CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Plan-MER onderzoeksrapport

Raadsvergadering 25 november 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Energietransitie Ontwerp Warmteprogramma 2026–203531.731 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp (met WKO als back-up voorziening)

Aanlegfase Bij de aanleg van een warmtenet met centrale lucht-water warmtepompen vinden de werkzaamheden lokaal plaats. Daarnaast zijn de werkzaamheden van beperkte duur. Omdat er op beperkte diepte wordt gewerkt, zal de inzet van werktuigen matig intensief zijn. Deze variant heeft een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM10 is. De variant heeft een zeer positief (++) effect in de gebruiksfase. 4.2.5

Effectbeoordeling PM10

Tabel 4.6 Effectbeschrijving PM10 Aanleg/

Lucht-water

Bodem-water

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met

gebruiksfase

warmtepomp

warmtepomp

geothermie

aquathermie

centrale warmtepomp

Aanlegfase

0

-

--

-

-

Gebruiksfase

++

++

++

++

++

4.2.6

Locatiespecifieke beschrijving

Vanaf 1 januari 2025 geldt de zero-emissiezone voor vracht- en bestelvoertuigen in het centrum van gemeente Eindhoven (zoals weergegeven in Figuur 4.1 onder thema Geluid). Vanaf 2030 geldt er een zero-emissiezone voor alle voertuigen. Daarnaast heeft de gemeente Eindhoven een routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen opgesteld. Hiermee zet de gemeente in op haar ambitie om vanaf 2030 zoveel mogelijk zero emissie te werken. De routekaart wordt stadsbreed ingezet bij projecten waar gemeente Eindhoven de opdrachtgever is. Dit zou betekenen dat er in 2035, het richtjaar van het warmteprogramma, er bij de aanleg van de warmtetechnieken enkel elektrische voertuigen gebruikt mogen worden. Daarnaast moeten ook de lichte werktuigen en gereedschap elektrisch zijn. Voor zwaardere werktuigen is nog geen zero emissie eis opgenomen.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Elektrisch materieel stoot geen PM10 uit. De uitstoot van onderzoeksvarianten 2, 3, 4 en 5 kan daarmee beperkt worden tot een negatief tot neutraal effect afhankelijk van de mate waarin elektrisch gewerkt wordt. 4.2.7 Effectbeschrijving luchtkwaliteit PM2,5 Voor het aanleggen van de onderzoeksvarianten moeten werkzaamheden worden verricht. Bij deze indicator wordt gekeken naar hoeveel PM2,5 wordt uitgestoten bij deze werkzaamheden. In de gebruiksfase vindt er bij geen van de onderzoeksvarianten uitstoot plaats. Tabel 4.7 Beoordelingskader PM2,5 Pictogram ++

+

Beoordeling

Klassegrenzen

Zeer positief effect ten opzichte van

Aanlegfase: N.v.t.

referentiesituatie

Gebruiksfase: Er is geen uitstoot.

Positief effect ten opzichte van referentiesituatie

Aanlegfase: N.v.t. Gebruiksfase: Er is nog een geringe uitstoot ten opzichte van de referentiesituatie. Aanlegfase: Er is geen significante uitstoot door het

0

Geen effect ten opzichte van referentiesituatie

gebruik van werktuigen of gereedschap. Gebruiksfase: de uitstoot is hetzelfde als in de referentiesituatie. Aanlegfase: Er is uitstoot door het gebruik van

-

Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

werktuigen en/of gereedschap. De werkzaamheden zijn beperkt in intensiteit en /of duur. Gebruiksfase: De uitstoot is hoger dan in de referentiesituatie, nog niet significant. Aanlegfase: Er is veel uitstoot door het gebruik van werktuigen en/of gereedschap. Het is een

--

Zeer negatief effect ten opzichte van

intensieve en langdurige aanlegfase.

referentiesituatie

Gebruiksfase: De uitstoot is significant hoger dan de referentiesituatie en heeft een blijvend negatief effect op de omgeving.

4.2.7.1

Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel)

Aanlegfase Het gebruik van mobiele werktuigen in de aanlegfase is minimaal. Het gaat daarbij met name om kleinere voertuigen en klein gereedschap die elektrisch uit te voeren zijn. De uitstoot van PM2,5 is daarom dermate beperkt, dat deze variant een neutraal (0) effect heeft ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM2,5 is. De variant heeft een zeer positief (++) effect in de gebruiksfase.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

4.2.7.2 Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Er zijn voor elke woning matig intensieve boorwerkzaamheden nodig, maar de aanleg per woning duurt kort. De variant heeft een negatief (-) effect ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM2,5 is. De variant heeft een zeer positief (++) effect in de gebruiksfase. 4.2.7.3 Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie Aanlegfase Voor de aanleg van een warmtenet met geothermie dient er tot grotere diepte geboord te worden. Dit een intensief proces waarvoor de inzet van zware mobiele werktuigen vereist is. Ook is de duur van de aanlegfase relatief lang waardoor er over langere tijd uitstoot plaatsvindt. De aanlegfase betreft een langere periode. De variant heeft een zeer negatief (--) effect in de aanlegfase. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM2,5 is. De variant scoort zeer positief in de gebruiksfase. 4.2.7.4 Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO) Aanlegfase Het aanleggen van een warmtenet met aquathermie vindt plaats in een groot gebied en zal ook een langere tijd in beslag nemen. Er wordt op beperkte diepte in de grond gewerkt, waardoor er minder zwaar materieel nodig is, dat (deels) elektrisch uitgevoerd zou kunnen worden.

De variant heeft een negatief (-) effect ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM2,5 is. De variant scoort zeer positief in de gebruiksfase. 4.2.7.5

Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp (met

WKO als back-up voorziening) Aanlegfase Bij de aanleg van een warmtenet met centrale lucht-water warmtepompen vinden de werkzaamheden lokaal plaats. Daarnaast zijn de werkzaamheden van beperkte duur. Omdat er op beperkte diepte wordt gewerkt, zal de inzet van werktuigen matig intensief zijn. De variant heeft een negatief (-) effect ten opzichte van de referentiesituatie.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Gebruiksfase In het gebruik vindt geen verbranding plaats, waardoor er geen uitstoot van PM2,5 is. De variant scoort zeer positief in de gebruiksfase. 4.2.8

Effectbeoordeling PM2,5

Tabel 4.8 Effectbeschrijving PM2,5 Aanleg/

Lucht-water

Bodem-water

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met

gebruiksfase

warmtepomp

warmtepomp

geothermie

aquathermie

centrale warmtepomp

Aanlegfase

0

-

--

-

-

Gebruiksfase

++

++

++

++

++

4.2.9 Locatiespecifieke beschrijving PM2,5 Vanaf 1 januari 2025 geldt de zero-emissiezone voor vracht- en bestelvoertuigen in het centrum van gemeente Eindhoven (zoals weergegeven in Figuur 4.1 onder thema Geluid). Vanaf 2030 geldt er een zero-emissiezone voor alle voertuigen. Daarnaast heeft de gemeente Eindhoven een routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen opgesteld. Hiermee zet de gemeente in op haar ambitie om vanaf 2030 zoveel mogelijk zero emissie te werken. De routekaart wordt stadsbreed ingezet bij projecten waar gemeente Eindhoven de opdrachtgever is. Dit zou betekenen dat er in 2035, het richtjaar van het warmteprogramma, er bij de aanleg van de warmtetechnieken enkel elektrische voertuigen gebruikt mogen worden. Daarnaast moeten ook de lichte werktuigen en gereedschap elektrisch zijn. Voor zwaardere werktuigen is nog geen zero emissie eis opgenomen. Elektrisch materieel stoot geen PM2,5 uit. De uitstoot van onderzoeksvarianten 2, 3, 4 en 5 kan daarmee beperkt worden tot een negatief tot neutraal effect afhankelijk van de mate waarin elektrisch gewerkt wordt.

4.3

Bodem en ondergrond

Binnen het thema bodem zijn drie aspecten onderzocht:  Kwaliteit boven- en ondergrond: gaat in op het effect die de aanleg of het gebruik van onderzoeksvarianten heeft op de biologische, chemische en fysische kwaliteit van de bovengrond (boven grondwaterniveau) en op de bodemopbouw in de ondergrond (bijv. effecten op scheidende lagen)  

Grondwater: het aspect grondwater gaat in op de hydrologie en de kwaliteit van de bodem en het grondwater onder grondwaterniveau Ondergronds ruimtegebruik: betreft de ondergrondse inpasbaarheid en het ondergrondse ruimtebeslag van de verschillende onderzoeksvarianten

4.3.1

Effectbeschrijving kwaliteit boven- en ondergrond

Bij de kwaliteit van de boven- en ondergrond wordt zowel naar de biologische (bodemleven en microbiologie) als de chemische kwaliteit van de bovengrond gekeken en de effecten op de bodemopbouw in de ondergrond (bijv. effecten op scheidende lagen). Zo wordt het gebruik van bodembedreigende stoffen (bij bijvoorbeeld de bodem-warmtepomp) onderzocht, net als de

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

thermische effecten in de bovengrond. Tevens wordt bekeken of het aardgasvrij maken van een wijk mogelijk positieve effecten heeft op de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld omdat een bron van verontreiniging gesaneerd moet worden. De effecten op de grondwaterkwaliteit worden in de volgende paragraaf apart beschreven. Tabel 4.9 Beoordelingskader kwaliteit boven- en ondergrond Pictogram

Beoordeling

Klassegrenzen Geen aantasting ondergrond en aanzienlijke verbetering van de chemische en biologische kwaliteit van de bovengrond,

++

Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie

bijvoorbeeld gekenmerkt door: 

Sanering bestaande bronnen van verontreiniging, grootschalige verbetering biologische bodemkwaliteit door afname van bodemafdekking en toename organisch stofgehalten in de bovengrond

Geen aantasting ondergrond en merkbare verbetering van chemische en biologische kwaliteit van bovengrond (boven grondwaterniveau), bijvoorbeeld gekenmerkt door: +

Positief effect ten opzichte van

referentiesituatie

Vermindering bodemverontreiniging in combinatie met graafwerk of bronneringen

Lokaal verbetering biologische bodemkwaliteit door afname bodemafdekking en toename organisch stofgehalten in de bovengrond

0

Geen effect ten opzichte van referentiesituatie

Geen merkbare verbetering of verslechtering van de chemische, fysische en biologische kwaliteit van de boven- en ondergrond Merkbare verslechtering van chemische en biologische kwaliteit van boven- en ondergrond, bijvoorbeeld gekenmerkt door: 

Ontstaan lokale bodemverontreiniging door gebruik bodembedreigende stoffen, “vergrijzing” bodemkwaliteit bij

-

Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

graafwerkzaamheden 

Lokale aantasting opbouw ondergrond (aantasting scheidende lagen)

Lokaal aantasting biologische bodemkwaliteit door vergraving bodemprofiel, toename van bodemafdekking, verhoging temperatuur in de bodem of afname organische stofgehalten in de bovengrond

Kenmerk

Pictogram

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Beoordeling

Klassegrenzen Aanzienlijke verslechtering van de chemische en biologische kwaliteit van boven- en ondergrond, bijvoorbeeld gekenmerkt door: 

Ontstaan meerdere nieuwe lokale verontreinigingen (puntbronnen) door gebruik bodembedreigende stoffen

--

Zeer negatief effect ten

Grootschalige aantasting opbouw ondergrond (aantasting scheidende lagen)

opzichte van referentiesituatie 

Grootschalige aantasting biologische bodemkwaliteit in de bovengrond door toename van bodemafdekking, vergraving bodemprofielen, verhoging temperatuur in de bodem en ondergrond of afname organische stofgehalten in de bovengrond

4.3.1.1 Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Er zijn voor de aanlegfase geen effecten te verwachten op de bodemkwaliteit voor onderzoeksvariant 1. Deze onderzoeksvariant heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Er zijn voor de gebruiksfase geen effecten te verwachten op de bodemkwaliteit voor onderzoeksvariant 1. Deze onderzoeksvariant heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.1.2 Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Bij de aanleg van een GBES vinden op bijna elk perceel boringen in de ondergrond plaats die de bodemopbouw verstoren. Er worden boringen gezet tot tientallen meter diepte waarbij scheidende lagen tussen watervoerende pakketten worden doorboord. Hoewel deze verstoring per systeem zeer lokaal is, worden in deze variant op elk perceel individuele systemen aangelegd en dus veel individuele boringen geplaats op korte afstand. Bij het plaatsen van de boringen kunnen ook bodem en ondergrond verontreinigd raken door onzorgvuldig handelen. De kwaliteitsprotocollen (BRL SIKB) die verontreinigingen zouden moeten voorkomen. Uit onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) blijken deze onvoldoende nageleefd te worden7.

Bij ongeveer 75% van de inspecties van de inspecties zijn afwijkingen van de normdocumenten geconstateerd. Bij ongeveer de helft van de overtredingen konden hierdoor risico’s voor de bodem ontstaan. Bij elkaar opgeteld vormt dit een groot risico, de onderzoeksvariant heeft daarom een zeer negatief effect (--) ten opzichte van de referentiesituatie.

7

https://omgevingsweb.nl/wp-content/uploads/po-assets/562634.pdf

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase van een GBES is er kans op lekkages vanuit het gesloten buizensysteem (bijv. glycol) waardoor lokaal de kwaliteit van de bodem en ondergrond kan verslechteren. Door wisselend opwarming en afkoeling van de ondergrond wordt op grote schaal de biologische kwaliteit ondergrond beïnvloed. De impact hiervan is afhankelijk van de dichtheid waarop de GBES systemen op elkaar staan en de wijze van aanleg van een GBES. Aangezien in deze variant per perceel een systeem wordt aangelegd zal in het grootste deel van de gemeente sprake zijn van een hoge dichtheid en zal het effect zeer negatief (--) zijn ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.1.3 Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie Aanlegfase In de aanlegfase worden voor de winning van geothermie diepe boringen geplaats die lokaal zorgen voor verstoring van de lagen in de ondergrond. Bij het plaatsen van de boringen kunnen door onzorgvuldig handelen ook bodem en ondergrond verontreinigd raken met de chemicaliën die nodig zijn om op diepte te kunnen boren. Kwaliteitsprotocollen (BRL SIKB) die dit zouden moeten voorkomen worden regelmatig niet of onvoldoende nageleefd. De aanlegfase van het warmtenet en warmteoverdrachtstations zorgt voor een grootschalige aantasting van de bovenste lagen van de bodem en voor aantasting van de biologische bodemkwaliteit.

Deze variant zal daarom een zeer negatief effect (--) hebben ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase van de geothermie-winning is er kans op lekkages vanuit het buizensysteem van het opgepompte water. Indien er verontreinigingen of chemische toevoegingen in het opgepompte water zitten, kunnen de lekkages de kwaliteit van de bodem en ondergrond lokaal verslechteren. De leidingen zijn geïsoleerd, zodat de uitstraling naar de omgeving minimaal is. Indien lekkages voorkomen in de isolatiemantel van de warmteleidingen, dan lekt warmte naar de omgeving. Het warmtenet brengt een risico met zich mee op opwarming van de bovenste lagen van de bodem en daarmee aantasting van de biologische bodemkwaliteit. Het risico op beïnvloeding van de biologische kwaliteit van de bodem door een warmtenet speelt op grote schaal. Deze variant heeft een zeer negatief effect (--) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.1.4 Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO) Aanlegfase In de aanlegfase van de WKO installaties worden diepe boringen geplaatst die lokaal zorgen voor verstoring van de lagen in de ondergrond. Bij het plaatsen van de boringen kunnen ook bodem en ondergrond verontreinigd raken door onzorgvuldig handelen. Kwaliteitsprotocollen (BRL SIKB) die dit zouden moeten voorkomen worden regelmatig niet of onvoldoende nageleefd.

De aanlegfase van het warmtenet en warmteoverdrachtstations zorgt voor een grootschalige aantasting van de

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

bovenste lagen van de bodem en voor aantasting van de biologische bodemkwaliteit. Deze variant heeft daardoor een zeer negatief effect (--) in de aanlegfase. Gebruiksfase De leidingen zijn geïsoleerd, zodat de uitstraling naar de omgeving minimaal is. Indien lekkages voorkomen in de isolatiemantel van de warmteleidingen, dan lekt warmte naar de omgeving. Het warmtenet brengt een risico met zich mee op opwarming van de bovenste lagen van de bodem en daarmee aantasting van de biologische bodemkwaliteit. Het risico op beïnvloeding van de biologische kwaliteit van de bodem door een warmtenet speelt op grote schaal. Deze variant heeft daarmee een negatief effect (-) in de gebruiksfase. 4.3.1.5 Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp Aanlegfase De aanlegfase van het warmtenet en warmteoverdrachtstations zorgt voor een grootschalige aantasting van de bovenste lagen van de bodem en voor aantasting van de biologische bodemkwaliteit. Deze variant heeft daardoor een zeer negatief effect (--) in de aanlegfase. Gebruiksfase De leidingen zijn geïsoleerd, zodat de uitstraling naar de omgeving minimaal is. Indien lekkages voorkomen in de isolatiemantel van de warmteleidingen, dan lekt warmte naar de omgeving. Het warmtenet brengt daardoor een risico met zich mee op opwarming van de bovenste lagen van de bodem en daarmee aantasting van de biologische bodemkwaliteit.

Het risico op beïnvloeding van de biologische kwaliteit van de bodem door een warmtenet speelt op grote schaal. Deze variant heeft daarmee een negatief effect (-) in de gebruiksfase.

4.3.2

Effectbeoordeling kwaliteit boven- en ondergrond

Tabel 4.10 Effectbeschrijving kwaliteit boven- en ondergrond Aanleg/

Lucht-water

Bodem-water

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met

gebruiksfase

warmtepomp

warmtepomp

geothermie

aquathermie

centrale

Aanlegfase

0

--

--

--

--

Gebruiksfase

0

--

--

-

-

warmtepomp

4.3.3 Locatiespecifieke effectbeschrijving kwaliteit boven- en ondergrond Het Masterplan Bodemenergie van de gemeente Eindhoven bevat beleidsregels voor bodemenergiesystemen voor het centrumgebied van Eindhoven (zie onderstaande contour). De gemeente wil voorkomen dat aanwezige grondwaterverontreinigingen zich verspreiden tot in de strategische drinkwatervoorraad. Daarom heeft de gemeente een verbod op het doorboren van de scheidende leemlaag op 80 meter beneden maaiveld wordt ingesteld. Dit verbod geldt ook

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

voor aanleg en diepte van bodemenergiesystemen opgesteld, waarbij de maximale boordiepte is beperkt tot 80 meter. Hierdoor worden de effecten in de aanlegfase bij variant 2 (BES) en variant 4 (WKO) enigszins beperkt. Om verontreiniging vanuit gesloten systemen te voorkomen eist de gemeente dat deze systemen binnen het centrumgebied met water zijn gevuld. Hierdoor worden de effecten van een BES (variant 2) in de gebruiksfase in het centrumgebied enigszins beperkt.

4.3.4 Effectbeschrijving grondwater Bij grondwater wordt bekeken wat de impact is van de varianten op de grondwaterkwaliteit en kwantiteit en op het functioneren van het (grond)watersysteem (met name de hydrologische en thermische impact van bodemenergie). Tabel 4.11 Beoordelingskader grondwater Pictogram ++

+

0

Beoordeling

Klassegrenzen

Zeer positief effect ten

De onderzoeksvariant zorgt voor significante verbetering van de

opzichte van

grondwaterkwaliteit en/of -kwantiteit ten opzichte van de

referentiesituatie

referentiesituatie.

Positief effect ten opzichte van referentiesituatie

De onderzoeksvariant zorgt enigszins voor verbetering van de grondwaterkwaliteit en/of -kwantiteit ten opzichte van de referentiesituatie.

Geen effect ten opzichte van

De onderzoeksvariant heeft geen effect op de grondwaterkwaliteit

referentiesituatie

en -kwantiteit ten opzichte van de referentiesituatie.

Kenmerk

-

--

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

De onderzoeksvariant zorgt enigszins voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit en/of -kwantiteit ten opzichte van de referentiesituatie.

Zeer negatief effect ten

De onderzoeksvariant zorgt voor significante verslechtering van de

opzichte van

grondwaterkwaliteit en/of -kwantiteit ten opzichte van de

referentiesituatie

referentiesituatie.

4.3.4.1 Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Er worden in de aanlegfase geen effecten verwacht op grondwater voor onderzoeksvariant 1. Deze onderzoeksvariant heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Er worden in de gebruiksfase geen effecten verwacht op grondwater voor onderzoeksvariant 1. Deze onderzoeksvariant heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.4.2 Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Bij de aanleg van een GBES vinden boringen in de ondergrond plaats. Omdat er voor deze boringen grondwater gebruikt wordt heeft dit een negatief effect op de grondwaterkwantiteit. Daarnaast kunnen de waterscheidende lagen door de boringen verstoord worden met risico dat een “kortsluiting” ontstaat tussen de grondwaterlagen waardoor menging kan optreden van verschillende grondwatertypen. Bij een onzorgvuldige afdichtingen kunnen grondwaterverontreiniging die in het ondiepe grondwater reeds aanwezig zijn zich (via deze kortsluiting tussen de grondwaterpakketten) verspreiden naar diepere grondwaterpakketten die vaak nog relatief schoon zijn. In deze onderzoeksvariant worden veel individuele boringen dicht bij elkaar geplaats.

Dit vergroot de kans op fouten bij de afdichting en daarmee op mening van grondwaterlagen en verplaatsing van verontreinigingen. Kwaliteitsprotocollen (BRL SIKB) die dit zouden moeten voorkomen worden regelmatig niet of onvoldoende nageleefd. Voor de aanleg van leidingen vanaf de bronnen naar de gebruikers (huisaansluitingen) is een beperkt negatief effect te verwachten. Hiervoor zijn bemalingen nodig voor de aanleg van leidingwerk (lokale werkzaamheden) De onderzoeksvariant heeft daarom een zeer negatief effect (--) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase van een GBES is er kans op lekkages van het gesloten buizensysteem waardoor het koudemiddel (meestal glycol) kan lekken in de bodem. Glycol is giftig en heeft

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

daardoor een negatieve impact op de grondwaterkwaliteit. Door afwisselende opwarming en afkoeling en de hoge dichtheid van boringen wordt ook de biologische kwaliteit van het grondwater op grote schaal beïnvloed. De impact hiervan is afhankelijk van de dichtheid waarop de GBES systemen op elkaar staan en de wijze van aanleg van een GBES. In dichtbebouwde wijken zal het effect daarom zeer negatief zijn en in ruim opgezette wijken zal het effect enigszins negatief zijn. De onderzoeksvariant heeft daarom een negatief tot zeer negatief effect (-/--) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.4.3 Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie Aanlegfase Voor de aanleg van een warmtenet met geothermie moeten er een diepe boring geplaatst worden. Dit geeft grote risico’s voor grondwaterkwaliteit, wanneer deze boringen plaatsvinden in watervoerende pakketten. De chemicaliën die nodig zijn om op diepte te kunnen boren, kunnen in dit grondwater terechtkomen. Daarnaast worden verschillende water scheidende lagen doorboort waardoor risico’s op verslechtering grondwaterkwaliteit optreden. Kwaliteitsprotocollen (BRL SIKB) die dit zouden moeten voorkomen worden regelmatig niet of onvoldoende nageleefd.

Voor de aanleg van leidingen en warmteoverdrachtstations vanaf de bronnen naar de gebruikers (huisaansluitingen) is een beperkt negatief effect te verwachten voor grondwaterkwaliteit en kwantiteit. Hiervoor zijn bemalingen nodig voor de aanleg van leidingwerk (lokale werkzaamheden). In totaal wordt er voor deze onderzoeksvariant een zeer negatief effect (--) verwacht ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Door lekkages tijdens de geothermie-winning kunnen giftige stoffen in het grondwater terecht komen of grondwater van een andere samenstelling dan lokaal voorkomt. De warmte die in de gebruiksfase van het warmtenet door de leidingen gaat kan zorgen voor opwarming van grondwater. Dit is sterk afhankelijk van de isolatiewaarde van de leiding, ook na langdurig gebruik (slijtages). De onderzoeksvariant heeft daarom een zeer negatief effect (--) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.4.4

Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO)

Aanlegfase Bij de aanleg van een WKO vinden boringen in de ondergrond plaats. Omdat er voor deze boringen grondwater gebruikt wordt heeft dit een negatief effect op de grondwaterkwantiteit. Daarnaast kunnen de waterscheidende lagen door de boringen verstoord worden met risico op verplaatsing van grondwater wat een negatief effect heeft op de grondwaterkwaliteit. Kwaliteitsprotocollen (BRL SIKB) die dit zouden moeten voorkomen worden regelmatig niet of onvoldoende nageleefd. Wel is er voor deze onderzoeksvariant maar enkele boringen nodig die gecontroleerd plaatsvindt wat de kans op foutaansluitingen verminderd.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Voor de aanleg van leidingen en warmteoverdrachtstations vanaf de bronnen naar de gebruikers (huisaansluitingen) is een beperkt negatief effect te verwachten voor grondwaterkwaliteit en kwantiteit. Hiervoor zijn bemalingen nodig voor de aanleg van leidingwerk (lokale werkzaamheden). Deze onderzoeksvariant heeft een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase In de gebruiksfase kan een WKO lokaal verandering in stijghoogtes hebben (toename en afname, wisselend per seizoen, afhankelijk van het gekozen systeem). Daarnaast kan een WKO ook nabijgelegen WKO-systemen beïnvloeden (dit kan zowel positief als negatief effect zijn). Ook heeft een WKO-systeem effect op de bodemtemperatuur. Lokaal wordt deze verwarmd of afgekoeld, afhankelijk van het type bron. Door afwisselende opwarming en afkoeling wordt ook de biologische kwaliteit van het grondwater lokaal beïnvloed. Een WKO-systeem kan leiden tot een toename van de verspreiding van reeds aanwezige grondwaterverontreiniging. Bij een slimme plaatsing van de bronnen kan het echter ook juist de verspreiding van aanwezige grondwaterverontreiniging beperken. Bij elkaar heeft deze onderzoeksvariant een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie.

4.3.4.5 Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp Aanlegfase Voor de aanleg van leidingen en warmteoverdrachtstations vanaf de bronnen naar de gebruikers (huisaansluitingen) is een beperkt negatief effect te verwachten voor grondwaterkwaliteit en kwantiteit. Hiervoor zijn bemalingen nodig voor de aanleg van leidingwerk (lokale werkzaamheden). Deze onderzoeksvariant heeft een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase De warmte die in de gebruiksfase van het warmtenet door de leidingen gaat kan zorgen voor opwarming van grondwater. Dit is sterk afhankelijk van de isolatiewaarde van de leiding, ook na langdurig gebruik (slijtages). De onderzoeksvariant heeft daarom een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.5

Effectbeoordeling grondwater

Tabel 4.12 Effectbeschrijving grondwater Aanleg/

Lucht-water

Bodem-water

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met

gebruiksfase

warmtepomp

warmtepomp

geothermie

aquathermie

centrale

Aanlegfase

0

--

--

-

-

Gebruiksfase

0

-/--

--

-

-

warmtepomp

Kenmerk

4.3.6

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Locatiespecifieke effectbeschrijving grondwater

De winningen Welschap en Aalsterweg liggen in de gemeente Eindhoven, de overige liggen in de naburige gemeenten (Figuur 4.3). Het provinciaal beleid is gericht op de bescherming van deze gebieden, met onder andere boringsvrije zones rondom de winningen. Voor deze gebieden gelden restricties wat wel en niet mag in de omgeving. Grondwater op grote diepte wordt beschermd voor drinkwaterwinning. Dit houdt in dat onder andere WKO-systemen restricties hebben tot welke diepte deze aangelegd mogen worden. Over het algemeen geldt dat deze alleen in het eerste watervoerende pakket geplaatst mogen worden (circa vanaf 30 m -mv tot circa 80 tot 100 m -mv). De diepere watervoerende pakketten zijn gereserveerd voor drinkwaterwinning. Hierdoor worden de effecten in de aanlegfase bij variant 2 (BES) en variant 4 (WKO) enigszins beperkt.

Figuur 4.3 Ligging waterwingebieden (Omgevingsverordening Noord-Brabant)

Bij ruimtelijke ontwikkelingen was de gebruikelijke aanpak volgens de Wet bodembescherming (Wbb), waarbij verontreinigingen individueel (gevalsgericht) werden aangepakt, gehanteerd. Bij omvangrijke stedelijke opgaven – zeker in het centrumgebied – was deze aanpak in veel gevallen belemmerend, niet doelmatig en zeker niet kosteneffectief. Om ruimtelijke ontwikkelingen en de inzet van bodemenergie mogelijk te (blijven) maken wordt met de gebiedsgerichte aanpak het uitgangspunt van de gevalsgerichte benadering losgelaten. Uitgangspunt hierbij is dat de in het

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

aangewezen gebied aanwezige verontreinigingen zich binnen dit gebied mogen vermengen en verspreiden. Dat betekent dat maatregelen om verspreiding van verontreiniging door bijvoorbeeld WKO-systemen en (tijdelijke) bemalingen tegen te gaan, kunnen worden verminderd of zelfs vervallen.

Figuur 4.4 Begrenzing gebiedsgericht grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum (GGB)

Om de potentie voor bodemenergie optimaal te benutten is voor het centrumgebied van Eindhoven een Masterplan Bodemenergie opgesteld. Hierbij is rekening gehouden met de aanwezige bodemverontreinigingen en de uitgangspunten vanuit het Gebiedsgericht Grondwater Beheer (GGB). Dit Masterplan Bodemenergie reguleert en faciliteert het gebruik van bodemenergie in het centrum van Eindhoven. Er zijn 4 soorten gebieden aangewezen (zie Figuur 4.5) 1. Gebieden waar de komende jaren een beperkt aantal WKO’s te verwachten is (oranje op kaart figuur 4.4). In deze gebieden worden minder eisen gesteld aan de plaatsing van WKO-

2.

bronnen. Wel dienen de bronnen zoveel mogelijk op eigen terrein geplaatst te worden, omdat er in de openbare ruimte geen plaats is voor de bronnen en het leidingwerk Gebieden waar de komende 10 jaar nog geen WKO mogelijk is, omdat er bijvoorbeeld eerst een bodemsanering uitgevoerd moet worden (paars in kaart figuur 4.5)

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

3.

Gebieden met rode en blauwe stroken (zie figuur 4.5). Hier dienen de koude bronnen in de

4.

blauwe stoken geplaatst te worden en de warme bronnen in de rode stroken, om te voorkomen dat de aanwezige grondwater verontreinigingen zich te veel verspreiden Gebieden met rode en blauwe vlekken (genummerde vlekken figuur 4.5). Hier dienen de koude bronnen in de blauwe clusters geplaatst te worden en de warme bronnen in de rode clusters

Hierdoor worden de effecten op de hydrologie en grondwaterkwaliteit in de gebruiksfase bij variant 2 (BES) en variant 4 (WKO) in het centrumgebied enigszins beperkt.

Figuur 4.5 Kaart Masterplan Bodemenergie

4.3.7

Effectbeschrijving ondergronds ruimtegebruik

Tabel 4.13 Beoordelingskader ondergronds ruimtegebruik Pictogram

++

Beoordeling

Klassegrenzen

Zeer positief effect ten opzichte van

Er komt over grotere gebieden meer ondergrondse ruimte

referentiesituatie

beschikbaar, meer wortelruimte bodem en ander groen

Kenmerk

+

0

-

--

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Positief effect ten opzichte van

Er komt lokaal ondergrondse ruimte beschikbaar, meer

referentiesituatie

wortelruimte bodem en ander groen

Geen effect ten opzichte van referentiesituatie Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

Beperkte/geen ondergrondse ruimteclaim die goed inpasbaar is in de bestaande situatie, geen beperking voor de wortelruimte bomen en ander groen Aanzienlijk ondergrondse ruimteclaim die inpasbaar is in de bestaande situatie, enige beperking voor de wortelruimte bomen en ander groen Aanzienlijke ondergrondse ruimteclaim die nauwelijks inpasbaar is in de bestaande situatie, grote beperking voor de wortelruimte bomen en ander groen

4.3.7.1 Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel) Voor warmtepompen is er geen ondergronds ruimteclaim. Voor zowel dichtbebouwde wijken als ruimer opgezette wijken zoals gemiddelde wijken en groene wijken zijn warmtepompen geen beperking voor de wortelruimte voor bomen en ander groen. Daarom heeft deze onderzoeksvariant een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.3.7.2 Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel) De bodem-water warmtepomp wordt op eigen terrein in de grond geïnstalleerd. Er is dus vooral een lokale, beperkte ondergrondse ruimteclaim. Voor dichtbebouwde wijken, gemiddelde wijken en groene wijken zijn warmtepompen geen beperking voor het bestaand ondergronds ruimtegebruik in de openbare ruimte en de beschikbare wortelruimte voor bomen en ander groen. Daarom scoort heeft deze onderzoeksvariant een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentie. Alleen bij dichtbebouwde wijken is er een risico op interferentie van de systemen onderling. 4.3.7.3 Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie De aanleg van een warmtenet en daarbij geothermische boringen brengt een aanzienlijke ondergrondse ruimteclaim met zich mee. In de groene wijken zal er voldoende ruimte zijn om het warmtenet aan te leggen onder de bestaande verharding en hoeft er geen beperking te zijn voor het bestaand ondergronds ruimtegebruik.

De onderzoeksvariant heeft daar een neutraal (0) effect. In gemiddelde wijken zal het warmtenet echter lastig inpasbaar zijn gegeven het bestaande ondergronds ruimtegebruik en blijft er weinig ruimte over voor de aanleg van extra bomen en groen. De onderzoeksvariant heeft daar een negatief (-) effect. In drukke wijken zal dit effect nog groter zijn en zal er moeten worden ingegrepen in het bestaand ondergronds ruimtegebruik bijvoorbeeld door bestaande groenstructuren en bomen te kappen, wat een zeer negatief effect heeft (--). Deze onderzoeksvariant heeft dus afhankelijk van het type wijk een neutraal (0) tot zeer negatief (--) effect. 4.3.7.4 Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO) De aanleg van een warmtenet brengt een aanzienlijke ondergrondse ruimteclaim met zich mee. In ruim opgezette wijken zal er voldoende ruimte zijn om het warmtenet aan te leggen onder de

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

bestaande verharding en hoeft er geen beperking te zijn voor het bestaand ondergronds ruimtegebruik. In veel wijken zal het warmtenet echter lastig inpasbaar zijn gegeven het bestaande ondergronds ruimtegebruik en blijft er weinig ruimte over voor de aanleg van extra bomen en groen. In dichtbebouwde wijken zal dit effect nog groter zijn en zal er moeten worden ingegrepen in het bestaand ondergronds ruimtegebruik bijvoorbeeld door bestaande groenstructuren en bomen te kappen. Deze onderzoeksvariant heeft dus afhankelijk van het type wijk een neutraal (0) tot zeer negatief (--) effect. 4.3.7.5 Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp De aanleg van een warmtenet brengt een aanzienlijke ondergrondse ruimteclaim met zich mee. In groene wijken zal er voldoende ruimte zijn om het warmtenet aan te leggen onder de bestaande verharding en hoeft er geen beperking te zijn voor het bestaand ondergronds ruimtegebruik. Hier heeft de onderzoeksvariant een neutraal (0) effect. In gemiddelde wijken zal het warmtenet echter lastig inpasbaar zijn gegeven het bestaande ondergronds ruimtegebruik en blijft er weinig ruimte over voor de aanleg van extra bomen en groen. Daarom heeft de onderzoeksvariant hier een negatief (-) effect.

In dichtbebouwde wijken zal dit effect nog groter zijn en zal er moeten worden ingegrepen in het bestaand ondergronds ruimtegebruik bijvoorbeeld door bestaande groenstructuren en bomen te kappen, wat een zeer negatief (--) effect heeft. Deze onderzoeksvariant heeft dus afhankelijk van het type wijk een neutraal (0) tot zeer negatief (--) effect. 4.3.8

Effectbeoordeling ondergronds ruimtegebruik

Tabel 4.14 Effectbeschrijving ondergronds ruimtegebruik Wijk typologie

Lucht-water

Bodem-water

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met

warmtepomp

warmtepomp

geothermie

aquathermie

centrale warmtepomp

Drukke wijken

0

0

--

--

--

Gemiddelde

0

0

-

-

-

0

0

0

0

0

wijken Groene wijken

4.4

Water

Onderstaande paragraaf beschrijft de effecten die betrekking hebben op water in de gemeente Eindhoven. De aspecten die zijn beoordeeld betreffen drinkwater in leidingen en oppervlaktewater. 4.4.1

Effectbeschrijving drinkwater in leidingen

Tabel 4.15 Beoordelingskader drinkwater in leidingen Pictogram

Beoordeling

Klassegrenzen

Kenmerk

++ +

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie Positief effect ten opzichte van referentiesituatie

n.v.t. n.v.t. De onderzoeksvariant heeft geen effect op de

0

Geen effect ten opzichte van

drinkwaterkwaliteit in leidingen (zoals toename in

referentiesituatie

temperatuur) of de -kwantiteit, ten opzichte van de referentiesituatie De onderzoeksvariant zorgt enigszins voor vermindering

-

Negatief effect ten opzichte van

van de drinkwaterkwaliteit in leidingen (zoals toename in

referentiesituatie

temperatuur) of de -kwantiteit, ten opzichte van de referentiesituatie De onderzoeksvariant zorgt voor significante vermindering

--

Zeer negatief effect ten opzichte

van drinkwaterkwaliteit in leidingen (zoals toenam in

van referentiesituatie

temperatuur) of -kwantiteit, ten opzichte van de referentiesituatie.

4.4.1.1 Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Er worden in de aanlegfase geen effecten verwacht op drinkwater in onderzoeksvariant 1. De werkzaamheden vinden inpandig plaats en heeft geen effect op aanwezige drinkwaterleidingen. De onderzoeksvariant heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Er worden in de gebruiksfase geen effecten verwacht op drinkwater in onderzoeksvariant 1, omdat voor deze variant geen warme buisleidingen nodig zijn. De onderzoeksvariant heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.4.1.2

Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel)

Aanlegfase Er worden in de aanlegfase geen effecten verwacht op drinkwater in de leidingen in onderzoeksvariant 2. De onderzoeksvariant heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Er is mogelijk wel effect op het grondwater als bron voor de drinkwaterbereiding, dit is beschreven en beoordeeld bij het aspect Grondwater in paragraaf 5.3.2.2. Gebruiksfase De warmte die in de gebruiksfase van de GBES door de leidingen gaat kan zorgen voor opwarming van drinkwater in de leidingen. De onderzoeksvariant heeft daarom een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie.

Kenmerk

4.4.1.3

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie

Aanlegfase In principe zorgt de aanlegfase van het warmtenet en warmteoverdrachtstations niet voor een negatieve beïnvloeding van de drinkwater(transport)leidingen. Incidenteel kan graafschade voorkomen, doordat leidingen niet goed in kaart zijn gebracht en/of door andere calamiteiten. Deze calamiteiten hebben een negatieve invloed op de beschikbaarheid van drinkwater, vanwege herstelwerkzaamheden. Wanneer herstelwerkzaamheden vereist zijn, heeft dit een tijdelijke negatieve invloed op de drinkwaterbeschikbaarheid en drinkwaterkwaliteit. Na herstel moeten de leidingen gereinigd en gespoeld worden, waardoor het water tijdelijk een andere smaak kan hebben. De kans op graafschade is echter beperkt en het negatieve effect is van tijdelijke aard. Daarom heeft deze variant een negatief effect (-). Gebruiksfase Bij geothermie als warmtebron gaat warm water door de warmteleidingen. De leidingen zijn geïsoleerd, zodat de uitstraling naar de omgeving minimaal is. Indien lekkages voorkomen in de isolatiemantel van de warmteleidingen, dan lekt warmte naar de omgeving. Dit kan zorgen voor opwarming van drinkwaterleidingen. Vanwege het ondergronds ruimtebeslag en omdat de leidingen veelal op ongeveer dezelfde diepte liggen, kan dit zorgen voor opwarming van de drinkwaterleidingen. De onderzoeksvariant heeft daarom een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.4.1.4

Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO)

Aanlegfase In principe zorgt de aanlegfase van het warmtenet en warmteoverdrachtstations niet voor een negatieve beïnvloeding van de drinkwater(transport)leidingen. Incidenteel kan graafschade voorkomen, doordat leidingen niet goed in kaart zijn gebracht en/of door andere calamiteiten. Deze calamiteiten hebben een negatieve invloed op de beschikbaarheid van drinkwater, vanwege herstelwerkzaamheden. Wanneer herstelwerkzaamheden vereist zijn, heeft dit een tijdelijke negatieve invloed op de drinkwaterbeschikbaarheid en drinkwaterkwaliteit. Na herstel moeten de leidingen gereinigd en gespoeld worden, waardoor het water tijdelijk een andere smaak kan hebben. De kans op graafschade is beperkt en het negatieve effect is van tijdelijke aard. Daarom heeft deze variant een negatief effect (-). Gebruiksfase De warmte die in de gebruiksfase van het warmtenet door de leidingen gaat kan bij lekkages zorgen voor opwarming van drinkwaterleidingen en daarmee vermindering van de drinkwaterkwaliteit. De onderzoeksvariant scoort daarom enigszins negatief (-). 4.4.1.5 Onderzoeksvariant 5 – Warmtenet met centrale lucht-water warmtepomp Aanlegfase In principe zorgt de aanlegfase van het warmtenet en warmteoverdrachtstations niet voor een negatieve beïnvloeding van de drinkwater(transport)leidingen.

Incidenteel kan graafschade voorkomen, doordat leidingen niet goed in kaart zijn gebracht en/of door andere calamiteiten.

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Deze calamiteiten hebben een negatieve invloed op de beschikbaarheid van drinkwater, vanwege herstelwerkzaamheden. Wanneer herstelwerkzaamheden vereist zijn, heeft dit een tijdelijke negatieve invloed op de drinkwaterbeschikbaarheid en drinkwaterkwaliteit. Na herstel moeten de leidingen gereinigd en gespoeld worden, waardoor het water tijdelijk een andere smaak kan hebben. De kans op graafschade is echter beperkt en het negatieve effect is van tijdelijke aard. Daarom heeft deze variant een negatief effect (-). Gebruiksfase De warmte die in de gebruiksfase van het warmtenet door de leidingen gaat kan bij lekkages zorgen voor opwarming van drinkwater in de grond. De onderzoeksvariant heeft daarom een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.4.2

Effectbeoordeling drinkwater in leidingen

Tabel 4.16 Effectbeschrijving drinkwater in leidingen Aanleg/

Lucht-water

Bodem-water

Warmtenet met

Warmtenet met

Warmtenet met

gebruiksfase

warmtepomp

warmtepomp

geothermie

aquathermie

centrale

Aanlegfase

0

0

-

-

-

Gebruiksfase

0

-

-

-

-

warmtepomp

4.4.3

Effectbeschrijving oppervlaktewater

Tabel 4.17 Beoordelingskader oppervlaktewater Pictogram

Beoordeling

Klassegrenzen Aanlegfase: N.v.t.

++

Zeer positief effect ten opzichte van

Gebruikersfase: De biologische oppervlaktewaterkwaliteit

referentiesituatie

verbetert en de fysisch-chemische waterkwaliteit (temperatuur) blijft gelijk en/of verbetert Aanlegfase: N.v.t.

+

Positief effect ten opzichte van

Gebruiksfase: De biologische oppervlaktewaterkwaliteit

referentiesituatie

blijft gelijk, en de fysisch-chemische waterkwaliteit (temperatuur) verbetert Aanlegfase: Geen tijdelijke effecten

0

Geen effect ten opzichte van

Gebruiksfase: de biologische oppervlaktewaterkwaliteit

referentiesituatie

blijft gelijk en de fysisch chemische waterkwaliteit (temperatuur) blijft gelijk Aanlegfase: Lokale tijdelijke effecten

-

Negatief effect ten opzichte van

Gebruiksfase: de biologische oppervlaktewaterkwaliteit

referentiesituatie

blijft gelijk en de fysisch chemische waterkwaliteit (temperatuur) verslechtert

--

Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

Aanlegfase: Lokale blijvende effecten

Kenmerk

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Gebruiksfase: de biologische oppervlaktewaterkwaliteit verslechtert en de fysisch-chemische waterkwaliteit (temperatuur) blijft gelijk en/of verslechtert

4.4.3.1

Onderzoeksvariant 1 – Lucht-water warmtepomp (individueel)

Aanlegfase Er worden in de aanlegfase geen effecten verwacht op oppervlaktewater voor onderzoeksvariant 1. Deze onderzoeksvariant heeft geen relatie met oppervlaktewater en heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Er worden in de gebruiksfase geen effecten verwacht op oppervlaktewater voor onderzoeksvariant 1. Deze onderzoeksvariant heeft geen relatie met oppervlaktewater en heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.4.3.2 Onderzoeksvariant 2 – Bodem-water warmtepomp (individueel) Aanlegfase Er worden in de aanlegfase geen effecten verwacht op oppervlaktewater voor onderzoeksvariant 2. Deze onderzoeksvariant heeft geen relatie met oppervlaktewater en heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Gebruiksfase Er worden in de gebruiksfase geen effecten verwacht op oppervlaktewater voor onderzoeksvariant 2. Deze onderzoeksvariant heeft geen relatie met oppervlaktewater en heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie. 4.4.3.3 Onderzoeksvariant 3 – Warmtenet met geothermie Aanlegfase Er worden in de aanlegfase geen effecten verwacht op oppervlaktewater voor onderzoeksvariant 3. Deze onderzoeksvariant heeft geen relatie met oppervlaktewater en heeft daarom een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie.

Gebruiksfase Er worden in de gebruiksfase geen effecten verwacht op de biologische waterkwaliteit voor onderzoeksvariant 3. Wel is er mogelijk een effect op de fysisch-chemische waterkwaliteit doordat de grondwatertemperatuur in de winter lager wordt en dit indirect ook de temperatuur van oppervlaktewater kan beïnvloeden. Maar dit effect is geen negatief effect voor het oppervlaktewater aangezien een lagere oppervlaktewatertemperatuur in de winter geen invloed heeft op de waterkwaliteit. Deze onderzoeksvariant heeft dus een neutraal effect (0) ten opzichte van de referentiesituatie.

Kenmerk

4.4.3.4

R002-1299075BLG-V01-agv-NL

Onderzoeksvariant 4 – Warmtenet met aquathermie (met WKO)

Aanlegfase Voor de installatie van een aanzuig- en uitlaatpunt voor een TEO-installatie is een tijdelijk lokaal negatief effect te verwachten. Dit aanzuig- en uitlaatpunt verstoort lokaal het leefgebied van soorten en vertroebelt het water. De onderzoeksvariant heeft daarom een negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Bij thermische energie uit afvalwater (TEA) wordt de installatie buiten het oppervlaktewater geplaatst en is er geen (0) effect op het oppervlaktewater. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase wordt warmte onttrokken uit het oppervlaktewater, en opgeslagen in een WKO-voorziening. Ook wordt warmte uit het water van een rioolwaterzuivering onttrokken, gedurende de winter (direct gebruik) en zomer (opslag in WKO). Warmteonttrekking uit oppervlaktewater zorgt voor een lagere watertemperatuur, wat een positief effect heeft op de fysische chemie. De temperatuur in alle waterlichamen is lager dan 25 graden, wat als goed geclassificeerd wordt. Echter is de toestand van de temperatuur in Ekkersrijt slecht, en komt de temperatuur boven het doel van 18 graden. De afname van de temperatuur heeft daarom met name hier een positief effect.

Indirect zorgt een lagere watertemperatuur in de zomer voor minder kans op algenbloei (positief effect op biologische kwaliteit), maar in het voorjaar kan het de ontwikkeling van flora en fauna belemmeren (negatief effect op biologische kwaliteit). Daarnaast beschadigen filters en warmtewisselaars mogelijk algen, macrofauna en kleine vissen (negatief effect op biologische waterkwaliteit). De afname in biologische kwaliteit is met name een aandachtspunt in het Beatrixkanaal, de Tongelreep, Ekkersrijt en de Gender. In deze wateren is de toestand voor flora- en of fauna in de huidige situatie al ontoereikend, en zou aanleg van variant 4 tot een verdere afname leiden. Onderzoeksvariant 4 leidt tot een verdere afname van de biologische kwaliteit in deze wateren.

Warmteonttrekking van RWZI-effluent (TEA) zorgt voor een lagere watertemperatuur van het oppervlaktewater, waarop het effluent uitkomt. Het effect op de fysische chemie is positief, doordat de zomergemiddelde watertemperatuur daalt. Een verlaging van de watertemperatuur in het voorjaar zorgt er mogelijk voor dat flora en fauna minder snel tot ontwikkeling kunnen komen in het voorjaar, maar ook dat algen minder snel tot bloei komen. Dit effect op de biologische waterkwaliteit is dus neutraal. Er is geen direct effect op de biologische waterkwaliteit door filtratie (effluent is biologisch “dood”). TEO draagt positief bij aan de fysische chemie van het oppervlaktewater maar leidt tot een afname van de biologische kwaliteit, en heeft daarom een zeer negatief (--) effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater. TEA heeft een positief (+) effect ten opzichte van de referentiesituatie. De onderzoeksvariant heeft daarmee een zeer negatief (--) tot positief effect (+) ten opzichte van de referentiesituatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15892092/1