevolg van klimaatverandering en daarmee warmere zomers neemt het aircogebruik toe

Alle ontwikkelingen die te maken hebben met het aardgasvrij maken van de gemeente Eindhoven zijn onderdeel van het warmteprogramma. 2.4.2 Beleidskader In de afweging van onderzoeksvarianten dient rekening gehouden te worden met bestaand beleid. Voor dit planMER gaan we uit van onderstaand beleidskader. De tabel geeft een overzicht van de belangrijkste kaders en beleidsstukken van internationaal tot lokaal niveau, waarbij wordt aangegeven wat de relevantie van het beleid is voor dit planMER. Tabel 2.4 Beleidskader Beleidskader

Omschrijving en relevantie

Internationaal/Europees Klimaatakkoord van Parijs

Om de mondiale klimaatverandering tegen te gaan hebben 195 landen in 2015 het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Al deze landen, waaronder Nederland, maakten afspraken om de CO2-uitstoot terug te dringen. Het nationaal

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Beleidskader

Omschrijving en relevantie Klimaatakkoord, de Eindhovense Klimaatverordening en het Warmteprogramma vinden hun oorsprong bij dit akkoord.

Europese Klimaatwet/Green Deal

Met de Europese Klimaatwet heeft Europa in de wet vastgelegd klimaatneutraal te zijn in 2050. In vergelijking met 1990 moeten broeikasgassen in 2030 met 55 % zijn afgenomen. De wet volgde op het Klimaatakkoord. De warmtetransitie draagt voor Nederland in grote mate bij aan het behalen van deze doelstelling.

Europese richtlijnen Luchtkwaliteit

De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen

en Gevaarlijke Stoffen

grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarde vastgelegd in het Bkl (nationaal beleid). Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, wat tot aanscherping van de rijksomgevingswaarden zal leiden. Dit is van invloed op het thema Luchtkwaliteit.

F-gassenverordening 2024/57347

Op 20 februari 2024 publiceerde de Europese Commissie de nieuwe, aangescherpte F-gassenverordening. Deze is op 11 maart 2024 in werking getreden. Deze verordening regelt een versnelde uitfasering van F-gassen als koudemiddel in koel- en klimaatinstallaties. De verordening is daarmee van invloed op het thema klimaat & energie.

Nationaal Nationaal Klimaatakkoord

Het Klimaatakkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om gezamenlijk de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren (vergeleken met 1990). In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Eén van de afspraken die daarvoor is gemaakt, is dat Nederland uiterlijk in 2050 volledig aardgasvrij is. De ambitie is om dit te realiseren via een gebiedsgerichte aanpak waarin gemeenten de regie voeren. Het Warmteprogramma van gemeente Eindhoven volgt hieruit.

Omgevingswet

De Omgevingswet bundelt verschillende wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving met elkaar op het vlak van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Hierbij gaat het om de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling. In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor bijvoorbeeld de thema’s geluid, luchtkwaliteit, bodem en cultuurhistorische waarden. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Klimaatwet

In de Klimaatwet heeft Nederland wettelijk vastgelegd dat we in 2030 49 % minder broeikasgassen moeten uitstoten en in 2050 95 % minder ten opzichte van 1990. Het Warmteprogramma is een van de de manieren waarmee de gemeente Eindhoven deze doelstellingen willen behalen.

Wet collectieve warmte

De aanstaande Wet Collectieve Warmtevoorzieningen (WCW, januari 2026) belegt bij gemeenten een regierol in de ontwikkeling van warmtenetten en organiseert dat

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Beleidskader

Omschrijving en relevantie het eigendom daarvan publiek is. Momenteel wordt in Eindhoven gewerkt aan de oprichting van een publiek energiebedrijf. De gemeente stelt na invoering WCW warmtekavels vast, zodat een publiek energiebedrijf aangewezen kan worden voor de uitwerking van een kavelplan en een aanbod richting de afnemers. De voorgenomen warmtekavels omschrijft de gemeente in het warmteprogramma.

Wet gemeentelijke instrumenten

Op 23 april 2024 is de Wgiw aangenomen door de Tweede Kamer. De Wgiw is pas

warmtetransitie (Wgiw)

definitief nadat de Eerste Kamer ermee instemt, en de wet is gepubliceerd in de Staatscourant. Volgens het NPLW is het de bedoeling dat de wet per 1 januari 2026 van kracht is. Met deze wet krijgen gemeenten meer bevoegdheden om de nieuwe manieren van verwarmen in de gemeente vast te leggen. Ook voor de gemeente Eindhoven geldt dat zij haar plannen met deze wet definitief vast kan leggen. Met de Wgiw is een warmteprogramma te zien als een wettelijk voorgeschreven programma; een van de eisen waardoor een programma mer-plichtig kan zijn.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI komt voort uit de Omgevingswet. In deze nieuwe aanpak wordt als uitgangspunt gesteld dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Op deze manier komt de gemeente Eindhoven in gebieden tot betere en meer geïntegreerde keuzes.

Mijnbouwwet (Mbw)

De Mbw reguleert het gebruik van bestaansbronnen in de diepe ondergrond, zoals het opsporen, winnen en opslaan van delfstoffen en aardwarmte. De Wet is, met bepaalde uitzonderingen, alleen van toepassing op delfstoffen die op een diepte van meer dan 100 meter aanwezig zijn. Voor aardwarmte geldt een grens van een diepte van meer dan 500 meter. Deze wet reguleert het gebruik en toepassing van warmtetechnieken die gebruikmaken van bodemwarmte.

Besluit activiteiten leefomgeving

In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.

(Bal)

Deze gelden voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving: burgers, bedrijven en overheid. Hierin staan onder andere beperkingen rondom monumenten. Het besluit biedt kaders voor de effectbeoordeling van verschillende aspecten.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. In het Bkl staan onder andere de rijksomgevingswaarden voor lucht. Deze zijn gelijk aan de Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen. Daarnaast staan er regels in voor onder andere omgevingslawaai en erfgoed. Het besluit biedt kaders voor de effectbeoordeling van verschillende aspecten.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid

(Bbl)

van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk, het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden in de dagperiode en regels omtrent erfgoed. Het besluit biedt kaders voor de effectbeoordeling van verschillende aspecten.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Beleidskader

Omschrijving en relevantie

Programma Energiehoofdstructuur

De energietransitie vraagt meer ruimte in de fysieke leefomgeving, terwijl die ruimte beperkt is. Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) richt zich op de benodigde ruimte voor de nationale onderdelen van het energiesysteem op land voor een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Gemeenten kunnen in het PEH zien welke ruimtelijke ontwikkelingen van het energiesysteem op nationaal niveau worden verwacht.

Provinciaal Omgevingsvisie Provincie Noord-

In december 2018 is de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie

Brabant

bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Dit is van invloed op het Warmteprogramma van de gemeente Eindhoven.

Provinciale Omgevingsverordening

In de provinciale Omgevingsverordening staan regels opgenomen waar overheden, bedrijven en burgers zich aan moeten houden. Voor gemeenten staan er instructieregels in over de uitoefening van taken en bevoegdheden en beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen.

Richtlijn aanvullende maatregelen

De richtlijn bevat aanvullende maatregelen voor de veilige toepassing van

toepassing geothermie Brabant

geothermie in de provincie Noord-Brabant, en is daarmee van invloed op (de effectbeoordeling van) onderzoeksvariant 3.

Regionaal RES Metropoolregio Eindhoven

In de regio Eindhoven werken 21 gemeenten aan een gezamenlijke energiestrategie: de Regionale Energiestrategie (RES). Ook de provincie, twee waterschappen, de netbeheerder en verschillende belanghebbenden werken mee. De RES is een instrument om te komen tot keuzes voor de besparing van energie, de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de benodigde energie-infrastructuur. In de RES zijn ambities afgesproken voor het realiseren van de energietransitie in de regio.

Regionale Structuur Warmte (RSW)

De regie in de warmtetransitie ligt op lokaal niveau, bij de gemeenten. De Regionale Structuur Warmte (RSW) is ondersteunend hieraan, als er in de regio sprake is van bovengemeentelijke aspecten aan de warmtetransitie. De RSW heeft als doel de warmtetransitie te ondersteunen door inzichtelijk te maken waar en welke bovengemeentelijke meerwaarde er is. De RSW 2.0 richt zich op het eindbeeld 2050 met een focus op de ontwikkelingen die op korte termijn richting 2030 nodig zijn.

Gemeentelijk Klimaatverordening gemeente

In de door de Eindhovense gemeenteraad vastgestelde Klimaatverordening is

Eindhoven 2016

vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Dat laatste doel is inmiddels ingehaald door huidige Klimaatwet. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De Klimaatverordening verplicht het college tevens tot het eenmaal in de vijf jaar

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Beleidskader

Omschrijving en relevantie opstellen van een Klimaatplan. Het Warmteprogramma is een van de manieren om deze ambitie te behalen.

Klimaatplan 2021-2025

In het door de gemeenteraad vastgestelde klimaatplan is de doelstelling vertaald naar een korter tijdsbestek: een reductie van 400 kiloton ten opzichte van 2015 per 2025. In het Klimaatplan is daarnaast opgenomen dat Eindhoven zich aansluit bij het landelijke doel om in 2050 volledig circulair te zijn. Het Klimaatplan wordt nader uitgewerkt in een tweejaarlijkse uitvoeringsagenda. In de Uitvoeringsagenda Klimaat 2024-2025 is de gemeenteraad geïnformeerd over het opstellen van een Warmteprogramma.

Klimaatplan 2026-2030

Dit Klimaatplan beschrijft de acties en activiteiten die de gemeente Eindhoven tussen 2026 en 2030 gaat ondernemen om te voldoen aan de klimaatdoelen uit de Klimaatverordening. Het einde van de planperiode markeert het jaar waarin het eerste tussendoel, 55% reductie van de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990, moet zijn behaald. Het plan is daarom primair gericht op de inzet die gepleegd moet worden om dat doel te behalen. Hierin wordt de link met de warmtetransitie nadrukkelijk gelegd.

Transitievisie Warmte (TVW)

In 2021 is de Transitievisie Warmte (TVW) door de raad vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe ze van het aardgas afgaan. Met de beoogde inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten Warmtetransitie (WGIW) per 1 januari 2026 wordt de TVW vervangen door het warmteprogramma en is dat een verplicht programma onder de Omgevingswet. Het eerste warmteprogramma moet uiterlijk 31 december 2026 zijn vastgesteld door het college. Vervolgens moet het elke 5 jaar worden geactualiseerd.

Omgevingsvisie

In 2020 is de eerste Eindhovense omgevingsvisie vastgesteld, vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet: ‘Eindhoven kloppend hart van Brainport’. Deze omgevingsvisie is gemaakt op basis van het toen vastgestelde beleid. De nieuwe omgevingsvisie bouwt voort op de eerste omgevingsvisie en vult deze aan met strategische keuzes en een gebiedsuitwerking. In de visie is onder andere de stedelijke opgave Werken aan de energietransitie van de stad beschreven, waar het Warmteprogramma een uitvoering van is.

Verordening interferentiegebied

Met deze verordening stuurt de gemeente de ordening van de ondergrond. Door

bodemenergie gemeente

een betere ordening van de ondergrond kunnen meer bodemenergiesystemen in

Eindhoven 2022

een interferentiegebied worden geïnstalleerd en worden deze beter benut. Dit leidt tot optimaal en duurzaam gebruik van de ondergrond voor bodemenergie en voorkómt negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of met andere ondergrondse functies. Dit is van invloed op (de effectbeoordeling van) onderzoeksvariant 2.

Het Waterenergieplan (WEP)

De gemeente Eindhoven stelt samen met het Waterschap de Dommel een waterenergieplan op. Het Waterenergieplan geeft een kader voor de potentie van duurzame warmte gevoed door aquathermie, passend binnen de grenzen van ecosystemen en het waterbeheer, waarbij de belangen van waterkwaliteit en

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Beleidskader

Omschrijving en relevantie ecologie (KRW) en leveringszekerheid van de vergunde warmte samen geborgd worden. Dit is van invloed op (de effectbeoordeling van) onderzoeksvariant 4.

Erfgoedverordening

In de Erfgoedverordening zijn de regels voor de cultuurhistorische waardenkaart en archeologische verwachtingen- en waardenkaart opgenomen. Deze verordening is van invloed op het thema Archeologie en Cultuurhistorie.

Gebiedsplan gebiedsgericht

Het Gebiedsplan biedt een kader voor de omgang met

grondwaterbeheer

grondwaterverontreinigingen, waarmee de gewenste dynamische ontwikkelingen (o.a. stedelijke verdichting en energietransitie) in het centrumgebied van Eindhoven meer ruimte krijgen en daarnaast eenvoudiger en meer kosteneffectief uitgevoerd kunnen worden. Het Gebiedsplan geeft tevens invulling aan het duurzaam beheer van het grondwater door het te beschermen, te benutten en te verbeteren. Dit plan is van invloed op het aspect Grondwater.

Water- en Klimaatadaptatie Aanpak

De Water- en Klimaatadaptatie Aanpak 2023 - 2026 is een actualisatie van het

2023 – 2026

Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2022 en geeft het beleidsmatig en financieel kader voor het uitvoeren van de zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater) en de taken voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven. Dit raakt aan warmtetechnieken die gebruik maken van de warmte van water, en is daarmee van invloed op het Warmteprogramma.

Masterplan Bodemenergie

Het doel van het Masterplan Bodemenergie (hierna “Masterplan”) is het waarborgen

Centrumgebied

van voldoende bodemenergie voor zoveel mogelijk initiatienemers door optimaal gebruik te maken van bodemenergie aan de hand van een plankaart en de daarbij behorende gebruiks- of ordeningsregels voor OBES en GBES. Het Masterplan omschrijft de kaders waarbinnen de gemeente Eindhoven het gebruik van bodemenergie reguleert en maximaal faciliteert. Het plan richt zich op het centrumgebied.

Zero-emissiezone en milieuzone

Sinds 1 januari 2025 geldt de zero-emissiezone voor vracht- en bestelvoertuigen in het centrum van Eindhoven. Alle nieuwe bestel- en vrachtwagens moeten vanaf dan volledig uitstootvrij zijn om in de zone te rijden. Dit is van invloed op de thema’s Geluid, Luchtkwaliteit en Klimaat en Energie.

3 Onderzoeksvarianten Het MER moet de gemeente inzicht geven in de milieu-impact van de keuzes die ze maken in het warmteprogramma. Om dit te doen, maken wij onderscheid tussen een aantal onderzoeksvarianten gericht op het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. De onderzoeksvarianten zijn gebaseerd op voor Eindhoven realistische technische oplossingsrichtingen. Deze omschrijven we aan de hand van technische eigenschappen (bron en transport). We houden geen rekening met aanpassingen aan de woning (zoals isoleren).

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Gemeente Eindhoven wil de technieken zo breed mogelijk toepassen. Dat betekent ook dat we uitgaan van aardgasvrij. Er is dus geen piekbelasting voorzien door aardgas, ondanks dat we dit wel zien als een potentieel nuttige tussenstap richting aardgasvrij. We willen dat de onderzoeksvariant een kritischere situatie vertegenwoordigt dan als je aardgas voor de piekvoorziening gebruikt (zo heb je bijvoorbeeld een grotere belasting van duurzame bronnen, een grotere belasting van het elektriciteitsnet; een grotere seizoensopslag). Piekbelasting als tussenstap zien wij als een technisch-financiële optimalisatie, die niet past bij het abstractieniveau van een MER voor het warmteprogramma. Dit planMER onderzoekt de effecten van deze onderzoeksvarianten op de leefomgeving op stadsniveau, waar mogelijk op wijkniveau en voor verschillende thema’s locatiespecifiek. Voor de onderzoeksvarianten zijn nog geen specifieke locaties van installaties en tracés van de infrastructuur bekend. In de praktijk zal per gebied een andere techniek het meest geschikt zijn, en een ander termijn waarop de gemeente met partners met die techniek aan de slag gaat. De koppeling tussen technieken en gebieden is echter nu nog niet precies bekend. Deze hangt af van bijvoorbeeld de lokale beschikbaarheid van bronnen.

3.1

Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel)

Onderzoeksvariant 1 is een lucht-water warmtepomp (ook wel all-electric genaamd). Een luchtwater warmtepomp wordt per huis individueel geïnstalleerd. Er vindt dus geen warmtetransport via ondergrondse leidingen plaats. De warmtepomp bestaat uit een binnen- en buitenunit. De binnenunit moet in huis geplaatst worden en is gemiddeld 70 cm breed, 90 cm hoog en 25 cm diep. De buitenunit kan in de achter- of voortuin of op het dak geplaatst worden en is gemiddeld 80 cm breed, 30 cm diep en 60 cm hoog. De lucht-water warmtepomp gebruikt de warmte uit de lucht als warmtebron. Deze lucht wordt via de buitenunit aangezogen. Vervolgens wordt de warmte uit de buitenlucht verder opgewarmd in de binnenunit met behulp van elektriciteit. De meeste lucht-water warmtepompen kunnen water tot 55 graden verwarmen. Het verwarmde water wordt afgegeven aan een afgiftesysteem (zoals vloerverwarming of radiatoren). Een gemiddelde warmtepomp gaat 15-20 jaar mee. In deze onderzoeksvariant gaan we uit van een conventionele lucht-water warmtepomp. Deze warmtepomp wordt enkel gebruikt voor verwarming. Actieve koeling met een lucht-water warmtepomp is technisch mogelijk, maar dit wordt nog niet breed toegepast. Daarnaast wordt het door experts afgeraden, omdat dit onder andere condensvorming kan veroorzaken op vloeren en muren en veel energie kost.

Daarom gaan we uit van een lucht-water warmtepomp die niet koelt.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Afbeelding 3.1 Schematische weergave van een lucht-water warmtepomp

3.2

Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel)

Onderzoeksvariant 2 is een bodem-water warmtepomp. Deze wordt in deze onderzoeksvariant individueel per huis geïnstalleerd. De bodem-water warmtepomp bestaat uit een systeem van bodemwarmtewisselaar en warmtepomp en wordt ook wel een gesloten bodemenergiesysteem (GBES) genoemd. Een gesloten verticale bodemwarmtewisselaar (bodemlus) wordt geboord op eigen perceel (in de tuin). Er zijn dan één of meerdere boringen nodig. De gesloten bodemlus kan een maximale diepte hebben tot 300 meter, maar gemiddeld heeft een individuele bodem-water warmtepomp een diepte rond de 100 meter. Het bestaat uit een dikwandige kunststofslang, waardoor water of een waterglycolmengsel (brine) wordt gepompt. Na de aanleg van de bodemlus bevindt het systeem zich geheel in de grond en hoor of zie je het niet meer. Aangezien het een individueel systeem is zijn er geen (ondiepe) leidingen voor warmtetransport tussen huizen nodig.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Het water in de bodemlus neemt de warmte van de bodem op en geeft deze door aan de warmtepomp. De temperatuur van de bodem (en dus het water in de bodemlus) heeft gedurende het jaar een constante temperatuur rond de 12-15 graden. Het opgewarmde water uit de bodemlus wordt vervolgens afgegeven aan de warmtepomp. De warmtepomp bevindt zich binnenshuis. Hier wordt de temperatuur uit de bodem verhoogd met behulp van elektriciteit om de woning te kunnen verwarmen. De warmte wordt afgegeven via een lage temperatuur afgiftesysteem (bijvoorbeeld vloerverwarming). De wetgeving voor het ontwerpen, aanleggen en beheren van bodemenergiesystemen zorgt dat er geen verstoring optreedt in de bodem en het grondwater. Met goed beheer van de bronnen hebben gesloten systemen een verwachte levensduur van meer dan 30 jaar. Een bodem-water warmtepomp kan passief koelen door koelte uit de bodem over te dragen aan het afgiftesysteem. Hierbij wordt koud water rondgepompt, de compressor van de warmtepomp staat uit.

Afbeelding 3.2 Schematische weergave van een bodem-water warmtepomp

Kenmerk

3.3

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie

Onderzoeksvariant 3 is een warmtenet met geothermie. Gezien het beperkte aantal warmtebronnen in Eindhoven ziet de gemeente geothermie als een belangrijke potentiële warmtebron voor de warmtetransitie. In deze variant wordt op een beperkt aantal geschikte locaties in de stad een geothermiebron voorzien. Of geothermie daadwerkelijk beschikbaar kan komen is nog afhankelijk van verder onderzoek. Daarom zijn in deze onderzoeksvariant geen specifieke boorlocaties aangemerkt. Een warmtenet met geothermie is een collectief systeem dat, afhankelijk van de diepte en capaciteit van de bron, 4.000 tot 10.000 woningen kan verwarmen. Het bestaat uit drie onderdelen: het systeem om geothermie uit de bodem te krijgen (de warmtebron), een warmtewisselaar die de warmte eruit haalt en vervoert die naar het warmtenet en het warmtenet om de warmte naar de verschillende woningen te transporteren. Geothermie wordt ook wel aardwarmte genoemd. Het systeem bestaat uit diepe boringen om warm water uit de ondergrond vanaf 500 meter tot 4 kilometer diepte te kunnen onttrekken. Dit wordt ook wel een open bodemsysteem genoemd. In Eindhoven zal het om ondiepe geothermie gaan, dat is warmte uit de bodem op een diepte van 500 tot 1500 meter. zullen de boringen tot ongeveer 1 km diep gaan. Hier is de temperatuur van het water in de bodem ongeveer 40-50 graden.

Om het warme water te kunnen winnen, boort een boorbedrijf een productieput en een injectieput. Vanuit de productieput pompt het bedrijf het water omhoog. Een warmtewisselaar haalt de warmte eruit en vervoert die naar het warmtenet. Het afgekoelde water gaat via de injectieput terug in dezelfde diepe aardlaag. Doordat de putten in de ondergrond op 1,5 tot 2 kilometer afstand van elkaar staan, koelt de warmwaterbron niet te snel af. De putten samen heten een doublet. De boorlocatie neemt bovengronds: 0,6 tot 1 hectare (1 à 1,5 voetbalveld) in beslag. De installatie met de warmtewisselaar neemt ongeveer 0,5 voetbalveld aan oppervlakte in beslag. De temperatuur van de aardwarmte is nog niet hoog genoeg om door het warmtenet te transporteren naar huishoudens. In een warmte overdracht station staat een grote collectieve waterwater warmtepomp die de temperatuur verder opgehoogd tot ongeveer 70 graden. Er is een back-up installatie nodig voor koude perioden en tijdens onderhoud. De gemeente gaat voor deze onderzoeksvariant uit van een elektrische back up voorziening. De warmte wordt vervolgens via een warmtenet naar de woningen getransporteerd. Een warmtenet bestaat uit verschillende onderdelen.

Vanuit de water-water warmtepomp stroomt het warme water via een hoofdleiding naar distributienetten, die vervolgens via overdrachts- en onderstations de warmte afleveren aan gebouwen en woningen. Het leidingnetwerk ligt op ongeveer 1 meter diepte. De hoofdwarmteleiding heeft een diameter van ongeveer 45 cm en de distributieleidingen een diameter van ongeveer 15 cm. Overdrachts- en onderstations zorgen ervoor dat de druk in de leidingen niet te hoog wordt. De overdrachtstations voor woonwijken zitten in kleine gebouwen in de openbare ruimte. Bij levering aan hoogbouw of utiliteitsgebouwen kan een onderstation in de

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

technische ruimte van het gebouw zitten. Het aantal woningen en gebouwen dat wordt aangesloten per overdracht- of onderstation varieert sterk. Door de aardwarmteproductie koelt de ondergrond rond de injectieput op de lange termijn (30-40 jaar) af. Als de watertemperatuur te ver daalt en de productie stopt, kan mogelijk vanaf dezelfde locatie een nieuwe put worden geboord. Het opnieuw opwarmen van de bron duurt tientallen jaren. Een warmtenet met geothermie kan gebruikt worden om woningen passief te koelen. Koel water uit de bodem wordt dan rondgepompt door de woning.

Afbeelding 3.3 Schematische weergave van een warmtenet met geothermie als warmtebron

3.4

Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO)

Onderzoeksvariant 4 is een warmtenet met aquathermie en een WKO als back-up. Aquathermie is het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit water, in het geval van Eindhoven kan dit oppervlaktewater (thermische energie uit oppervlaktewater, TEO) zijn of afvalwater (thermische energie uit afvalwater, TEA). Het gaat daarbij om warmte vanuit de in Eindhoven gelegen rioolwaterzuivering, de Dommel, het Beatrixkanaal en het Eindhovens kanaal. Daarnaast zijn er nog een paar grotere stilstaande wateren in de stad zoals de Karpendonkse Plas, IJzeren Man en Oude Gracht. Op enkele locaties wordt onttrekking van warmte uit deze wateren voorzien. Het is nog niet duidelijk waar dit precies gaat plaatsvinden. Een warmtenet met aquathermie is een collectief systeem dat, afhankelijk van de capaciteit van de bron en de grootte van het warmtenet enkele teintallen woningen tot een hele wijk kan verwarmen. Het bestaat uit vier onderdelen: een warmtewisselaar om de warmte uit het water te halen, een

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

WKO om de warmte in de zomer op te slaan voor de winter, een water-water warmtepomp om de temperatuur van de warmte verder te verhogen en het warmtenet om de warmte naar de verschillende woningen te transporteren. TEO kent open en gesloten systemen. Bij een open systeem wordt het (gefilterde) oppervlaktewater de installatie ingepompt om bij de warmtewisselaar te komen. Bij een gesloten systeem ligt de warmtewisselaar in het oppervlaktewater. Bij TEO met een WKO wordt in de zomer warmte uit oppervlaktewater opgeslagen in een WKO. TEO is mogelijk zonder WKO, met name bij grote hoeveelheden watervolumestroom. In Eindhoven gaan we in principe ervanuit dat open TEO systemen gebruikt worden. Bij TEA wordt warmte gewonnen uit afvalwater (effluent) van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) voor de lozing. Het effluent is rond de 15°C. Een WKO is een ondergrondse opslag voor warmte. In Eindhoven zal het gaan om een open bodemsysteem. Hierbij wordt het warme water in watervoerende lagen in de ondiepe grond (aquifers) gebracht. Deze WKO’s zijn meestal tussen de 50 en 250 meter diep, en slaan water van maximaal 25°C op. Een WKO beslaat doorgaans één hectare aan oppervlakte bovengronds en heeft meestal een diepte tussen de 50 en 150 meter. Voor WKO zijn idealiter 200 of meer woningen nodig die hierop aansluiten. Bij minder is het maatwerk.

Dit betekent dat er idealiter maximaal 600 WKO’s nodig zijn om heel Eindhoven op een WKO aan te laten sluiten. Een WKO kan meer dan dertig jaar mee gaan. Eindhoven heeft een groot potentieel aan warmte opslag in de bodem middels WKO’s (Warmte Koude Opslag). Eventueel kunnen verschillende WKO’s met elkaar gekoppeld zijn om de robuustheid van het systeem te vergroten. De warmte uit het oppervlakte- of afvalwater (al dan niet opgeslagen in een WKO) zal voordat het richting de woningen gaat nog verder verwarmd moeten worden. Dit gebeurt middels een centrale water-water warmtepomp in een warmteoverdrachtstation. De warmte wordt vervolgens via een warmtenet naar de woningen getransporteerd. Een warmtenet bestaat uit verschillende onderdelen. Vanuit de water-water warmtepomp stroomt het warme water via een hoofdleiding naar distributienetten, die vervolgens via overdrachts- en onderstations de warmte afleveren aan gebouwen en woningen. Het leidingnetwerk ligt op ongeveer 1 meter diepte. De hoofdwarmteleiding heeft een diameter van ongeveer 45 cm en de distributieleidingen een diameter van ongeveer 15 cm. Overdrachts- en onderstations zorgen ervoor dat de druk in de leidingen niet te hoog wordt. De overdrachtstations voor woonwijken zitten in kleine gebouwen in de openbare ruimte.

Bij levering aan hoogbouw of utiliteitsgebouwen kan een onderstation in de technische ruimte van het gebouw zitten. Een warmtenet met aquathermie kan passief koelen. Tijdens de zomer kan het koude water uit de WKO gehaald worden en naar het afgiftesysteem geleid worden om panden te koelen. Het warme water dat hierbij ontstaat wordt teruggepompt in de warme bron, zodat het in de winter weer gebruikt kan worden voor verwarming.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Afbeelding 3.4 Schematische weergave van een warmtenet met aquathermie als warmtebron met een WKO

3.5

Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp

Onderzoeksvariant 5 is een buurtwarmtenet met een centrale lucht-water warmtepomp. Het is een collectief systeem waarmee 400-800 woningen met één buurtwarmtepomp gevoed kunnen worden. Het systeem bestaat uit twee onderdelen, namelijk de centrale buurtwarmtepomp een buurtwarmtenet. De lucht-water warmtepomp gebruikt de warmte in lucht als warmtebron. De werking is vergelijkbaar met een individuele warmtepomp maar dan een stuk groter. De installatie neemt ongeveer een half voetbalveld in beslag. De installatie zuigt buitenlucht aan en haalt hier door middel van een warmtewisselaar warmte uit. Vervolgens wordt de warmte uit de buitenlucht verder opgewarmd met behulp van elektriciteit. Een centrale lucht-water warmtepomp kan warmte produceren van 50 tot 70 graden. Het verwarmde water wordt afgegeven aan het warmtenet. De warmte wordt vervolgens naar de woningen getransporteerd. Het leidingnetwerk ligt op ongeveer 1 meter diepte. De hoofdwarmteleiding heeft een diameter van ongeveer 45 cm en de distributieleidingen een diameter van ongeveer 15 cm. Doordat een centrale lucht-water warmtepomp een lokale bron is en het bijbehorende warmtenet een buurtwarmtenet is, zijn er geen warmteoverdrachtstations nodig.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Actieve koeling met een lucht-water warmtepomp is technisch mogelijk, maar dit wordt nog niet breed toegepast. Daarnaast wordt het door experts afgeraden, omdat dit onder andere condensvorming kan veroorzaken op vloeren en muren en veel energie kost. Daarom gaan we uit van een collectieve lucht-water warmtepomp die niet koelt.

Afbeelding 3.5 Schematische weergave van een warmtenet met buurtwarmtepomp als warmtebron

4 Milieueffecten Hoofstuk 3 beschrijft de vijf onderzoeksvarianten die de gemeente Eindhoven onderzoekt om aardgasvrij te worden. De milieueffecten van deze onderzoeksvarianten zijn onderzocht voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase voor de verschillende thema’s. In dit hoofdstuk beschrijven we het beoordelingskader per aspect, gevolgd door een beschrijving van de algemene milieueffecten en daarna een locatiespecifieke beschrijving indien relevant.

4.1

Geluid

4.1.1

Effectbeschrijving cumulatieve geluidshinder

Het effect van het Warmteprogramma op het thema geluid wordt beoordeeld aan de hand van de indicator gecumuleerd geluid, uitgedrukt in dB Lden (decibel Level-Day-Evening-Night). Hierbij kijken we naar de toename van ernstig geluidgehinderden (in de categorie 55-59 dB Lden) door de aanleg en het gebruik van de warmtetechnieken en voor zover relevant de warmtebronnen per onderzoeksvariant. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is geluidshinder in de aanlegfase van tijdelijke aard is, terwijl geluidshinder in het gebruik langdurig is. Vanwege het permanente karakter van het gebruik heeft dezelfde mate van geluidshinder (in dB) een grotere impact.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Een (volledig) kwantitatieve beoordeling is niet mogelijk omdat voor het uitvoeren van berekeningen van de geluidbelastingen op woningen al informatie nodig is over de precieze situering, omvang, hoogte en het geluidvermogen van geluidbronnen tot woningen. Deze informatie is nog niet bekend. De beoordeling is derhalve kwalitatief en semi-kwantitatief uitgevoerd. In onderstaande tabel zijn de klassen en klassegrenzen aangegeven. Tabel 4.1 Beoordelingskader cumulatieve geluidshinder Pictogram ++ + 0 --

Beoordeling

Klassegrenzen

Zeer positief effect ten opzichte van

Aantal ernstig gehinderden door geluid neemt

referentiesituatie

sterk af.

Positief effect ten opzichte van referentiesituatie Geen effect ten opzichte van referentiesituatie

Aantal ernstig gehinderden door geluid neemt af. Aantal ernstig gehinderden blijft gelijk.

Negatief effect ten opzichte van

Aantal ernstig gehinderden door geluid neemt

referentiesituatie

toe.

Zeer negatief effect ten opzichte van

Aantal ernstig gehinderden door geluid neemt

referentiesituatie

sterk toe.

Bijzondere vormen van hinderlijk geluid zijn laagfrequent geluid en tonaal geluid. Tonaal geluid wordt als extra storend ervaren omdat het (ten opzichte van breed spectrale achtergrondgeluiden) meer opvalt en minder goed uitgefilterd kan worden en speelt vooral een rol bij de gebruiksfase omdat het dan om permanente bronnen gaat die in de stille nachtperiode extra opvallen. Bij beoordeling van het geluid van deze bronnen aan de geldende grenswaarden voor geluid dient rekening gehouden te worden met een (variabele) toeslag om rekening te houden met de extra hinderlijkheid. Dit geldt voor alle geluidbronnen die in de gebruiksfase het Warmteprogramma tonaal geluid kunnen uitstralen zijn bijvoorbeeld (lucht)warmtepompen, ventilatoren, transformatoren en pompen. Tonaal geluid wordt daarom niet afzonderlijk beoordeeld. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid met een frequentie tussen de 20 en 125 Hz. Deze lage frequenties worden over de afstand minder gedempt waardoor op grotere afstand hoorbaar is dan hoge tonen LFG. Daarbij wordt LFG minder goed gedempt door gevels (van de gebouwen waarin de bronnen staan of woninggevels) en is het minder goed af te schermen door geluidschermen. isolatiemateriaal en geluidschermen. LFG wordt vaak ervaren als een zoemend, brommend of drukkend geluid en de waarneming de ervaren hinderlijkheid is sterk verschillend per persoon.

Dit heeft te maken met de gevoeligheid van het gehoor, mate van maskering door omgevingsgeluid en persoonlijke omstandigheden (bijvoorbeeld stressgevoeligheid, leeftijd). LFG kan veroorzaakt worden door verschillende bronnen. Mogelijk relevante bronnen in de gebruiksfase van het Warmteprogramma zijn transformatoren, buisleidingen, vloeistofpompen (bijvoorbeeld bij geothermieputten) en warmtepompen (bij onvoldoende akoestisch ontkoppeling). Toepassen van akoestische isolatiematerialen rondom de leidingen, installeren van

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

trillingsdempers of resonatoren, gebruik van flexibele koppelingen en optimalisatie van de routes kunnen de kans op optreden van laagfrequent geluid sterk verminderen. Er wordt uitgegaan van toepassing van de stand der techniek en volgen van richtlijnen (zoals het plaatsen van verdeelstations en transformatorhuisjes op tenminste 4 meter afstand van woningen) voor de mogelijk relevante LFG bronnen voor alle onderzoeksvarianten, waarmee de kans op het optreden van laagfrequent geluid voor de varianten laag en niet onderscheidend is. 4.1.1.1 Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase De aanlegfase van individuele lucht-water warmtepompen duurt voor deze onderzoeksvariant zeer kort. Daarnaast zijn er voor de aanleg geen geluidsintensieve werkzaamheden nodig en beperkt de hoorbaarheid van werkzaamheden zich tot de direct naastgelegen woningen. Ten behoeve van deze onderzoeksvariant 1 moet het elektriciteitsnet relatief, ten opzichte van de andere warmtetechnieken, het meest en meest fijnmazig verzwaard worden. Hiervoor is de aanleg van transformatorhuisjes en elektriciteitskabels nodig. De werkzaamheden bij de aanleg hiervan kunnen tot geluidshinder leiden, maar zullen kort duren. Hiermee is er geen sprake van significant extra geluidshinder, en daarmee is het effect van deze onderzoeksvariant op geluid in de aanlegfase neutraal (0).

Gebruiksfase Bij het grootschalig gebruik van individuele lucht-water-warmtepompen in drukke en gemiddelde wijken (met een gemiddelde tot hoge bebouwingsdichtheid) kan er cumulatie van geluid van meerdere buitenunits optreden omdat de buitenunits dicht bij elkaar staan en op relatief korte afstand van woningen. Volgens het Bbl geldt een maximaal geluidniveau van 40 dB(A) (in de avond- en nachtperiode) op de erfgrens van de buren. Toetsing aan deze grenswaarde vindt plaats na toepassen van een eventuele wettelijke toeslag voor tonaal geluid van 0 tot maximaal 6 dB. Bij samenloop van het geluid van twee installaties mag dan maximaal sprake zijn van een gecumuleerde geluid van 43 dB(A) en bij samenloop van drie pompen van 45 dB(A). Bij volcontinue bedrijf op maximale betekent dit een etmaalwaarde3 van 55 dB(A). Dit komt overeen met een Lden4 van maximaal circa 53 dB (omdat er vanuit gegaan mag worden dat deze situatie zich niet op alle dagen van het jaar voor zal doen). Hiermee kan sprake zijn van een zekere bijdrage5 aan de geluidbelasting in de categorie Lden 55-59 dB voor ernstig gehinderden. In drukke wijken kan deze samenloop van het geluid van individuele warmtepompen leiden tot een toename van het aantal ernstig geluidgehinderden.

Daarbij merken we nog wel op dat warmtepompen in hoofdzaak op de hoogste capaciteit (waarbij het meest geluid geproduceerd wordt) in bedrijf zullen zijn op koudere dagen waarbij ramen en deuren gesloten zijn. Het effect wordt daarmee gemitigeerd omdat individuele warmtepompen volgens de geldende normen en bij een gemiddelde tot goede geluidwering van de gevels van een woning niet (of nauwelijks) in woningen

3

De etmaalwaarde is de hoogste waarde van de geluidsbelasting (in dB) in de dagperiode, de avondperiode + 5 dB of de nachtperiode + 10 dB. 4 Bij volcontinu bedrijf gedurende een heel jaar is het Lden niveau circa 2 dB lager dan de etmaalwaarde. 5 Als de geluidbelasting van de nieuwe bron minder dan 10 dB lager is dan het heersende geluidsniveau, dan is er sprake van een relevante bijdrage aan het geluidsniveau door de nieuwe bron.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

hoorbaar zouden moeten zijn. Wij schatten daarom in dat er hoogstens sprake zal zijn van een lichte toename van het aantal ernstig gehinderden. Naast het luchtgeluid van de buitenunit bestaat ook het risico van contactgeluid bij aanpandige woningen. Dit is op voorhand niet te kwantificeren en zou bij een voldoende trillingvrije opstelling ook niet op mogen treden. Bij geschakelde woningen (rijtjeshuizen, twee onder één kap en appartementencomplexen) is dit negatieve effect echter niet uit te sluiten. De beschreven mogelijke negatieve effecten zullen niet, of in ieder geval aanzienlijk minder optreden in groene wijken met een lage woningdichtheid, omdat de afstand tussen woningen (en daarmee van de installatie tot de woningen) groter is en er minder geschakelde woningen zullen zijn. Deze variant heeft in drukke wijken en gemiddelde wijken in de gebruiksfase mogelijk een negatief effect (-). In groene wijken is dit effect neutraal (0). 4.1.1.2

Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel)

Aanlegfase Bij de aanleg van individuele bodem-water warmtepompen wordt bij iedere woning een (diepe) boring uitgevoerd met behulp van geluidsintensieve machines (boorinstallaties). Deze werkzaamheden kunnen enkele dagen duren en leiden bij de buren naar verwachting tot ernstige geluidhinder. Hiermee heeft onderzoeksvariant 2 in de aanlegfase een negatief effect (-) voor de indicator geluid. Gebruiksfase Bij bodem-water warmtepompen worden geen buitenunits geplaatst. Bij deze onderzoeksvariant is daarom geen sprake van relevante geluidemissie naar de omgeving tijdens de gebruiksfase. Hiermee wordt het effect op geluidshinder in de gebruiksfase als neutraal (0) beoordeeld. 4.1.1.3 Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie Aanlegfase De aanleg van een warmtenet met geothermie gaat gepaard met geluidsintensieve werkzaamheden, zoals boren en graven, ten behoeve van de aanleg van ondergrondse leidingen. Deze werkzaamheden zijn verder verwijderd van huizen dan bij de aanleg van warmtetechnieken die in of aan de woning plaatsvinden, maar duren langer. De aanleg van een stadsbreed warmtenet met geothermie heeft een negatief effect (-) voor geluid. Gebruiksfase Het geluid van centrale installaties moet voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (op dit moment 50 dB(A) etmaalwaarde op de gevel van woningen).

Het ligt niet voor de hand dat cumulatie van meerdere centrale installaties zal plaatsvinden. Bij voldoende geluidbeperkende voorzieningen aan de centrale installaties en/of voldoende afstand tot de woningen zal hieraan voldaan kunnen worden. Bij toepassing van een geruisloze afleverset (volgens het Bbl geldt hiervoor een maximum van 30 dB(A) in de gevoelige ruimtes in woning) is

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

er ook geen sprake van relevant geluid in woningen. Het risico op geluidshinder op buurtniveau wordt als laag ingeschat en toepassing van deze onderzoeksvariant wordt neutraal (0) beoordeeld. 4.1.1.4 Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO) Aanlegfase De aanleg van een warmtenet met aquathermie gaat gepaard met geluidsintensieve werkzaamheden, zoals boren en graven, ten behoeve van de aanleg van ondergrondse leidingen. Deze werkzaamheden kunnen lang duren. De aanleg van een stadsbreed warmtenet heeft een negatief effect (-) voor geluid. Gebruiksfase Het geluid van centrale installaties moet voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (op dit moment 50 dB(A) etmaalwaarde op de gevel van woningen). Het ligt niet voor de hand dat cumulatie van meerdere centrale installaties zal plaatsvinden. Bij voldoende geluidbeperkende voorzieningen aan de centrale installaties en/of voldoende afstand tot de woningen zal hier aan voldaan kunnen worden. Bij toepassing van een geruisloze afleverset (volgens het Bbl geldt hiervoor een maximum van 30 dB(A) in de gevoelige ruimtes in woning) is er ook geen sprake van relevant geluid in woningen. Het risico op geluidshinder op buurtniveau wordt als laag ingeschat en toepassing van deze onderzoeksvariant wordt neutraal (0) beoordeeld. 4.1.1.5

Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp

Aanlegfase De aanleg van een warmtenet gaat gepaard met geluidsintensieve werkzaamheden, zoals boren en graven, ten behoeve van de aanleg van ondergrondse leidingen. Deze werkzaamheden kunnen lang duren. De aanleg van een stadsbreed warmtenet heeft een negatief effect (-) voor geluid. Gebruiksfase Het geluid van centrale installaties moet voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (op dit moment 50 dB(A) etmaalwaarde op de gevel van woningen). Het ligt niet voor de hand dat cumulatie van meerdere centrale installaties zal plaatsvinden. Bij voldoende geluidbeperkende voorzieningen aan de centrale installaties en/of voldoende afstand tot de woningen zal hier aan voldaan kunnen worden. Bij toepassing van een geruisloze afleverset (volgens het Bbl geldt hiervoor een maximum van 30 dB(A) in de gevoelige ruimtes in woning) is er ook geen sprake van relevant geluid in woningen. Het risico op geluidshinder op buurtniveau wordt als laag ingeschat en toepassing van deze onderzoeksvariant wordt neutraal (0) beoordeeld.

Kenmerk

4.1.2

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Effectbeoordeling cumulatieve geluidshinder

Tabel 4.2 Effectbeschrijving cumulatieve geluidshinder

Aanleg/ gebruiksfase

Lucht-water warmtepomp

Bodemwater

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met centrale

Aanlegfase Gebruiksfase

0 -1) / 02)

warmtepomp 0

geothermie 0

aquathermie 0

warmtepomp 0

1)

In drukke en gemiddelde wijken (met een gemiddelde tot hoge bebouwingsdichtheid)

2)

In groene wijken (met een lage bebouwingsdichtheid)

4.1.3 Locatiespecifieke effectbeschrijving cumulatieve geluidshinder In Eindhoven is de geluidsbelasting het hoogst langs verschillende verkeersaderen, zoals wegen, treinrails en het vliegveld. Daarnaast wordt in het uitgaanscentrum Stratumseind, de verschillende industrieterreinen en bij het Philipsstadion een hogere geluidsbelasting ervaren door de activiteiten op die locaties. Een verdere toename van de geluidsbelasting in deze gebieden door het gebruik van de onderzoeksvarianten is extra onwenselijk. Vanaf 1 januari 2025 geldt de zero-emissiezone voor vracht- en bestelvoertuigen in het centrum van gemeente Eindhoven (Figuur 4.1). Vanaf 2030 geldt er een zero-emissiezone in het centrum voor alle voertuigen6. Daarnaast heeft de gemeente Eindhoven een routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen opgesteld (Figuur 4.2). Hiermee zet de gemeente in op haar ambitie om vanaf 2030 zoveel mogelijk zero emissie te werken. De routekaart wordt stadsbreed ingezet bij projecten waar gemeente Eindhoven de opdrachtgever is. Dit zou betekenen dat er in 2035, het richtjaar van het warmteprogramma, er bij de aanleg van de warmtetechnieken enkel elektrische voertuigen gebruikt mogen worden. Daarnaast moeten ook de lichte werktuigen en gereedschap elektrisch zijn. Voor zwaardere werktuigen is nog geen zero emissie eis opgenomen.

Elektrisch materieel is doorgaans stiller dan materieel dat door verbrandingsmotoren wordt aangedreven. Hiermee beperkt het de geluidshinder, al zijn ze niet volledig geruisloos. Daarnaast is er nog geen zero emissie verplichting voor zwaardere werktuigen. De impact van onderzoeksvarianten 2, 3, 4 en 5 wordt hiermee enigszins vermindert, maar de onderzoeksvarianten houden een negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie.

https://www.eindhoven.nl/stad-en-wonen/verkeer/zero-emissiezone-en-milieuzone

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Figuur 4.1 Gebied van de huidige zero-emissiezone en de milieuzone in Eindhoven

Figuur 4.2 Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Kenmerk

4.2

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Luchtkwaliteit

Onderstaande paragraaf beschrijft de effecten die betrekking hebben op de luchtkwaliteit in de gemeente Eindhoven. De aspecten die zijn beoordeeld betreffen stikstofdioxide (NO2), PM10 en PM2,5. 4.2.1 Effectbeschrijving stikstofdioxide Voor het aanleggen van de onderzoeksvarianten moeten werkzaamheden worden verricht. Bij deze indicator wordt gekeken naar hoeveel stikstofoxide wordt uitgestoten bij deze werkzaamheden. In de gebruiksfase vindt er bij geen van de onderzoeksvarianten uitstoot plaats. Tabel 4.3 Beoordelingskader stikstofoxide Pictogram ++

+

0

Beoordeling

Klassegrenzen

Zeer positief effect ten opzichte van

Aanlegfase: N.v.t.

referentiesituatie

Gebruiksfase: Er is geen uitstoot.

Positief effect ten opzichte van referentiesituatie Geen effect ten opzichte van referentiesituatie

Aanlegfase: N.v.t. Gebruiksfase: Er is nog een geringe uitstoot maar significant minder dan in de referentiesituatie. Aanlegfase: Er is geen significante uitstoot door het gebruik van werktuigen of gereedschap. Gebruiksfase: de uitstoot is hetzelfde als in de referentiesituatie. Aanlegfase: Er is uitstoot door het gebruik van werktuigen en/of

-

Negatief effect ten opzichte van

gereedschap. De werkzaamheden zijn beperkt in intensiteit en /of duur.

referentiesituatie

Gebruiksfase: De uitstoot is hoger dan in de referentiesituatie, nog niet significant. Aanlegfase: Er is veel uitstoot door het gebruik van werktuigen en/of

--

Zeer negatief effect ten opzichte van

gereedschap. Het is een intensieve en langdurige aanlegfase.

referentiesituatie

Gebruiksfase: De uitstoot is significant hoger dan de referentiesituatie en heeft een blijvend negatief effect op de omgeving.

4.2.1.1 Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Bij de aanleg van individuele lucht-water warmtepompen worden werkzaamheden aan het huis van bewoners verricht. Het gebruik van mobiele werktuigen is hierbij heel beperkt, waardoor er geen sprake is van significante extra uitstoot. De aanlegfase heeft een neutraal effect (0). Gebruiksfase Doordat er bij een lucht-water warmtepomp geen verbranding plaatsvindt zoals bij een cvinstallatie, is er geen uitstoot in de gebruiksfase. De onderzoeksvariant is daarom zeer positief (++) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie waarin nog gasstook plaatsvindt. 4.2.1.2

Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel)

Aanlegfase Voor de aanleg van individuele bodem-water warmtepompen wordt er voor elke woning een gesloten bodemenergiesysteem aangelegd, waarvoor bij iedere woning een boring uitgevoerd

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

wordt. De aanlegfase is van relatief korte duur per woning, maar voor de boorwerkzaamheden is wel zwaar materiaal vereist. De onderzoeksvariant heeft een negatief effect (-). Gebruiksfase Doordat er bij een bodem-water warmtepomp geen verbranding plaatsvindt zoals bij een cvinstallatie, is er geen uitstoot in de gebruiksfase. De onderzoeksvariant is daarom zeer positief (++) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. 4.2.1.3 Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie Aanlegfase Voor de aanleg van een warmtenet met geothermie zijn boorwerkzaamheden op grotere diepte nodig. Dit is een intensief proces waarbij zware mobiele werktuigen nodig zijn. Ook is de duur van de aanlegfase relatief lang waardoor er over langere tijd uitstoot plaatsvindt. Deze variant heeft een zeer negatief effect (--) op de indicator stikstofoxide. Gebruiksfase Bij het gebruik van een warmtenet met geothermie vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot is. De gebruiksfase van deze onderzoeksvariant is daarom zeer positief (++) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. 4.2.1.4 Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO) Aanlegfase Het aanleggen van een warmtenet met aquathermie vindt plaats in een groot gebied en zal ook een langere tijd in beslag nemen. Er wordt op beperkte diepte in de grond gewerkt, waardoor er minder zwaar materieel nodig is.

De variant heeft een negatief (-) effect ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Bij het gebruik van een warmtenet met aquathermie vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot is. De gebruiksfase van deze onderzoeksvariant is daarom zeer positief (++) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. 4.2.1.5 Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp Aanlegfase De werkzaamheden voor de aanleg van een warmtenet met centrale lucht-water warmtepompen vinden lokaal plaats. De duur van de werkzaamheden is beperkt. Daarnaast wordt er op een beperkte diepte gewerkt, waardoor de inzet van werktuigen matig intensief is. De onderzoeksvariant heeft een negatief (-) effect ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Bij het gebruik van een warmtenet met centrale lucht-water warmtepompen vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot is. De onderzoeksvariant is daarom zeer positief (++) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

Kenmerk

4.2.2

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Effectbeoordeling stikstofdioxide

Tabel 4.4 Effectbeschrijving stikstofdioxide Aanleg/

Lucht-water

Bodem-water

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met

gebruiksfase

warmtepomp

warmtepomp

geothermie

aquathermie

centrale

Aanlegfase

0

-

--

-

-

Gebruiksfase

++

++

++

++

++

warmtepomp

4.2.3 Locatiespecifieke beschrijving stikstofdioxide Vanaf 1 januari 2025 geldt de zero-emissiezone voor vracht- en bestelvoertuigen in het centrum van gemeente Eindhoven (zoals weergegeven in Figuur 4.1 onder thema Geluid). Vanaf 2030 geldt er een zero-emissiezone voor alle voertuigen. Daarnaast heeft de gemeente Eindhoven een routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen opgesteld. Hiermee zet de gemeente in op haar ambitie om vanaf 2030 zoveel mogelijk zero emissie te werken. De routekaart wordt stadsbreed ingezet bij projecten waar gemeente Eindhoven de opdrachtgever is. Dit zou betekenen dat in 2035, het richtjaar van het warmteprogramma, bij de aanleg van de warmtetechnieken enkel elektrische voertuigen gebruikt mogen worden. Ook de lichte werktuigen en gereedschap moeten dan elektrisch zijn. Voor zwaardere werktuigen is nog geen zero emissie eis opgenomen. Elektrisch materieel stoot geen stikstofoxide uit. De uitstoot van onderzoeksvarianten 2, 3, 4 en 5 kan daarmee beperkt worden tot een negatief tot neutraal effect afhankelijk van de mate waarin elektrisch gewerkt wordt. 4.2.4

Effectbeschrijving luchtkwaliteit PM10

Voor het aanleggen van de onderzoeksvarianten moeten werkzaamheden worden verricht. Bij deze indicator wordt gekeken naar hoeveel PM10 wordt uitgestoten bij deze werkzaamheden. In de gebruiksfase vindt er bij geen van de onderzoeksvarianten uitstoot plaats. Tabel 4.5 Beoordelingskader PM10 Pictogram ++

+

Beoordeling

Klassegrenzen

Zeer positief effect ten opzichte van

Aanlegfase: N.v.t.

referentiesituatie

Gebruiksfase: Er is geen uitstoot.

Positief effect ten opzichte van referentiesituatie

Aanlegfase: N.v.t. Gebruiksfase: Er is nog een geringe uitstoot ten opzichte van de referentiesituatie. Aanlegfase: Er is geen significante uitstoot door

0

Geen effect ten opzichte van

het gebruik van werktuigen of gereedschap.

referentiesituatie

Gebruiksfase: de uitstoot is hetzelfde als in de referentiesituatie. Aanlegfase: Er is uitstoot door het gebruik van

-

Negatief effect ten opzichte van

werktuigen en/of gereedschap. De

referentiesituatie

werkzaamheden zijn beperkt in intensiteit en /of duur.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Gebruiksfase: De uitstoot is hoger dan in de referentiesituatie, nog niet significant. Aanlegfase: Er is veel uitstoot door het gebruik van werktuigen en/of gereedschap. Het is een --

Zeer negatief effect ten opzichte van

intensieve en langdurige aanlegfase.

referentiesituatie

Gebruiksfase: De uitstoot is significant hoger dan de referentiesituatie en heeft een blijvend negatief effect op de omgeving.

4.2.4.1 Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Bij de aanleg van individuele lucht-water warmtepompen worden werkzaamheden aan het huis van bewoners verricht. Het gebruik van mobiele werktuigen is hierbij heel beperkt, waardoor er geen sprake is van significante extra uitstoot. De aanlegfase heeft een neutraal effect (0). Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM10 is. De variant heeft een zeer positief (++) effect in de gebruiksfase. 4.2.4.2 Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Er zijn voor elke woning matig intensieve boorwerkzaamheden nodig waarvoor niet-elektrisch materieel wordt gebruikt, maar de aanleg per woning duurt kort. De variant heeft een negatief (-) effect ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM10 is. De variant heeft een zeer positief (++) effect in de gebruiksfase. 4.2.4.3

Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie

Aanlegfase Voor de aanleg van een warmtenet met geothermie dient er tot grotere diepte geboord te worden. Dit een intensief proces waarvoor de inzet van zware mobiele werktuigen vereist is. De aanlegfase betreft een langere periode. De variant scoort daarom zeer negatief (--) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM10 is De variant heeft een zeer positief (++) effect in de gebruiksfase.

Kenmerk

4.2.4.4

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO)

Aanlegfase Het aanleggen van een warmtenet met aquathermie vindt plaats in een groot gebied en zal ook een langere tijd in beslag nemen. Er wordt op beperkte diepte in de grond gewerkt, waardoor er minder zwaar materieel nodig is. De variant heeft een negatief (-) effect ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM10 is. De variant heeft een zeer positief (++) effect in de gebruiksfase. 4.2.4.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15892092/1