CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Bijlagenbundel bij Programma Gezonde Leefomgeving 2026-2035

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerp programma gezonde leefomgeving 2026 203528.445 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Elke basisnetroute kent ook een aandachtsgebied voor brand, explosie en gifwolk. De decentrale overheden hebben aangegeven bezwaar te hebben tegen het feit dat gebieden ook zijn aangewezen op plekken langs het spoor waarover slechts incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarom wil het ministerie het basisnet spoor beperken tot deze belangrijkste routes en zullen omleidingsroutes en andere niet-structurele routes uit het basisnet spoor worden gehaald. Tevens hebben de decentrale overheden duidelijk gemaakt dat een verplichte set aan maatregelen in een aandachtgebied voor hen geen optie is, omdat lokale omstandigheden te veel van elkaar kunnen verschillen om een dergelijke uniforme aanpak te rechtvaardigen.

4.2.4 Gebiedsontwikkelingen De gemeente Eindhoven heeft een grote verstedelijkingsopgave. De ambitie voor 2040 is om 62.000 woningen te realiseren in het Stedelijk Gebied Eindhoven (bestaande uit de gemeenten Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre) waarvan 40.000 woningen in Eindhoven. Tevens is het de ambitie om voor 2040 circa 72.000 arbeidsplaatsen te realiseren in het Stedelijk Gebied Eindhoven, waarvan 36.000 in Eindhoven. Ontwikkellocaties zijn onder andere centrum, Knoop XL en Woensel XL.

17

Veranderingen en aanvullingen op hoofdlijnen Wijziging van de omvang van invloedsgebieden naar aandachtsgebieden De omvang van de brand- en explosieaandachtsgebieden zijn anders dan de invloedsgebieden waarvoor voorheen een afweging van het groepsrisico moest worden gemaakt. De verkleining van deze gebieden hangt samen met de beleidsmatige door de wetgever gemaakte keuze om de verplichting om rekening te houden met het groepsrisico te beperken tot die gebieden die wezenlijk van belang zijn. Het gaat om een meer reële benadering van het gebied waarbinnen risico’s zich kunnen voordoen. De beschermingsopgave wordt namelijk kleiner naar mate de afstand tot een incident groter wordt. Ook combineerde het invloedsgebied alle ongevalscenario’s, terwijl de aandachtsgebieden uitgaan van specifieke scenario’s. Zo geldt voor het invloedsgebied brandbare gassen van transportroutes voortaan een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Energietransitie met bijbehorende risico’s Het Uitvoeringskader bevat een specifiek kader voor LPG-tankstations. Met dit specifieke kader is beoogd om risico’s in woon- en werkgebieden, zogenaamde risicoluwe gebieden, te vermijden en op termijn uit te faseren. De energietransitie kan echter nieuwe noodzakelijke risico’s met zich meebrengen, bijvoorbeeld mogelijkheden tot energieopslag in gebouwen zelf door batterijen of accu’s.

Daarom wordt voor ontwikkelingen in het kader van de energietransitie afgezien van het uitgangspunt dat risicovolle activiteiten in of nabij risicoluwe gebieden niet worden toegelaten. Dit wel onder de voorwaarde dat de risico’s noodzakelijk zijn voor het gebruik van de functies die in de woon- en werkgebieden zijn gelegen en de risico’s aanvaardbaar zijn. Er moet immers sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Van rekenkundig groepsrisico naar het beiden van voldoende beschermingsniveau Het beschouwen van de hoogte van het groepsrisico is onder de Omgevingswet niet langer het uitgangspunt, het gaat om de optimalisatie van de veiligheid en bieden van voldoende beschermingsniveau. Deze beoordeling bestaat uit het aanwezige risico enerzijds en de bescherming op een specifieke locatie anderzijds. In het programma is opgenomen hoe invulling geeft aan de beschouwing van deze methodiek. In deze context is gekozen om de rekenkundige hoogte van het groepsrisico niet langer onderdeel te laten zijn van de planologische keuzes bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen blijft berekenen van het groepsrisico mogelijk om situaties op de achtergrond met elkaar te vergelijken om inzicht te krijgen in de mate van maatschappelijke ontwrichting bij een incident.

18

5 Ambitie externe veiligheid In de Omgevingsvisie Eindhoven is de ambitie van onze gemeente voor de inrichting van de fysieke leefomgeving vastgesteld: In 2040 is Eindhoven, binnen haar stadsgrenzen, gegroeid naar een compacte, gezonde, groene stad met een wereldse uitstraling. Het is plezierig om er te wonen, met veel groen, goede voorzieningen en prettige wijken. De stad is slim ingedeeld, met verdichting rondom (H)OV-knooppunten en omgeven door parken en groene ruimtes voor ontmoeting, beweging en ontspanning. Ondanks de verdichting voelt de stad aangenaam en natuurlijk aan. Eindhoven heeft zich ontwikkelt naar een slimme, gezonde duurzame stad voor iedereen. Stevig verbonden met de Brainportregio en de verdere omgeving. Dit gewenste beeld voor 2040 kunnen we alleen bereiken door middel van een goede balans tussen groei, welzijn en ecologie. De integrale ambitie is opgedeeld in vier deelambities, die niet los van elkaar kunnen worden gezien. De vier deelambities zijn in evenwicht en vullen elkaar aan en vormen samen de integrale ambitie. Ze zijn: 1. 2. 3. 4.

Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad. Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad. Eindhoven als hart van de Brainport regio: een innovatieve economische wereldspeler waar iedereen mee doet. Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie.

Hieruit volgt de onderstaande ambitie voor het thema externe veiligheid: ‘’We vinden het belangrijk dat mensen een veilige leefomgeving hebben, zowel fysiek als sociaal. Daarom houden we bij het inrichten van wijken rekening met de gezondheid, omgevingsveiligheid (externe veiligheid, zie paragraaf 1.4.1), verkeersveiligheid en het algemene veiligheidsgevoel. Bij omgevingsveiligheid kijken we naar risico’s rond gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. In Eindhoven letten we hierbij extra op de gebieden rondom het spoor. Samen met de provincie en de andere Brabantse steden die aan het spoor liggen, dringen we bij het rijk aan op een integrale visie voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Samen met de veiligheidsregio werken we aan het verbeteren van de zelfredzaamheid van inwoners bij calamiteiten, zoals brand of incidenten op het spoor.’’ Op het gebied van externe veiligheid wordt een bredere afweging gemaakt dan het wettelijk minimum streven we naar een verantwoord evenwicht tussen: a. Enerzijds ontwikkelruimte voor bedrijven, met eventuele risicovolle activiteiten; b. En anderzijds een uniform beschermingsniveau voor bewoners en bezoekers van onze gemeente; c. Mét inachtneming van (de kwaliteit van) benodigde ontwikkelingen, zoals de woningbouwopgave en de energietransitie.

Hieraan geven we invulling door gebruik te maken van twee sturingsgebieden: 1. Een evenwichtige toedeling van risicovolle activiteiten aan locaties (paragraaf 5.1); 2. Een evenwichtige toedeling van ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten (paragraaf 5.2).

5.1

Risicovolle activiteiten

Nieuwe externe veiligheidsknelpunten worden zo veel mogelijk voorkomen. De meeste veiligheidswinst wordt behaald door het scheiden van risicovolle activiteiten en gebieden waar mensen wonen, werken en

recreëren. Door hierop in te zetten kunnen we bedrijven met eventuele risicovolle activiteiten de ruimte geven en onze bewoners en bezoekers beschermen tegen de mogelijke gevaren. We willen dit bereiken door het clusteren van specifieke risicovolle activiteiten op bedrijventerreinen en/of bedrijfslocaties. Aan de ligging van de bijhorende zones voor externe veiligheid verbinden we een aantal beperkingen. Zie paragraaf 6.1 voor een uitwerking hiervan in beleidsuitgangspunten en een afwegingskader.

5.2 Ruimtegebruik nabij risicovolle activiteiten Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten hanteren we de volgende principes om een uniform beschermingsniveau te behouden: • Mensen in zeer kwetsbare gebouwen (verzorgingstehuizen, kinderdagverblijven, etc.) verdienen extra bescherming, omdat zij niet zelfredzaam zijn. Zeer kwetsbare gebouwen sluiten we daarom over het algemeen uit nabij risicovolle activiteiten (zie tabel 6.2).

•

•

Hoe kleiner de afstand tot de risicovolle activiteit, hoe groter het effect. Dus hoe kleiner de afstand tot de risicovolle activiteit, hoe minder ruimtelijke ontwikkelingen we toestaan. We houden zoveel mogelijk afstand tot de risicovolle activiteit. Daarin zijn we strenger bij gebouwen en locaties waar veel mensen voor langere tijd aanwezig zijn, dan gebouwen en locaties waar dat niet het geval is. We kijken ook naar de omvang van het risico. Dat houdt in dat we bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij het spoor minder toestaan dan rondom andere risicovolle activiteiten. De kans op een ongeval op het spoor is namelijk groter dan bijvoorbeeld met een buisleiding. Dit houdt ook in dat we in een brand- en explosieaandachtsgebied minder toestaan dan in het gifwolkaandachtsgebied. Mensen die zich in een gifwolkaandachtsgebied bevinden hebben meer tijd om zich in veiligheid te brengen en zijn over het algemeen beter beschermd tegen een gifwolk dan tegen een brand of explosie.

We wijzen niet bij voorbaat voorschriftengebieden aan. Per ruimtelijke ontwikkeling wordt de meerwaarde van bouwkundige maatregelen afgewogen. Wanneer dit meerwaarde heeft en passend is bij de voorgenomen te realiseren kwaliteit in een plangebied, wijzen we een voorschriftengebied in het omgevingsplan aan. Indien het gaat om een zeer kwetsbaar gebouw in een brand- of explosieaandachtsgebied, is het verplicht om een voorschriftengebied aan te wijzen. Bij de bestaande zeer kwetsbare gebouwen in een brand- en explosieaandachtsgebieden wordt het voorschriftengebied aangewezen. Bij de bestaande gebouwen hoeven geen aanpassingen aan het gebouw plaats te vinden. Bij nieuwbouw moet dit wel. De inventarisatie van deze gebouwen is in uitvoering. Bij de gebouwen die nu geprojecteerd zeer kwetsbaar zijn, maar feitelijk niet als zodanig in gebruik zal een afweging gemaakt worden of de functie nog wordt toegelaten (bijvoorbeeld de bestemming maatschappelijk waar een kinderdagverblijf direct is toegestaan, maar in gebruik is als middelbare school). Zie paragraaf 6.2 voor een uitwerking hiervan in beleidsuitgangspunten en een afwegingskader.

6 Beleidsuitgangspunten externe veiligheid Binnen onze gemeente moeten we regelmatig besluiten over de realisatie van nieuwe ontwikkelingen. Daar komt dan ook de vraag bij: In hoeverre is het externe veiligheidsrisico acceptabel en/of onder welke voorwaarden is realisatie mogelijk? Ter beantwoording van deze vragen hebben we risicogerichte beleidsuitgangspunten voor externe veiligheid opgesteld, met een bijhorend afwegingskader.

6.1

Uitbreiding of nieuwvestiging risicovolle activiteiten

6.1.1

Clustering risicovolle activiteiten

Voor de omgang met risicovolle activiteiten maken we onderscheid tussen vier categorieën aan gebieden (zie tabel 6-1 en bijlage 3 voor een kaart). Bedrijventerreinen lenen zich het best voor risicovolle activiteiten. Echter hebben niet alle bedrijventerreinen in onze gemeente een even zwaar industrieel karakter. Dit willen we in de toekomst behouden, zodat er ruimte blijft voor bedrijvigheid zonder grote milieu-impact en functiemenging. Daarom delen we onze bedrijventerreinen in die categorieën op: voor zware risicovolle activiteiten, voor lichte risicovolle activiteiten en voor zeer lichte risicovolle activiteiten. De rest van de stad (centrum, diverse stadwijken en buitengebied) is ook niet bedoeld voor industriële bedrijvigheid, gezien de hoge populatiedichtheid. De woonkernen zijn bedoeld voor wonen, werken en recreëren waarbij de veiligheid en gezondheid gegarandeerd moet worden. In het buitengebied en woonkernen staan we de uitbreiding of nieuwvestiging van risicovolle activiteiten in de eerste instantie niet toe. Voor de risicovolle activiteiten die nodig zijn voor het functioneren van het gebied, maken we aan de hand van een gedegen afweging, eventueel een uitzondering, zoals nutsvoorzieningen, zie tabel 6.1.

Tabel 6-1 geeft een algemeen beeld van de bestaande bedrijventerreinen en overige gebiedstypen en in hoeverre we daar de uitbreiding of nieuwvestiging van risicovolle activiteiten toestaan.

Tabel 6-1 Toegestane uitbreiding of nieuwvestiging van risicovolle activiteiten per gebied

Gebieden

Uitbreiding of nieuwvestiging risicovolle activiteiten

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

A. Bedrijventerreinen met zware risicovolle activiteiten

De Hurk (m.u.v. Croy), GDC Acht, HTC, Park Forum (oost en west), luchthaven Eindhoven, Kapelbeemd (kern en tegen spoor aan), Esp en BIC

Risicovolle activiteiten onder A, B en E van bijlage VII Bkl toegestaan3

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan

B. Bedrijventerreinen met lichte risicovolle activiteiten

De Kade buiten de Ring, Flight Forum (m.u.v. kantorencluster), Bedrijventerrein Eindhoven Airport, Strijp T, Kapelbeemd (rand), Croy en Campus TU Eindhoven

Risicovolle activiteiten onder A en B van bijlage VII Bkl toegestaan

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan

C. Bedrijventerreinen met zeer lichte risicovolle activiteiten

De Kade binnen de Ring, Heizoom (Achtse Barier), Bedrijventerrein Woensel (Autoboulevard), Woensel Noord, Kantorencluster Flight Forum, en overige kleine bedrijventerreinen conform de visie

D. Gebieden voor wonen, werken en recreëren

Spoorzone, Winkelcentrum Woensel, Centrum, Park Forum Zuid Kastelenplein en overige verblijfsgebieden (wonen, werken, recreëren, maatschappelijk, buitengebied)

Risicovolle activiteiten onder A van bijlage VII Bkl toegestaan, mits er geen brand- en/of explosieaandachtsgebied van toepassing is op de activiteit

Geen risicovolle activiteiten onder bijlage VII Bkl toegestaan, met uitzondering van risicovolle activiteiten die gelieerd zijn aan het functioneren van het gebied (bijvoorbeeld gasdrukmeet- en regelstations, of buurtbatterijen).

Niet van toepassing

Niet van toepassing

De HTC en TUe zijn campussen waar ontwikkelingen snel kunnen gaan. Daarom is het voor de HTC een veiligheidscontour vastgesteld (nu risicogebied) waar kwetsbare gebouwen en risicovolle activiteiten naast elkaar mogen liggen. Een zelfde systeem zou voor de TUe ook kunnen gaan gelden.

6.1.2

Sturing op de ligging van zones

Aanvullend gelden er beperkingen voor de ligging van de zones voor externe veiligheid die een risicovolle activiteit kent. Daarnaast moet een risicovolle activiteit ook voldoen aan de algemene regels uit hoofdstuk 4 van het Bal en/of de beoordelingsregels uit hoofdstuk 8 van het Bkl.

3 A-bedrijven zijn de lichtere risicovolle bedrijven waar volgens het Bal een meldplicht geldt, B-bedrijven zijn

zwaardere risicovolle bedrijven waarvoor een vergunningplicht geldt volgens het Bal en waarbij standaard afstanden gelden, E-bedrijven zijn de zwaarste bedrijven waarbij een vergunningplicht geldt volgens het Bal en waar de plaatsgebonden risicocontour en aandachtsgebieden berekend moet worden.

Plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar We bieden onze inwoners en bezoekers een basisbeschermingsniveau. Bij nieuwe risicovolle activiteiten hanteren we daarom de volgende uitgangspunten:

•

Deze contour reikt maximaal tot de eigen perceelgrens of ligt enkel over de functie ‘openbaar groen’, ‘water’ of ‘weg’.

•

Bestaande, geprojecteerde en nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties zijn niet toegestaan binnen deze contour (grenswaarde).

•

Bestaande, geprojecteerd4 en nieuwe beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder voorwaarden toegestaan binnen deze contour (standaardwaarde).

Aandachtsgebieden brand, explosie en gifwolk Bij nieuwe risicovolle activiteiten houden wij rekening met de bescherming van groepen mensen en beperken we het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan de gevaren van die activiteiten. Daarbij hanteren we de volgende uitgangspunten: • Het brandaandachtsgebied reikt maximaal tot de grens van het bedrijventerrein of tot de perceelgrens van locaties met de activiteit ‘bedrijf’, of ligt enkel over de functies ‘openbaar groen’, ‘water’, ‘weg’, of andere bedrijventerreinen. • Het explosieaandachtsgebied reikt maximaal tot de grens van het bedrijventerrein of tot de perceelgrens van locaties met de activiteit ‘bedrijf’, of ligt enkel over de functiet ‘groen’, ‘water’, ‘weg’, of andere bedrijventerreinen. • Er worden geen eisen gesteld aan de ligging van het gifwolkaandachtsgebied. Mensen die zich in dit gebied bevinden hebben de tijd om zichzelf in veiligheid te brengen. Eenmaal binnen is men beschermd indien deuren en ramen worden gesloten. Mensen die zich in nieuwbouw bevinden zijn extra beschermd aangezien afschakelbare ventilatie onder het nieuwe omgevingsrecht verplicht is.

6.2 Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling nabij risicovolle activiteiten 6.2.1

Zonebeleid ruimtelijke ontwikkelingen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen met zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen of locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties nabij een risicovolle activiteit passen we zonebeleid toe. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende zones: • Plaatsgebonden risicocontour 10-6 • Brandaandachtsgebied • Explosieaandachtsgebied • Gifwolkaandachtsgebied Wij geven daarbij invulling aan de wettelijke verplichtingen. Dat houdt in dat wij geen eisen stellen aan ruimtelijke ontwikkelingen buiten deze zones. Ook stellen wij geen eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten die van rechtswege (vanuit het Bkl) geen dergelijke zones toegewezen krijgen, zoals vervoer van gevaarlijk stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. In tabel 6-2 staat aangegeven in hoeverre gebouwen en locaties waar mensen verblijven zijn toegestaan binnen een bepaalde zone. Er zijn daarbij vier varianten: 1. Toegestaan. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt verantwoord is. Hieraan worden geen aanvullende voorwaarden gesteld. 2. Toegestaan, mits. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt verantwoord is, mits veiligheidsmaatregelen in overweging worden genomen. 4 Onder geprojecteerd wordt verstaan feitelijk niet aanwezig, maar wel toegestaan in het omgevingsplan.

3.

4.

Niet toegestaan, tenzij. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt niet verantwoord is. Afwijking hiervan is enkel mogelijk wanneer er sprake is van andere zwaarwegende belangen, veiligheidsmaatregelen in overweging worden genomen en er expliciete goedkeuring wordt gegeven door het college en eventueel de raad. Niet toegestaan. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt niet verantwoord is.

Plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar Zeer kwetsbaar gebouw Kwetsbaar gebouw

Niet toegestaan (grenswaarde Bkl)

Kwetsbare locatie Beperkt kwetsbaar gebouw Beperkt kwetsbare locatie

Niet toegestaan, tenzij (standaardwaarde Bkl)

Brandaandachtsgebied Zeer kwetsbaar gebouw

Niet toegestaan

Kwetsbaar gebouw

Basisnetroute (spoor en snelweg): Niet toegestaan Andere risicovolle activiteiten: Toegestaan, mits

Kwetsbare locatie Beperkt kwetsbaar gebouw Beperkt kwetsbare locatie

Toegestaan, mits

Explosieaandachtsgebied Zeer kwetsbaar gebouw

Niet toegestaan

Kwetsbaar gebouw Kwetsbare locatie Beperkt kwetsbaar gebouw

Toegestaan, mits

Beperkt kwetsbare locatie Gifwolkaandachtsgebied Zeer kwetsbaar gebouw Kwetsbaar gebouw Kwetsbare locatie

Toegestaan, mits

Beperkt kwetsbaar gebouw Beperkt kwetsbare locatie Tabel 6-2 Zonebeleid bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Ontwikkelingen nabij de luchthaven Extern veiligheidsbeleid aangaande het luchthaventerrein Eindhoven is vastgelegd in een brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM. In de bijlage van deze brief staan de voorwaarden opgenomen waaraan een gemeente zich moeten houden wanneer binnen de PR 10-5 en PR 10-6 contouren ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Dit beleid houdt in dat: • er geen objecten mogen worden geprojecteerd in de PR 10 -5 contour waar mensen verblijven;

•

voor zogenoemde 'pijplijnplannen' binnen de PR 10-6 contour geldt een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde) waarbij de bebouwing zo laag mogelijk wordt gehouden; 5

•

functies voor groepen beperkt zelfredzame mensen, grote publiekstrekkers en evenementen worden uitgesloten.

5 Voor gemeente Eindhoven zijn in dit beleid Brainport Industries, Campus (BIC) en GDC Acht Noord als 'pijplijnplannen'

aangemerkt.

6.2.2 Afwegingskader ruimtelijke ontwikkelingen Bij de omgang met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in aandachtsgebieden hanteren we de volgende principes: 1) afstand houden tot risicovolle activiteiten, 2) beperken van de personendichtheid en aanwezigheidsduur en 3) uitsluiten niet zelfredzame mensen. Afstand houden We proberen zoveel mogelijk afstand aan te houden tussen de risicovolle activiteit en het (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties. Hoe kleiner de afstand tot de risicovolle activiteit bij een eventueel ongeval, hoe meer verschillende type scenario’s er kunnen plaatsvinden (brand, explosie en gifwolk) en hoe groter het effect (hittestraling, overdruk, concentratie en daarmee het aantal slachtoffers) is. Dit betekent ook dat hoe dichter een ruimtelijke ontwikkeling bij een risicovolle activiteit wordt geprojecteerd, hoe uitgebreider we de afweging maken op het gebied van externe veiligheid. Populatiedichtheid en aanwezigheidsduur Hoe groter de populatiedichtheid, hoe meer slachtoffers er kunnen vallen bij een eventueel ongeval. Hoe groter de aanwezigheidsduur, hoe groter de groep met bewoners en bezoekers is die slachtoffer kunnen worden. Bij kwetsbare gebouwen en locaties ligt de populatiedichtheid hoger en is de aanwezigheidsduur langer dan bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, en verdienen daarom extra afweging en waar mogelijk bescherming.

Dit doen we door een uitgebreidere afweging te maken op het gebied van externe veiligheid bij een kwetsbaar gebouw of locatie, dan bij een beperkt kwetsbaar gebouw of locatie. Zeer kwetsbare gebouwen Mensen in zeer kwetsbare gebouwen zijn niet zelfredzaam genoeg om zichzelf op tijd in veiligheid te brengen. Deze gebouwen verdienen daarom extra bescherming ten opzichte van kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Dit doen we door zeer kwetsbare gebouwen zoveel mogelijk uit te sluiten binnen aandachtsgebieden. In ieder geval worden geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen toegelaten binnen een brand- en/of explosieaandachtsgebied. Daar waar we onvoldoende afstand kunnen houden, (beperkt) kwetsbare gebouwen niet kunnen uitsluiten en/of de populatiedichtheid en aanwezigheidsduur onvoldoende kunnen beperken, kijken we naar de mogelijkheden voor aanvullende bescherming. Daar zit een hiërarchische volgorde in: Omgevingsmaatregelen Eerst kijken we naar de mogelijkheden om omgevingsmaatregelen te nemen. Daarbij denken we bijvoorbeeld aan een opvanggeul voor een plasbrand of een barrière voor de afwering van een fakkelbrand en/of explosie. Een omgevingsmaatregel kan meer aanwezigen beschermen tegen meer scenario’s dan een bouwkundige maatregel.

Wanneer er geen omgevingsmaatregelen mogelijk zijn of de veiligheidswinst staat niet in verhouding tot de investering, kijken we naar mogelijkheden om bouwkundige maatregelen te nemen. Bouwkundige maatregelen (aanwijzen voorschriftengebied) Wanneer er geen omgevingsmaatregelen mogelijk zijn of de veiligheidswinst staat niet in verhouding tot de investering of de ruimtelijke gevolgen, kijken we naar mogelijkheden om bouwkundige maatregelen te nemen. Bij bouwkundige maatregelen denken we bij een brandscenario o.a. aan brandwerendheid van de gevel. Bij een explosiescenario denken we o.a. aan scherfvrije beglazing. Wanneer er geen omgevingsmaatregelen en geen bouwkundige maatregelen mogelijk zijn of de

veiligheidswinst staat niet in verhouding tot de investering of de ruimtelijke gevolgen, maken we de afweging of deze ruimtelijke ontwikkeling wel verantwoord is. We wijzen bij voorbaat dus geen voorschriftengebieden aan binnen een aandachtsgebied, maar wegen per ruimtelijke ontwikkeling af of dit van toegevoegde waarde is. Indien het gaat om een locatie in een brand- of explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegestaan, wijzen we bij voorbaat wel een voorschriftengebied aan in het omgevingsplan, gezien de wettelijke verplichting. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Bij elke ruimtelijke ontwikkeling in een aandachtsgebied, kijken we naar de mogelijkheden om de bestrijdbaarheid (bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen) vanuit hulpdiensten en de zelfredzaamheid (vluchten of schuilen) van aanwezigen te optimaliseren. Dit is geen volwaardig alternatief voor omgevingsmaatregelen of bouwkundige maatregelen, gezien de afhankelijkheid van het menselijk handelen. De mogelijkheden voor deze optimalisatie verkennen we dus aanvullend op de omgevingsmaatregelen en bouwkundige maatregelen. Om voldoende bescherming te bieden aan gebouwen en locaties nabij risicovolle activiteiten, passen we het stappenplan van de provincie Noord-Brabant toe. In dit stappenplan komen onder andere de kernwaarden uit de Handreiking Veilige Leefomgeving van de veiligheidsregio terug.

Het stappenplan moet per aandachtsgebied (voor brand en explosie) worden doorlopen. Ligt de ontwikkellocatie binnen een brandaandachtsgebied, dan dient het stappenplan voor de verschillende relevante brandscenario’s (fakkelbrand, plasbrand, etc.) te worden doorlopen. De verantwoording van het groepsrisico in het kader van gifwolkaandachtsgebieden vindt (nog) niet plaats via dit stappenplan. Daarnaast is het stappenplan alleen toepasbaar voor het realiseren van beperkt kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperkte kwetsbare locaties en kwetsbare locaties. Voor zeer kwetsbare gebouwen is dit stappenplan niet bedoeld. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen mogen niet binnen brand- en/of explosieaandachtsgebieden.

6.3 Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Voor elke ontwikkeling binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit is het belangrijk dat hulpdiensten effectief kunnen optreden. Hiervoor moet het basisniveau voor de bestrijdbaarheid voldoende zijn. De eisen uit de Handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zijn hiervoor het uitgangspunt. Verder wordt de externe veiligheidssituatie bepaalt door de mate waarin mensen zelfstanding kunnen vluchten of schuilen bij een incident met gevaarlijke stoffen en weten hoe te handelen bij een incident. We vinden het belangrijk dat mensen voldoende zelfredzaamheid zijn in de omgeving van risicovolle activiteiten. De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (hierna VRBZO) is kennisdrager op dit gebied. De drie Brabantse veiligheidsregio’s hebben een Handreiking Veilige Leefomgeving (datum februari 2024) opgesteld voor gemeenten die aan de slag gaan met het opstellen van hun omgevingsplan en hebben het aspect veiligheid daarin een plek willen geven. Daarin adviseren ze over een veilig ontwerp van de fysieke leefomgeving aan de hand van een aantal kernwaarden en geven ze voorbeeldregels voor in het omgevingsplan. In voorliggend beleidsprogramma is rekening gehouden met deze kernwaarden: 1. Samen werken aan een veilige fysieke leefomgeving; 2. Afstand tot risico’s vergroot de veiligheid; 3. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming; 4.

Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; 5. De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; 6. Mensen zijn bekend met risico’s en weten hoe te handelen;

7.

Voorzieningen in de zorg zijn toegankelijk voor en afgestemd op inwoners en bezoekers.

Daarnaast wordt bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving de VRBZO in de gelegenheid gesteld om advies te geven over zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van noodhulpdiensten. Op basis van de ‘Brochure maatwerk- of standaardadvies externe veiligheid’ bepaalt de VRBZO of ze maatwerkof standaardadvies zullen geven. Ook is het belangrijk om de VRBZO te betrekken bij de intaketafel op het moment dat er een initiatief wordt ontwikkeld in het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. Op deze manier kan er in het voortraject al een inschatting worden gemaakt over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling in het aandachtsgebied. Om te bepalen wanneer en of de VRBZO wil aansluiten is er een ‘Stappenplan Omgevingsveiligheid’ ontwikkeld door de VRBZO. Deze is bijgevoegd in bijlage 2.

7 Organisatie Het is belangrijk dat de beleidsuitgangspunten en het afwegingskader via samenwerkingsafspraken worden toegepast door onze adviespartners op het gebied van externe veiligheid. Voor het afwegen van de externe veiligheidsrisico’s maken we gebruik van de deskundigheid van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant (hierna ODZOB), de VRBZO en de GGD Brabant-Zuidoost. De samenwerking vindt plaats op basis van de afspraken uit het rapport ‘ Samenwerkingsafspraken ketenproces Omgevingswet Zuidoost-Brabant’ (1 februari 2021). Op hoofdlijnen komt dit erop neer dat we bij een initiatief onze partners om advies vragen wanneer externe veiligheid relevant is. Dit is het geval wanneer er een ruimtelijke ontwikkeling binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied wordt geprojecteerd en of wanneer het gaat om een eventuele uitbreiding of nieuwvestiging van een risicovolle activiteit.

Bijlage 6.1 Invulling doorgaans een groot aantal personen Bij alle functies waar de volgende tekst bij staat: “doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is” betekent dat je het gebouw als beperkt kwetsbaar gebouw kunt beschouwen indien er aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:

1.

De populatie is niet groter dan 50 personen; en

2. de populatie is minder dan 40 uur per week aanwezig binnen het te realiseren gebouw inclusief gebruiksruimte. Om de populatie te bepalen maken we gebruik van kengetallen per bedrijfsvloeroppervlakte (bvo): • Voor bijeenkomstfunctie: 1 persoon per 30 m² bvo, tenzij het gaat over een functie waarbij groepen verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn. •

Voor volwassenen onderwijsfunctie: 1 persoon per 30 m² bvo.

• Voor sportfuncties: 1 persoon per 50 m² bvo, tenzij het gaat over functie waarbij groepen verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn. •

Voor industriefunctie: 1 persoon per 100 m² bvo.

•

Voor logistiekfunctie: 1 persoon per 650 m² bvo.

Bijlage 6.2 Stappenplan Omgevingsveiligheid VRBZO

Bijlage 6.3 Gebiedstypen voor risicovolle activiteiten

Bijlage 7 geluid en trillingen; ambities en regels Inhoud

1.

2.

3.

Inleiding ....................................................................................................... 2 1.1.

Introductie ......................................................................................... 2

1.2.

Leeswijzer........................................................................................... 2

Gezondheid en hinder ................................................................................. 2 2.1.1.

Relatie met gezondheid ............................................................ 2

2.1.2.

Onderzoek naar ernstige hinder en slaapverstoring ................. 3

2.1.3.

Normering ................................................................................. 3

2.1.4.

Meldingen van hinder en overlast ............................................ 4

2.1.5.

Conclusie meldingen van hinder en overlast ............................ 5

2.2.

Doelstelling ........................................................................................ 5

2.3.

Wettelijk kader................................................................................... 7

2.3.1.

Omgevingswet ........................................................................... 7

2.3.2.

Relatie met de Europese milieubeginselen ............................... 7

2.3.3.

De algemene maatregelen van bestuur .................................... 7

Beleidskader ................................................................................................ 8 3.1.

Verplicht programma geluid .............................................................. 8

3.2.

De bronnen van geluid ....................................................................... 9

3.2.1.

Weg- en railverkeerslawaai ....................................................... 9

3.2.2.

Brommers en motoren ............................................................ 13

3.2.3.

Burenlawaai............................................................................. 14

3.2.4.

Bouwlawaai ............................................................................. 14

3.2.5.

Evenementenlawaai ................................................................ 18

3.2.6.

Industrielawaai ........................................................................ 20

3.2.7.

Vliegtuiglawaai ........................................................................ 31

3.2.8.

Laagfrequent geluid (Lfg) ........................................................ 32

3.3.

De bronnen van trillingen ................................................................ 32

3.4.

Aanvaardbaarheid ............................................................................ 36

3.5.

Financiën en Verantwoording .......................................................... 36

1. 1.1.

Inleiding Introductie

Geluid en trillingen zijn een belangrijk thema met het oog op leven in een fijne en gezonde omgeving. Geluid zijn luchttrillingen, trillingen zijn mechanische bewegingen van de bodem en bijvoorbeeld gebouwen. Ze zijn verweven met elkaar, maar toch worden ze vaak afzonderlijk beschouwd en hebben zij een ander toetsingskader. Vanaf 2024 is er in Nederland een nieuwe wet: de Omgevingswet. Deze wet maakt de regels voor onze leefomgeving duidelijker en makkelijker. Ook de regels voor geluid en trillingen horen hierbij. Voor de Omgevingswet stonden die regels in allerlei verschillende wetten. Het aanpakken van geluid en trillingen binnen de Omgevingswet, waarbij alles met elkaar wordt meegenomen, zorgt voor uitdagingen én kansen. De grootste uitdaging is om een goed en compleet beleid te maken. Daarin moeten we de nieuwe mogelijkheden van de wet goed gebruiken, samen met andere onderwerpen zoals luchtkwaliteit en gezondheid. Dit betekent dat we de situatie in de buurt goed moeten kennen. Daarbij moeten de verschillende afdelingen van de gemeente goed samenwerken met partners in de wijk. En we moeten de belangen van de samenleving, de economie en de natuur zorgvuldig afwegen. De kansen zijn dat we een flexibeler, effectiever en gezonder beleid kunnen maken voor onze omgeving. Dit beleid kan beter inspelen op veranderingen.

Het stimuleert nieuwe ideeën en zorgt uiteindelijk voor een hogere kwaliteit van leven voor de bewoners. Dit doen we door te zorgen voor een evenwichtige en gezonde leefomgeving.

1.2.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 gaan we in op de gezondheidseffecten van geluid en hinder en klachten. In hoofdstuk 3 behandelen we het wettelijk kader, met daarop aansluitend in hoofdstuk 4 de relaties met andere regels. In hoofdstuk 5 gaan we in op de verschillende bronsoorten en tot slot de financiën en de verantwoording in hoofdstuk 6.

2.

Gezondheid en hinder

2.1.1.

Relatie met gezondheid

Overal om ons heen horen we geluid. Maar we denken er niet altijd bij na wat het met onze gezondheid doet. Vaak vinden we lawaai vervelend, zoals van een drukke weg, een blaffende hond of een luide buur. Maar geluid en trillingen kunnen meer doen dan alleen irriteren. Het kan echt slecht zijn voor je lichaam en je geest. Een wandeling door een geluidluw park wordt als herstellend en fijn ervaren. Als we over geluid en gezondheid praten, denken de meeste mensen aan gehoorschade. Als je lang naar te hard geluid luistert, kun je inderdaad slechter gaan horen. Ook kun je tinnitus krijgen (een piep of ruis in je oren). Maar geluid heeft op veel meer manieren invloed op je lichaam en je hoofd, zelfs als het geluid niet superhard is. Geluid en trillingen zorgen voor stress in je lichaam. Zelfs als je slaapt, zorgen geluiden die je niet eens bewust hoort of voelt voor een hogere hartslag en bloeddruk. Ook maakt

je lichaam meer stresshormonen aan. Dit komt door een oud instinct om gevaar te herkennen. Als dit vaak voorkomt, kun je hart- en vaatziekten krijgen. Ook kun je slechter slapen door geluid. Als je slecht slaapt, heeft dit weer gevolgen voor hoe goed je je kunt concentreren, je humeur en je weerstand tegen ziektes. Je kunt dan sneller ziek worden. Daarnaast kan geluid invloed hebben op hoe je je voelt en hoe je je gedraagt. Denk aan kinderen die slechter leren op school als ze in een rumoerige buurt wonen. Of volwassenen die sneller boos worden. Geluid kan je ook een gevoel geven dat je niets kunt doen, of dat je minder controle hebt over je eigen omgeving. Het kan je zelfs een onveilig of bang gevoel geven, door bijvoorbeeld luide motoren of vuurwerk. Het is heel belangrijk om te weten wat geluid en trillingen allemaal kunnen doen. Zo kunnen we goede plannen maken om minder last te hebben van geluid. En zorgen we voor een gezondere plek om te wonen.

2.1.2.

Onderzoek naar ernstige hinder en slaapverstoring

De overheid wil graag weten hoe mensen het vinden om in hun buurt te wonen. Daarom laten ze al sinds 1977 onderzoek doen. In dat onderzoek vragen ze hoe mensen denken over geluid, trillingen, geur, licht en veiligheid in hun eigen omgeving. Uit een van de laatste onderzoeken (2023) blijkt dat iets meer mensen minder blij zijn met hun leefomgeving dan de vier jaren daarvoor. Verkeer op de weg zorgt nog steeds voor de meeste ernstige geluidsoverlast en slaapproblemen in Nederland. Dit is ook zo in Eindhoven. Vooral brommers en motoren zorgen voor hinderlijk lawaai. Ook hebben meer mensen last van geluid van busjes, personenauto's en taxi's. Buren en hun huisdieren zijn de op een na grootste oorzaak van geluidsoverlast. De derde oorzaak van geluidoverlast zijn bouw- en sloopwerkzaamheden. Het geluid van sloophamers en drilboren geeft hierbij de meeste overlast. Daarna komen de piepjes van achteruitrijdende voertuigen en het geluid van heien. Overlast door trillingen is beperkt. Het onderzoek laat ook zien dat mensen meer last hebben van relatief nieuwe geluiden, zoals een laag brommend geluid. Een belangrijke bijzonderheid voor Eindhoven is de hinder door vliegverkeer. Dit komt omdat Eindhoven een militair vliegveld heeft met burger medegebruik. De meeste overlast van het vliegverkeer wordt in Acht, Achtse Barrier en Meerhoven ervaren.

2.1.3.

Normering

In het verleden zijn er veel onderzoeken uitgevoerd waarbij de gezondheidseffecten en hinderlijkheid zijn onderzocht. Dit heeft geresulteerd in normering waarbij een aantal gehinderden geaccepteerd wordt.

In de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening” is bijvoorbeeld opgenomen dat bij industriegeluiden van 45 tot 50 dB(A) 0-10% van de omwonenden ernstig gehinderd zal zijn. Tussen de 50 en 55 dB(A) loopt dat op naar 20%. Voor wegverkeer geldt dat bij 53 dB circa 5% ernstig gehinderd is. Bij 70 dB loopt dat op naar 25% ernstig gehinderden. Ook bij luchtvaartlawaai uitgedrukt in Kosten Eenheden is een verband te leggen met het aantal ernstig gehinderden. Bij 20 KE gaat het om 10% ernstig gehinderden en bij 35 KE om 25% ernstig gehinderden. Ook voor het geluid in woningen geldt dat bij 25 dB circa 2,5 % gehinderd wordt terwijl dit bij 35 dB tussen de 5% en 20% gehinderden ligt. Deze systematiek maakt daarom dat een eventuele verhoging van een geluidnorm goed overwogen moet worden, omdat de huidige normen al een bepaald aantal gehinderden met zich brengen. Ook kan een verhoging bestaande rechten beperken van bijvoorbeeld bedrijven maar ook die van burgers. Anderzijds kan het ook voor een grotere rechtsongelijkheid zorgen. Ook met de afhandeling van klachten is dit van belang.

2.1.4.

Meldingen van hinder en overlast

In Eindhoven hebben we helaas geen goed beeld van het aantal ingediende meldingen over hinder en overlast. Meldingen worden via verschillende kanalen ontvangen, maar ook via verschillende systemen verwerkt. Toch doen we een poging om een beeld te schetsen van de meldingen die in 2022 tot en met juli 2025 zijn ingediend. Het kan zijn dat hier dubbelingen in zitten omdat 1 melding in verschillende systemen is ingevoerd en dat 1 persoon meerdere meldingen over een incident heeft ingediend. Verkeer

Over verkeer worden relatief weinig klachten ingediend. Veelal zijn het klachten over hinderlijk verkeer, brommers, motoren en auto’s met luidruchtige uitlaten. Dit vaak in combinatie met onveilig weggedrag. Buren

Over buren worden vaak meldingen over geluidhinder en overlast ingediend. ▪ Geluidoverlast zonder specifieke bron: circa 30 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door airco/warmtepomp: circa 10 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door een alarminstallatie: circa 3 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door een verbouwing: circa 12 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door dieren: circa 3 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door kamerverhuur: circa 14 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door muziek: circa 25 meldingen per jaar. Evenementen

Over evenementen worden vaak meldingen over geluidhinder en overlast ingediend. Dit gaat om circa 225 meldingen per jaar.

Laag frequent geluid (lfg)

In 2022 en 2023 zijn 4 meldingen gedaan over lfg. In 2024 is er lokaal media-aandacht geweest en heeft dit daarna geleid tot circa 50 meldingen, waarna dit in 2025 uit lijkt komen op circa 15 meldingen. Luchtvaart

In 2022 bedroeg het aantal meldingen uit Eindhoven (exclusief de veelmelders) 1.271. De afgelopen jaren zijn er net iets meer dan 800 meldingen over geluidoverlast van vliegtuigen ingediend. Dit is exclusief de veelmelders het aantal meldingen van veelmelders is sterk teruggelopen. In 2022 bedroeg het totaal aantal melding 4.947, in 2023 3.854 en in 2024 2.984. Melders hebben het idee dat er met hun melding niets wordt gedaan en hebben daardoor het idee dat het niet zinvol is om opnieuw een melding in te dienen. Daar komt ook bij dat men zich nu verplicht moet registreren om een melding in te kunnen dienen. Bedrijven

Geluid door bedrijven komt minder naar voren in de hindermonitor. Toch worden er ook meldingen van geluidhinder en overlast over bedrijven ingediend. ▪ Geluidoverlast zonder specifieke bron: circa 200 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door luchtbehandelingsinstallaties: circa 45 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door laden en lossen: circa 25 meldingen per jaar; ▪ Geluidoverlast door muziek: circa 325 meldingen per jaar.

2.1.5.

Conclusie meldingen van hinder en overlast

Wat opvalt is dat meldingen van hinder en overlast vaak niet gaan over het normale geluid maar om excessen en bijzondere situaties. Daaruit valt op te maken dat de geluidnormen werken, maar niet goed aansluiten bij de beleving van de mensen. Dit maakt ook dat er op onderdelen een andere aanpak nodig is om deze hinder en overlast aan te pakken. Bij de afzonderlijke thema’s wordt hier verder op ingegaan.

2.2.

Doelstelling

Naast de doelstelling van het programma Gezonde Leefomgeving willen we hinder door geluid en trillingsbronnen voor de omgeving zo veel als mogelijk beperken om daarmee de leefbaarheid te verbeteren, we zetten vooral in op het voorkomen van slaapverstoring. We kiezen daarvoor, zoveel als mogelijk, omdat er een balans moet worden gevonden tussen economische activiteiten en rust. Daarbij gaan we uit van de volgende uitgangspunten: ▪ We willen eenduidige geluidregels in het omgevingsplan, vergunning- en maatwerkvoorschriften. ▪ We willen dat omwonenden vroegtijdig geïnformeerd worden over de tijdstippen van de te verwachten geluidhinder bij bouw, en sloopwerkzaamheden, evenementen en incidentele bedrijfssituaties. ▪ We willen dat de beste beschikbare stille technieken worden gebruikt, waardoor de leefbaarheid zal verbeteren. ▪ We willen de lastendruk daar waar het kan verlagen, voor zowel initiatiefnemers als gemeente zelf. Dit doen we door niet voor alle gevallen maatwerkvoorschriften te

stellen maar aanvullende regels in het omgevingsplan op te nemen. Pas als aangetoond is dat niet aan deze aanvullende regels wordt voldaan dan kan om een maatwerkvoorschrift worden verzocht. We voorkomen hier mee ook bezwaar- en beroepszaken doordat we dit aan de voorkant hebben geregeld.

2.3.

Wettelijk kader

2.3.1.

Omgevingswet

Met de invoering van de Omgevingswet verandert er veel voor het onderdeel geluid. De landelijke geluidregels zijn anders. Voor trillingen zijn de veranderingen niet groot. Onder de Omgevingswet zijn er meer beleidsvrijheden voor gemeenten om voor ieder gebied eigen beleid te hebben. Geluidregels stonden in de Wet geluidhinder, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet ruimtelijke ordening, Bouwbesluit, verschillende circulaires en de Wet milieubeheer. De geluidregels zijn flink op de schop genomen, het normenstelsel is hierbij vereenvoudigd. Ook de wet zelf vraagt om een andere kijk en aanpak. Voor het onderdeel trillingen golden de regels in het Bouwbesluit en het Activiteitenbesluit. De Stichting Bouwresearch heeft 3 rapporten geschreven met richtwaarden. Deze richtwaarden worden vaak gebruikt voor de toetsing van trillingen. Met de invoering van de Omgevingswet is het onderdeel trillingen voor het grootste deel gelijk gebleven. Voor trillingen bestaat er ruimte om eigen regels op te stellen. Op dit moment gelden er tijdelijke milieuregels (de ‘Bruidsschat’). Deze gelden totdat er vaste regels in het omgevingsplan komen. Voor het thema geluid is het actieplan geluid onder de Omgevingswet een verplicht omgevingsprogramma. Dit actieplan moet Eindhoven maken volgens de regels van de Europese Unie.

2.3.2.

Relatie met de Europese milieubeginselen

Bij het maken van een omgevingsvisie wordt volgens artikel 3.3. Omgevingswet rekening gehouden met de (Europese) milieubeginselen. Deze milieubeginselen komen uit het Verdrag over de werking van de Europese Unie (VwEU). Het gaat dan om: het voorzorgsbeginsel; het milieubeginsel van preventief handelen; het milieubeginsel dat milieuaantastingen bij de bron aanpakt; het milieubeginsel dat de vervuiler betaalt.

2.3.3.

De algemene maatregelen van bestuur

In samenhang met de Omgevingswet gelden vier algemene maatregelen van bestuur waarin kaders over geluid en trillingen worden uitgewerkt. Het Omgevingsbesluit regelt welk bestuursorgaan het recht heeft om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedure geldt. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan algemene rijksregels over activiteiten die gevolgen hebben voor de leefomgeving. Veel van die regels gaan over milieubelastende activiteiten. Het besluit geeft aan welke ruimte gemeenten hebben om met maatwerk af te wijken. Ook geeft het aan wanneer een vergunning nodig is.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor gemeenten. Het bevat onder meer normen en regels voor geluid, trillingen en geur van activiteiten, omgevingsveiligheid. Deze regels geven duidelijk de afwegingsruimte die het bestuur heeft aan. Zo wordt het voor gemeenten beter mogelijk om rekening te houden met verschillen tussen gebieden. De ruimte kan hierdoor evenwichtig worden verdeeld. Sommige instructieregels zijn dwingend. Deze regels mag de gemeente niet aanpassen. Maar er zijn ook veel regels waar beleidsvrijheid voor geldt (bijvoorbeeld de zogeheten ‘kan’-bepalingen). Een omgevingsvisie of omgevingsprogramma geeft de onderbouwing voor de manier waarop deze regels in het omgevingsplan komen. Ook de tijdelijke ‘Bruidsschat’ regels staan hierin. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan de landelijke regels voor bouwen of slopen. Dit besluit bevat eisen aan de veiligheid van woningen en andere gebouwen. De geluidnormen voor het slopen, bouwen en voor de warmtepompen en airco’s staan in het Bbl.

3. 3.1.

Beleidskader Verplicht programma geluid

De verplichting tot het opstellen van een actieplan geluid komt voort uit de Europese Richtlijn Omgevingslawaai, die een verplicht programma voor geluid definieert. Deze verplichting is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet. Als gemeente stellen we elke 4 jaar een kaart op met de geluidbelasting en daaropvolgend een actieplan geluid. Dit is een traject dat is gestart in 2016 en voortgezet in 2020 en 2024. Dit blijven ook in de toekomst doen door de regels van de Omgevingswet. De te gebruiken plandrempel is gesteld op ten hoogste 70 dB. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de wettelijke grenswaarden. Hotspots met een hogere geluidbelasting dan 63 dB zijn geïnventariseerd en beoordeeld. Deels zijn er al maatregelen uitgevoerd bij deze hotspots en deels worden er nog maatregelen getroffen. Bij maatregelen kan dan gedacht worden aan het: • Verminderen van de rijsnelheid. • Afwaarderen van de weg, waardoor de hoeveelheid verkeer lager wordt. • Verminderen van het autoverkeer door het aanbieden van hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) of snelfietsroutes en het invoeren van betaald parkeren. • Isoleren van woningen. In 2028 staat de volgende ronde voor het uitvoeren van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai gepland. Er wordt dan een nieuwe kaart met de geluidbelasting opgesteld en een actieplan geluid.

3.2.

De bronnen van geluid

3.2.1.

Weg- en railverkeerslawaai

Weg- en railverkeerslawaai is het geluid dat wordt veroorzaakt door voertuigen die over een weg of een spoorweg rijden. Dit geluid kan leiden tot overlast, waarbij mensen hinder hebben van het lawaai van voertuigen. Wegverkeer blijft, ondanks de overgang naar elektrisch vervoer ook in de toekomst een belangrijke geluidbron. Aerodynamisch geluid en rolgeluid blijven belangrijke bronnen. Vooral door het rolgeluid van banden door het zwaarder wordende verkeer. Ook het railverkeer zal in de toekomst door de groei van de stad toenemen en blijft ook in de toekomst een belangrijke bron, zij het enkel in de omgeving van het spoor. Bestaand beleid

Naast het “Actieplan geluid” hebben we binnen de gemeente al een groot aantal jaren een zogenaamd “hogere waarden beleid”. In dit beleid geven we aan onder welke voorwaarden we nieuwe woningen accepteren in een gebied met een hoge geluidbelasting (weg, spoor en gezoneerde industrieterreinen). Dit beleid staat sinds eind 2023 in de beleidsregel “Geluid in geluidaandachtsgebieden”. Sinds half 2025 staan de regels in het gemeentelijke omgevingsplan. De aanwezigheid van een geluidluwe gevel of een gedeeltelijke geluidluwe gevel met compenserende maatregelen maken onderdeel uit van dit beleid. We zien dat er creatieve oplossingen zijn gekomen waarmee een beter geluidklimaat in een woning is te halen. Dit is voor ons een reden om dit prettige geluidklimaat in de woning (nieuwbouw en transformaties) te beschermen. Oplossingen zoals harbour fensters, silent air voorzetramen, comfortboxen en dergelijke zijn nu goed te gebruiken om een woning te luchten en minder geluid binnen te krijgen. De basis blijft dat er bij nieuwbouw, transities enzovoort een geluidluwe zijde moet zijn. In dat geval kan het zijn dat een keuken/woonkamer aan deze geluidluwe zijde zitten en een of meer slaapkamers aan de geluidbelaste zijde of andersom.

Bij de verblijfsruimten aan de geluidbelaste zijde (>53 dB) moeten in dat geval een oplossing zoals harbour fensters, silent air voorzetramen, comfortboxen en dergelijke worden gebruikt. Tijdens de warme zomerse nachten kunnen bewoners dan toch de koelere lucht van buiten naar binnen halen zonder al te veel geluid binnen te krijgen. Maar ook bij het thuiswerken kunnen er met een raam open telefoongesprekken worden gevoerd of gewerkt worden zonder al te veel geluid van buiten. Ook de uitzondering van een gedeeltelijk geluidluwe gevel passen we aan op het onderdeel compenserende maatregelen. De oplossingen die hiervoor staan zijn altijd nodig bij elke verblijfsruimte. Dit om een de gedeeltelijke geluidluwe gevel te motiveren. Compenserende maatregelen zijn alleen nodig als er met geopende ramen of geopende

comfortbox op de binnenschil van de verblijfruimtes niet aan de eis van een geluidluw gevel <53 dB wordt voldaan. Voor de geluidluwe gevel mag het cumulatieve geluidniveau niet hoger zijn dan 53 dB. Een zogenaamde dove gevel (niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen) blijft mogelijk maar is minder gewenst zeker als deze voor 2 of 3 zijdes van een woning/appartement nodig is. Balkons en terrassen bij wonen

Voor de bescherming van de gezondheid speelt het geluid op een balkon of terras ook een rol. Dit zijn plaatsen waar bewoners in de dag- en avondperiode langer kunnen zijn. Een balkon of terras aan een drukke weg wordt in algemeenheid niet als fijn en prettig ervaren. Dit houdt in dat we ook op een balkon of terras een geluidnorm stellen. De reguliere geluidnormen gelden op de gevels van woningen. Het geluid weerkaatst op de gevel waardoor er op een terras of balkon altijd een hogere geluidbelasting is dan op de gevel zelf. We stellen op een (hoofd)balkon en (hoofd)terras een cumulatieve geluidnorm van hoogstens 56 dB. Bij een hogere geluidbelasting is mogelijk een hogere gesloten balustrade nodig met een absorberend plafond en in sommige gevallen zelfs een afsluitbaar balkon en/of mogelijk andere compenserende maatregelen voor het realiseren van een geluidluw verblijfsgebied. Doorgeschoven toetsing

Bij een algemeen omgevingsplan is de plaats van de verschillende functies in het gebied alleen op hoofdlijnen bekend. Bij het vaststellen van het plan ontbreekt gedetailleerde informatie. Die informatie is er pas als het plan klaar is. Dat is het moment van de vergunning aanvraag. Datzelfde geldt voor gemeentewegen. Vaak is dit een breed gebied met de functie verkeersdoeleinden. Dan is op het moment van de functietoedeling niet bekend waar de rijstroken precies komen te liggen. Voor geluid is dat wel van belang, zeker als geluidbeperkende maatregelen nodig zijn. Doordat deze informatie er niet is, is een algemeen omgevingsplan niet te toetsten aan de geluidnormen. In het omgevingsplan nemen we op dat geluid- en trillingentoetsen worden uitgevoerd als het plan duidelijk is op het moment dat er een uitgewerkt plan is. Dit is de doorgeschoven toetsing. Dat moment moet wel een besluit zijn. Daarom zetten we de toetsing in het omgevingsplan onder een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. De toetsing schuift door naar de omgevingsvergunningsfase. Bij het doorschuiven van deze toetsing betekent het niet dat er bij de voorbereiding geen aandacht voor geluid is. De initiatiefnemer moet het plan wel uit kunnen voeren. Het mag geen nadelige gevolgen hebben voor de gezonde leefomgeving, die niet meer terug te draaien is. Het onderzoek mag hierbij algemeen van aard zijn.

Tijdelijk wonen, woningsplitsing en omzetting

Voor tijdelijke situaties (flex-wonen, short-stay) gelden vaak geen regels voor geluid. Wel zal een beoordeling van de aanvaardbaarheid plaats moeten vinden. Voor het geluid ín deze woonsituaties geldt meestal een 10 dB lagere waarde in de woning. We willen iedereen dezelfde kansen bieden op een gezond stedelijk leven en een gelijke gezondheidsbescherming. We willen daarom geen tijdelijke woonsituaties op plaatsen waar het geluid boven de grenswaarde uit komt. Het belang om het woningtekort op te lossen wegen we af tegen dat van een goede gezondheid. We schrijven de volgende maatregelen voor de bescherming van de gezondheid bij flexwonen voor: - Slaapkamer geluidluw luchten; - Een geluidluwe (gezamenlijke) buitenruimte van hoogstens 56 dB; - Een binnenniveau van 33 dB bij nieuwbouw en 38 dB bij bestaande bouw; - Ventilatie die voldoet aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Short stay / kort verblijf

Een woning voor kort verblijf is vaak voor expats of buitenlandse studenten. Juridisch gezien is dit een logiesfuncties en daarmee niet geluidgevoelig. Bij het toedelen van nieuwe short stay-functies kijken we wel of het geluid aanvaardbaar is. Het kort verblijf (< 6 maanden) geeft meer ruimte, omdat een bewoner niet langdurig bloot staat aan hogere geluidniveaus. Short stay is een keuze als er bijvoorbeeld geen luwe gevel is en een gewone woning niet kan. Woningsplitsing

De woningvoorraad in Eindhoven is schaars. Er zijn om die reden veel plannen voor het splitsen van woningen naar appartementen. Ook het splitsen van een woning naar (studenten)kamers of studio’s komt vaak voor. De druk op de markt voor woningen wordt hierdoor kleiner. Deze plannen kunnen wel een negatief gevolg hebben op de leefbaarheid. In de Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing staan regels om de leefbaarheid te beschermen, zoals: - de geluidisolatie tussen woningen; - dat traptreden hebben geluiddempende trapbekleding; - het dichtslaan van de gemeenschappelijke voordeur; - de regels van huurcontract die het veroorzaken van geluidoverlast verbieden. Hier doet zich een bijzonder situatie voor. De woonfunctie verandert niet. Wonen in de verblijfsruimten van de woning is al aanvaardbaar. Voor het Besluit bouwwerken leefomgeving gaat het dan alleen om het verbouwen van bestaande bouw. Voor

bouwakoestiek geldt dan het van rechtens verkregen niveau. Dit is vaak ruim omdat veel woningen die gesplitst worden al ouder zijn. Strengere regels dan die van het Besluit bouwwerken leefomgeving mogen we niet opnemen. Bewoners kunnen overlast alleen via het civiele recht oppakken. Het huurcontract biedt nog de beste aanknoping om op te kunnen treden bij hinder en overlast. Voor woningsplitsing sluiten we aan bij de beleidsregel kamerbewoning. Mantelzorgwoningen

Ook voor mantelzorgwoningen gelden door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geen grenzen voor geluid. Deze woningen zijn, behalve het ontbreken van een maximale tijdsduur van afwijken, niet verschillend met het flexwonen. Bij de keuze van mantelzorgwoningen passen we de maatregelen toe zoals die bij flexwonen zijn geschreven. Praktijkonderwijs

Onderwijsgebouwen zijn geluidgevoelig gebouwen, hiervoor gelden de regels zoals deze nu zijn opgenomen in het Omgevingsplan. Wel zijn uitzonderingen voor gedeelten van het gebouw mogelijk. Dit kan door voor een deel van het gebouw geen onderwijsfunctie toe te laten. Dit kan bijvoorbeeld voor de kantine (bijeenkomstfunctie), de gangen (verkeersfunctie) en het gymnastieklokaal (sportfunctie). Dit beperkt de gebruiksmogelijkheden van het gebouw. Vaak vinden in de kantine en sporthal proefwerken of examens plaats waardoor deze uitsluiting niet gewenst is. Gangen, toiletruimten, badruimten en technische ruimten horen wel bij de onderwijsfunctie, maar zijn geen geluidgevoelige ruimten. Het kan helpen om de gangen, toiletten en technische ruimten aan de geluidbelaste zijde te plaatsen. Als het onderwijs een functionele binding heeft met een (milieubelastende) activiteit dan sluiten we in het omgevingsplan toetsing aan de geluidnormen uit. Het onderwijsgebouw is dan niet geluidgevoelig. Het gaat hier dan vaak om praktijkonderwijs bij een bedrijf of kantoor. Basisgeluidemissie

De Basisgeluidemissie (Bge) is een referentieniveau van geluid door gemeentelijke wegen en gemeentelijke spoorwegen. Gemeenten en waterschappen moeten dit vastleggen onder de Omgevingswet. Het doel is om een nul-situatie vast te stellen waartegen toekomstige geluidsniveaus gemonitord kunnen worden. Dit kan gezien worden als een plafond waarde. Onder de oude wet was er geen sprake van een plafond voor wegverkeerslawaai en kon het verkeer ongebreideld groeien. Om een Bge te maken, gaan we gegevens verzamelen over het geluidsniveau van de wegen, zoals verkeersgegevens en rijsnelheden, en deze berekenen en aanleveren aan het centrale geluidregister. Op dit moment is nog niet geheel duidelijk welk basisjaar er

genomen moet worden voor het vastleggen van de Bge. Zodra dit bekend is gaan wij als gemeente hiermee aan de slag. Dit staat gepland in 2027 en vormt de basis voor de opvolgende sanering. Sanering

In Nederland is de aanpak van verkeerslawaai een doorlopende inspanning, die valt onder verschillende wetten en beleidslijnen. Het doel is om geluidsoverlast door verkeer, met name van wegen, te verminderen en de leefbaarheid te verbeteren. De wetgever heeft in het verleden verzuimd om een geluidplafond in te stellen voor het verkeer. Vanwege dat handhavingsgat dat is ontstaan is de sanering weg- en railverkeerslawaai in het leven geroepen. Woningen die van voor 1988 zijn en aan een weg liggen met een geluidbelasting boven bepaalde waarden kunnen in aanmerking komen voor geluidisolatie. Het Rijk heeft hier geld voor beschikbaar gesteld en gemeenten voeren dit uit. Er is ook ruimte om subsidie te krijgen voor een stiller wegdek of een geluidscherm, waardoor de woningen mogelijk niet meer geïsoleerd hoeven te worden of minder geïsoleerd hoeven te worden. Over het algemeen worden dit soort projecten per weg- of gebiedsdeel uitgevoerd en is er geen sprake van één landelijk, centraal project dat nog niet is afgerond. Er zijn wel regelmatig nieuwe projecten en programma's die gericht zijn op het verminderen van geluidsoverlast. Met het onderhoud van de relevante wegen wordt beoordeeld of hier een stil wegdek kan worden aangebracht in combinatie met het isoleren van de woningen. Dit blijft onder de Omgevingswet voor de woningen waarvoor eerder subsidie is aangevraagd doorlopen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16163575/1