CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Motivering en bijlagen

Raadsvergadering 4 februari 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies ten behoeve van aanvraag omgevingsvergunning Orionstraat 526.887 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoogbouw is daarbij een vorm van intensief ruimtegebruik en levert een belangrijke bijdrage aan de manier hoe de stad omgaat met de verstedelijkingsdruk. Eindhoven wil het beste van twee werelden zijn. Aan de ene kant is Eindhoven een dynamische stad, die prikkelt en stimuleert en aan de andere kant is Eindhoven ook een stad waar het goed en rustig wonen is, met volop groen voorzieningen. Het is dus zaak dat gebieden in de stad zich sterk van elkaar onderscheiden om daarmee die diversiteit te waarborgen. Vanuit die visie bezien moeten duidelijke keuzes worden gemaakt over de gebieden waar hoogbouw wel of niet wordt toegestaan.

39

Intensivering vindt vooral plaats in de goedbereikbare dynamische gebieden van de stad. Daarbij vindt een belangrijke koppeling plaats tussen intensivering en de ontwikkeling van de HOV-lijnen. In de woongebieden zijn er kansen voor verdichting rond buurtcentra. Eindhoven heeft kenmerkende ruimtelijke structuren die voor delen gekoesterd dienen te worden. Deze bestaat uit een structuur van radialen naar het centrum, een structuur van sterk onderscheidbare gebieden en daar tussen in de vele laagbouwmilieus van de stad. Het aanwijzen van kansrijke en minder kansrijke gebieden voor hoogbouw betekent niet dat hoogbouw op elke kansrijke locatie zonder meer wordt toegelaten. Daarvoor gelden voor alle afzonderlijke locaties specifieke afwegingskaders, waaronder programmatische, ruimtelijke, technische en maatschappelijke criteria. Voor gebouwen vanaf het M-niveau moeten deze criteria in ieder geval worden samengebracht in een Hoogbouw Effect Rapportage. Toetsing Het plan valt met een hoogte van 45 m onder de M-categorie. Gebouwen in de M-categorie zijn structuurdragers en begeleiden kenmerkende structuren. In dit geval betreft het een verdichting rondom een buurtcentrum met diverse voorzieningen en staat het aan de groene structuur van de Doode Gracht. Nabij het buurtcentrum staan al twee gebouwen in de M-categorie.

Verder ligt de locatie nabij de HOV-lijn, wat de mogelijkheid biedt voor een gezonde en toekomstbestendige verdichting. De ontwikkeling in combinatie met de kerk wordt een nieuw ankerpunt in de wijk en wordt benadrukt met een hoogteaccent. Het plan is derhalve in lijn met het hoogbouwbeleid. 3.3.7

Conclusie Voorliggend project is in lijn met het gemeentelijk beleid.

40

4 4.1

Gevolgen fysieke leefomgeving Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Onderhavig project (de realisatie van een complex met een kerk, 43 zorgappartementen en 80 reguliere appartementen) is een project zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (nr. J11). Voor dit project geldt een mer-beoordelingsplicht, aangezien sprake is van aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een directe mer-plicht is voor projecten onder nummer J11 niet van toepassing. Vanwege het feit dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.beoordeling nodig. In de m.e.r.-beoordeling7 is beoordeeld of als gevolg van de herbouw van de huidige kerk en de realisatie van 43 zorgwoningen met bijbehorende functies en 80 appartementen nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten.

De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

7

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde stikstodonderzoek wijst uit dat significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden niet aan de orde zijn. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht. Het uitgevoerde natuuronderzoek toont aan dat er enkel aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van de huismus en vleermuizen. Wanneer aan de maatregelen voldaan wordt zoals genoemd in het nader onderzoek hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden voor de huismus. Binnen de projectlocatie zijn geen verblijfplaatsen en essentieel leefgebied voor vleermuizen aangetroffen, zodoende hoeft voor de vleermuizen eveneens geen ontheffing aangevraagd te worden. Ondanks dat het onderzoek onder de Wnb is uitgevoerd kunnen belangrijk nadelige effecten op de soortenbescherming worden uitgesloten.

SAB. M.e.r.-beoordeling, Jacobuskerk Eindhoven. 220305, 5-4-2024 41

Aspect Verkeer

Geluid

Lucht

Cultuurhistorie

Windklimaat

8

Beoordeling milieueffecten De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking zonder te verwachten afwikkelingsproblemen op de bestaande infrastructuur. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Voorliggend project omvat nieuwe geluidsgevoelige gebouwen. De verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is ruim minder dan 40% ten opzichte van reeds aanwezige verkeer. De geluidstoename is minder dan 2 dB. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is geen akoestisch onderzoek nodig. De beoogde functies in het besluitgebied zijn te scharen onder categorie B uit de VNG-publicatie8. Dergelijke functies zijn direct naast of beneden woningen toegestaan, omdat de ruimtelijke uitstraling c.q. milieubelasting dusdanig beperkt is, dat dit het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantast. Van een negatief milieueffect voor dit aspect is hierdoor geen sprake. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt ‘Niet in Betekenende Mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrond-concentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.

In voorgestelde ontwerp worden de huidige strakke oevers omgevormd tot natuurvriendelijke oevers met een streekeigen beplanting, het assortiment van de oevers zal in overleg met de stad-ecoloog plaatsvinden. Aan de hand van de opmerking van het kwaliteitsteam is ook het ontwerp aangepast met meer vloeiende lijnen. Op deze manier wordt de cultuurhistorische waarde van de groenzone gerespecteerd en worden de kenmerken en de biodiversiteit van de oorspronkelijke beek door middel van natuurvriendelijke oevers versterkt. Dit is verder onderbouwd door Lindeloof met een toelichting van de maatregelen die worden genomen ten behoeve van de cultuurhistorische waarde. Het nieuwe gebouw gaat een meerwaarde vormen voor Eindhoven in functie en zal ook passen bij de Cultuurhistorische waarde van deze plek. Het nieuwbouwplan is getoetst aan de NEN8100. Daaruit blijkt dat het plan vrij is van windhinder en er geen sprake is van windgevaar. Van een

VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009

42

Aspect

Beoordeling milieueffecten negatief milieueffect voor dit aspect is hierdoor geen sprake

De uitkomst van de in de m.e.r.-beoordeling uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-procedure is niet nodig.

4.2

Bodem Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Toetsing Vanwege de realisatie van gevoelige objecten in de vorm van zorgwoningen en appartementen is door middel van een onderzoek 9 aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Uit de analyseresultaten blijkt dat de plaatselijk aangetroffen venige onderlaag van de bodem ter plaatse van het perceel licht verontreinigd is met kwik. Daarnaast is de grond (top- en onderlaag) ter plaatse enkel als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met PCB. Voor een nadere toelichting inzake het licht verhoogde gehalte wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van de rapportage.

9

Van Dijk Geotechniek en Milieu. Verkennend bodemonderzoek herontwikkeling naar woningbouw, Orionstraat 5 te Eindhoven. 153845, 7 november 2023 43

Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met naftaleen. Een licht verhoogd gehalte aan naftaleen wordt vaker in het grondwater vastgesteld en wordt doorgaans veroorzaakt door natuurlijke ophoping. Daarnaast is het grondwater als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met som xylenen en som dichlooretheen. Voor een nadere toelichting inzake het licht verhoogde gehalte wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van de rapportage. Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er, gezien de geringe mate aan verontreiniging, milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige herontwikkeling naar woningbouw. De eventueel tijdens de nieuwbouw vrijkomende grond komt op basis van de indicatieve gegevens van het onderhavig bodemonderzoek mogelijk in aanmerking voor hergebruik als achtergrondwaarde grond. Indien de grond vrijkomt van de locatie kan deze worden aangeboden aan bijvoorbeeld een grondbank of een hergebruiksproject. Voordat de grond daadwerkelijk kan worden hergebruikt dient deze echter specifiek volgens het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring) te worden onderzocht. Na sloop van de huidige bebouwing zal aanvullend de grond worden onderzocht ter plekke van de gesloopte bebouwing. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.

4.3

Geluid Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

44

Grenswaarde in Lden (dB) Geluidbronsoorten

Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en

Standaardwaarde in Lden (dB)

Nieuwe geluidgevoelige Aanleg of gebouwen aanpassing bron

50

60

65

53

70

70

55

65

70

50

55

60

40 Lnight

45 Lnight

50 Lnight

waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Toetsing Het voornemen bestaat om de Jacobuskerk aan de Orionstraat in Eindhoven te herontwikkelen. In de huidige situatie staat er een verouderde kerk. Deze zal gesloopt worden om ruimte te maken voor een nieuwe kerk en appartementencomplex met zowel zorgwoningen als appartementen.

Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een omgevingsvergunning vereist. In het kader van de te doorlopen juridisch-planologische procedure is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai10. Navolgende afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.

10

SAB. Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer. Eindhoven, Orionstraat. 220305, 8 april 2024 45

Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van het bouwplan, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden in zijn geheel niet overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 49 Lden. Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen

46

niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen.

Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO 2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.

Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het project sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven vanuit de instructieregels van het Bkl. Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties

47

verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM2.5)

2030

2022 10-15 µg/m3 16-18 µg/m3 8-10 µg/m3

10-15 µg/m3 < 14 µg/m3 6-8 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (Bron: GCN en GDN 2022 en 2030 – RIVM ).

Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Hiervan is bij het onderhavig project geen sprake. Daarnaast is in paragraaf 4.13 geconcludeerd dat de realisatie van de ontwikkeling leidt tot een toename van maximaal 462 verkeersbewegingen. De 462 verkeersbewegingen zijn ingevuld in de NIBM-tool. Hieruit volgt dat het project alleen een toename van maximaal 0,28 µg/m3 NO2 en 0,07 µg/m3 PM10 veroorzaakt.

Berekening NIBM-tool, op basis van 462 extra voertuigbewegingen, waarvan 1,0% vrachtverkeer (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu).

Deze toename zal nagenoeg geen effect hebben op de achtergrondconcentraties in de omgeving van het besluitgebied en niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden voor de verschillende stoffen. Op basis hiervan kan ook worden geconcludeerd dat geen sprake is van een negatief milieueffect. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe milieugevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals (zorg)woningen of kinderopvang, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de gebruiksruimte van omliggende 48

bedrijven. Anderzijds mogen bedrijven in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met het project mogelijk worden gemaakt. Omgekeerd geldt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling met een hinderveroorzakende functie, in dit geval een kerkruimte, beoordeeld moet worden of de functie geen hinder veroorzaakt op milieugevoelige functies. Aangezien de gemeente Eindhoven nog geen eigen beleid heeft op gebied van milieubelastende activiteiten en er nog geen nieuwe VNG-publicatie beschikbaar is, zal de oude VNG-publicatie als leidraad voor de milieuzonering worden gebruikt11. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen (direct) naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

In de VNG-publicatie zijn voor het bepalen van de richtafstanden de volgende uitgangspunten gehanteerd: − het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; − de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kan worden uitgegaan van kortere afstanden (verlaging met één afstandsstap, met uitzondering van het aspect gevaar); − de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; − bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. De richtafstanden lopen op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere milieucategorie. Zoals bij de uitgangspunten voor de richtafstanden is gesteld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd (dus van bijvoorbeeld 50 naar 30 meter voor milieucategorie 3.1; dit geldt niet voor het aspect ‘gevaar’).

Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht. De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Navolgende tabel maakt inzichtelijk wat de richtafstanden zijn voor de verschillende milieucategorieën, zowel voor ‘rustige woonwijken’ of ‘rustige buitengebieden’ als voor ‘gemengde gebieden’.

11

VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009

49

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling worden er zowel gevoelige functies toegevoegd als een functies waarvoor richtafstanden vanuit de VNG-uitgaven Bedrijven en milieuzonering voor bepaald zijn. Zodoende is de hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling en de hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling bepaald en beschreven in een Quick scan milieubelastende activiteiten12. De conclusies zijn navolgend gegeven. Hinder ten gevolg van de ontwikkeling Met de toepassing van een functiemengingslijst binnen het project, waarbinnen enkel functies in de categorieën A en B zijn toegestaan, vormt met inachtneming van de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving dan wel met een bouwkundige afscheiding, de hinder als gevolg van de ontwikkeling geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Hinder op de ontwikkeling Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat voor de omliggende gronden voldaan wordt aan de VNGbrochure (richtafstanden-lijst c.q. functiemengingslijst) waardoor deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de ontwikkellocatie een veilig en gezond woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Op basis van voorliggende quick scan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een besluitgebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het besluitgebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

12

SAB. Quick scan milieubelastende activiteiten. 220305, 3 april 2024. 50

of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten in de vorm van zorgwoningen en appartementen. Voor de toetsing van de externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. In de omgeving van het besluitgebied liggen geen risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Enkel is op circa 150 meter aan de noordoostelijke zijde een hoogspanningsleiding gelegen. De hoogspanningsleiding wordt nader beoordeeld in paragraaf 4.7 In navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart, het besluitgebied is aangegeven met de rode ster.

Uitsnede risicokaart, besluitgebied weergegeven met rode ster (bron: atlasleefomgeving)

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.7

Kabels en leidingen Algemeen Bij vaststelling van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen. In voorgaande paragraaf is naar voren gekomen dat er op circa 150 meter ten noordoosten van het besluitgebied een hoogspanningsleiding is gelegen.

51

Hoogspanningsleidingen In verband met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden voorkomen dat nieuwe voor hoogspanning gevoelige functies binnen de magneetveldzone van 0,4 microTesla liggen. Dit blijkt uit het advies van het rijk uit 2005 13 en de toelichtende brief van 200814 over bovengrondse hoogspanningslijnen. In de brieven van 2005 en 2008 is toegelicht dat bestemmingen waar kinderen (tot 15 jaar) langdurig kunnen verblijven worden aangemerkt als gevoelig. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. 'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. De voor- en nadelen en de specifieke lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er besloten wordt om dergelijke functies toch binnen de zone toe te staan. Gemeenten, provincies en het rijk moeten hierbij hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het maken van keuzen. Toetsing Met onderhavige ontwikkeling worden gevoelige functies gerealiseerd. De hoogspanningsleiding ‘Eindhoven noord - Eindhoven’ is een 150 kV leiding met aan beide zijden een indicatieve zone van 135 meter. De afstand van het besluitgebied tot de hoogspanningsleiding is circa 150 meter. Het besluitgebied is zodoende buiten de veiligheidszone gelegen en een berekening naar het magnetisch veld kan achterwege blijven.

Het besluitgebied ten opzichte van de hoogspanningsleiding is weergegeven in navolgende afbeelding.

Uitsnede Netkaart RIVM, met hoogspanningsleiding 150 Kv (blauwe lijn) en besluitgebied weergegeven met rode ster.

13

Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, Kenmerk, SAS/2005183118, De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

14

Verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, Kenmerk, DGM\/2008105664, 4 november 2018, De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 52

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.8

Water In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen op het aspect water. Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (NWP) is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 worden allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor

53

grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Regionaal Waterprogramma Noord-Brabant 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma 2022-2027 (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. In het Regionaal Waterprogramma zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Noord-Brabant. Het Waterplan is onderverdeeld in vijf deelprogramma’s: 1. Voldoende water: de provincie creëert beleidsinstrumenten en uitgangspunten voor een goed peilbeheer. Het tegengaan van de verzilting en voldoende water voor natuur vormen andere speerpunten. 2. Schoon water: Zowel het afvalwater als het grond- en oppervlaktewater moeten zonder schadelijke stoffen (her)gebruikt kunnen worden.

De provincie wil in het bijzonder aandacht besteden aan natuurgebieden en grondwaterbeschermingszones. 3. Veilig water: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.

54

4. Vitale bodem: De sponswerking van de bodem is de laatste jaren afgenomen door verdichting. De provincie wil meer natuurinclusievere ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren 5. Klimaatadaptatie: de provincie zet zich scherp in op een klimaatbestendige en waterrobuuste provincie. Deze constatering vertaald zich in het aanpassen van ons handelen op deze verandering, bijvoorbeeld het beperken van de hittestress en de aanpassing van ruimtelijke ontwikkelingen aan hevige buien. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Noord-Brabant. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van het waterschap. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap De Dommel Op 24 november 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta vastgesteld.

In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: − Droge voeten: Dit programma draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Verder vormt een toekomstbestendige waterhuishouding het beleidsuitgangspunt; − Voldoende water: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water dankzij opgaven natuurinclusiever oppakken; − Schoon water: Bij dit programma speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol met oog voor circulaire economie en energieneutraliteit. De aandacht wordt ook besteed aan water dat vrij van schadelijke chemicaliën moet worden. Huidige knel- en aandachtspunten zijn vervolgens in kaart gebracht. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen en onderverdeeld in werkrichtingen voor de komende jaren.

Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA), Gemeente Eindhoven 2023 – 2026 In de Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) wordt uit eengezet hoe gemeente Eindhoven de komende vier jaar aan de slag gaat om aan de drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater) te voldoen. Daarnaast zijn in de aanpak de taken beschreven voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven. Het is een actualisatie van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2022 en geeft het beleidsmatig en financieel kader voor het uitvoeren

55

van de hiervoor beschreven zorgplichten en taken. De onderstaande afbeelding geeft aan hoe de Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) is opgebouwd en input geeft v oor de omgevingswetinstrumenten.

Vertaling ambitie en stedelijke opgaven uit Omgevingsvisie 1.0 naar het Water- en Klimaatadaptatie plan (bron: WKA)

De visie is ‘Op een duurzame manier (!) bijdragen aan de stedelijke opgaven uit de omgevingsvisie 1.0: het behouden en realiseren van een gezonde, aantrekkelijke en leefbare stad; ‘Water als waarde voor een leefbare en gezonde stad’. De waterregels zijn een doorwerking van het water- en klimaatadaptatiebeleid en binden derden aan de doelen van dit beleid. De bestaande Eindhovense water- en klimaatadaptatieregels zijn opgenomen in het Paraplu bestemmingsplan waterberging 2020 en de Algemene plaatselijke verordening (APV). Voor opvolging van regels voor waterberging heeft gemeente Eindhoven een rekentool ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn. In de planperiode 2023-2026 worden verplichte vergroeningsopgaven bij bouwontwikkelingen geïmplementeerd in de rekentool. Met deze toevoeging draagt de gemeente beter bij aan de doelen uit de Water- en Klimaatadapatie aanpak en het Groenbeleidsplan van gemeente Eindhoven. De waterregels worden gecontroleerd met de toets omgevingsvergunning en de watertoets. Een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwwerken (woningen, panden, etc.) wordt getoetst op diverse waterhuishoudkundige aspecten, zoals de waterbergingsopgave en de huisaansluitingen van afval- en hemelwaterriool.

56

Toetsing Dit project voorziet in de realisatie van een kerk, 43 zorgwoningen en 80 appartementen. Dit betekent een toename in verharding, zodoende is een watertoets uitgevoerd in de Rekentool klimaatopgave15. Waterberging In de Rekentool klimaatopgave zijn de planeigenschappen ingevoerd waar vervolgens is doorgerekend in hoeverre de maatregelen zorgen voor een goede waterbalans. In navolgende overzichten zijn de maatregelen weergegeven gevolgd door het resultaat van de rekentool.

15

Rekentool Klimaatopgave 06-11-2024. 57

Met de maatregelen wordt voldaan aan de waterbergingsopgave. De watertoets en de verschillende waterbergende maatregelen zijn verder uitgewerkt in de waterberekening16. De onderstaande afbeelding geeft het overzicht van de verschillende maatregelen die worden toegepast binnen het projectgebied.

Waterbergende maatregelen en oppervlaktes binnen besluitgebied (bron: Bureau Weijde)

16

Bureau Weijde tuin- en landschapsarchitecten. Waterberekening Jacobuskerk te Eindhoven. 222705 B, 5 november 2024. 58

Waterveiligheid Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. In of in de directe nabijheid van het besluitgebied zijn echter geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Het besluitgebied is niet gelegen in een dijkringgebied. Raadpleging van de Atlas Leefomgeving laat zien dat het besluitgebied niet gesitueerd is in een overstroombaar gebied als de primaire waterkeringen breken. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het overstromingsrisico klein is. Oppervlaktewater Uit de legger van het Waterschap blijkt dat er watergangen in (de directe omgeving van) het besluitgebied gelegen zijn, namelijk de Doode Gracht. Het initiatief heeft geen betrekking op de watergang, dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het project. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen stelt het waterschap als eis dat de bodem van de voorziening boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt. Dit wordt ook wel de ontwateringsdiepte genoemd; het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand.

De gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn: − Woningen met kruipruimte: 0,7 m -mv − Woningen zonder kruipruimte: 0,3 m -mv (Vloerpeil van woningen 0,30 m + maaiveld) − Tuinen en openbare groenvoorzieningen: 0,5 m -mv Verder wordt geadviseerd het bouwpeil 0,3 m hoger te leggen dan het peil van de aangrenzende weg. Zo staat water bij water-op-straat niet direct tegen het appartementencomplex aan. Waterkwaliteit Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. Er wordt op gelet dat niet-uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt, om te voorkomen dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Riolering Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Het hemelwater wordt geborgen op eigen terrein.

Het hemelwater is bij piekbuien groter dan de waterberging op eigen terrein. Na benutting van deze berging wordt het geloosd op de Doode Gracht. Hiervoor wordt een ontheffing

59

verkregen en er wordt met de gemeente een beheersplan opgesteld en overeengkomen. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 16 liter per dag geproduceerd per persoon. Op basis van maximaal 80 appartementen en een gemiddelde bezetting van 2,5 personen per woning, wordt uitgegaan van 200 bewoners. Daarnaast zijn er 43 zorgwoningen waar per zorgwoning één persoon in komt te wonen. De kerk is reeds bestaand en zorgt zodoende niet voor meer afvalwater. Dit betekent dat er dus (200 x 16 liter) + (43 x 16 liter) = 3.888 liter per dag wordt geloosd. De berekening is gebaseerd op basis van gemiddelden en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. De aansluiting op het riool wordt geregeld door de gemeente op aanvraag en op kosten van initiatiefnemer. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van het waterschap.

Het Waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.9

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Dit was voorheen geregeld in de Wet natuurbescherming, maar dit is sinds 2024 overgegaan in de Omgevingswet. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing beschermde gebieden en soorten In het kader van de Omgevingswet is er een quick scan natuur17 uitgevoerd voor het besluitgebied. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek.

17

Van der Goes en Groot. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Orionstraat 5 te Eindhoven. QS2022-206, versie V1, 29 september 2022. 60

Beschermde soorten Omgevingswet Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en overige fauna (dagvlinders). Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën, dagvlinders en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. In het besluitgebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Bij de sloop van de gebouwen zou essentieel leefgebied van de Huismus beschadigd of vernield kunnen worden. Essentieel leefgebied van deze soort is jaarrond beschermd. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort, dit onderzoek wordt later in deze paragraaf nader besproken.

Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het besluitgebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het besluitgebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het besluitgebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor incidenteel aanwezige Steenmarter en kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het besluitgebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het besluitgebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. In het besluitgebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het besluitgebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het besluitgebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.

61

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende Iepenpages in het besluitgebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het besluitgebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vlinders kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het besluitgebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is. Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Het aspect stikstof wordt in paragraaf 4.10 behandeld. Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht. Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: − Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. − Ontzie groen en groenvoorzieningen zoveel als mogelijk tijdens de werkzaamheden en bij het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen.

Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en gebruik eventuele bouwwegen zowel voor aanvoer als afvoer. − Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. − Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houdt bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan. − Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden, of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk worden gebruikt om insporing en potentiële verstoring te beperken. − Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. Nader onderzoek Huismus en vleermuizen Navolgend aan de quick scan is er nader onderzoek18 uitgevoerd naar de huismus en vleermuizen. Tijdens de inventarisatie zijn de Huismus en 3 soorten vleermuizen aangetroffen. Dit is weergegeven in de onderstaande tabel.

18

Van der Goes en Groot. Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving. 2023-213, versie V1, 17 oktober 2023. 62

Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties binnen het projectgebied (Bron: Van der Goes en Groot)

Direct buiten het projectgebied komen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor, namelijk die van Huismus. Indien zware werkzaamheden tijdens de gevoelige periode, 1 maart t/m eind augustus (eind september bij late broedsels) worden verricht is verstoring mogelijk. In dat geval dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd, waarbij als onderdeel daarvan een plan van aanpak gemaakt wordt waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. In het projectgebied is essentieel leefgebied voor Huismus aanwezig. Deze delen staan gemarkeerd op de onderstaande kaart.

63

Verspreidingskaart Huismus (Bron: Van der Goes en Groot)

Indien 1/3e van dit groen (zo’n 130 tot 140 m2) ongemoeid blijft door de werkzaamheden wordt geen negatief effect verwacht en is geen ontheffingsaanvraag benodigd. Indien dit betreffende groen verwijderd zal worden, dient dit buiten de broedperiode gedaan te worden (1 maart t/m eind augustus). Waar dit niet mogelijk is, wordt alsnog een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig geacht, omdat in dat geval het vlakbij aanwezige nest ongeschikt kan raken en daarmee een verbodsbepaling overtreden kan worden. In het projectgebied kunnen ook broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt 64

ruwweg van half maart tot eind juli, maar is sterk afhankelijk van omstandigheden en de betreffende soort. In het projectgebied zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het projectgebied. Enkele rondvliegende vleermuizen met sociale geluiden vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het projectgebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aan te vragen. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht, zoals benoemd in de vorige sub paragraaf. Bomen effect analyse Ten behoeve van de aanwezige bomen is een verkennende bomen effect analyse 19 uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de bomen overwegend in een redelijke (19 stuks) tot goede (21 stuks) conditie verkeren, een redelijke (18 stuks) tot goede (24 stuks) mechanische kwaliteit hebben en hierdoor een redelijke (14 stuks) tot goede (16 stuks) toekomstverwachting hebben.

Uitzondering hierop vormen: − Boomnummers 2, 20, 25, 32 & 41, deze bomen hebben een matige mechanische kwaliteit en een matige tot redelijke toekomstverwachting. − Boomnummer 34, deze boom heeft een slechte mechanische kwaliteit en een slechte toekomstverwachting. De boom is voor de helft afgestorven en vertoont stamscheuren en diverse zwammen aan de stamvoet. − Boomnummers 22 & 27, deze bomen zijn dood. Het groenplan dat in paragraaf 2.3 is behandeld gaat in op welke bomen er uiteindelijk gekapt worden. Conclusie Met in achtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

19

Arbor. Verkennende Bomen Effect Analyse, Orionstraat te Eindhoven. AC-22-0354, 2 november 2022. 65

4.10

Stikstof Algemeen Op grond van de Omgevingswet worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.

Toetsing In het kader van de Omgevingswet is het noodzakelijk de mogelijke stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk te maken. Dit is inzichtelijk gemaakt in een onderzoek stikstofdepositie20 waarvan de conclusies navolgend gegeven zijn. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Omgevingswet benodigd voor het aspect stikstof. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

20

SAB. Onderzoek stikstofdepositie, Eindhoven Jacobuskerk. 220305, 15 oktober 2024. 66

4.11

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Op basis van het ‘paraplubestemmingsplan archeologie 2023’ is aan het besluitgebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 4’ toegekend, welke dient ter bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. De dubbelbestemmingen opgenomen in het 'paraplubestemmingsplan archeologie 2023’ zijn een vertaling van geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Eindhoven, welke op 21 juni 2021 is vastgesteld. De toegekende archeologische dubbelbestemming is tevens al overgenomen in het vigerend bestemmingsplan ‘Woensel-Noord 2021’.

Op grond van de dubbelbestemming is het niet toegestaan om te bouwen binnen het besluitgebied, met uitzondering van het bebouwen van gronden waarbij minder dan 100 m2 van de grond wordt geroerd, én het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld. Derhalve is op de locatie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek21 uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden hieronder besproken. Het plangebied ligt in het voormalig beekdal van de Dommel. In het beekdal is in de Middeleeuwen een gracht gegraven, de Dode Gracht, waarvan de loop in of direct grenzend aan het plangebied heeft gelegen. Ook lag er in of vlakbij het plangebied een oversteek (een brug of een voorde). Gezien de ligging in of direct naast een beekdal was het plangebied waarschijnlijk te nat voor bewoning in de periode Neolithicum – Romeinse Tijd. Tijdelijke kampementen uit de periode Laat-Paleolithicum – (Vroeg) -Neolithicum komen wel voor in beekdalen. De verwachting hierop is hoog. Uit de periode Neolithicum – Vroege-Middeleeuwen zijn wel water-gerelateerde resten te verwachten. De aanwezigheid van een waterovergang in of nabij het plangebied is een indicatie voor een doorgang of weg die mogelijk al verder terug gaat dan de historische tijd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15042917/2