Bijlage 2 - Bijlagenbundel bij Programma Gezonde Leefomgeving 2026-2035
Tekst van het document
1 Bkl = Besluit kwaliteit leefomgeving
Nederlands beleid Het Nederlandse geurbeleid in de jaren ’80 en ’90 was er op gericht de mens zoveel mogelijk te beschermen tegen hinder door geur en ernstige hinder door geur als ontoelaatbaar te beschouwen. Dit is in de Herziene Nota Stankbeleid uit 1994 vertaald naar een maximaal aantal gehinderden van 12%. Dit betekent dat in het toe te passen geurbeleid altijd geredeneerd wordt vanuit het effect naar de bron (en niet omgekeerd). De geur- immissie als gevolg van de bedrijfsactiviteiten wordt dan ook getoetst aan de gewenste omgevingskwaliteit.
2 Wettelijk kader Geur Hieronder volgt een beknopte uitleg van de belangrijkste begrippen binnen het thema ‘geur’.
2.1
Geurgevoelige gebouwen
De overheid garandeert een zogenaamd basisbeschermingsniveau voor geur. Dit houdt in dat er een aantal gebouwen in ieder geval moeten worden beschermd voor wat betreft geur. Dit zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidsfunctie met bedgebied en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied (artikel 5.91 Bkl). Het bevoegd gezag mag andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen als geurgevoelig, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
2.2 Bebouwingscontour geur Het bevoegd gezag moet in het omgevingsplan een bebouwingscontour geur vastleggen. Dit houdt in dat zij een gebied moet aanwijzen waar strengere geurnormen gelden en waar minder strengere geurnormen gelden. De bebouwingscontour ligt rond het stedelijk gebied.
2.3 Geurbronnen In het Bkl zijn een drietal activiteitgroepen aangewezen waarvoor standaard- en grenswaarden zijn opgenomen. Dit zijn geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, geur door het houden van landbouwhuisdieren en geur door andere activiteiten.
2.3.1
Geur agrarisch
De gemeente kan geurregels opnemen voor veehouderijen in het omgevingsplan. In het Bkl staat met instructieregels voor gemeenten beschreven hoe ze de geurregels in het omgevingsplan moeten opnemen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 'Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf'. In deze paragraaf wordt onderscheidt gemaakt tussen landbouwhuisdieren met geuremissiefactoren en landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren. Als standaard geldt voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren een afstand van 100 meter tot geurgevoelige gebouwen binnen de bebouwingscontour geur en een afstand van 50 meter tot geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwingscontour geur. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden onderstaande waarden binnen een concentratiegebied. De gemeente Eindhoven ligt binnen een concentratiegebied. Geurgevoelig gebouw Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
Standaardwaarde 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3
Figuur 1 standaardwaarde toelaatbare geur ouE/m3 als 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
Geurgevoelig gebouw Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
Grenswaarde 14,0 ouE/m3 35,0 ouE/m3
Figuur 2 Grenswaarde toelaatbare geur ouE/m3 als 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
Naast het houden van landbouwhuisdieren zijn er ook instructieregels voor geur door andere agrarische activiteiten. Dit gaat onder andere over het opslaan van mest of het opslaan van kuilvoer. Voor deze activiteiten geldt een vaste afstand.
2.3.2 Geur industrieel Voor industriële geur zijn geen specifieke instructieregels opgenomen in het Bkl. Wel moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met geur door activiteiten. Ook moet de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.
2.3.3 Geur rioolwaterzuivering In het Bkl zijn voor zuiveringstechnische werken specifieke instuctieregels opgenomen. Voor de omgang met geur door zuiveringstechnische werken maken we onderscheid tussen twee categorieën aan gebieden. Een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur en een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwingscontour geur, een industrieterrein met geluidproductieplafonds en bedrijventerreinen. De normen zijn afhankelijk van de oprichting van het zuiveringstechnisch werk. In onderstaande tabellen zijn de normen opgenomen. Zuiveringstechnisch werk van na 1 februari 1996 Activiteit Geurgevoelig gebouw
Grenswaarde
Het exploiteren van een
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur,
0,5 ouE/m3
zuiveringtechnisch werk
anders dan op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein Gelegen: – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – een bedrijventerrein; of – buiten de bebouwingscontour geur
1 ouE/m3
Zuiveringstechnisch werk van voor 1 februari 1996 Activiteit Geurgevoelig gebouw
Grenswaarde
Het exploiteren van een
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur,
1,5 ouE/m3
zuiveringtechnisch werk
anders dan op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein Gelegen:
3,5 ouE/m3
– op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – een bedrijventerrein; of – buiten de bebouwingscontour geur
2.3.4 Geur horeca Voor horeca zijn er regels opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan. Dit gaat over de afvoer van dampen en gassen die vrijkomen bij voedselbereiding. De volgende regel is daarvoor opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan. worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd: 1.
ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of
2.
geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.
Dit programma gaat niet over geur afkomstig van horeca.
3 Beleidskaders programma geur 3.1
Beleidsregel industriële geur
Ons beleid voor industriële geur (2023) past wat betreft systematiek niet meer binnen kaders van de Omgevingswet. Wel is de kern van de meeste beleidsuitgangspunten uit het huidige beleid te vertalen naar beleidsuitgangspunten die conform de Omgevingswet zijn. In het kader van beleidsneutraliteit hebben we waar mogelijke deze vertaalslag in voorliggend beleidsprogramma gemaakt.
3.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant In de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (datum januari 2025) staan in hoofdstuk 5 instructieregels voor gemeenten wat betreft de inhoud van het omgevingsplan. Er staan instructieregels in die direct het thema geur raken. Dit zijn regels voor de veehouderij. Veehouders die willen uitbreiden moeten hiervoor een omgevingsvergunning aanvragen via het Omgevingsloket. Veehouders of hun adviseurs moeten vóór het aanvragen van de vergunning eerst de BZV invullen (Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij). Onder zorgvuldig wordt verstaan dat veehouderijen hun bedrijfsvoering zo inrichten dat zij daarmee goed passen in hun omgeving. De BZV gaat uit van de gedachte dat ontwikkelruimte verdiend moet worden en niet onbegrensd is. Veehouders kunnen pas een vergunning aanvragen voor een uitbreiding na overleg met hun omgeving en nadat uit een objectieve toetsing (BZV) de score ‘zorgvuldig’ is gekomen. BZV toetst de thema's: gezondheid, dierenwelzijn, brandpreventie, energie, fosfaatefficiëntie, geur, fijnstof, endotoxines, mineralenkringlopen, biodiversiteit (De verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied) en verbinding met de omgeving. Ook geldt er in Brabant een stalderingsregeling. Staldering voorkomt verdere regionale concentratie van vee in Brabant door een betere spreiding van de veestapel. Het voorkomt ook
nieuwe leegstand. In Midden- en Oost-Brabant gaat de provincie met staldering verdere regionale concentratie van vee en verdere leegstand van stallen tegen. Een veehouder mag binnen een stalderingsgebied uitsluitend nieuwe hokdierhouderijen bouwen, uitbreiden of omschakelen als binnen datzelfde gebied hokdierverblijven worden gesaneerd. Sanering kan plaatsvinden door sloop of herbestemming.
4 Beleidsuitgangspunten geur Binnen onze gemeente moeten we regelmatig besluiten over de realisatie van nieuwe ontwikkelingen. Daar komt dan ook de vraag bij: In hoeverre is de geur acceptabel is en/of onder welke voorwaarden realisatie mogelijk is? Ter beantwoording van deze vragen hebben we beleidsuitgangspunten voor industriële geur opgesteld, met een bijhorend afwegingskader.
4.1
Uitbreiding of nieuwvestiging geur emitterende activiteiten
4.1.1
Geur door industriële activiteiten
Voor de omgang met geur door industriële activiteiten maken we onderscheid tussen twee categorieën aan gebieden. Dit zijn gebieden voor wonen en bedrijventerreinen. Dit is in lijn met de beleidsregel industriële geur van 2023, met uitzondering van de omgevingscategorie overig. Deze categorie wordt zelden gebruikt, daarnaast zijn de normen uit de andere categorieën bepalend voor de geurruimte van bedrijven. Onderstaande waarden gelden voor nieuwe en bestaande situaties. Voor bestaande situaties geldt dat dit een bestaande geurbron is die niet wijzigt. Voor nieuwe situaties geldt dat dit ofwel een geheel nieuwe geurbelastende activiteit is van een bedrijf die nog geen geurbelastende activiteit heeft of een bedrijf met een geurbelastende activiteit die uitbreidt met een nieuwe geurbelastende activiteit. Bestaande situaties Gebiedstype Wonen Bedrijventerrein en buitengebied
98-percentiel Richtwaarde ouE(H)/m3 1,0 2,0
Grenswaarde ouE(H)/m3 2,0 4,0
99-percentiel Richtwaarde ouE(H)/m3 4 8
Grenswaarde ouE(H)/m3 8 16
Grenswaarde ouE(H)/m3 1,0 2,0
99-percentiel Richtwaarde ouE(H)/m3 2 4
Grenswaarde ouE(H)/m3 4 8
Nieuwe situaties Gebiedstype Wonen Bedrijventerrein en buitengebied
98-percentiel Richtwaarde ouE(H)/m3 0,5 1,0
4.1.2 Geur door zuivering technische werken In het Bkl zijn voor zuiveringstechnische werken specifieke instuctieregels opgenomen (zie ook paragraaf 2.3.3). Het bevoegd gezag kan andere normen stellen voor zuiveringstechnische werken. Er zijn echter geen redenen om dat voor dit onderdeel te doen. Daarom hanteren we de normen uit het Bkl. Voor de RWZI gelden de normen van voor februari 1996.
4.1.3 Geur door agrarische activiteiten Veel gemeenten hadden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een geurverordening. Met een geurverordening kon de gemeente andere normen opnemen dan de standaardnormen. De gemeente
Eindhoven heeft/had geen geurverordening. Daar was/is ook geen noodzaak toe. De standaardwaarde uit het Bkl zullen dan ook blijven gelden.
4.2 Geurgevoelig In de beleidsregel van 2023 zijn omgeving categorieën omschreven. Deze sluiten niet meer aan bij de huidige systematiek. Met de Omgevingswet worden gebouwen beschermd tegen geur. In lijn met de beleidsregel van 2023 worden woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen e.d. geschermd tegen geur. Wel worden er met de beleidsregel voor de omgevingscategorie gemengd ook winkels en zelfstandige kantoren beschermd. Dit is in de nieuwe situatie niet meer het geval.
4.3 Evaluatie Kantoren zijn volgens dit programmaonderdeel niet geurgevoelig. Bij de evaluatie zal bekeken worden of dit tot problemen heeft geleid en of hierdoor aanpassing nodig is.
Bijlage 9 aanpak Luchtkwaliteit Inleiding Een slechte luchtkwaliteit heeft aantoonbaar negatieve effecten op de gezondheid. Met onderstaande aanpak willen we het thema luchtkwaliteit beter inzichtelijk maken en verkennen op welke wijze we als gemeente Eindhoven hier invloed op uit kunnen oefenen. We onderscheiden in deze aanpak 3 lijnen waarlangs we aan de slag gaan met luchtkwaliteit: 1. Gezondheidskaart 2. Wet- en regelgeving 3. Afwegingskader ontwikkelingen Gezondheidskaart In het omgevingsprogramma gezonde leefomgeving is de gezondheidskaart opgenomen als instrument om: • gebieden te identificeren waar (toekomstige) bewoners op basis van de gecumuleerde belasting (8 indicatoren) een hoog risico lopen op gezondheidseffecten; • de juiste prioriteiten voor beleid vast te stellen en de juiste datagedreven beslissingen te nemen. Waar is het hoogste risico? Waar is de meeste gezondheidswinst te behalen? Welke bron moet aangepakt worden?; • maatregelen/planvarianten en/of scenario’s per gebied te vergelijken om uiteindelijk die variant te kunnen kiezen die het meeste gezondheidswinst/minste gezondheidsverlies oplevert. Luchtkwaliteit vormt, samen met geluid, een van de acht indicatoren van de gezondheidskaart. De gezondheidskaart gebruikt luchtkwaliteitsdata om een inschatting te maken van het gezondheidsrisico door luchtverontreiniging.
Wat willen we bereiken? Wanneer de gezondheidskaart gebruikt wordt om ruimtelijke beslissingen te nemen en sturing te geven is het cruciaal om een volledige, actuele en correcte dataset van de luchtkwaliteit in de modelberekening mee te nemen en de juiste rekenregels te hanteren. Foute of onnauwkeurige data leiden tot onbetrouwbare resultaten waardoor verkeerde keuzes gemaakt kunnen worden. Door het gebruik van correcte data is het mogelijk om het model te testen en te valideren. Alleen zo kun je beoordelen of het model goed werkt en bruikbaar is in de praktijk. Het doel is om volledige, actuele en correcte data te integreren in de gezondheidskaart en mee te denken over de toepassing van de juiste rekenregels. Ook willen we de beschikbare luchtkwaliteitsmeetdata integreren in een platform en bekijken of we aanvullende meetdata kunnen genereren door middel van het opzetten van een burgerwetenschapsproject met betrekking tot luchtkwaliteit. Ook gaan we bekijken of het meten van aanvullende parameters zoals roet en ultrafijn stof meegenomen kunnen worden om de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging nog beter in te kunnen schatten. Hoe willen we dat bereiken: