Bijlage 2 - Plan-MER onderzoeksrapport
Tekst van het document
o
De meest recente versie van de "Handreiking voor beoordeling van ecologische effecten van TEO-systemen" dient gehanteerd te worden bij vergunningverlening, waarbij ook cumulatieve effecten in acht genomen dienen te worden
o
Ook zijn er steeds meer technieken op de markt die geen of minder effect hebben op de watertemperatuur of waar fysieke aantasting door filters en warmtewisselaars niet meer plaatsvinden. Daarom moet de best beschikbare techniek toegepast worden
Groen & natuur Beschermde soorten o o o o
Doe onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten voorafgaand aan de locatiekeuze van installaties en gebouwen Bouw natuurinclusief Houd rekening met gevoelige periodes voor soorten, zoals het broedseizoen. Hanteer het Soortenmanagementplan van de gemeente Neem geluiddempende maatregelen (onderzoeksvariant 1 – individuele lucht-water
warmtepomp), zoals beschreven bij Geluid Beschermde gebieden Natura 2000 o Gebruik materieel met lage of geen stikstofuitstoot
Kenmerk
o
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Plaats nieuwe installaties en gebouwen op afstand van Natura2000 gebieden
Beschermde gebieden NNN o Onderzoeksvariant 4 – warmtenet met aquathermie Onderzoek in welk oppervlaktewater effecten kunnen optreden
Loos water in de minst gevoelige delen Zuiver het te lozen water
o
Algemeen
o o o
Bundel leidingstelsel met huidige kabels en leidingen Leg leidingstelstels niet onder groenstroken Plaats installaties en gebouwen niet op plekken waar hoogwaardig stadsgroen en
Plaats gebouwen en installaties op voldoende afstand van het NNN Loos geen water in wateren die zijn aangemerkt als NNN Stadsgroen en multifunctioneel groen
o
multifunctioneel groen ligt maar op al verharde plekken Bouw natuurinclusief
Ruimtelijke kwaliteit
Zichtbaarheid en beleving o Onderzoeksvariant 1 – individuele lucht-water warmtepomp: plaats buitenunits op slecht zichtbare plekken en tref maatregelen om de buitenunit in het straatbeeld te laten passen o
Onderzoeksvariant 3 – warmtenet met geothermie, 4 – warmtenet met aquathermie en 5 – warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp: Zorg dat de aanleg van leidingstelsels en installaties niet ten koste gaat
van groen Herstel bestrating in de oorspronkelijke staat Zorg dat installaties passen bij de stijl en materialisatie van de
bestaande bebouwing Bovengronds ruimtegebruik o Onderzoeksvariant 1 – individuele lucht-water warmtepomp, 3 – warmtenet met
geothermie, 4 – warmtenet met aquathermie en 5 – warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp Zorg dat installaties, buitenunits en buurtwarmtepompen zo min mogelijk ruimte in beslag nemen door ze ondergronds aan te leggen of multifunctioneel ruimtegebruik te creëren indien mogelijk
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie o Voer geen ondergrondse werkzaamheden uit in gebieden met gemeentelijke
archeologische monumenten, aanwezige of te verwachten archeologische waarden en de terreinen met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Plan ingrepen in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde of in al bestaande tracés
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
o
Voer daarnaast voor ingrepen ter plaatse van de terreinen met een hoge en middelhoge
o
onderzoek te verantwoorden is Indien na een waardestelling blijkt dat er daadwerkelijk archeologische waardevolle resten aanwezig zijn, kan tijdens de uitvoering archeologische begeleiding van
archeologische verwachtingswaarde een bureauonderzoek en zonodig verkennend booronderzoek (IVO-O) uit. Voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde dient per locatie afgewogen te worden of een archeologisch
werkzaamheden plaatsvinden om deze resten veilig te stellen Cultuurhistorische waarden o Wanneer aanpassingen nodig zijn aan cultuurhistorische monumenten, is een
omgevingsvergunning een vereiste en zal de Adviescommissie omgevingskwaliteit Eindhoven de wijziging of aantasting van de cultuurhistorische waarden eerst moeten beoordelen
o
Maatwerk is geboden. Een cultuurhistorisch onderzoek, voorafgaand aan de planvorming en afgestemd met het erfgoedteam van de gemeente Eindhoven, kan helpen om de juiste en passende keuzes te maken. Op deze manier kunnen de cultuurhistorische waarden vroegtijdig en optimaal meegenomen worden in de afweging en planvorming
Klimaat en energie CO2-besparing
o o o
Vergroen de elektriciteitsmix Kies koudemiddel met zo min mogelijk impact op het klimaat Kies een zo laag mogelijke afgiftetemperatuur
o
o
Stuur op gebruik van materialen door eisen op te nemen bij het collectief inkopen van warmtepompen Kies natuurlijke koudemiddelen met een lage milieu-impact
o o
Kies een lage afgiftetemperatuur om de hoeveelheid hulpenergie te beperken Gebruik efficiënte technologieën
CO2-uitstoot materialen en materieel o Gebruik zoveel mogelijk elektrisch materieel of materieel dat zo zuinig mogelijk is o Gebruik zo min mogelijk koper door slim te ontwerpen en te recyclen
o Gebruik zoveel mogelijk hergebruikte materialen en beperk de hoeveelheid staal. o Werk volgens de richtlijn Het Nieuwe Normaal Hulpenergie
Circulariteit Gebruik zo min mogelijk van het schaarse materiaal koper door anders te ontwerpen of gerecycled koper te gebruiken
Zet in op hergebruik van materialen en ontwerp installaties modulair Denk na over hergebruik van materialen van het einde van de levensduur Maak gebruik van de richtlijn Het Nieuwe Normaal
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Hitte
Onderzoeksvarianten 3 – warmtenet met geothermie, 4 – warmtenet met aquathermie, en 5 – warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp o Laat nieuwe bebouwing van bij warmtenetten niet ten koste gaan van groen maar plaats o o
0.5.2
stations op plekken die al versteend zijn of in bestaande (openbare) gebouwen Indien groen verloren gaat, compenseer dit op een andere plek Bouw stations op een natuurinclusieve manier, door bijvoorbeeld een groen dak aan te leggen Aanscherpingen warmteprogramma
Op basis van het planMER volgen enkele adviezen voor aanscherping van het warmteprogramma. Thema
Aanpassing warmteprogramma
Klimaat en energie
Uit de mitigerende maatregelen komt naar voren dat de afgiftetemperatuur zo laag mogelijk moet zijn. Het warmteprogramma gaat hier al vanuit: heel de gemeente Eindhoven wordt zo veel mogelijk klaar gemaakt voor lage temperatuur warmte.
Geluid
De voorgestelde mitigerende maatregelen vragen aanpassing van het Omgevingsplan (deze regels zijn geen onderdeel van het warmteprogramma). Hierin worden regels opgenomen voor het plaatsen van warmtepompen. Daarnaast wordt met de mitigerende maatregelen het gebruik van elektrisch materieel gestimuleerd in de aanlegfase van warmtenetten (alternatief 3, 4 en 5). De gemeente volgt voor klein materieel al de routekaart Schoon en Emissieloos bouwen. Bovenstaande maatregelen vragen geen aanpassing van het Warmteprogramma, maar wordt wel meegenomen in de aanbesteding van de warmtenetten.
Ondergrond
De mitigerende maatregelen vragen om het overkoepelend regie houden op de bodem. In het centrum geldt al een masterplan Bodemenergie. Mede naar aanleiding van het planMER gaat de gemeente onderzoeken of dit masterplan uitgebreid kan worden naar andere delen van de gemeente. Voor specifieke ontwikkelingen zoals Stadhart Woensel wordt een locatiespecifiek bodemenergieplan opgesteld. De mogelijkheid moet uiteindelijk landen in een bodemprogramma. Daarnaast zal de gemeente ruimtelijke beleidsregels over de omgang met warmtenetten opnemen in het Omgevingsplan. De mitigerende maatregelen zijn daarmee geen onderdeel van het warmteprogramma, maar worden meegenomen in andere trajecten.
Water
De mitigerende maatregelen zijn vooral voor alternatief 4 van belang. De mitigerende maatregelen sluiten aan op de richtlijnen van de STOWA en deze zijn of worden meegenomen in het Omgevingsplan. Daarnaast stelt de gemeente in samenwerking met Waterschap de Dommel een waterenergieplan op. Hierin worden uitgangspunten voor toepassing van aquathermie opgenomen en als bijlage bij het warmteprogramma samen met het warmteprogramma
Kenmerk
Thema
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Aanpassing warmteprogramma vastgesteld. Daarmee wordt een belangrijk onderdeel mitigatie vastgesteld met het warmteprogramma. Richting ontwerpfase wordt dit i.s.m. het Waterschap geconcretiseerd.
Luchtkwaliteit
De voorgestelde mitigerende maatregelen vragen aanpassing van het Omgevingsplan. Hierin worden regels opgenomen voor het plaatsen van warmtepompen. Deze regels zijn geen onderdeel van het Warmteprogramma en het Warmteprogramma wordt er niet op aangepast (alleen evt. het Omgevingsplan). Daarnaast wordt met de mitigerende maatregelen het gebruik van elektrisch materieel gestimuleerd in de aanlegfase van warmtenetten (alternatief 3, 4 en 5). De gemeente volgt voor klein materieel al de gunningsmethodiek Schoon en Emissieloos bouwen. Bovenstaande maatregelen vragen geen aanpassing van het Warmteprogramma, maar wordt wel meegenomen in de aanbesteding van de warmtenetten.
Groen & natuur
De mitigerende maatregelen van natuur vragen om een aanpak die breder kijkt dan alleen het warmteprogramma. Het vraagt een aanpak van integraal programmeren. De gemeente is bezig deze aanpak te ontwikkelingen en gangbare praktijk te maken. De uitkomsten uit dit planMER geven aanleiding extra aandacht te besteden aan het integraal programmeren en om alle milieuthema's expliciet mee te nemen in het afwegingsmodel dat de gemeente ontwikkelt voor gebruik in uitvoeringsplannen. Daarnaast werd er in eerste instantie vanuit de mitigerende maatregelen benoemd dat kabels en leidingen zoveel mogelijk gebundeld moeten worden. Hierop is het warmteprogramma aangepast. Dit voorstel is in het warmteprogramma meegenomen. Dit is ook verwerkt in het planMER.
Circulariteit
De gemeente heeft het doel om in 2050 volledig circulair te zijn. Dit doel is echter nog niet tot nauwelijks uitgewerkt. Daarbij zijn er nog te veel vraagtekens wat dit op nationaal, regionaal en lokaal niveau betekent. Bij nieuwe projecten hanteert Eindhoven het principe van Het Nieuwe Normaal. Daarnaast maakt Eindhoven voor sommige materialen gebruik van het regionale materialennetwerk. Alleen zijn er op dit moment nog te veel vraagtekens over hoe dit precies ingevuld gaat worden. Dit moet verder uitgewerkt worden in het Omgevingsbeleid en specifieke gebieds- en projectkaders. Het proces van de planMER voor het Warmteprogramma geeft aanleiding hier extra aandacht aan te besteden, maar het Warmteprogramma zelf is niet aangepast.
Ruimtelijke kwaliteit
Het uitwerken van de warmtetransitie is een ontwerpopgave. De mitigerende maatregelen van ruimtelijke kwaliteit vragen om een aanpak die breder kijkt dan alleen het warmteprogramma. Het vraagt een aanpak van integraal programmeren. De gemeente is bezig deze aanpak te ontwikkelingen en gangbare praktijk te maken. De uitkomsten uit dit planMER geven aanleiding extra aandacht te besteden aan het integraal programmeren en om alle
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Thema
Aanpassing warmteprogramma milieuthema's expliciet mee te nemen in het afwegingsmodel dat de gemeente ontwikkelt voor gebruik in uitvoeringsplannen.
Archeologie en cultuurhistorie
Het uitwerken van de warmtetransitie ten opzichte van het thema archeologie en cultuurhistorie is een ontwerpopgave. In de gemeente Eindhoven is het al gangbaar beleid dat een Omgevingsvergunning getoetst wordt door de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. Het warmteprogramma is daarom niet aangepast.
Hitte
De mitigerende maatregelen voor het tegengaan van hitte zijn een ontwerpopgave. De mitigerende maatregelen van hitte vragen om een aanpak die breder kijkt dan alleen het warmteprogramma. Het vraagt een aanpak van integraal programmeren. De gemeente is bezig deze aanpak te ontwikkelen en er gangbare praktijk van te maken. De uitkomsten uit dit planMER geven aanleiding extra aandacht te besteden aan het integraal programmeren en om alle milieuthema's expliciet mee te nemen in het afwegingsmodel dat de gemeente ontwikkelt voor gebruik in uitvoeringsplannen. Daarnaast heeft de gemeente mede n.a.v. dit planMER de koelteladder opgenomen in het warmteprogramma en een koelte-aanpak opgenomen uit te voeren in de planperiode. Ten slotte komt er een gemeentelijk programma klimaatadaptatie waarin de koeltevraag centraal staat. De uitkomsten van dit planMER en het Warmteprogramma worden daarin meegenomen.
0.5.3
Algemene aanbevelingen
Uit het proces van het opstellen van het MER zijn de volgende aanbevelingen voor het vervolg naar voren gekomen. Hitte en koeltevraag Door klimaatverandering stijgt de gemiddelde temperatuur, waarbij het stedelijk hitte-eilandeffect zorgt voor extra opwarming in versteende gebieden. Dit leidt naar verwachting tot een toenemende vraag naar koeling. Actieve koeling is niet opgenomen in de onderzochte onderzoeksvarianten binnen dit planMER. Het groeiende belang van koeling in de gebouwde omgeving wordt echter wel onderkent. Daarom is binnen het warmteprogramma een aparte aanpak voor koeling geformuleerd, die aansluit bij het bredere programma klimaatadaptatie van de gemeente Eindhoven. Het is aan te bevelen om in het klimaatadaptatieprogramma expliciet aandacht te besteden aan de effecten van actieve koeling. Warmtetechnieken die ook kunnen koelen, zoals airco’s, stoten namelijk warmte uit naar de buitenruimte, wat lokaal kan bijdragen aan hittestress. Het integraal meenemen van deze effecten draagt bij aan een robuuste en toekomstbestendige inrichting van de stad.
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Aanpassing elektriciteitsnet De aanpassing van het elektriciteitsnet valt buiten de scope van het warmteprogramma, maar de warmtetransitie en de verzwaring van het elektriciteitsnet beïnvloeden elkaar wel. Het is aan te bevelen bij de uitvoering van de warmtetransitie goed rekening te houden met hoe de verzwaring van het elektriciteitsnet meegenomen worden. Door bijvoorbeeld rekening te houden met de capaciteit van het laagspanningsnet, de gezamenlijke ruimtelijke inpasbaarheid (zowel boven als ondergronds), waar mogelijk kabels en leidingen te bundelen, werkzaamheden te combineren en rekening te houden met extra verzwaring door de techniekkeuze van het warmteprogramma (bijvoorbeeld door extra piekbelasting bij het gebruik van warmtepompen). Besteed in het vervolgproces ook aandacht aan elektromagnetische velden die ontstaan rondom trafohuisjes en (boven- of ondergronds) hoofspanningskabels. Er zijn aanwijzingen dat magneetvelden in de buurt van het elektriciteitsnet invloed kunnen hebben op de gezondheid.
Bij de vaststelling van bestemmingsplannen en van tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen is het voorzorgsbeleid om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan, waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is van 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Zogenaamde gevoelige bestemmingen waar kinderen langdurig verblijven zijn woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. Uitvoering warmtetransitie Het warmteprogramma is pas de eerste stap in de warmtetransitie. In de wijkuitvoeringsplannen worden pas definitieve techniekkeuzes gemaakt, met definitieve verankering in het omgevingsplan middels inzet van de aanwijsbevoegdheid. Houd richting de uitvoering de milieueffecten continue in de gaten en besteed in het proces van de wijkuitvoeringsplannen aandacht aan de bredere milieueffecten. Houd bijvoorbeeld rekening met de ruimtelijke inpasbaarheid (zowel boven- als ondergronds). Besteed daarbij specifiek aandacht aan de ligging van waterleidingen en maak inzichtelijk waar deze leidingen precies liggen voordat er een keuze wordt gemaakt voor een warmtenet. De ligging van (drinkwater)leidingen kan de ruimte in de ondergrond zo beïnvloeden dat de mogelijkheid voor een warmtenet in het gedring komt. Zeker bij wijken met een smal straatprofiel.
0.6
Doelbereik: bijdrage warmteprogramma aan ambities Omgevingsvisie
De omgevingsvisie vormt het kader voor al het opvolgende beleid voor de fysieke Leefomgeving voor de gemeente. Veel van de uitwerking van de ambities van de omgevingsvisie zal via programma's gebeuren, waaronder het warmteprogramma. In het planMER bij de omgevingsvisie (hyperlink) is voor elke ambitie bepaald in hoeverre de doelen naar verwachting bereikt worden met het beleid uit de omgevingsvisie. Dit is per deelambitie weergegeven in onderstaande tabellen. De mate van invloed die de gemeente heeft op de effecten van het warmteprogramma op de deelambities verschillen per onderzoeksvariant.
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Tabel 0.4 Doelbereik deelambitie Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad Deelambitie: Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad Onderdelen deelambitie
Toelichting bijdrage van warmteprogramma
en bijdrage aan warmteprogramma In 2040 is Eindhoven een
De warmtetransitie vraagt veel ruimte die ten koste kan gaan van (openbaar) groen.
[…] stad met veel nieuw
Vooral bij onderzoeksvarianten 3, 4 en 5. Bij variant 2 kan groen in tuinen ten koste
groen en water.
gaan van de warmtepomp en. Dat zijn dan hele kleine stukjes, maar die bij elkaar opgeteld wel veel groen kunnen kosten. Ook tijdelijke werkzaamheden, zoals het aanleggen van een warmtenet kunnen (tijdelijk) zorgen voor het weghalen van groen. Bij variant 1 is er geen invloed op openbaar groen. Mate van invloed: de mate van invloed is bij onderzoeksvarianten 3 en 4 hoog, omdat de gemeente de regie heeft over plaatsing van de installaties en stations. Bij variant 2 is de mate van invloed van de gemeente laag, omdat er in tuinen van inwoners gegraven moet worden. Voor variant 5 is de mate van invloed gemiddeld tot hoog, afhankelijk van of de gemeente de aanleg van buurtwarmtenetten faciliteert of inwoners de vrijheid geeft. De gemeente kan regels opstellen voor de aanleg.
De openbare ruimte is
Niet van toepassing, er is geen relatie tussen deze ambitie en het
aantrekkelijk voor mensen
warmteprogramma.
van alle leeftijden. We wekken zo veel
Het warmteprogramma draagt positief bij aan de deelambitie en is juist specifiek
mogelijk energie zelf op en
gericht op het stoppen van het gebruik van fossiele brandstoffen voor verwarming.
gebruiken geen fossiele brandstoffen voor
Mate van invloed: de mate van invloed is hoog, omdat de gemeente zelf sturing
verwarming en vervoer.
heeft op de wijze van het verwarmen van huizen via het warmteprogramma.
We streven naar een
Voor de aanleg van alle varianten wordt materiaal verwijderd (zoals CV-ketels), en
volledig circulaire
is nieuw materiaal nodig voor elke verwarmingstechniek. Daarnaast kost het
economie in 2050 en
isoleren van woningen veel materiaal. Het warmteprogramma zet in op het gebruik
willen het gebruik van
van bio-based materialen voor isoleren via collectieve inkoop, maar schetst geen
primaire abiotische
kader voor het circulair aanleggen van bijvoorbeeld warmtenetten en het inkopen
grondstoffen in 2030
van warmtepompen.
halveren.
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Deelambitie: Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad Mate van invloed: de mate van invloed verschilt per onderzoeksvariant. Bij varianten 3 en 4 is de mate van invloed relatief hoog, omdat de gemeente eisen kan stellen aan de circulariteit van de warmtenetten. Kanttekening hierbij is echter dat de gemeente afhankelijk is van nationale mogelijkheden voor circulair inkopen en afhankelijk is van de markt. Bij de inkoop van individuele warmtepompen, varianten 1 en 2, heeft de gemeente nauwelijks invloed, tenzij ze collectieve inkoop aanbieden. Bij variant 5 is de invloed gemiddeld, omdat de gemeente hier via regels eisen zou kunnen stellen. Het vervoer in de stad is
Het warmteprogramma vraagt in de aanlegfase van met name warmtenetten om
schoon en actief.
extra verkeersbewegingen. De gemeente heeft de mogelijkheid in aanbestedingen van warmtenetten schoon vervoer te eisen. In het centrumgebied geldt al een zeroemissiezone voor alle voertuigen in 2030, waardoor in de binnenstad de aanlegfase met emissieloze werktuigen gebeurt. De mate van invloed is hoog bij varianten 3 en 4, omdat de gemeente de mogelijkheid heeft in aanbestedingen van warmtenetten het gebruik van emissieloze werktuigen te eisen. Op het vervoer van warmtepompen naar alle woningen heeft de gemeente geen invloed, omdat iedere woningeigenaar zelf de aanleg regelt. Daarom is de invloed bij onderzoeksvarianten 1 en 2 laag. Bij onderzoeksvariant 5 is de mate van invloed gemiddeld, afhankelijk van of de gemeente de aanleg voornamelijk faciliteert of dit bij woningeigenaren neerlegt.
Eindhoven is goed
Niet van toepassing, er is geen relatie tussen deze ambitie en het
bereikbaar met
warmteprogramma.
verschillende vervoermiddelen, zowel regionaal, nationaal als internationaal. Ook voor digitaal verkeer beschikken we over hoogwaardige kanalen.
Tabel 0.5 Doelbereik deelambitie Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad Deelambitie: Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad Onderdelen deelambities
Toelichting bijdrage van warmteprogramma
en bijdrage warmteprogramma Er zijn meer woningen
Niet van toepassing, omdat het warmteprogramma zich richt op bestaande
gebouwd in gezonde en
woningen. Deze ambitie is gericht op nieuwbouw.
veilige buurten. Deze
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Deelambitie: Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad woningen zijn betaalbaar […] en voor iedereen is er een passende woning te vinden. In de wijken heerst
Niet van toepassing, er is geen relatie tussen deze ambitie en het
saamhorigheid, mensen
warmteprogramma.
kennen elkaar en de openbare ruimte nodigt uit tot ontmoeting en beweging. De kwaliteit en
Woningen goed isoleren en aardgasvrij maken draagt bij aan de gezondheid van de
leefbaarheid van de wijken
mensen die in de woningen wonen. Hoewel de warmtetransitie investeringen
is hoog.
vraagt, zorgt de warmtetransitie uiteindelijk voor een lagere prijs voor warmte. De mate van invloed is gemiddeld. De gemeente stuurt weliswaar zelf op het aardgasvrij krijgen van de bestaande woningen. Maar er zijn veel andere factoren die bijdragen aan de kwaliteit en leefbaarheid van wijken vanuit beleid en maatregelen buiten de warmtetransitie. Er is daarbij geen onderscheid tussen de verschillende alternatieven.
Overal zijn voldoende
Niet van toepassing, er is geen relatie tussen deze ambitie en het
basisvoorzieningen, zoals
warmteprogramma.
de supermarkt, huisarts, scholen en groen.
Tabel 0.6 Doelbereik deelambitie Eindhoven als hart van de Brainportregio: een innovatieve, economische wereldspeler waar iedereen meedoet Deelambitie: Eindhoven als hart van de Brainportregio: een innovatieve, economische wereldspeler waar iedereen meedoet Onderdelen deelambities
Toelichting bijdrage van warmteprogramma
en bijdrage warmteprogramma Het vestigingsklimaat in de
Koploper zijn in een duurzame en stabiele warmte- en energievoorziening draagt
stad is verbeterd en de
bij aan een positief vestigingsklimaat. Het kan extra bedrijven aantrekken die
werkmilieus […] floreren
duurzame ambities hebben of niet afhankelijk willen zijn van fossiele brandstoffen.
en vullen elkaar aan.
Het warmteprogramma maakt de warmtevoorziening stabieler ten opzichte van de situatie waarin we afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, die ook deels uit het buitenland komt. Daarnaast draagt het warmteprogramma positief bij aan het vestigen van werknemers, doordat het warmteprogramma verduurzaming (en daarmee verbetering) van bestaande woningbouw stimuleert. Dat maakt het aantrekkelijker voor werknemers om te wonen in Eindhoven.
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Deelambitie: Eindhoven als hart van de Brainportregio: een innovatieve, economische wereldspeler waar iedereen meedoet De mate van invloed is hier gemiddeld, omdat het vestigingsklimaat van verschillende aspecten afhankelijk is. Eindhoven is een plek
Niet van toepassing, er is geen relatie tussen deze ambitie en het
waar je wilt zijn: een
warmteprogramma.
levendige stad waar je kunt winkelen, van cultuur genieten, ontspannen en recreëren. Tabel 0.7 Doelbereik deelambitie Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie Deelambitie: Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie Onderdelen deelambities
Toelichting bijdrage van warmteprogramma
en bijdrage warmteprogramma Het verleden, heden en de
De warmtetransitie kan tot aantasting leiden van specifieke ruimtelijke kwaliteiten
toekomst zijn op een
van een buurt, tenzij de installaties goed zijn ingepast. Eindhoven is een
respectvolle manier
industriestad. Een deel van het erfgoed is industrieel en biedt kansen om ook de
verweven in onze stad.
onderdelen die nodig zijn voor de warmtetransitie in te passen. Daarnaast is de warmtetransitie van belang voor een duurzame toekomst, en maakt het de stad een stad van de toekomst. Mate van invloed: de mate van invloed bij de onderzoeksvarianten 3 en 4 is hoog, omdat de gemeente hier zelf maatregelen kan treffen gericht op de esthetische inpassing van bovengrondse installaties binnen wijken. Bij alternatieven 1 en 2 is de mate van invloed gemiddeld. Deze alternatieven worden aangelegd op privaat terrein, maar de gemeente kan hier wel kaders voor opstellen. Bij onderzoeksvariant 5 is de invloed gemiddeld, omdat de gemeente hier regels voor op kan stellen, gericht op een goede inpassing.
0.7
Leemten in kennis
In de effectstudies zijn geen leemten in kennis of is geen ontbrekende informatie geconstateerd, die een goede effectbeoordeling en vergelijking van de onderzoeksvarianten in de weg staat.
0.8
Monitoring en evaluatie
Monitoring en evaluatie zijn nodig om te kunnen bepalen of de voorspelde effecten ook daadwerkelijk uitkomen zoals verwacht, of juist positiever of negatiever uitvallen. Als effecten
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
negatiever uitpakken, is het van belang bij te sturen door maatregelen in te zetten of beleid aan te passen. De gemeente Eindhoven monitort de effecten van ontwikkelingen via de thematische programma’s die uit de Omgevingsvisie volgen. De gemeente heeft/gaat negen verschillende thematische programma’s opstellen, zoals in het figuur hieronder weergegeven. Het warmteprogramma is een van die thematische programma’s. Elk programma monitort een eigen onderdeel, om zo dubbel werk te voorkomen. Hiermee houdt de gemeente goed in de gaten hoe de stad ontwikkelt en monitoren ze de omgevingswaarden. Zo worden bijvoorbeeld effecten op de bodem en ondergrond gemonitord vanuit het programma Ondergrond, het thema luchtkwaliteit vanuit Gezonde en fysieke leefomgeving en hittestress en stadsgroen en multifunctioneel groen vanuit Klimaatadaptatie & biodiversiteit.
Leeswijzer Voor u ligt het milieueffectrapport (planMER) bij het Warmteprogramma van de gemeente Eindhoven. Dit rapport beschrijft de milieueffecten van de vijf onderzoeksvarianten voor het aardgasvrij verwarmen van woningen en gebouwen in gemeente Eindhoven. Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 gaat in op de aanleiding en het doel, het Warmteprogramma van de gemeente Eindhoven, de mer-procedure voor het warmteprogramma, uitgangspunten en omgang met
zienswijzen en advies van de Commissie mer op de NRD Hoofdstuk 2 gaat in op de methodiek van het planMER en de milieuthema’s die zijn onderzocht
Hoofdstuk 3 gaat in op de onderzoeksvarianten die gemeente Eindhoven onderzoekt voor aardgasvrij verwarmen Hoofdstuk 4 bevat de effectbeschrijving en -beoordeling per milieuthema
Hoofdstuk 5 gaat in op de mitigerende maatregelen per milieuthema en bevat aanbevelingen Hoofdstuk 6 gaat in op het doelbereik van het warmteprogramma Hoofdstuk 7 gaat in op leemten in kennis
Hoofdstuk 8 beschrijft de aanpak voor monitoring en evaluatie
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
De gemeente Eindhoven werkt aan het opstellen van een warmteprogramma. Met het wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt het warmteprogramma als verplicht programma in de Omgevingswet opgenomen. . Deze wet is naar verwachting vanaf 1 januari 2026 van kracht. In het warmteprogramma beschrijft de gemeente Eindhoven in welke wijken welke aardgasvrije warmteoplossing voorzien wordt. Gelijktijdig met het opstellen van het warmteprogramma is voorliggend milieueffectrapport opgesteld. Omdat het een milieueffectrapport betreft voor een plan, wordt de afkorting planMER gebruikt. Het doel van een milieueffectrapportage is het in beeld brengen van de milieueffecten van een project of programma, voordat de overheid een besluit over dat project of programma neemt. Onderdeel van de procedure milieueffectrapportage (mer) is een eindrapport, genaamd het milieueffectrapport (MER). Met een mer willen we inzicht verschaffen in de milieueffecten van de keuzes die we maken binnen het warmteprogramma: de keuzes over welke warmteoplossing in een gebied het alternatief voor aardgas vormen (zie ook de onderzoeksvarianten in hoofdstuk 3). Daarbij is niet alleen aandacht voor ingebedde milieuthema’s, zoals luchtkwaliteit, geluid en waterkwaliteit, maar ook voor nieuwere thema’s, zoals circulariteit en ruimtelijke kwaliteit.
Het uitgangspunt is dat deze mer waardevolle inzichten biedt voor op het warmteprogramma volgende plannen (zoals uitvoeringsplannen). Zo kunnen we het omgevingsbelang volwaardiger meenemen in deze en volgende afwegingen.
1.2
Waarom een warmteprogramma?
In het klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen aardgasvrij verwarmd worden. De landelijke ambitie is om dit te realiseren via een gebiedsgerichte aanpak waarin gemeenten de regie voeren. Het warmteprogramma vormt hiervoor de basis. Het beschrijft hoe en waar de gemeente de komende jaren aan de slag gaat met het duurzaam verwarmen van gebouwen, en welke technieken en strategieën daarbij worden ingezet. De gemeente kan hiervoor mogelijke gebieden aanwijzen in het warmteprogramma waar op een bepaalde datum de levering van aardgas stopt (en daarbij gebruik maken van de zogenoemde aanwijsbevoegdheid). Ook moeten gemeenten onderzoeken en uiteindelijk besluiten welk alternatief voor aardgas het meest kansrijk is in dat gebied. Daarbij vindt gemeente Eindhoven het belangrijk dat haar warmteprogramma zorgt voor een duidelijke visie en planning, waardoor bewoners en andere belanghebbenden weten wat er gaat gebeuren en waarom. Dit vergroot hopelijk het draagvlak voor de warmtetransitie onder inwoners. 1.2.1 Samenhang met ander gemeentelijk beleid, actualisatie en uitvoeringsplannen Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie warmte (2021) en een verdere uitwerking van de ambitie ‘Eindhoven als toekomstbestendige stad’ en de stedelijke opgave ‘Eindhoven wordt klimaatneutraal’ uit de Omgevingsvisie.
De verwachting is dat het warmteprogramma eind 2025 wordt vastgesteld door het College van Eindhoven (voor een
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
programma onder de Omgevingswet is het College van B&W bevoegd gezag). Vervolgens gaat de gemeente aan de slag met de uitvoering van het warmteprogramma. Per gebied onderzoekt de gemeente de meest geschikte duurzame energieoplossing verder. Hiervoor gaat gemeente Eindhoven samen met inwoners, bedrijven en andere gebouweigenaren per gebied werken aan een uitvoeringsplan. Voor bedrijventerreinen is een maatwerk aanpak voorzien. Elke vijf jaar wordt er een actualisatie gemaakt van het warmteprogramma. In het warmteprogramma is een verdere toelichting gegeven op de besluitvorming en de stappen na het warmteprogramma.
1.3
De mer-procedure voor het warmteprogramma
Een warmteprogramma wordt na inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (WGIW) een verplicht programma zoals bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet. Volgens artikel 16.36 van de Omgevingswet moet er voor een programma wat een kader vormt voor projecten die genoemd zijn in bijlage V van het omgevingsbesluit een milieueffectrapportage worden opgesteld. Het warmteprogramma kan een kader zijn voor activiteiten die zijn genoemd in bijlage V van het omgevingsbesluit. Het warmteprogramma van Eindhoven is kaderstellend voor een aantal categorieën die zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hieronder vallen in ieder geval categorie B4 (geothermische boringen), categorie J9 (buisleiding voor warmtetransport) en categorie K1 (onttrekken/aanvullen van grondwater). In het MER worden de milieueffecten van het warmteprogramma van de gemeente Eindhoven beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie: de huidige situatie en de autonome ontwikkeling (HSAO). In de referentiesituatie wordt de huidige situatie van het plangebied en omgeving beschreven en wordt aangegeven wat de zogenaamde autonome ontwikkelingen zijn. Dit zijn de ontwikkelingen die hier de komende 20 à 25 jaar plaats zullen vinden, waar al een besluit over is genomen, zonder dat de voorgenomen activiteit (dus het warmteprogramma) wordt uitgevoerd.
Daarnaast wordt ook inzichtelijk gemaakt in hoeverre de onderzoeksvariant bijdraagt aan het behalen van gestelde ambities. Het planMER geeft de (milieu-)informatie die nodig is om een besluit te nemen over de vaststelling van het warmteprogramma. Een besluit waarbij de milieubelangen op basis van het planMER volwaardig zijn meegewogen.
1.4
Koppeling tussen planMER en warmteprogramma
Gedurende het proces van het opstellen van het warmteprogramma heeft het PlanMER inzicht gegeven in de wijze waarop de gemeente met het warmteprogramma haar (milieu)kwaliteiten kan behouden, versterken of toevoegen. De milieueffectrapportage is dan ook nadrukkelijk bedoeld om milieu- en omgevingseffecten mee te nemen tijdens het opstellen van het warmteprogramma. Hiertoe zijn momenten van wisselwerking geweest (zie ook figuur 1). Zo zijn bijvoorbeeld de uitkomsten van de effectbeoordeling nog tijdens het proces van het warmteprogramma meegenomen in de overweging voor een aardgasvrije oplossing.
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Figuur 1.1 Samenhang proces warmteprogramma en planMER
1.5
Uitgangspunten planMER
Het doel van dit planMER is het inzichtelijk maken van de milieueffecten van het warmteprogramma op de leefomgeving. De uitgangspunten van dit planMER zijn als volgt:
Het planMER sluit aan op het abstractieniveau van het warmteprogramma. Vanwege het strategische karakter van het programma en de lange doorkijk kent het warmteprogramma een relatief hoog abstractieniveau. Hierop aansluitend wordt de effectbepaling en effectbeoordeling gedaan op basis van het oordeel van deskundigen: de effectbeoordeling is kwalitatief of semi-kwantitatief van aard. De kwalitatieve inschattingen worden gedaan door deskundigen van TAUW op de betreffende thema’s. Waar mogelijk is dit aangevuld met
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
(ken)getallen om zo tot een semi-kwantitatieve beoordeling te komen. De beoordeling is gedaan in samenspraak met en gebruikmakend van de expertise van deskundigen van de gemeente Eindhoven
Het warmteprogramma kijkt 10 jaar vooruit, dus tot 2035. Het planMER sluit daarop aan
Koeltevraag: door klimaatverandering stijgt de buitentemperatuur. Isoleren (en ventileren) en de keuze voor bepaalde warmtetechnieken hebben invloed op de vraag en manier van koeling van woningen en gebouwen. Het warmteprogramma van gemeente Eindhoven gaat primair over warmte en beschrijft op hoofdlijnen de aanpak van koelte. De gemeente Eindhoven gaat nog een programma klimaatadaptatie opstellen waar koelte een integraal onderdeel van wordt. Hierin volgen een gedetailleerde analyse van de gevolgen van de extreme hitte in de stad en een uitwerking van de Ladder van Koeling van het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie. Daarom is de vraag naar actieve koeling geen onderdeel van dit planMER bij het warmteprogramma. Het gebruik van passieve koeling is wel meegenomen
in de beoordeling van het thema hitte Isolatie: het isoleren van woningen is nodig om met warmtetechnieken gebouwen comfortabel warm te krijgen en warmtetechnieken zo efficiënt mogelijk in te zetten. Isolatie is een onderdeel van het warmteprogramma en een uitgangspunt van de Eindhovense strategie. In maart 2025 heeft stichting W/E adviseurs een studie ten behoeve van het Klimaatplan III 2026-2030 uitgevoerd voor gemeente Eindhoven. Met kentallen en VIVET-data is gerekend aan de benodigde isolatiemaatregelen om de gehele Eindhovense woningvoorraad te isoleren tot energielabel A. Het warmteprogramma verwoordt het streven dat alle woningen en gebouwen in de gemeente op termijn geschikt zijn voor lage temperatuur verwarming. De juiste mate en manier van isoleren verschilt echter per wijktype en (in veel gevallen) zelfs per woning. Dit zal dan ook in uitvoeringsplannen verder uitgewerkt moeten worden. Aanpassingen aan of in de woning zijn daarom geen onderdeel van dit planMER. De gevolgen van isoleren op beschermde diersoorten worden meegenomen in het Soortenmanagementplan van de gemeente. De isolatietechnieken zijn te verschillend per individuele woning en een beoordeling is daarom niet passend bij het abstractieniveau van dit MER en niet meegenomen
1.6
Reacties op Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Er is één zienswijze ingediend op de NRD. Deze zienswijze was afkomstig van Waterschap de Dommel. Het Waterschap geeft daarbij een zevental punten van feedback mee. De gemeente heeft separaat contact opgenomen met het Waterschap en stelt samen met het Waterschap een water-energieplan op waarin de milieu-impact van aquathermie ook aandacht krijgt. Daarnaast is hieronder per punt aangegeven hoe de inbreng vanuit de zienswijze een plaats heeft gekregen in het planMER. 1. Inzet aquathermie: de alternatieven zijn aangepast. Daarbij is één van de alternatieven nu het alternatief waarop de hele gemeente over zou gaan op een warmtenet dat gebruik maakt van aquathermie (zie hoofdstuk 3). Daarmee is het gebruik van aquathermie door alle thema’s beoordeeld op het niveau passende bij het warmteprogramma
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
2.
Effecten onttrekking: het effect op de fysieke aantasting op het waterleven is toegevoegd aan
3.
de indicator oppervlaktewater (zie hoofdstuk 4.4 voor de effectbeoordeling) Aquathermie meenemen als bron in variant 3b: de alternatieven zijn aangepast. Daarbij is één van de alternatieven nu het alternatief waarop de hele gemeente over zou gaan op een
4.
warmtenet dat gebruik maakt van aquathermie (zie hoofdstuk 3). Daarmee is het gebruik van aquathermie door alle thema’s beoordeeld op het niveau passende bij het warmteprogramma Ontwikkeling water-energieplan: het water-energieplan is meegenomen in het beleidskader
5.
van het planMER. Daarnaast is het water-energieplan meegenomen in de effectbeoordeling van onderzoeksvariant 4 Inzet bodemenergie en -opslag: de alternatieven zijn aangepast. Daarbij is één van de alternatieven nu een alternatief waarop de hele gemeente over zou gaan op individuele bodemwarmtepompen (zie hoofdstuk 3). Daarmee is het gebruik van bodemenergie door alle thema’s beoordeeld op het niveau passende bij het warmteprogramma
6.
Inzet restwarmtebronnen: de beoordeling en inzet van restwarmtebronnen is opgenomen in een apart hoofdstuk. Restwarmtebronnen maken geen onderdeel uit van de totale effectbeoordeling, maar worden zo wel in kaart gebracht (zie hoofdstuk 4.11)
7.
Type onderzoek: de gebruikte onderzoeksmethode is in het voorliggende MER toegelicht en uitgebreid
1.7
Advies Commissie mer op NRD
De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) speelt een belangrijke rol in het proces van milieueffectrapportages. Deze commissie geeft onafhankelijk advies over de inhoud en kwaliteit van milieueffectrapportages. Dit advies helpt bij het verbeteren van de rapporten en zorgt ervoor dat alle relevante milieueffecten goed in kaart worden gebracht. De gemeente Eindhoven heeft op 16 april 2025 met Commissie mer gesproken over het advies op de NRD en daarna is op 22 april 2025 het advies uitgebracht door Commissie mer (hyperlink naar advies). Op basis van dit advies zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd in het planMER ten opzichte van de NRD. Deze staan in de volgende paragraaf beschreven.
1.8
Wijzigingen in de scope van het MER t.o.v. de NRD
Op basis van het advies van Commissie mer op de NRD en voortschrijdend inzicht zijn enkele wijzigingen in de scope van het MER doorgevoerd ten opzichte van de scope zoals beschreven in de NRD. Deze worden hieronder toegelicht. 1.8.1 Omgang advies Commissie op NRD De Commissie mer benoemt enkele punten in haar advies die zij als essentiële informatie beschouwt. Hieronder staat op welke wijze dit is meegenomen in het MER en/of warmteprogramma zelf. Het doel van het warmteprogramma en wat het programma vastlegt is op hoofdlijnen beschreven in dit MER in paragraaf 2.1.1. Een verdere toelichting staat in het warmteprogramma zelf, waaronder de relatie met andere besluiten
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
In het warmteprogramma is de warmtevraag beschreven en is een koelteaanpak beschreven.
Bij de onderzoeksvarianten in dit MER waar passieve koeling mogelijk is, is beschreven wat het effect hiervan op de indicator hittestress is De milieuoverwegingen die meespelen in de keuzes die worden gemaakt in het
warmteprogramma zijn beschreven in het warmteprogramma in hoofdstuk 3 Paragraaf 2.4.4 bevat het beleidskader. Dit geeft een overzicht van de relevante wet- en regelgeving en beleid dat van invloed is op het warmteprogramma en (de beoordeling van) de
onderzoeksvarianten De onderzoeksvarianten zijn nader beschreven in hoofdstuk 3 van dit MER. Hierin is voor de verschillende warmtetechnieken en -bronnen benoemd wat de werking is, wat er per variant voor installaties en infrastructuur nodig is en wat de omvang er van is. Het warmteprogramma bevat geen indicatieve leidingtracés en zijn daarom ook niet in dit MER te vinden. Een toelichting op de beoordeling op verschillende schaalniveaus is beschreven in paragraaf 2.2.3
De milieugevolgen zijn voor zowel de aanleg- als gebruiksfase beschreven in hoofdstuk 4 van dit MER. Mitigerende maatrelen staan in hoofdstuk 5 Een beschrijving van monitoring is terug te vinden in hoofdstuk 9
De Commissie mer adviseert ook in het MER in te gaan op restwarmte van de industrie als primaire bron, biomassa en groen gas. Gemeente Eindhoven neemt biomassa en groen gas echter niet mee in haar warmteprogramma. Zo heeft de Eindhovense gemeenteraad heeft besloten tot het uitfaseren van biomassa (februari 2020). Daarmee zijn deze bronnen niet te beschouwen als realistisch alternatieven en daarom niet als onderzoeksvariant meegenomen in dit MER. Wel is een beschouwing gegeven van de mogelijke effecten van het gebruik van restwarmte van de industrie als primaire bron (zoals ook voor zonthermie). Deze bronnen allemaal als losse onderzoeksvariant opnemen zou de beoordeling complexer, minder toegankelijk en daarom minder bruikbaar maken voor de gemeente. Op deze manier is toch inzicht gegeven in de milieueffecten van de restwarmtebronnen die een rol gaan spelen in de uitvoering van dit warmteprogramma. 1.8.2 Wijzigingen in beoordelingskader Op basis van het advies van de Commissie mer en/of inzichten van de specialisten van gemeente Eindhoven en TAUW zijn er drie indicatoren uit het beoordelingskader gehaald. Deze indicatoren vormen geen relevant of onderscheidend aspect waarop de onderzoeksvarianten beoordeeld kunnen worden. Het gaat om de volgende drie thema’s:
Verkeer Trillingen Geïnduceerde bevingen
Trillingen Het aspect trillingen was benoemd in de NRD, maar wordt niet beoordeeld in dit MER. In het Besluit bouwwerken leefomgeving staan maatregelen opgenomen om trillingshinder te voorkomen. Daarnaast zijn trillingen van zeer lokale en tijdelijke aard, waardoor er op stads- of wijkniveau geen significante effecten optreden. Hierdoor is het aspect trillingen niet meegenomen.
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Verkeer Het thema verkeer is in de NRD benoemd als thema om te onderzoeken in het MER. Echter is er na gesprekken met verschillende specialisten geconcludeerd dat verkeer geen onderscheidend criterium is voor de beoordeling van de verschillende onderzoeksvarianten. Er is bijvoorbeeld geen onderzoeksvariant met een groengasfabriek waarvoor vervoer van mest plaatsvindt. Er zijn geen onderzoeksvarianten die in de gebruiksfase tot extra verkeersbewegingen leiden. De milieueffecten van vervoersbewegingen in de aanlegfase komen terug in de beoordelingen van geluid, luchtkwaliteit en beschermde gebieden, Natura 2000-gebieden. De verkeershinder bij aanlegwerkzaamheden is daarnaast van tijdelijke en lokale aard en goed te beheersen met gangbare verkeersmaatregelen. De precieze verkeersmaatregelen zijn maatwerk en afhankelijk van o.a. tijdsbestek en locatie. Het team Eindhoven bereikbaar adviseert over de passendheid van door een initiatiefnemer voorgestelde verkeersmaatregelen (bijv. dat er geen conflicten zijn en dat de juiste omleidingen zijn aangegeven), rekening houdende met de verschillende typen vervoer (voetgangers, fietsers, OV, deelmobiliteit en privé vervoer). Geïnduceerde bevingen Een mogelijke risico bij geothermie is het optreden van aardbevingen.
Bij geothermie kan bestaande spanning op breuken verstoord worden door drukveranderingen, afkoeling en krimp van gesteente rond de injectieput wat mogelijk leidt tot breukbeweging. Een aardbeving die optreedt als gevolg van menselijk handelen in de ondergrond heet een geïnduceerde aardbeving. Vanwege trillingsgevoelige bedrijfsprocessen in Eindhoven en omgeving zijn trillingen door geïnduceerde bevingen ongewenst. Echter zijn er nagenoeg geen voelbare bevingen waargenomen bij geothermie in Nederland. Daarnaast is het voor geothermieprojecten bij wet verplicht om voorzorgsmaatregelen te treffen om de kans op bevingen in te schatten. In het kader van de proefboringen is vanwege het risico op bevingen en de ligging ten opzichte van breuksystemen in de ondergrond door de SodM reeds aangegeven dat tot maximaal 1,5 km diepte mag worden geboord. Het is te verwachten dat hetzelfde voorbehoud ook geldt voor exploitatieboringen. Mocht gekozen worden voor geothermie in Eindhoven dan is het belangrijk om te monitoren op microseismiciteit. Wijzigingen indeling indicatoren Daarnaast zijn er twee wijzigingen doorgevoerd bij de volgende indicatoren:
De indicator ‘Stikstofdepositie op natura 2000 gebieden’ is ondergebracht onder de indicator ‘beschermde gebieden – impact op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden’ aangezien de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden vrijwel uitsluitend
over de stikstofdepositie gaan De indicator ‘archeologische en cultuurhistorische waarden’ is gesplitst naar 2 indicatoren ‘archeologische waarden’ en ‘cultuurhistorische waarden’ aangezien dit twee verschillende
aspecten zijn met een verschillend beoordelingskader Bij het thema Circulariteit wordt naar de indicator ‘materiaalgebruik’ gekeken. Deze indicator wordt beoordeeld aan de hand van de benodigde hoeveelheid nieuwe materialen en de
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
schaarste daarvan. Op dit moment is het niet mogelijk om een beoordeling te doen op materiaalgebruik, omdat de gemeente nog geen keuze heeft gemaakt in hoeverre materialen hergebruikt worden of op welke manier de aanbesteding verloopt Als laatste is de indicator ‘grondwater’ verplaatst van het thema ‘water’ naar het thema ‘bodem en ondergrond’ aangezien deze indicator veel raakvlakken heeft met de indicator ‘bodemkwaliteit’. 1.8.3 Wijzigingen in onderzoeksvarianten In het NRD waren de onderzoeksvarianten opgebouwd uit drie onderdelen 1) de warmtebron voor een collectief systeem 2) het transport van de warmte van bron naar de gebouwen voor een collectief systeem en 3) de benodigde aanpassingen in de gebouwen voor een collectief systeem en voor de individuele oplossing. Het idee achter deze verdeling was dat er ook over de milieuimpact van de losse onderdelen geleerd zou worden en op die manier ook over potentiële combinaties die nu niet expliciet als variant waren opgenomen. Voor de uitvoerbaarheid is er toch gekozen voor vijf verschillende op zichzelf staande onderzoeksvarianten en is de opbouw uit losse onderdelen los gelaten. Concreet betekent dit dat:
Variant 1a en 1b zijn uitgesplitst in variant 1 en 2 De temperatuur van een warmtenet is niet gespecificeerd (dus geen aanduiding of het om een hoogtemperatuur, middentemperatuur of laag temperatuur warmtenet gaat). De milieu-impact verschilt niet significant op het abstractieniveau van onderzoeksvarianten op stads- en wijkniveau. De diameter van de buizen variëren niet dusdanig dat bij een beoordeling in het MER op dit abstractieniveau een verschil in effect voor onder meer drukte in de ondergrond, archeologische waarden en bodemkwaliteit te noteren is. Ten slotte worden de buizen afhankelijk van de temperatuur van het water geïsoleerd en is warmteverlies naar de bodem beperkt en zeer ongewenst. Daarmee zullen de effecten op bijvoorbeeld drinkwaterleidingen
niet onderscheidend zijn Onderzoeksvariant 4 is gespecificeerd van een laagtemperatuur warmtenet naar een warmtenet met aquathermie met WKO als back-up
Onderzoeksvariant 5 is gespecificeerd naar een warmtenet met een luchtbuurtwarmtepomp
1.8.4
Wijzigingen in buurttypen
Met het warmteprogramma en daaropvolgende beleidsstukken (uitvoeringsplannen en kavelplannen) maken we keuzes op buurtniveau. Daarom brengen we meer duiding aan de onderzoeksvarianten door de milieueffecten ook voor specifieke gebiedstypen en/of voorbeeldwijken te onderzoeken. In het NRD werd er daarvoor nog van uitgegaan dat de gebiedstypen zoals omschreven in de Omgevingsvisie 2.0 daarvoor als basis zouden dienen. In het planMER zijn er uiteindelijk drie gebiedstypes onderscheiden op basis van ruimtelijke kenmerken waaronder bebouwingsdichtheid. Deze zijn gekoppeld aan de wijktypologieën van klimaateffectatlas2. Een uitgebreidere omschrijving van de buurttypen is te vinden in paragraaf 2.2.3.
2
Wijktypologie - Klimaateffectatlas
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Er is van het oorspronkelijke plan afgeweken en voor drie gebiedstypes gekozen vanwege de uitvoerbaarheid, leesbaarheid en navolgbaarheid van het planMER. De gebiedstypes zijn alleen beoordeeld voor indicatoren die daarvoor relevant waren geacht door de experts, namelijk ‘inpasbaarheid in de ondergrond’, ‘zichtbaarheid en beleving’, en ‘bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte’.
2 Methodiek van het planMER In dit hoofdstuk wordt het beoordelingskader van dit planMER en de onderzoeksmethodiek van het planMER toegelicht.
2.1
Wat wordt er onderzocht
2.1.1
Voorgenomen activiteit: warmteprogramma
De voorgenomen activiteit waarvoor het planMER wordt opgesteld is het warmteprogramma van de gemeente Eindhoven. In dit warmteprogramma beschrijft de gemeente hoe de stad van aardgas overgaat op duurzamere energie om woningen en gebouwen te verwarmen, te koken en warm tapwater te krijgen. Hierin staan haar plannen voor de komende 10 jaar met als lange termijn doel om in 2050 als gemeente aardgasvrij te zijn. Het warmteprogramma gaat over de bestaande bebouwing en niet over de nieuwbouw die in de komende 10 jaar en daarna wordt gerealiseerd. In het Warmteprogramma komt te staan:
De meest kansrijke warmteoplossing (collectieve of individuele warmtevoorziening) per gebied Wanneer gebieden over kunnen gaan op een duurzamere energieoplossing
Een beschrijving van de totale kosten voor de maatschappij In welke gebieden we als eerste starten en hoe we dat doen Hoe er gecommuniceerd en samengewerkt wordt bij het opstellen van een uitvoeringsplan
voor een gebied Wat staat er nog niet in?
Een definitief besluit voor de duurzamere energieoplossing Een precieze kostenberekening
De gemeente onderzoekt voor de stap naar duurzame warmte vijf onderzoeksvarianten. Het planMER doet geen onderzoek naar de haalbaarheid van de verschillende onderzoeksvarianten. De keuze voor een warmteoplossing wordt door meerdere factoren bepaald. Naast de milieueffecten zijn ook de kosten, energievraag en andere factoren van belang. Deze factoren zijn onderdeel van een technisch-economische analyse in het warmteprogramma. De informatie van de milieueffecten uit het MER wordt samen met deze factoren gewogen om in het warmteprogramma tot een voorkeursalternatief te komen.
Kenmerk
2.1.2
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Onderzoeksvarianten
Het warmteprogramma beschrijft hoe de gebouwde omgeving overstapt van aardgas naar duurzame warmte. Dit kan met verschillende warmtetechnieken en -bronnen. Om goed inzicht te krijgen in de milieueffecten van deze verschillende technieken en bronnen zijn in dit MER een aantal onderzoeksvarianten beoordeeld. Dit planMER onderzoekt de effecten van deze onderzoeksvarianten op de leefomgeving op stadsniveau en waar mogelijk wijkniveau en voor verschillende thema’s locatiespecifiek. Voor de onderzoeksvarianten zijn nog geen specifieke locaties van installaties en tracés van de infrastructuur bekend. De onderzoeksvarianten zijn beschreven in hoofdstuk 3.
2.2
Beoordelingsmethodiek
2.2.1 Wijze van beoordelen effecten In het MER worden de effecten van de voorgenomen activiteit en de bandbreedte van het programma in beeld gebracht. De effecten worden met plussen en minnen op een vijfpuntschaal beoordeeld (van ++ naar --, zie Tabel 2.1) ten opzichte van de referentiesituatie. Voor de indicatoren waarvoor een (zeer) negatief effect verwacht wordt, zal in het MER ook een beoordeling worden gegeven na mitigerende en/of compenserende maatregelen. Tabel 2.1 Beoordelingsmethodiek Score
Toelichting
++
Zeer positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
Neutraal effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
--
Zeer negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
2.2.2
Beoordelingskader
Het doel van dit MER is om de relevante milieueffecten van het Warmteprogramma inzichtelijk te maken. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderzoeksthema’s die in de MER aan bod komen en de aspecten waarnaar wordt gekeken per thema. Dit zijn de beoordelingscriteria– de criteria die we gebruiken om de milieu-impact van de onderzoeksvarianten te beoordelen. De effecten worden, waar relevant, beschreven voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Ook is aangegeven of de indicatoren (semi-)kwantitatief of kwalitatief worden beoordeeld. Het type onderzoek in het MER zal vooral semi-kwantitatief van aard zijn. Doordat het gaat over een abstracter programma voor de hele gemeente en niet over een ontwerp van een techniek voor een buurt of straat, is het niet realistisch de alternatieven volledig door te rekenen. Wel zal in veel gevallen door gebruik van specifieke gebiedstypen en/of voorbeeldwijken een meer kwantitatieve uitwerking worden gemaakt. Ook wordt bij verschillende aspecten bij kwalitatief onderzoek gebruik gemaakt van onderbouwde schattingen en kentallen.
Kenmerk
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Tabel 2.2 Beoordelingskader Thema
Aspect
Indicator
Type onderzoek
Geluid
Cumulatieve geluidshinder
Ernstig gehinderden door geluid
Semi-kwantitatief
Luchtkwaliteit
Stikstofdioxide (NO2)
Uitstoot van stikstofdioxide (NO2)
Semi-kwantitatief
PM10
Uitstoot van fijnstof (PM10)
Semi-kwantitatief
PM2.5
Uitstoot van fijnstof (PM2.5)
Semi-kwantitatief
Bodem en
Kwaliteit boven- en
De impact biologische, chemische en
Kwalitatief
ondergrond
ondergrond
fysische bodemkwaliteit en de diepere ondergrond en op bodemleven in de leeflaag
Grondwater
De hydrologische en thermische
Semi-kwantitatief
impact op grondwaterkwaliteit en kwantiteit Ondergronds
Inpasbaarheid in de ondergrond
Semi-kwantitatief
Impact op de kwaliteit van het
Kwalitatief
ruimtegebruik Water
Drinkwater in leidingen
drinkwater in nabijgelegen leidingen van benoemde technieken Oppervlaktewater
Thermisch effect en fysieke aantasting
Semi-kwantitatief
op waterleven Groen &
Beschermde soorten
Impact op beschermde soorten
Semi-kwantitatief
Beschermde gebieden –
Impact op
Semi-kwantitatief
Natura 2000
instandhoudingsdoelstellingen van
natuur
Natura2000-gebieden Beschermde gebieden –
Impact op areaal en/of kwaliteit van
Natuurnetwerk Nederland
NNN-gebieden
Semi-kwantitatief
(NNN)
Ruimtelijke
Stadsgroen en
Impact op groene hoofdstructuur van
Kwalitatief
multifunctioneel groen
de stad
Zichtbaarheid en beleving
Verrommeling van de buitenruimte
Kwalitatief
Bovengronds
Totaal benodigd bovengronds
Semi-kwantitatief
ruimtegebruik &
ruimtegebruik & inpasbaarheid in de
inpasbaarheid
openbare ruimte in relatie tot andere
openbare ruimte
stedelijke functies
Archeologische waarden
Aantasting archeologische waarden
Kwaliteit
Archeologie & cultuurhistorie
Kwalitatief
Kenmerk
Thema
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Aspect
Indicator
Type onderzoek
Cultuurhistorische
Fysieke aantasting en visuele
Kwalitatief
waarden
verstoring van cultuurhistorische waarden
Klimaat en
CO2 besparing
Reductie in CO2 uitstoot
Semi-kwantitatief
CO2 uitstoot
CO2 uitstoot in aanlegfase
Semi-kwantitatief
Hulpenergie
Jaarlijkse gWh hulpenergie
Semi-kwantitatief
Materiaalgebruik
Hoeveelheid te gebruiken materiaal en
Semi-kwantitatief
energie
Circulariteit
zeldzaamheid daarvan Hitte
Effect op hittestress
Impact op de omgevingstemperatuur
Kwalitatief
en gevoelstemperatuur
2.2.3 Wat nemen we niet mee in het beoordelingskader? Een bijzondere vorm van geluid die tot hinder kan leiden is laagfrequent geluid (LFG). LFG is geluid met zeer lage tonen te weten frequenties tussen 20 Hz en 100 tot 125 Hz. Geluid onder 20 Hz wordt infrasoon geluid genoemd. Geluid boven deze 100/125 Hz is gewoon geluid. Er bestaat geen specifieke wet- en regelgeving voor LFG in Nederland. Voor het beoordelen van LFG bestaan wel twee richtlijnen; te weten de richtlijn Laagfrequent geluid van de Nederlandse Stichting Geluidhinder en de Vercammen-curve. LFG geluid manifesteert zich vaak als een bromof zoemtoon, die niet alleen wordt waargenomen met de oren, maar ook gevoeld wordt (bijvoorbeeld als druk op de borst). Bekende geluidbronnen die tot LFG-hinder op relatief grotere afstanden van de bron kunnen leiden zijn bijvoorbeeld verkeer (weg, rail en luchtvaart), (grote) industriële transformatoren en muziekgeluid van festivals. Op woning-/gebouwniveau kunnen bij onvoldoende akoestische of trillings-ontkoppeling ook bijvoorbeeld airco’s, warmtepompen, cvinstallaties en mechanische ventilatie tot LFG-hinder leiden. Verder is ook bekend dat er ook sprake kan zijn van LFG-fantoomgeluid ten gevolge van medische aandoeningen (bijvoorbeeld tinnitus). In dat geval is er geen sprake van een externe geluidbron.
LFG ten gevolge van kleine huisinstallaties, zoals warmtepompen en airco’s, is relatief eenvoudig te voorkomen of te verhelpen is door de installatie akoestisch te ontkoppelen van constructiedelen en trillingvrij op te stellen. Toename van LFG-hinder ten gevolge van individuele installaties bij woningen zal daarmee geen issue (mogen) zijn voor de warmtetransitie. Ook is geen informatie bekend over de actuele hinder van LFG in Eindhoven. LFG van grote transformatoren kan een rol spelen op relatief korte afstanden van de transformatoren. Ook hiervoor geldt dat wanneer hiermee in het ontwerp voldoende rekening wordt gehouden, een toename van LFG-hinder geen issue is (of mag zijn). Op basis van bovenstaande analyse achten wij het niet van belang om de effecten van LFGhinder mee te nemen in de effectbeoordeling van het Warmteprogramma in dit planMER.
Kenmerk
2.2.4
R002-1299075BLG-V01-agv-NL
Beoordeling op verschillende schaalniveaus
Aanlegfase en gebruiksfase Dit planMER beoordeelt de effecten van de onderzoeksvarianten die optreden als gevolg van de aanleg van de verschillende warmtetechnieken, -bronnen en bijbehorende infrastructuur en de effecten die er zijn als de warmtechniek in gebruik is. De effecten in de aanleg- en gebruiksfase worden separaat besproken. Niet voor elk aspect zijn beiden fasen relevant. Dit is aangegeven in de effectbeschrijving en beoordelingstabel. Gemeentebreed en locatiespecifieke aanvulling In dit planMER worden de onderzoeksvarianten beoordeeld op het gemeentebrede effect. Als aanvulling op de verschillende onderzoeksvarianten wordt in het MER onderzocht waar locatiespecifieke milieuknelpunten ontstaan. Wijktypologieën In Nederland zijn verschillende wijktypen te onderscheiden op basis van typerende kenmerken. Deze kenmerken zijn relevant voor de effectbeoordeling van de aspecten ondergronds ruimtegebruik (thema bodem en ondergrond), zichtbaarheid en beleving (thema ruimtelijke kwaliteit) en bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid in de openbare ruimte (thema ruimtelijke kwaliteit). In dit planMER zijn de wijktypen ten behoeve van de effectbeoordeling geclusterd tot drie wijktypologieën, omdat deze wijken per wijktypologie soortgelijke kenmerken hebben en daarmee op het abstractieniveau van het warmteprogramma soortgelijke effecten ondervinden van de onderzoeksvarianten.