CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Bijlagenbundel bij Programma Gezonde Leefomgeving 2026-2035

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerp programma gezonde leefomgeving 2026 203528.445 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Omdat dit geluidplafond nog steeds niet bestaat kan het zijn dat de geluidbelasting bij een eerder geïsoleerde woning weer hoger is opgelopen. Maar ook bij recentere woningen kan de geluidbelasting hoger zijn geworden dan eerder in een hogere waarde besluit is opgenomen. Onder de Omgevingswet komt er één herstelronde waarbij alle woningen die een geluidbelasting hebben van 70 dB of meer (opnieuw) in aanmerking kunnen komen voor geluidisolatie. Deze lijst kan pas worden opgesteld op het moment dan de Basisgeluidemissie is vastgelegd. Dit staat gepland voor 2028.

3.2.2.

Brommers en motoren

Het geluid van brommers wordt in algemeenheid als extra hinderlijk ervaren. Naast het geluid speelt hier ook de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen een rol. We hebben in 2024, 2025 en 2026 een subsidieregeling voor het slopen van een vervuilende brommer. We gaan de mogelijkheid verkennen om de geluidsoverlast van brommers en scooters op fossiele brandstof verder terug te brengen en bezien daarbij ook de mogelijkheden van een verbod.

Gebruikers van deze voertuigen hebben dan nog enkele jaren om een overstap te maken op een elektrische brommer of scooter, nu deze goed en betaalbaar zijn. Ook het geluid van motoren wordt in algemeenheid als extra hinderlijk en intimiderend ervaren. Een overstap naar elektrisch exemplaren ligt op dit moment nog minder voor de hand omdat het aanbod nog beperkt is. Bij specifieke hinder en overlast situaties met motoren kunnen we de politie verzoeken om een gerichte controle uit te voeren.

3.2.3.

Burenlawaai

De wetgever heeft in het verleden de keuze gemaakt om betaalbare woningen te bouwen waarbij in een reguliere woonsituatie, buren een beperkte mate van overlast van elkaar moeten dulden. Die lijn zit nog steeds in het huidige Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij lichte bouwsystemen van bijvoorbeeld hout zijn de normen niet meer toereikend en zal er eerder en meer hinder van buren worden ervaren. De Rijkswetgever is hiervoor aan zet omdat wij als gemeente geen strengere eisen mogen opnemen dan opgenomen in het Bbl. Ook bij het verbouwen van een woning kunnen geen strengere normen opleggen, waardoor een mate van hinder door geluidoverlast altijd zal blijven. Gelet op de meldingen van hinder en overlast, zijn dit de zaken die we vaak zien bij ‘de rijdende rechter’. Overlastmelders dulden vaak geen enkele overlast en menen recht te hebben op ongestoord woongenot en overlastveroorzakers menen recht te hebben om alles in hun woning te kunnen doen wat ze willen. Dit komt niet overeen met het doel van de wetgever zoals in de eerste alinea is beschreven. Als gemeente hebben we op dit onderdeel niet veel mogelijkheden. Een mogelijkheid zou kunnen zijn om hier een voorlichtingscampagne op in te richten. We bekijken met name ook of we met ontwikkelaars hier afspraken over kunnen maken, met name bij lichte bouwsystemen.

3.2.4.

Bouwlawaai

Eindhoven heeft grote ambities en groeit. De bouw- en sloopactiviteiten nemen toe. De één ziet het als vitaliteit en bedrijvigheid, voor de ander is het een bron van last. Bouwprojecten hebben gevolgen voor de leefomgeving. Bouwen gaat samen met bijvoorbeeld geluid, trillingen, stof, licht, of beperking van het uitzicht. Bouwen kan ook tot schade leiden door trillingen, bronbemaling en zwaar verkeer. Daarnaast heeft het gevolgen voor de bereikbaarheid. De gemeente en bouwbedrijven doen veel om bouwhinder te voorkomen. Ze maken gebruik van stille technieken en meten in bijzondere omstandigheden het geluid en de trillingen. Standaardnormen voor geluid

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt regels voor geluid en trillingen die bij het bouwen mogen worden gemaakt. Dit geldt bij sloop, bouwen of verbouwen, maar

ook bij infrastructurele werken. Omdat slopen en bouwen tijdelijk zijn, zijn de normen hoger dan voor dagelijks geluid van bijvoorbeeld bedrijven. Hoe langer het bouwen duurt, hoe lager de normen worden. Standaard mag er alleen in de dagperiode lawaai worden gemaakt. De geluidnormen staan in tabel 7.17 van het Bbl en zijn hieronder opgenomen.1 Tabel 7.17 dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur Dagwaarde

≤60 dB(A)

>60 dB(A)

>65 dB(A)

>70 dB(A)

>75 dB(A)

>80 dB(A)

maximale blootstellingsduur op de gevel van een woon-, bijeenkomst- voor kinderopvang, gezondheidszorg- of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein

onbeperkt

50 dagen

30 dagen

15 dagen

5 dagen

0 dagen

Uitsluiten van toetsing voor geluid

Soms is het nodig om in de avond- en nachtperiode te werken. Denk hierbij aan: 1. Het storten van beton; een proces dat soms meer dan 12 uur achter elkaar moet worden uitgevoerd. 2. Het vlinderen van vloeren dat gelijk na het storten van een betonvloer uitgevoerd moet worden. 3. Werk aan het spoor of wegen die om redenen van veiligheid niet in dagperiode uitgevoerd kunnen worden. 4. Werk in geval van een calamiteit. In onze Beleidsregel bouwhinder uit 2014 is aangegeven dat we enkele activiteiten niet toetsen. Omdat we in Eindhoven weinig klachten krijgen over bouwlawaai door deze activiteiten. Onder de omgevingswet sluiten we ook deze activiteiten uit van toetsing. Wel moeten deze activiteiten worden gemeld bij de gemeente en bij de omwonenden bekend worden gemaakt. Zie hiervoor de paragraaf over communicatie over dit onderwerp. Ontheffing voor geluid

Soms is het nodig om in de avond en/of nacht te slopen of te bouwen. In dit soort gevallen biedt het Bbl (artikel 7.23) de mogelijkheid af te wijken. Dit kan met een maatwerkvoorschrift. Ook stelt het Bbl dat als de activiteit voldoet aan het gemeentelijk regels een maatwerkvoorschrift niet nodig is. In dat geval is alleen een melding nodig. De administratieve kosten worden hierdoor minder, zowel voor de initiatiefnemer als de gemeente. Voldoet de activiteit niet aan de gemeentelijke regels, dan kan een procedure voor een maatwerkvoorschrift volgen. 1 Voor toetsing aan de normen wordt verwezen naar de meest actuele versie via

wetten.overheid.nl.

Om een maatwerkvoorschrift te onderbouwen zijn de beste beschikbare stille technieken nodig. Als volledige toepassing van stillere technieken niet haalbaar is, dient aan omwonenden een vorm van compensatie te worden gegeven. Deze compensatie is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat het geluidsniveau binnen – bij een gesloten raam van een slaapkamer- in de nachtperiode niet hoger is dan 25 dB(A). Maatwerk voor geluid

Met een maatwerkvoorschrift kunnen de dagwaarden, blootstellingsduur, tijdstippen en perioden van de waarden van tabel 7.17 worden versoepeld. Om niet voor elke situatie met werkzaamheden in de avond- of nachtperiode een maatwerkvoorschrift te hoeven stellen we afzonderlijke waarden en blootstellingsduren voor. Deze zijn hieronder uitgewerkt. Avondwaarden (tussen 19:00 en 23:00 uur) en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur Avondwaarde

≤55 dB(A)

>55 dB(A)

>60 dB(A)

>65 dB(A)

>70 dB(A)

maximale blootstellingsduur op de gevel van een woon-, bijeenkomstvoor kinderopvang, gezondheidszorg- of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein

30 avonden

15 avonden

5 avonden

1 avond

0 avonden

Nachtwaarden (tussen 23:00 en 7:00 uur) en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur Nachtwaarde

≤50 dB(A)

>50 dB(A)

>55 dB(A)

>60 dB(A)

>65 dB(A)

maximale blootstellingsduur op de gevel van een woon-, bijeenkomst- voor kinderopvang, gezondheidszorg- of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein

15 nachten

5 nachten

1 nacht

4 uur in 1 nacht

0 nachten

Voor zon- en feestdagen zijn de avond- en nachtwaarden (in beide tabellen) 5 dB lager. Deze waarden en blootstellingsduren sluiten aan bij de Beleidsregel bouwhinder uit 2014. Voor stationaire bronnen (bronbemaling, aggregaat en zo) stellen we een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bij geluidgevoelige gebouwen voor van niet meer dan: - 50 dB(A) tussen 07:00 en 19:00 uur; - 45 dB(A) tussen 19:00 en 23:00 uur; - 40 dB(A) tussen 23:00 en 07:00 uur.

Onderzoek voor geluid

Het is aan de initiatiefnemer om met een akoestisch onderzoek (conform bijlage IVh van de Omgevingsregeling) aan te tonen dat voldaan wordt aan de waarden en de blootstellingsduur voor bouwlawaai. Als de aaneengesloten bedrijfsmatige bouw- en sloopwerkzaamheden waarvoor maatwerkvoorschriften zijn gesteld, langer duren dan een half jaar dan wel dat de totale werkzaamheden 1,5 jaar of meer bedragen, dient het geluid in ieder geval te worden gemonitord bij de gevels van de meest nabijgelegen woningen of op de grens van een geluidsgevoelig terrein. Hierbij wordt het aantal dagen dat er gebruik wordt gemaakt van de gestelde maatwerkvoorschriften gerelateerd aan de gemeten geluidsbelastingen, middels LAeq,60minuten of LAeq,T. De meetresultaten en het aantal dagen worden digitaal realtime op een openbaar toegankelijk platform zichtbaar gemaakt, waarbij ook inzicht wordt geboden in de historie en meetgegevens ook vrij downloadbaar zijn voor belanghebbenden en bijvoorbeeld kennis- en onderwijsinstellingen. Procedure

Een verzoek om maatwerk dient minimaal 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden te worden gedaan. In het verzoek om maatwerk dient te staan om welke werkzaamheden het gaat, de start en eindtijden, het in te zetten materieel en de geluid bronvermogens en de verwachte geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen, de duur van de (afzonderlijke) activiteiten. Communicatie voor geluid

Het is bij bouwlawaai zaak om de omwonenden tijdig te informeren over de werkzaamheden. Als duidelijk is op welke momenten overlast kan ontstaan, kunnen omwonenden hierop inspelen. Overlast wordt als minder storend ervaren wanneer men vooraf informatie heeft over de aard en de duur. Ook kunnen omwonenden onverwachte situaties melden en kan de aanvrager hier snel op reageren en daarmee hinder beperken. We stellen voor dat omwonenden tot een afstand van 250 meter, door de initiatiefnemer, 4 weken voor de start van de geluid producerende werkzaamheden, schriftelijk, huisaan-huis worden geïnformeerd over deze werkzaamheden. Hierin staat: - de datum of periode; - de start- en eindtijd(en); - de aard van het werk; - een of meer contactpersonen en de bereikbaarheid (ook buiten reguliere werktijden).

3.2.5.

Evenementenlawaai

Voor evenementen worden op dit moment locatieprofielen opgesteld. Een aantal regels zijn nu opgenomen in de APV en gaan op enig moment over naar het Omgevingsplan. Vanwege de gewijzigde profielen zullen die regels van de APV niet een op een over kunnen gaan naar het omgevingsplan. Om regels op te kunnen nemen moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit geval evenementen (collectieve en incidentele festiviteiten) op de aangewezen locaties. Onderzoek naar de aanvaardbaarheid van geluid op de evenementenlocaties vindt nog plaats. Daarvoor is het nodig te weten hoeveel omwonenden er rond de evenementenlocaties wonen en waarom we vinden dat er op deze locaties evenementen gehouden moeten kunnen worden en wat betekent dit voor de gezondheid van de omwonenden. Een onderdeel dat nog meegenomen moet worden in de huidige locatieprofielen is de motivering van de normen van 80dB en zelfs 85 dB. De algemeen aanvaarde geluidnormen van 70-75 dB(A) voor evenementen staan in de publicatie “Evenementen met een luidruchtig karakter”. Deze zijn gekozen met als basis de spraakverstaanbaarheid in de woning. Een bewoner moet binnen in de woning nog een hulpdienst kunnen bellen en dit gesprek moet verstaanbaar zijn. Met 80 of 85 dB(A) bestaat de kans dat dit niet meer mogelijk is. Dit heeft ook te maken met hoe goed een woning tegen geluid geïsoleerd is.

Voor basgeluiden is de isolatie vaak erg beperkt. Het aantal evenementen en de rusttijd tussen de evenementen is gebaseerd op de normen van 70-75 dB(A). Bij deze afweging zou niet alleen het aantal luidruchtige evenementen in de afweging meegenomen moeten worden, maar ook de rusttijd tussen de evenementen.

Communicatie voor geluid

Net als bij bouwlawaai is het bij evenementen zaak om de omwonenden tijdig te informeren over het specifieke evenement. Als duidelijk is op welke momenten overlast kan ontstaan, kunnen omwonenden hierop in spelen. Overlast wordt als minder storend ervaren wanneer men vooraf informatie heeft over de aard en de duur. Ook kunnen omwonenden onverwachte situaties melden en kan de aanvrager hier snel op reageren en daarmee hinder beperken. We stellen dan ook voor dat omwonenden, door de initiatiefnemer, 4 weken voor de start van het evenement, schriftelijk, huis-aan-huis worden geïnformeerd over het evenement en de op- en afbouw werkzaamheden. Hierin staat: - de datum of periode van het evenement inclusief het opbouwen en het afbreken; - de start- en eindtijd(en); - de aard van het evenement; - een of meer contactpersonen die tijdens het evenement ook daadwerkelijk bereikbaar zijn.

100 of 103 dB(A)

Landelijk speelt er al een groot aantal jaren een discussie over 100 dB(A) of 103 dB(A) bij evenementen. Het draait om een afweging tussen enerzijds de beleving van de muziek en anderzijds de gezondheid van de bezoekers. In Nederland zijn er geen landelijke regels die de geluidsnormen voor evenementen bindend vastgelegd. In plaats daarvan is er een vrijwillig convenant afgesloten tussen onder andere de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF), de Vereniging van Evenementenmakers (VVEM) en gezondheidsorganisaties zoals het RIVM en de GGD. Dit convenant stelt een maximale geluidsnorm van 103 dB(A) (gemeten als een gemiddelde over 15 minuten bij de mengtafel). Helaas zegt dit niet veel omdat de mengtafel de ene keer op 10 meter van de luidsprekers staat en aan andere keer wellicht op 30 meter. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beschouwt 85 dB(A) als de veilige limiet voor langdurige blootstelling gedurende 8 uur. Bij elke 3 dB extra halveert de veilige blootstellingsduur. Bij 103 dB(A) kun je al binnen enkele minuten gehoorschade oplopen zonder bescherming. Je ziet dan ook steeds vaker dat bezoekers zelf al gehoorbescherming meenemen naar festivals. Maar er zijn ook bezoekers die het betutteling vinden en het risico op gehoorschade over 10 tot 20 jaar zelf goed kunnen inschatten en de muziek door het hele lichaam willen voelen.

Als gemeente willen we dat organisatoren bij een geluidniveau van meer dan 100 dB(A) op 2 meter voor de luidsprekers kosteloos gehoorbescherming (minimaal 20 dB reductie) ter beschikking stellen aan bezoekers bij het betreden van het festivalterrein. Bezoekers mogen die weigeren als zij zelf voor gehoorbescherming hebben gezorgd of op dat moment de afweging maken deze niet aan te willen nemen. Geluidluwe zones

Bij de luidruchtige festivals zijn geluidluwe zones nodig zodat bezoekers zelf invloed uit kunnen oefenen op de hoeveelheid geluid waaraan zij worden blootgesteld. Bezoekers kunnen dan zelf zogenaamde “oorpauzes” inlassen. Geluid meten

Evenementen vinden vaak plaats in de buurt van bewoonde gebieden. Bij harde muziek, vooral door de lage tonen van de bas, draagt het geluid ver en kan voor veel overlast zorgen bij omwonenden, zowel overdag, avond en in de nacht. De gemeente stelt hiervoor specifieke geluidsnormen vast in de evenementenvergunning en gebiedskaders. We zien de laatste jaren dat er met name over muziek bij evenementen veel klachten binnenkomen. Vaak kan er dan niet tijdig meer worden gereageerd omdat de evenementen vaak in de avonden en in de weekenden zijn en de toezichthouders op deze tijden vaak al volgepland zitten met reguliere taken. Voor een omwonende is de hinder en overlast acceptabeler als vooraf duidelijk is dat de organisatie zich aan de normen houdt. Maar ook als duidelijk is dat de gemeente of

omgevingsdienst hierop controleert en de eindtijd van het evenement strikt opgevolgd wordt. Dit maakt het dat als er geluid gemeten wordt en de omwonende zelf mee kan kijken in het meetsysteem dat er geen onterechte klachten worden ingediend en dat de omwonende weet dat er wel of niet wordt voldaan. De organisatie kan zelf ook mee kijken en zien of ze wel of niet voldoen aan de normen uit de vergunning. Dit pleit ervoor om tijdens evenementen geluid te meten. Maar hier hangen ook kosten aan. Wij als gemeente en organisatoren kunnen niet overal geluidmeters ophangen omdat hier hoge kosten aan zitten. Als gemeente onderzoeken we de mogelijkheid om bij luidruchtige en grote muziekevenementen het geluid door of vanwege de initiatiefnemers te laten meten bij de meest nabij gelegen woningen van derden die niet functioneel verbonden zijn met het evenement. Dit om de handhaafbaarheid maar ook de acceptatie van evenementen te vergroten.

3.2.6.

Industrielawaai

Industrielawaai is de term voor geluid dat wordt geproduceerd door industriële en bedrijfsactiviteiten. Het omvat een breed scala aan geluidsbronnen, waaronder machines, processen, transportbewegingen en installaties. Industrielawaai wordt vaak als hinderlijk ervaren door omwonenden en kan een negatieve impact hebben op de leefomgeving en de volksgezondheid. Daarom zijn hierover regels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten meer beleidsvrijheid om gebiedsgericht geluidbeleid te voeren. Ruimere of lagere normen moeten goed gemotiveerd worden, omdat het de bestaande rechten van bedrijven kan beperken, maar ook die van burgers. Anderzijds kan het ook voor een grotere rechtsongelijkheid zorgen. Daar komt bij dat de huidige normen al sprake is van een aantal gehinderden. Vooralsnog voorzien we geen generieke verandering op het vlak van een verlaging of verruiming van geluidnormen voor bepaalde gebieden en zal het indien het zich voordoet bij een initiatief afzonderlijk worden beoordeeld. Belangrijk is ook om te melden dat de instructieregels niet dwingend zijn voor burgers en bedrijven. De regels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn een instructie van het rijk aan de gemeente. Deze geven aan hoe gemeentewaardes moeten opnemen in het gemeentelijke omgevingsplan. Bruidsschat

Gemeenten hebben tot 2032 om alle nieuwe regels over geluid in het omgevingsplan op te nemen. Nu gelden nog de oude regels, met name die van het inmiddels vervallen Activiteitenbesluit Milieubeheer. Om deze oude regels een plek te geven is in het tijdelijk deel van het gemeentelijke omgevingsplan door het ministerie een zogenaamde bruidsschat aangeleverd. Hierin zijn de oude regels, vertaald naar de nieuwe regels die onder de omgevingswet gelden.

Gemeenten mogen na inwerkingtreding van de Omgevingswet deze regels zelf aanpassen en hiervoor beleid schrijven. Niet alle oude regels voldoen aan de instructieregels van het Bkl. Daarom moeten er regels worden aangepast. Ook zijn regels nodig om te voldoen aan de jurisprudentie van de afgelopen jaren. Er zijn ook zaken die volgens de wet niet zijn geregeld (of zelfs speciaal zijn uitgezonderd). Ondanks dat dit niet geregeld is of uitgezonderd is kan het wel geluidoverlast veroorzaken. Aan de andere kant zijn er geluiden die bij een stad horen en die we daarom ook niet dichttimmeren met regels. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet dit alles wel worden afgewogen. Om dit goed uit te leggen gaan we onderstaand de zaken behandelen die niet geregeld of uitgezonderd worden. Dit doen we deels om duidelijkheid te geven aan initiatiefnemers, bewoners en bedrijven en anderzijds om maatwerkvoorschriften te beperken. Dit laatste zorgt dan voor minder administratieve lasten bij bedrijven en ons als gemeente. Geluid van inrichtingen – milieubelastende activiteit

Onder de Omgevingswet bestaat het begrip ‘inrichting’ niet meer. Dit is vervangen door de ‘milieubelastende activiteit’. Het geheel of een deel van de voormalige inrichting kan een milieubelastende activiteit zijn. Het geheel of een deel van de milieubelastende activiteit kan meldings- of vergunningplichtig zijn.Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst een aantal milieubelastende activiteiten aan, waarvoor rijksregels gelden. Deze milieubelastende activiteiten zijn gegroepeerd op bedrijfstakken. Een groot aantal activiteiten is niet in het Bal op genomen, hiervoor gelden geen rijksregels. Deze niet aangewezen activiteiten kunnen nog steeds nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Deze activiteiten moeten voldoen aan de regels van het Omgevingsplan. Ook bij een herziening van functies mogen de gevolgen voor het milieu niet worden genegeerd. Voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet beoordeeld worden of de herziening van de functie aanvaardbaar. Bij het toetsen aan de geluidwaarden wordt de geluiduitstraling van een bedrijf op “inrichtingsniveau” bekeken. Dus niet per individuele activiteit maar het geheel aan activiteiten. Dit is zo opgenomen in een instructieregel uit het Bkl.

Op deze manier wordt voorkomen dat een initiatiefnemer het project in delen knipt. In het Bkl staat ook dat alle activiteiten met een technische, organisatorische of functionele binding als één activiteit worden gezien. Hiermee wordt het inrichtingenbegrip voor het onderdeel geluid met een omweg weer teruggebracht. Bij complexe bedrijven die bestaan uit veel verschillende productieprocessen kan dit cumulatiebeginsel uitdagend zijn om toe te passen en om de binding in duidelijk te maken. Dit geeft ook ruimte om bijvoorbeeld een naast gelegen woning uit te sluiten van toetsing als deze functioneel verbonden is aan het bedrijf.

Industrieterreinen

Voor de industrieterreinen waar ‘grote lawaaimakers’ mogen komen, geldt een systeem dat als doel heeft om de cumulatieve geluideffecten van alle bedrijven bij elkaar controleerbaar te houden. Deze grote lawaaimakers worden onder de Omgevingswet “bedrijven die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken” genoemd. In vergelijking met de systematiek uit de Wet geluidhinder is de rekenmethodiek gewijzigd. De grenswaarden op de zonegrens moeten we nog omzetten naar geluidproductieplafonds. Deze geluidproductieplafonds worden daarna in het omgevingsplan gezet als een ‘omgevingswaarde’. Dit omzetten van geluidzones naar geluidproductieplafonds kost veel tijd en heeft nog meerdere jaren nodig. Overgangsrecht regelt dat voor de gezoneerde industrieterreinen de regels van de Wet geluidhinder nog gevolgd worden. Totdat de geluidproductieplafonds in het Omgevingsplan staan. Bedrijven op gezoneerde industrieterreinen met informatie- of meldingsplichten voor hun milieubelastende activiteiten moeten allen samen voldoen aan een geluidbelasting van 50 dB(A) op de zonegrens. Ook geldt een maximale etmaalwaarde van 50 dB(A) op 50 meter van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Er zijn over het geheel gezien weinig geluidklachten over bedrijven op de industrieterreinen. De systematiek van geluidzones en geluidproductieplafonds is vaak een juridische papieren werkelijkheid.

Het beheer kost veel tijd en na enkele jaren loopt de boekhouding vaak achter doordat er bij verlenen van vergunning onvoldoende aandacht voor is. De laatste jaren kan er in veel gevallen ook geen akoestisch onderzoek meer worden gevraagd van een bedrijf omdat dit aan regels is gebonden. Onder de Omgevingswet hoeven minder activiteiten gemeld te worden en nog minder activiteiten zijn vergunningplichtig. Dat maakt het beheren van zones en GPP’s nog lastiger dan voorheen. Om deze reden onderzoeken we of de gemeentelijk gezoneerde bedrijventerreinen gedezoneerd kunnen worden. We onderzoeken hoe we de woningen in de zones kunnen blijven beschermen tegen geluid van de bedrijven en hoe we de woningen op de bedrijventerreinen zelf kunnen beschermen zonder de rechten van belanghebbenden te beperken. Dit helpt ook de administratieve lasten voor bedrijven en ons als gemeente te beperken. Zorgplicht

De Omgevingswet introduceert een nieuw en prominent systeem van zorgplichten, dat de verantwoordelijkheid voor een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving breder legt dan voorheen. Waar de Wet milieubeheer vooral gericht was op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu, heeft de zorgplicht onder de Omgevingswet een veel grotere reikwijdte: de hele fysieke leefomgeving.

Er zijn twee hoofdtypen zorgplichten: de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplichten. Het gaat om alle activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, zoals bouwen, slopen en milieubelastende activiteiten. De algemene zorgplicht treedt vooral in werking als er geen specifieke regels of vergunningvoorschriften zijn voor een bepaalde activiteit, maar er toch nadelige gevolgen dreigen te ontstaan. De zorgplicht omvat de plicht om nadelige gevolgen te voorkomen, en als dat niet mogelijk is, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als ook dat onvoldoende is, moet de activiteit (voor zover redelijkerwijs mogelijk) achterwege worden gelaten. Indirecte hinder

Ook activiteiten die niet binnen de perceelsgrenzen van het bedrijf gebeuren, maar wel in de buurt daarvan, maken deel uit van de activiteit. Dit wordt gezien als ‘directe hinder’. Een voorbeeld hiervan is het laden en lossen op de openbare weg of een watergang. Het geluid van dit laden en lossen moet samen met het geluid van de andere bronnen voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit. De geluidvoorschriften gelden dus voor al het geluid dat gezien wordt als ‘directe hinder’. Verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan. Eerder was het woord “doorgaand” toegevoegd aan de definitie. Onder doorgaand verkeer wordt bij milieubelastende activiteiten verstaan ‘verkeer dat door een bepaald gebied gaat, maar niet zijn herkomst of bestemming in dat gebied heeft’. Door de gekozen formulering met het woord “doorgaand” is verkeer, dat de milieubelastende activiteit als bestemming heeft, niet uitgesloten. Om deze reden is het woord ‘doorgaand’ verwijderd. Voor het verkeer van en naar de activiteiten zelf geldt alleen de zorgplicht. Het verkeer voor een activiteit kan wel een rol spelen bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het staat gemeenten vrij om dit zelf als dit gewenst is in te vullen. De indirecte hinder was bij de meeste inrichtingen geen probleem. Het voldoet vaak aan de voorkeursgrenswaarde.

Alleen bij veel verkeer van en naar het bedrijf en woningen die liggen aan de uitsluitingsroute op korte afstand van het bedrijf (<100 meter) kan niet aan de voorkeursgrenswaarde worden voldaan. Het moet dan gaan om een openbaar toegankelijke weg die niet alleen voor de activiteiten op de bedrijfslocatie gebruikt wordt. Als de weg alleen voor deze speciale activiteit op de bedrijfslocatie gebruikt wordt dan wordt deze meegenomen met de directe hinder.

Het verkeer van en naar de inrichting hoeft voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties alleen onderzocht te worden als het gaat om een verkeersintensiteit van 100 motorvoertuigen per etmaal of meer en er een of meerdere woningen liggen aan de ontsluitingswegen van de inrichting. Deze regel gebruiken we omdat de indirecte hinder alleen in een klein aantal gevallen de voorkeursgrenswaarde overschrijdt en om de kosten van onderzoeken voor bedrijven te beperken. Bijzondere situaties – Festiviteiten (collectief en individueel)

Het Bkl geeft gemeenten de mogelijkheid om bij verordening een bedrijf tot maximaal twaalf keer jaar een ontheffing van de geluidnormen te verlenen voor individuele festiviteiten. Twaalf keer vinden we in Eindhoven te veel. Dat kan zeker op plaatsen met veel horeca leiden tot ongewenste situaties. Zo kan er elke week wel ergens via een ontheffing een groot feest wordt georganiseerd. Dit naast de verruiming die er ook is voor collectieve festiviteiten. In de Algemene plaatselijke verordening (Apv) is het aantal individuele festiviteiten al beperkt en ook het aantal collectieve festiviteiten. Dit nemen we over uit de Apv naar het omgevingsplan. Niet representatief geluid

Bij niet representatief geluid bij bedrijven gaat het om afwijkende bedrijfssituaties die geen onderdeel zijn van de representatieve bedrijfsvoering. In de praktijk is het niet altijd eenvoudig om te bepalen wat hieronder valt. Het gaat om afwijkingen waarbij een hogere geluidemissie plaatsvindt dan bij de representatieve bedrijfsvoering. Het omvat incidentele bedrijfssituaties en regelmatige afwijkingen die eerder in de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening” zijn uitgelegd. Onder incidentele bedrijfssituaties kunnen in het algemeen gebeurtenissen worden verstaan die niet vaker dan 12x per jaar voorkomen en maximaal één etmaal per keer duren. Regelmatige afwijking worden gezien als er met enige regelmaat (ongeveer één dag-, avond- of nachtperiode per week) duidelijk meer geluidemissie plaatsvindt dan in de rest van de tijd. De hierboven genoemde ‘richtlijnen’ voor de duur en het aantal keer zijn belangrijke punten waarop veel jurisprudentie is ontstaan. In artikel 22.62, tweede lid van de bruidsschat (die inmiddels al is ingetrokken) werd via het Bkl niet representatief geluid algemeen uitgesloten van toetsing aan de geluidnormen. Die aanpak was niet goed omdat niet-representatief geluid van een activiteit kan leiden tot een buiten proportionele geluidbelasting bij geluidgevoelige gebouwen.

Daarom is in de bruidsschat de aanpak van het eerdere Activiteitenbesluit milieubeheer voortgezet. Niet-representatief geluid wordt door maatwerkvoorschriften gereguleerd. Deze aanpak vinden we in Eindhoven niet wenselijk omdat het voor meer bestuurlijke en

administratieve lasten zorgt bij initiatiefnemers en gemeente, maar ook bezwaar en beroep tot gevolg kan hebben. Voor het niet-representatieve geluid van activiteiten gaan we bijzondere waarden bepalen voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan. Dit beperkt het aantal te stellen maatwerkvoorschriften grotendeels. We maken een verschil in incidentele activiteiten en regelmatig afwijkende activiteiten. We houden hierbij rekening met: - de grens waarop het geluid als onduldbaar kan worden gekwalificeerd en; - het aantal keer dat de activiteit jaarlijks voorkomt. Een geluidniveau van 50 dB(A) binnen in een geluidgevoelig gebouw (met gesloten ramen en deuren), wordt in algemeenheid als onduldbaar aangemerkt. Met een standaard geluidwering van de gevels van 20 tot 25 dB zou de gevelbelasting voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau hoogstens 70 tot 75 dB(A) etmaalwaarde mogen zijn. Voor het maximale geluidniveau geldt eenzelfde redenatie, met dien verstande dat het dan gaat om 90 tot 95 dB(A). Omdat regelmatig afwijkende activiteiten jaarlijks gezien vaker voor kunnen komen dan incidentele activiteiten wordt de standaardwaarde met 10 dB verlaagd in vergelijk met deze incidentele activiteiten.

Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw door incidentele activiteiten 07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT door activiteiten

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

--

90 dB(A)

90 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

--

85 dB(A)

85 dB(A)

Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw door regelmatig afwijkende activiteiten 07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT door activiteiten

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

--

80 dB(A)

80 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

--

75 dB(A)

75 dB(A)

De persoon die de activiteiten uitvoert houdt een registratie bij van de afwijkende activiteiten. De registratie omvat: - de omschrijving van de afwijkende activiteit; - de datum waarop de afwijkende activiteit plaatsvindt; - de start en eindtijd van de afwijkende activiteit; - bijzondere situatie die hebben plaats gevonden tijdens de afwijkende activiteit. De registratie moet 5 jaar worden bewaard. Communicatie

Net als bij bouwlawaai en evenementen is het zaak om de omwonenden tijdig te informeren over met name incidentele activiteiten. Als duidelijk is op welke momenten overlast kan ontstaan, kunnen omwonenden hierop inspelen. Overlast wordt als minder storend ervaren wanneer men vooraf informatie heeft over de aard en de duur. Ook kunnen omwonenden onverwachte situaties melden en kan diegene die de activiteit uitvoert hier snel op reageren en daarmee de hinder beperken. We stellen dan ook voor dat omwonenden, door de initiatiefnemer, 4 weken voor de start van de incidentele activiteit, schriftelijk, huis-aan-huis worden geïnformeerd over deze werkzaamheden. Hierin staat: - de datum van de incidentele activiteit; - de start- en eindtijd van de incidentele activiteit; - de aard van de incidentele activiteit; - een contactpersoon en de bereikbaarheid tijdens de incidentele activiteit. Kan de persoon die de activiteiten uitvoert niet voldoen aan de regels die hierboven staan dan staat de mogelijkheid van een maatwerkvoorschrift open. Extra aandacht

wordt dan gevraagd voor het geluidniveau in de woning en de geluidwering van de gevels. Uitsluiten van toetsing

Het Bkl biedt de mogelijkheid om sommige activiteiten uit te sluiten van toetsing. In het omgevingsplan wordt gekeken naar de activiteiten die voor Eindhoven belangrijk zijn en waarvoor we een uitzondering maken. Deze activiteiten staan hieronder. Optische geluidsignalen

Om hulpverleningsdiensten hun taken vrij uit te kunnen laten voeren wordt het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters uitgesloten van toetsing. De volgende activiteiten door hulpverleningsdiensten worden uitgesloten van toetsing: - spoedeisende medische hulpverlening; - ongevallenbestrijding; - brandbestrijding; - gladheidbestrijding; - het vrijmaken van de weg na een ongeluk. Bij nieuw vestigen van hulpverleningsdiensten wordt het geluid van deze activiteiten wel beoordeeld. Hierbij moet voorkomen worden dat het geluid disproportioneel hoog is. Stemgeluid

Stemgeluid van bezoekers kan hinder veroorzaken, het gaat dan met name om: terrassen bij horeca maar bijvoorbeeld ook studentenhuizen; sportvelden; attractieparken; school- en speelpleinen. Het Bkl heeft een duidelijke instructieregel die stelt dat menselijk stemgeluid niet begrensd mag worden met handhaafbare geluidnormen. Dit betekent dat bij klachten in bestaande gereguleerde situaties niet kan worden opgetreden. Omdat handhaving na besluitvorming over een plan niet meer mogelijk is bij stemgeluid geeft jurisprudentie aan dat dit vooraf bij de toedeling van functies één keer moet worden onderzocht, afgewogen en gemotiveerd. Het moet om deze reden worden meegewogen bij het toedelen van functies aan locaties. We werken hiervoor regels uit die in het omgevingsplan opgenomen worden. Hierbij kan gedacht worden aan de plaats en de indeling van de nieuwe functie, de grootte (om hoeveel kinderen of bezoekers gaat het) en de tijden waarop stemgeluid een rol speelt. Bij het plaatsen van een geluidgevoelig gebouw bij activiteiten met stemgeluid zal de plaats van een terras of balkon van dat geluidgevoelige gebouw ook een belangrijke rol spelen. Het geluidniveau op een terras of balkon zal ook aanvaardbaar moeten zijn.

Bij het bepalen van een acceptabel geluidniveau, kan ook het binnenniveau in de woning worden gekeken en de geluidisolatie van de uitwendige scheidingsconstructie. De grenswaarde voor het binnenniveau is 35 dB(A) etmaalwaarde. Bij de motivering speelt ook de aanwezigheid van een geluidluwe zijde en het stil kunnen ventileren een belangrijke rol. Terrassen

In het omgevingsplan worden regels opgenomen ten aanzien van de locatie en de omvang van terrassen. Die gelden voor het toevoegen van nieuwe functies aan locaties, dus voor nieuwe terrasfuncties. Bij nieuwe plannen maken we terrassen alleen mogelijk als is aangetoond dat het stemgeluid naar verwachting niet meer zal bedragen dan de geldende richt- en grenswaarden. In het omgevingsplan wordt een norm voor stemgeluid opgenomen waar een nieuwe ontwikkeling aan wordt getoetst. Voor de duidelijkheid: de waarde geldt alleen (dus eenmalig) bij de afweging om een geluidgevoelige functie of activiteit toe te laten. De waarde kan niet naderhand voor handhaving worden gebruikt. Dit levert meer transparantie op voor initiatiefnemer en geeft voldoende bescherming voor omwonenden/ toekomstige bewoners. Nieuwe terrassen bij horeca aan stille hofjes, in omsloten binnenterreinen en aan de achterzijde van woonblokken zijn niet toegestaan. Als stemgeluid vermengd is met muziekgeluid dan geldt de uitsluiting van toetsing niet en kan er wel worden gehandhaafd. Dit komt omdat muziekgeluid, als het door een derde ten gehore wordt gebracht en de ontvanger hier geen invloed op heeft, dit als extra hinderlijk wordt ervaren. Schoolpleinen en kinderdagverblijven

Kinderen moeten buiten kunnen spelen. Dat kan betekenen dat stemgeluid van spelende kinderen op een schoolplein bij een deel van de omwonende tot overlast leidt. Voor nieuwe situaties zorgen we daarom voor een ontwerp dat de minste overlast voor de buurt oplevert. Een richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde kan bij het ontwerp worden gehanteerd. Aanvullend kan ook naar het aanwezig zijn van een geluidluwe gevel en de ligging van de tuin of balkon, woningindeling (bijvoorbeeld slaapkamer aan de zijde van het schoolplein) worden gekeken. Deze kwalitatieve benadering geeft meer vrijheid om een oplossing te zoeken voor de inpassing, hetgeen nodig is om in een verdichtende stad, schoolgebouwen en kinderdagverblijven in een woonomgeving in te passen.

Sportvelden

Bij het toedelen van nieuwe sportvelden (van verenigingen) hanteren we de afstandstabellen van de VNG-systematiek Bedrijven en Milieuzonering. De aan te houden afstand van 50 meter ten opzichte van een rustige woonwijk is echter vaak niet uitvoerbaar. De afstand van 30 meter, die de systematiek passend vindt voor een drukke woonwijk is meestal wel mogelijk. Uit eerdere onderzoeken blijkt dat een richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde meestal nog haalbaar is. Gezien de grote behoefte aan sportfaciliteiten in de stad en de steeds verdere verdichting, hanteren we bij de afweging voor nieuwe situaties het afstandscriterium van 30 meter. We koppelen hier wel aan dat deze activiteiten alleen in de dag- en avondperiode zijn toegestaan. Wel kan een initiatiefnemer middels een onderzoek aantonen dat met een kleinere richtafstand eveneens kan worden voldaan aan de richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde dan wel dat er in de nachtperiode hieraan kan worden voldaan. Onversterkte muziek

Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van onversterkte muziek vanwege het oefenen door muziekkorpsen, in de buitenlucht, kan soms niet worden voldaan aan de geluidwaarden. Bij het ten gehore brengen van onversterkt muziekgeluid in de buitenlucht, is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is een activiteit met onversterkte muziek onmogelijk te maken, worden deze activiteiten bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten. Het kan echter zijn dat de lokale situatie wel om regels ten aanzien van het ten gehore brengen van onversterkte muziek vraagt. De gemeente is daartoe in staat door middel van het stellen van gedragsregels, maar niet met normen. Dit zal per afzonderlijk geval worden beoordeeld. Godsdienstige en levensbeschouwelijke uitingen

In Nederland is de vrijheid van godsdienst een grondrecht. Het oproepen tot gebed door religieuze gezangen of klokgelui is een manifestatie van religie. Hiervoor geldt het grondrechtelijk kader. Bij kerken en moskeeën is er geregeld discussie over hoeveel geluid van klokken of vocale gebedsoproepen mogen veroorzaken. Godsdienstvrijheid betekent niet dat aan het geproduceerde geluid geen grenzen mogen worden gesteld. Artikel 10 van de Wet openbare manifestaties (Wom) stelt: • klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden is toegestaan; • het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging is toegestaan; • dat de gemeenteraad bevoegd is om regels te stellen met betrekking tot duur en het geluidniveau.

We zien dat het aantal kerken langzaam afneemt. Ook zien we dat nieuwe woningen dichter bij gebedshuizen worden geplaatst, vanwege de grote vraag naar woningen. We willen hierbij de gebedshuizen niet beperken in de huidige bedrijfsvoering. Het geluid van het slaan van klokken voor de tijdsaanduiding in situaties waar de kerk al aanwezig is, sluiten we uit van toetsing. Dit ook vanwege het kortdurende karakter van deze tijdsaanduiding. Wel merken we hierbij op dat we geen nieuwe klokkengeluiden voor de tijdsaanduiding in de nachtperiode toestaan. Het oproepen tot en het belijden van het geloof kan in deze digitale tijd ook op andere, alternatieve manieren plaatsvinden zodat hinder en overlast voor omwonenden wordt voorkomen zonder dat de godsdienstvrijheid beperkt wordt. Als basis wordt de regel uit de Bruidsschat overgenomen. Die geeft aan dat de normen van het omgevingsplan niet gelden voor het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden. Dit onder de voorwaarde dat het oproepen tot het belijden van het geloof in de open lucht beperkt van duur is, niet in de nachtperiode plaatsvindt en versterkt stemgeluid en muziekgeluid niet is toegestaan in de open lucht. Kortdurend geluid

We sluiten ook enkele activiteiten die maar kortdurend een hoog geluidsniveau veroorzaken uit van toetsing. De kortdurende activiteiten die we uitsluiten van toetsing zijn: - Het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen. - Het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan. - Geluid in de openbare ruimte van bijvoorbeeld rondtrekkende straatartiesten. - Het dichtslaan van portieren van bestel- en personenauto’s in de openbare ruimte. Windturbines

Voor windturbines gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze regels gelden niet voor kleinere windturbines. Bijvoorbeeld kleine turbines met een verticale draaias die elektriciteit opwekken op hoge gebouwen. De regels over geluid zijn reeds opgenomen in subparagraaf 10.2.3.3 van het Omgevingsplan.

3.2.7.

Vliegtuiglawaai

In 2024 hebben 971 melders (uit Eindhoven en omliggende gemeenten) in totaal 45.043 meldingen ingediend over geluidhinder van vliegverkeer op en rond Eindhoven Airport. Dit betekent een daling van 35% in het aantal melders en een afname van 38,8% in het aantal meldingen ten opzichte van 2023 (1.500 melders en 73.608 meldingen). In Eindhoven wordt vooral hinder en overlast ervaren in Acht, de Achtse-Barrier en in Blixembosch. De hinder- en overlastmeldingen gaan met name over: -

het civiele vliegverkeer; de periodes van 7 tot 8 uur en 9 tot 10 uur; vertrekkende vliegtuigen.

Inmiddels is er wel een geluidmonitoringssysteem actief, maar daar moet een account voor aangemaakt worden en de info die inwoners dan kunnen zien is beperkt. Het militaire vliegveld met burger medegebruik en de bijbehorende vliegbewegingen is gebonden aan rijksregels. Als gemeente hebben we weinig sturingsinstrumenten als het gaat om geluid voor de gezonde fysieke leefomgeving. We blijven in het Luchthaven Overleg Eindhoven om aandacht vragen voor de geluidhinder. Ook zullen we vragen om zoveel mogelijk meetdata beschikbaar te stellen voor omwonden en onderzoeksinstellingen en pieken in de metingen van een bron te voorzien.

3.2.8.

Laagfrequent geluid (lfg)

Laagfrequent geluid is geluid dat componenten in het laagst hoorbare frequentiegebied heeft. Met lfg wordt in het algemeen bedoeld het lucht gedragen geluid met frequenties in de tertsbanden van 20 tot 100 Hz. De absorptie van laagfrequent geluid in de atmosfeer en bodem is veel lager dan van hoger frequent geluid. Door de lage absorptie van laagfrequent geluid kunnen laagfrequente geluidbronnen op grote afstand hoorbaar zijn. Ook kunnen deze golven groter afstanden afleggen door de grond en via de fundering hoorbaar worden in een woning. Voor laagfrequent geluid is de geluidisolatie van een woning veel geringer dan voor hoger frequent geluid. Dit heeft tot gevolg dat lfg veel beter in een woning doordringt dan hoger frequent geluid. Bij dit lfg zijn ook de afmetingen van het (ontvang)vertrek belangrijk. Door interferentie kan opslingering plaatsvinden waardoor de trillingen heftiger worden waargenomen. Van de klachten die over lfg worden ingediend, heeft 1/3 een externe bron als oorzaak en in 2/3 van de gevallen is het persoonsgebonden. Dat laatste kan vaak worden gezocht in beschadigingen van het gehoor. Met een specifieke vragenlijst kan al snel een indicatie worden gekregen of er sprake is van een externe bron of dat het persoonsgebonden is. Gaat het om een externe bron dan is het vaak lastig om een bron te vinden.

In circa 1/3 van deze gevallen wordt ook daadwerkelijk de bron gevonden. In sommige gevallen zijn er niet zonder meer of tegen hoge kosten, maatregelen mogelijk. Bij klachten over lfg dient gesproken te worden over de verwachtingen en zit de oplossing vaak in de houding van diegene die de overlast ervaart ten opzichte van de bron of dit nu persoonsgebonden is of niet en of de bron nu wel of niet gevonden is/wordt. Het aantal meldingen is jaarlijks bezien beperkt waardoor we hier op dit moment geen specifiek beleid voor voorbereiden. Per geval zal hier door het team handhaving serieus naar worden gekeken en de landelijke beschikbare handreikingen worden gevolg. Want ook al blijkt het persoonsgebonden te zijn, dan is voor diegene een grote bron van ergernis en overlast, die in sommige gevallen tot wanhoop kan leiden. Een goede aanpak is dan van groot belang.

3.3.

De bronnen van trillingen

Hinder en overlast door trillingen is het negatieve effect op de leefomgeving, de gezondheid, en de staat van gebouwen als gevolg van trillingen die worden veroorzaakt door externe bronnen zoals verkeer, bouwactiviteiten of milieubelastende activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om fysieke schade, zoals scheuren in muren, maar ook om het onaangenaam of storend ervaren van de trillingen, wat kan leiden tot slaapverstoring en andere gezondheidsproblemen.

De afgelopen jaren is het onderdeel trillingen steeds meer onder de aandacht gekomen in Nederland. In Eindhoven hebben we weinig klachten over trillingen. Toch kunnen trillingen ook hier een rol (gaan) spelen. Dit komt omdat verkeer door elektrificatie zwaarder wordt. Ook goederentreinen worden zwaarder beladen en zijn vaak langer. In de toekomst zal er in Eindhoven een flinke groei van met name passagiersvervoer over het spoor plaatsvinden. Maar ook zien we dat het goederenvervoer, ondanks de Betuweroute, niet afneemt. Tegelijk worden er in Eindhoven veel woningen gebouwd en zijn er ook bouwplannen op korte afstand van het spoor. Trillingen door de Activiteit bouwen en slopen

Eindhoven heeft veel ambities en groeit. De bouw- en sloopactiviteiten nemen hierdoor toe. Bouwprojecten hebben gevolgen voor de leefomgeving bijvoorbeeld door trillingen. Bouwen kan ook tot schade leiden door trillingen, door heien, boren, bronbemaling en zwaar verkeer. De gemeente en bouwbedrijven doen veel om bouwhinder te voorkomen. Ze maken gebruik van stille technieken en meten geluid en trillingen in bijzondere situaties. Standaardnormen

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt regels voor trillingen bij slopen en (ver)bouwen. Omdat de activiteiten tijdelijk zijn, zijn de normen hoger dan voor trillingen van bijvoorbeeld bedrijven. Hoe langer het slopen of bouwen duurt, hoe lager de normen worden. De normen gelden bij woon-, een bijeenkomst- voor kinderdagopvang, een gezondheidszorg- en een onderwijsfunctie. Het Bbl stelt dat trillingen door slopen en (ver)bouwen niet hoger mogen zijn dan de waarden van tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De normen voor trillingen van tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B staan hieronder. duur D van de activiteiten gedurende een korte periode D < 1 dag A1 A2

A3

6 dagen < D < 26 dagen A1 A2 A3

26 dagen < D < 78 dagen A1 A2 A3

0,8

0,4

0,4

0,3

6

6

0,3

6

0,2

Ontheffing en maatwerk voor trillingen Soms is het nodig om in de dagperiode werkzaamheden uit te voeren die meer trillingen veroorzaken. In dit soort gevallen biedt het Bbl (artikel 7.23) de mogelijkheid af te wijken. Dit kan met een maatwerkvoorschrift. Met een maatwerkvoorschrift kan alleen de sterkte van de trillingen worden versoepeld. Onderzoek voor trillingen

De initiatiefnemer voert een onderzoek naar de trillingen uit om een verzoek om maatwerk te onderbouwen. De volgende onderdelen worden in dit onderzoek opgenomen om maatwerk te onderbouwen:

-

de bronnen van trilling; de trillingsgevoelige gebouwen die rond de bronnen staan; de normen, de toetsing aan de normen en het resultaat van de toetsing; De te nemen (compenserende) maatregelen, als deze nodig zijn.

De berekening vindt plaats volgens Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. Omwonenden informeren over trillingen

Naast de (wettelijke) afspraken is het op tijd informeren van omwonenden van grote waarde. Als duidelijk is wanneer overlast kan ontstaan, kunnen omwonenden hierop inspelen. Overlast wordt als minder storend ervaren wanneer men vooraf informatie heeft over de aard en de duur. Ook kunnen omwonenden onverwachte situaties melden en kan de aanvrager hier snel op reageren en daarmee hinder beperken. Omwonenden worden 4 weken voor de start van de trillingsproducerende werkzaamheden schriftelijk, huis-aan-huis geïnformeerd over deze werkzaamheden. Hierin staat: - de datum of periode; - de start- en eindtijd(en); - de aard van het werk; - een of meer contactpersonen en de bereikbaarheid (ook buiten de normale werktijden). Trillingen door infrastructuur zoals wegen, tramlijnen, spoor- en waterwegen

In nieuwe situaties willen we een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en willen we nieuwe overlastsituaties zoveel als mogelijk voorkomen. Het is nodig om bij nieuwe plannen voor woningen of andere gevoelige functies (zoals scholen en ziekenhuizen) bij spoorlijnen of bij de aanleg van nieuwe tramlijn gevolgen door trillingen meewegen en dat we ook eisen kunnen stellen als dat nodig is. Voorwaarden voor trillingen van spoor, tram en wegen

De Omgevingswet stelt dat bij het toedelen van functies aan locaties rekening wordt gehouden met gezondheid en milieu. Er zijn geen landelijke regels of grenswaarden voor weg- en spoortrillingen. Wel zijn er handreikingen en richtlijnen die we kunnen gebruiken. De SBR-richtlijn B ‘Hinder voor personen in gebouwen’ (versie 2, 2002) wordt vaak gebruikt. Hierin staan streefwaarden voor onder andere weg- en spoortrillingen. De richtlijn heeft streefwaarden voor: Vmax de maximale sterkte voor trillingen die zich voor kan doen; Vper, dat is een maat voor de gemiddelde sterkte van de trillingen over de hele periode. De Eindhovense richtlijn voor trillingen

De eisen bij nieuwbouwplannen van trillingsgevoelige gebouwen zijn: 1. de SBR-streefwaarde van Vper voor ‘nieuwe situaties’ wordt niet overschreden; 2. de Vmax kan hoger zijn dan de SBR-streefwaarde, onderzoek moet dan laten zien dat dit niet te voorkomen is;

3. overschrijden van de soepelere richtwaarde van Vmax voor ‘bestaande situaties’ mag niet. Voor wegen zijn het vaak drempels, voegovergangen die trillingen opwekken. Bij het plaatsen van een drempel in de weg bij een bestaande woning wordt voor ieder geval afgewogen welke trillingsniveaus redelijk zijn. Het belang van verkeersveiligheid heeft hierin ook een belangrijke rol. Onderzoek voor trillingen

Bij bouwplannen binnen een aandachtsgebied voor trillingen vragen we een trillingsonderzoek van de initiatiefnemer. De aandachtsgebieden voor trillingen worden richting eerste evaluatie van het programma in 2028 uitgewerkt. Trillingen door milieubelastende activiteiten

Voor milieubelastende activiteiten volgens de Omgevingswet staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor trillingen. Dit bij het toelaten van die activiteit als bij het toelaten van trillingsgevoelige functies. De instructieregel schrijft voor dat voor een aanvaardbare situatie rekening wordt gehouden met trillingen door activiteiten. De situatie is aanvaardbaar als de trillingen de standaardwaarden (Bkl) niet overschrijden. De standaardwaarden voor de trillingen komen uit de SBR-richtlijn 'B Hinder voor personen in gebouwen'. De trillingen beoordelen we op: - de maximaal optredende sterkte van de trilling Vmax en - de gemiddelde sterkte van de trilling Vper. Over het algemeen zijn de standaardnormen voldoende om een goede belangenafweging te maken. De gemeente mag gemotiveerd afwijken van deze standaardwaarden. We verwerken bij een toekomstige herziening van het omgevingsplan de standaardwaarden voor trillingen, uit de instructieregel. De gemeente kan op een terrein met bedrijven een hogere grenswaarden bepalen. De grenswaarden is dan 1,8 keer de standaardwaarde. Voor deze hogere grenswaarden sluiten we ook aan bij de SBR-richtlijn. Meer dan 1,8 keer de standaardwaarde, mogelijk maken, mag niet. In zulke gevallen gaat het altijd om een situatie die niet aanvaardbaar is.

Redenen om een lagere of hogere standaardwaarde vast te stellen kunnen zijn: - beschermen van een rustige woonwijk; - mogelijkheden voor bedrijvigheid in een gemengd gebied (wonen en werken); - overbelaste situaties waar sprake is van een hoge belasting door trillingen van meer activiteiten samen.

Op de terreinen Kapelbeemd – GDC-Zuid, GDC-Noord, De Kade, De Hurk en het hoogspanningsstation aan de Daalakkersweg is mogelijk ruimte om de norm te verruimen. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden, waarbij de aanvaardbaarheid bij een gebouw gevoelig voor trillingen een rol speelt.

3.4.

Aanvaardbaarheid

Of een geluid- of trillingniveau aanvaardbaar is, verschilt per bronsoort, de periode van de dag en de functie van de plaats. In algemeenheid kan worden gesteld dat als de niveaus van elke afzonderlijke bron voldoen aan de voor die bron geldende standaardwaarde en/of streefwaarde het geluidof trillingsniveau zonder meer aanvaardbaar is. Ook kan het geluid- of trillingniveau aanvaardbaar zijn als de standaardwaarde wordt overschreden, maar niet hoger is dan de grenswaarde. In dat geval dienen maatregelen getroffen te worden om het geluid- en trillingniveau zoveel als mogelijk te beperken. Ook kan het zijn dat er geen maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen. Wel is in die gevallen voor geluid een geluidluwe gevel of een gedeeltelijke geluidluwe gevel met (compenserende) maatregelen nodig en voor trillingen zijn in dat geval compenserende maatregelen nodig.

3.5.

Financiën en Verantwoording

Reguliere wettelijke taken worden binnen het regulier werkprogramma van de afdeling of de afdelingen die de adviesvragen uitzetten uitgevoerd. De aanvullende werkzaamheden (zoals het opstellen van basisgeluidemissie, het oppakken van geluidproductieplafonds bij bedrijventerreinen (of het dezoneren) worden richting eerste evaluatie van het programma uitgewerkt en gebudgeteerd. De sanering van wegen wordt met name gefinancierd uit rijksbijdragen. Het doel van deze bijlage geluid en trillingen is om de afwegingen uit te werken over hoe te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties . Dit kan in sommige gevallen leiden tot keuzes in de planvorming en dit brent mogelijk in enkele gevallen extra kosten met zich mee. Het gaat dan bijvoorbeeld om (compenserende) maatregelen om de woningen/appartementen te bouwen met een geluidluwe gevel. De kosten hangen af van de situatie. Deze zijn door de verschillende aard van de projecten vooraf niet te bepalen. Deze kosten zijn voor de initiatiefnemers van die projecten. Bij een goede voorbereiding zullen die kosten laag zijn. Dit verandert niet in vergelijking met het hogere waarde beleid, dat voor de Omgevingswet gold. Het is bestaand beleid dat niet veranderd. In Eindhoven komen veel functies samen. Hierdoor kan er een hogere geluidsbelasting zijn dan goed is voor de gezondheid.

Dit speelt vooral rond de Ring, de radialen, de rijkswegen en op en rond de bedrijventerreinen. Eindhoven stelt eisen aan bouwen op deze plaatsen. We volgen de landelijke normering van standaardwaarden en grenswaarden. Dit volgt uit de beleidsruimte van de Omgevingswet. Wel willen we de aanwezigheid van een geluidluwe gevel wat concreter

invullen om zo de gezondheid van onze inwoners op die geluidbelaste locaties te verbeteren. Ook is bouwen op meer plekken hierdoor mogelijk. Maar daar dan gelden er wel voorwaarden. Die voorwaarden kunnen leiden tot technische aanpassingen en daardoor een financieel gevolg hebben. Vaak zit de geluidluwe gevel al in het ontwerp. Aanpassingen zijn dan niet nodig. Dit is in Eindhoven de afgelopen jaren door het hogere waarde beleid van 2010 vaak goed gelukt. Bij sommige projecten kunnen de eisen invloed hebben op de aanleg van een balkon of terras. De financiële gevolgen voor een woning zijn klein. De kosten op planniveau zijn lager omdat niet alle woningen een hoge geluidbelasting hebben. De projecten dragen deze kosten zelf. De uitwerking van de Beleidsnota geluid en trillingen wordt binnen de ambtelijke formatie uitgevoerd, zoals begroot in de programmabegroting. Verantwoording loopt via de Begrotingscyclus.

Bijlage 8 Programmaonderdeel Geur Gemeente Eindhoven Datum:

3 oktober 2025

Revisies Inhoudsopgave 1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding voor doorontwikkeling van het beleid geur

1

1.2

Afbakening ‘geur’

1

2

Wettelijk kader Geur

2

2.1

Geurgevoelige gebouwen

2

2.2

Bebouwingscontour geur

2

2.3

Geurbronnen

2

3

Beleidskaders programma geur

4

3.1

Beleidsregel industriële geur

4

3.2

Omgevingsverordening Noord-Brabant

4

4

Beleidsuitgangspunten geur

5

4.1

Uitbreiding of nieuwvestiging geur emitterende activiteiten

5

4.2

Geurgevoelig

6

4.3

Evaluatie

6

Begrippenlijst Wat we beschermen Geurgevoelige gebouwen

Waartegen we beschermen Geur agrarische activiteiten Geur industriële activiteiten Geur van zuiveringstechnische werken

Dit zijn gebouwen genoemd in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij wordt bedoeld gebouwen bestemd voor wonen, onderwijs, gezondheidszorgfunctie met bedgebied en kinderopvang met bedgebied. Dit zijn activiteiten zoals het houden van dieren, het opslag van mest, composteren, etc. Dit zijn industriële activiteiten, zoals mengvoederbedrijven, voedingsmiddelenindustrie, etc. Dit betreft de rioolwaterzuivering.

1 Inleiding 1.1

Aanleiding voor doorontwikkeling van het beleid geur

Met de invoering van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) staan gemeenten voor de uitdaging om hun ambities en opgaven wat betreft een veilige en gezonde leefomgeving te herijken. Dit kan vervolgens worden vertaald naar algemene beleidsuitgangspunten en concrete planregels waar eenieder zich aan moet houden. Onder de Omgevingswet vindt er ook een modernisering plaats van de manier waarop we omgaan met geur. Zo heeft de wetgever gebouwen aangewezen die tenminste geurgevoelig zijn. Dit zijn in ieder geval woningen, onderwijsfuncties, gezondheidszorgfunctie en kinderdagopvang met bedgebied. Daarnaast heeft de wetgever gemeenten de mogelijkheid gegeven om andere geurgevoelige gebouwen aan te wijzen. Ook moeten gemeenten met het opstellen van hun omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

1.2

Afbakening ‘geur’

1.2.1

Welk beleid is er van geur?

Bij activiteiten kan geur vrijkomen. Geur kan aangenaam zijn en onaangenaam. Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl1). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16163575/1