CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Bijlagenbundel bij Programma Gezonde Leefomgeving 2026-2035

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerp programma gezonde leefomgeving 2026 203528.445 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bijlage bundel Programma Gezonde Leefomgeving 2026-2035

Bijlage 1 Totstandkoming Participatie Omgevingsprogramma Gezonde Leefomgeving Oktober 2025

Aanleiding programma Eindhoven bouwt aan een gezonde, groene stad waarin inwoners langer en beter leven. De stad heeft grote uitdagingen vanwege de enorme groei waar we middenin zitten. Naast onze ambities (b.v. sociaal, wonen, groen), vereist de Omgevingswet dat we gezondheid concreet handen en voeten geven bij stadsontwikkeling. Dat doen we met het programma Gezonde Leefomgeving. Ook is er aandacht voor het beschermen van gezondheid met klassieke milieuthema’s (zoals geluid, lucht, licht en externe veiligheid); locatiespecifiek en daarmee direct toe te passen in ruimtelijke ontwikkelingen. Het programma Gezonde Leefomgeving wordt behandeld als een verplicht programma omdat de Wet dit voorschrijft voor onder andere de onderdelen geluid en luchtkwaliteit. Relevante documenten: Botsproef Groeipijn (2024), Omgevingsvisie 2040, Bestuursakkoord 2022-2026, Koers Sociaal 2040, Uitkomsten eerdere participatietrajecten (Sportnorm, Onderwijsvisie) en diverse onderzoeken en gesprekken met PBL, RIVM, TNO en andere kennisinstellingen

Doel programma en spelregels Acht indicatoren (sociaal economische status, eenzaamheid, stress, gezonde jaren erbij, verdichting van de stad, afstand tot basisvoorzieningen, groene omgeving en geluid en luchtkwaliteit) vastgesteld door het college van B&W, juni 2024) zijn vertaald in een kaart, die aangeeft waar we moeten beginnen, richting geeft bij prioriteren van geld, capaciteit en maatregelen en als monitoring instrument kan worden gebruikt. De kaart biedt concrete uitwerking aan het voornemen om ongelijk te investeren in gelijke kansen. Het succes schuilt in een gezamenlijke aanpak vanuit alle sectoren. Op deze wijze wordt de samenhang tussen fysiek en sociaal gewaarborgd en versterkt. De indicatoren betreffen een combinatie van objectief vast te stellen data en data gebaseerd op de beleving van inwoners. Hiermee wordt datagedreven werken mogelijk met aansturing op basis van de ervaringen en input van de inwoners van Eindhoven. In dit Programma staat onder meer: de wijze waarop we gezondheidswinst bepalen en hoe we hiermee een gezonde, stad ontwikkelen. Ook is er aandacht voor het beschermen van gezondheid met klassieke milieuthema’s (zoals geluid, lucht, licht en externe veiligheid); locatie-specifiek en daarmee direct als kaders en uitgangspunten toe te passen in ruimtelijke ontwikkelingen.

Opbrengsten eerdere participatie, genomen besluiten In voorbereiding op het proces van het programma Gezonde Leefomgeving heeft er in een sectoroverstijgende samenwerking een analyse plaatsgevonden van de bepalende criteria voor de vraag of een leefomgeving gezond is. Hierbij is ook de vraag gesteld wat er voor nodig is om de leefomgeving gezonder te maken. Dit heeft plaatsgevonden in de vorm van een ‘botsproef’ waarin is gesproken met Fontys, BPD, corporaties, investeerders, GGD, diverse interne werkvelden (zowel sociaal als fysiek domein) en mede op basis van gesprekken met andere gemeenten als Helmond en Amsterdam. Belangrijke conclusies zijn dat regie ontbreekt in gebieden, de stapeling van eisen gebiedsontwikkeling zeer moeilijk maakt en dat ongezonde plekken, waar Eindhovenaren wonen die het moeilijk hebben al jaren niet gezonder worden. Bovendien lijkt dat onvoldoende meegewogen bij de sterke groei die de stad mee maakt. Deze analyse heeft ook geleid tot de systematiek met de gezondheidskaart en de zeshoeken om in kaart te brengen waar de grootste gezondheidswinst te halen is. De acht indicatoren zijn aan de hand daarvan opgenomen in de jaarrekening binnen het sociaal domein. Dit zijn daarmee de uitgangspunten waar mee aan de slag wordt gegaan bij het opstellen van het programma Gezonde Leefomgeving.

4 van de 8 indicatoren zijn gebaseerd op de jaarlijkse inwonersenquete die de gemeente Eindhoven uitvoert. Hiermee wordt de inhoud bepaald door de inbreng van inwoners. Daarnaast zijn GIS-data gebruikt.

Waarom nu participatie? Dit participatieplan ondersteunt de ontwikkeling van het (omgevingswet) programma Gezonde Leefomgeving. Motiveringsplicht: Het programma heeft een motiveringsplicht volgens het Omgevingsbesluit (art. 10.8). Dit betekent dat expliciet onderbouwd moet worden hoe participatie is ingezet. Het programma onder de Omgevingswet is een voor de gemeente bindend beleidsinstrument. Dit betekent dat de uitkomsten door vertaald worden in gemeentelijk beleid. Belangrijk doel van de participatie is dat er met dit programma geen dubbelingen of tegenstrijdigheden in het beleid ontstaan. Met participatie zoeken we toetsing en mogelijkheden bij participanten om herkenbaarheid en uitvoering te vergroten. In dit participatieproces is feedback gekregen op inhoud, beleid en uitvoering door de gemeente en consistent samenwerken met partners in gebieden.

Doel van participatie •

Betrokkenheid en draagvlak creëren bij stakeholders en uitvoerende partijen.

•

Feedback vragen over de toetsingscriteria voor een gezonde leefomgeving en de kaart Gezondheidswinst. Hiermee onderzoeken we welke maatregelen mogelijk en/of nodig zijn.

•

Beleidsmatige afwegingskaders aanscherpen met input van experts en stakeholders door in beeld te brengen wat voor- en nadelen zijn vanuit het perspectief vanuit verschillende deelnemers.

•

Adoptie stimuleren: Naast de motiveringsplicht willen we enthousiasme en draagvlak creëren bij partijen die later met het omgevingsplan en omgevingsvergunningen werken.

•

In deze fase geen actieve inwonersparticipatie. In deze fase focussen we op beleidsvorming met stakeholders. Eindhovenaren met interesse kunnen zich via de website informeren.

•

Feedbackmechanismen: Geleerde lessen worden meegenomen in doorontwikkeling van het programma.

Doelgroepen en rollen Doelgroep Rol College en gemeente, onder meer bestuurlijke Beslissen opdrachtgevers, lijn organisatie en inhoudelijk experts van: • Ruimtelijke economische opgaven (o.a. klimaatadaptatie, verkeer, GFL, sport, economie) • Sociaal Maatschappelijke opgaven (o.a. integraal gezondheid, maatschappelijk vastgoed, onderwijs) • Algemene Dienstverlening • Financieel beleid en Concern control (o.m. juridisch) Overheden: Provincie Noord-Brabant, ODZOB en Meeweten Waterschap De Dommel Zorg: STROOMZ, ziekenhuizen, zorgverzekeraar en GGD Meedenken & Brabant Zuid-Oost meeweten Kennis en technologie instellingen (Tue, Fontys, TNO, RiVM, Meedenken & Planbureau voor de leefomgeving) Meeweten Partijen betrokken bij stadsontwikkeling, gebieden: Meedenken & Duurzaamheidspact, ontwikkelaars, sportraad, Eindhoven Meedoen toegankelijk en Trefpunt Groen

Werkvormen en tijdspad

Tijdspad Periode

Activiteiten

Reeds uitgevoerd 2024 •

•

Interviews en ateliers met stakeholders over ruimtelijke impact, afwegingskaders en toepassing. Deze zijn al uitgevoerd in het kader van de botsproef in 2024.

o

o

o

•

• Q1 2025

Fasering participatie: o

Stakeholderconsultatie voor inhoudelijke input. In 1 op 1 gesprekken en in de vorm van gezamenlijke werksessies

Q2 en Q3 2025

Toetsing en validering van de Gezonde Leefomgevingskaart. Werksessies om te achterhalen wat voor andere partijen nodig is om dit als werkwijze te gebruiken

Q4 2025 Nog uit te voeren

Terugkoppeling en verwerking van resultaten in beleidsdocumenten.

Feedbackstructuur: Besluitvorming en verwerking van input worden transparant gecommuniceerd via de website https://www.eindhoven.nl/gezonde-leefomgeving.

•

Q1 2026 Nog uit te voeren

•

Verzamelen meningen en ideeën. Problemen scherp krijgen. Selectie en toetsen 8 indicatoren.

•

Participatieplan en contouren Programma. Opstellen kaart Gezondheidswinst 1.0

•

Concept programma

•

Stakeholders uitnodigen, gesprekken plannen en bevragen.

•

Toetsen van kaart en sturing gebieden.

• Gezondheidskaart 2025 vastgesteld • Programma in concept naar college. •

Ter inzage voor zienswijzen.

•

Ophalen wensen en bedenkingen in raad.

•

Verwerken zienswijzen, wensen en bedenkingen. College stelt programma vast. Lessen uit participatietraject worden gebruikt bij vervolg en uitvoering.

• •

Conclusies uit participatie (1) •

De voorgenomen participatie is uitgevoerd conform plan met 3 demo sessies, een brede sessie met stakeholders, diverse informatie en toetsingsgesprekken met corporaties en daarnaast individuele gesprekken met partijen als Trefpunt Groen Eindhoven, GGD Brabant-Zuidoost en Eindhoven Toegankelijk.

•

De aanwezigen waardeerden over het algemeen het omgevingsprogramma en de gezondheidskaart en zien het als een goed vertrekpunt en gespreksinstrument voor gezondheidswinst in gebieden. Stakeholders zijn enthousiast over de indicatoren, gezondheidskaart en de helderheid over doelen en regie in gebieden. Daarnaast veel positieve feedback over de combinatie van fysieke en sociale factoren en het schaalniveau. Zorgen zijn geuit over industrie, geluidsoverlast en geur tav een gezonde leefomgeving en het maken van een goede verbinding met woningkwaliteit. Deelnemers merken op dat een te sterke focus op data kan leiden tot tunnelvisie.

•

De kaart en aanpak is nieuw voor iedereen. Veel potentie voor meer samenhang en gebruik in analyse, advisering en toepassing van de gezondheidskaart en partijen willen graag intensief samenwerking bij de uitvoering en eventueel uitrol naar andere gemeenten in de regio (GGD). De GGD is positief over de ontwikkeling van het Omgevingswetprogramma Gezonde Leefomgeving gaat nog de verbinding beoordelen met de GGD-kaart met sociaal economische gezondheidsverschillen de een RIVM onderzoek. Vragen over onderbouwing van indicatoren zijn naar tevredenheid beantwoord.

•

Diverse partijen zoals Eindhoven Toegankelijk willen bij de uitvoering graag actieve betrokkenheid voor inwoners en ervaringsdeskundigheid. De relatie met het VN verdrag voor mensen met een handicap worden meegenomen bij uitwerking in een gebied met maatregelen (b.v. bij Groen en Voorzieningen). Trefpunt groen onderschrijft het belang en suggereert om looptijden te gebruiken in plaats van afstanden bij de indicator afstand tot groen. Dat is met huidige (GIS) data helaas nog niet mogelijk. Partijen willen ook meedenken met verbeteringen van de kaart in de toekomst.

Conclusies uit participatie (2) •

Openbaarheid kaart. Er is veel interesse in de kaart en veel begrip dat komende periode de kaart alleen beschikbaar is voor medewerkers van de gemeente Eindhoven. Het gebruik van de kaart in overleg team Gezonde Leefomgeving of Gebieden en Wijken vinden partijen een goed alternatief.

•

De noodzaak om van visie naar concrete actie te gaan werd sterk gevoeld, met speciale aandacht voor de leefwereld van inwoners en voor jeugd en jongeren. De gemeente wordt gezien als regisseur, maar samenwerking op alle niveaus en het beter benutten van bestaande netwerken is noodzakelijk. De beoogde gezondheidseffecten hangen af van mate van borging-sturing en hoe/of de kaart en de schaal goed en consistent gebruikt wordt. Dat vraagt ook bestuurlijk draagvlak en afstemming met de planningsen budgetcycli van partners.

•

Innovatie en participatie mogen niet vergeten worden: digitale hulpmiddelen en ruimte voor experiment kunnen bijdragen. Genoemd werd het idee van een BinnenBeterApp, of destapnaargezonder.nl die extra mogelijkheden bieden om inwoners te betrekken, data te verzamelen en zelf actie te nemen.

•

Daarnaast is samenwerking volgens velen een kunst die beter moet; hierbij kan gebruik gemaakt worden van samenwerkingen die al goed lopen en het delen van goede praktijkvoorbeelden en kennis. Hier kunnen ook kennisinstituten of GGD een goede rol spelen, net als gebiedscoördinatoren en wijkverbinders (bijvoorbeeld vanuit WIJeindhoven). Ook moet er ruimte blijven voor community-gedreven initiatieven en voor bewonersparticipatie, zonder bureaucratische belemmeringen.

•

Tot slot werd benadrukt dat er niet in termen van ‘wij’ en ‘zij’ gedacht moet worden, maar dat er sprake is van een gezamenlijke opgave.

Communicatie, terugkoppeling & vervolg Communicatie: De website www.eindhoven.nl/gezondeleefomgeving wordt gebruikt als landingspagina voor informatievoorziening en terugkoppeling van participatieresultaten. Deelnemers hebben verslagen gekregen van de afspraken en een samenvatting van de conclusies. Op de DDW 2025 is de gemeentelijke Expo benut om laagdrempelig veel meer mensen te betrekken, informeren en gesprek aan te gaan.

De participatie vindt plaats in het kader van de procedure richting vaststelling van het programma Gezonde Leefomgeving. De reacties uit de dialoogrondes met onze partners behandelen we gelijktijdig en in samenhang met de wensen en bedenkingen van de raad op basis van de publieke terinzagelegging van het programma. Na vaststelling van dit programma wordt verder gewerkt aan de doorvertaling in andere instrumenten onder de Omgevingswet zoals het Omgevingsplan. Goede uitvoering is dan belangrijk, als eerste in onze eigen werkwijze via gebiedskaders, gemeentelijke toetsing en aanbestedingen. En stap voor stap naar omgevingsplannen, vergunningen, monitoring en handhaving en samenwerking met inwoners en partners in gebieden.

Stakeholders Aireas Benu Bibliotheek Eindhoven Bouwinvest BPD Coöperatie Slimmer Leven CZ Duurzaamheidpact Eindhovense Sportraad Fontys Gemeente Amsterdam Gemeente Helmond GGD GHOR Henri van Abbe stichting InRetail Lumens

ODZOB (omgevingsdienst zuid-oostbrabant) Provincie Noord-Brabant RIVM Stad van morgen STROOMZ/POZOB Thuis TNO Trefpunt groen Trudo TU/e Veiligheidsregio Brabant Zuidoost (VRBZO) Veldvest Vastgoed Vital zone Vitalis WIJeindhoven Woonbedrijf

Bijlage 2 Verstedelijkingsprincipes Omgevingsvisie Verstedelijkingsprincipes De in de Omgevingsvisie opgenomen principes zijn: - De groene hoofdstructuur is leidend voor gezonde ontwikkeling van de stad - Voldoende ruimte voor energievoorziening is noodzakelijk - Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik uitgangspunt zijn - Mobiliteit zorgt voor een verbonden ruimte-efficiënte en gezonde stad - De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en toekomstige economische toplocaties - De ruimtelijke hoofdstructuur van de stad is herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe

Toekomst bestendige stad

Stedelijke opgave Groen en Gezond

Bijlage 3: Indicatoren en Kaart als kerninstrument Gezondheidswinst

Eindhoven bouwt aan een gezonde, groene stad waarin inwoners langer en beter leven. De 8 indicatoren zijn in 2024 al vastgesteld door het college. Het gaat om 8 ruimtelijke en sociale indicatoren:

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Sociaaleconomische status, opleiding en werk (SES-WOA) Eenzaamheid Stress Gezonde levensverwachting Afstand tot groen Geluid en luchtkwaliteit Afstand tot basisvoorzieningen Inwoners per m2

De indicatoren zijn deel van het vastgestelde gezondheidsbeleid (juli 2024) en zijn gekozen op basis van: •

•

• •

•

•

Relevantie: draagt een verbetering van de indicatoren sterk bij aan gezondheid en een gezonde leefomgeving? We kiezen een beperkt relevant aantal indicatoren die zowel sociaal domein als ruimtelijk domein raken. Beschikbaar: zijn de indicatoren en data nu al beschikbaar? We willen op voorhand geen nieuwe indicatoren waarvoor nieuwe data moet worden verzameld of bestaande onderzoeken moeten worden uitgebreid; Frequentie: hoe vaak worden de indicatoren vernieuwd? We hebben een voorkeur voor indicatoren die jaarlijks beschikbaar zijn in plaats van elke paar jaar; Schaalgrootte: Zijn de indicatoren beschikbaar op wijk- en buurtniveau? De indicatoren moeten minimaal op wijk/ buurtniveau beschikbaar zijn zodat specifieke plekken kunnen worden aangewezen voor een concrete aanpak in die wijk of buurt; Analyse: zijn de indicatoren op een dusdanige wijze beschikbaar dat deze door de gemeente te analyseren zijn, zodat deze bruikbaar zijn voor het bepalen van (on)gezonde plekken en handelingsperspectief? Benchmark: zijn de gegevens regionaal dan wel landelijk vergelijkbaar voor benchmark?

•

Geografisch: zijn de indicatoren zodanig te analyseren dat deze grafisch weer te geven zijn in kaart- en beeldmateriaal?

Gezondheids Opbouw indicatoren -indicatoren

Weging

SES-WOA

Gemiddelde SES- Jaarlijks score met standaardafwijking .

Sociaal economische status, werk, opleiding en inkomen

Frequentie

Scores:

Bron CBS,Statline (2024). Sociaaleconomisch status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2024.

0 (>gem-sigma) 0.5 (gem+/-sigma) 1 (<gem+sigma) Eenzaamheid Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen Vaak voel ik me in de steek gelaten Wanneer ik daar behoefte aan heb kan ik altijd bij mijn vrienden terecht

Jaarlijks Ervaren beperkt sociaal netwerk op basis van 4 enquêtestellingen.

Inwonersenquête (2024).

Scores: 0 (>gem-sigma) 0.5 (gem+/-sigma) 1 (<gem+sigma)

Ik vind mijn kring van vrienden en kennissen te beperkt Stress

(Heel) veel stress ervaren in de afgelopen 4 weken

Aantal mensen met (heel) veel stress in de afgelopen 4 weken.

Scores: 0 (>gem-sigma) 0.5 (gem+/-sigma)

4- jaarlijks

StatLine Gezondheidsmonitor (2022).

1 (<gem+sigma) Jaren in goed ervaren gezondheid

Mate waarin inwoners hun gezondheid als matig of slecht beoordelen.

Beoordeling eigen gezondheid matig of slecht.

Jaarlijks

Inwonersenquête (2024)

Jaarlijks (waar mogelijk)

AI Analyse AHN 2023

Scores: 0 (>gem-sigma) 0.5 (gem+/-sigma) 1 (<gem+sigma). Groen

Boomkroon binnen 30 Boomkroon meter binnen 30 meter = 0 (gezond), anders = 1 (ongezond)

Afstand tot groene wig

Groene wig binnen 1000 meter = 0 (gezond), anders = 1 (ongezond)

Afstand tot groene wiggen: groene kaart/ groenbeleidsplan

Gebruiksgroen

Gebruiksgroen binnen 300 meter = 0 (gezond), anders = 1 (ongezond)

Gebruiksgroen

(groen minimaal 1 hectare waarin minimaal een van de voorzieningen sportveld, sportpark, park of buurttuin valt) Totaal score groen Geluid Geluid en luchtkwaliteit

(bron: stadsbeheer & GeoFundament)

= 0.33*0.33*0.33 Scores: 0 (>gem-sigma)

1x per 5 jaar

Score geluid (RIVM 2020, RIVMdata)

Jaarlijks (lucht)

Score NO2 (Concentratiekaarten RIVM 2021)

0.5 (gem+/-sigma) No2

1 (<gem+sigma)

PM 2.5

Afstand tot basisvoorzie ningen

Score PM2.5 (Concentratiekaarten RIVM 2021)

Totaal score

= 0.8 * geluid + 0.1 * NO2 + 0.1 * PM2.5

Basisonderwijs (basis en speciaal basis onderwijs)

Voorziening binnen 500m van zeshoek: 0. Voorziening binnen 1000m van zeshoek: 0.5. Een voorziening binnen 1000m: 1

Zorg (apotheek, huisarts, ziekenhuis) Supermarkt

Meerdere keren per jaar

Bron: voorzieningen sociaal maatschappelijk vastgoed in GeoFundament (2024)

Meerdere keren per jaar

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (2024).

(supermarkt/winkelce ntra)

Inwoners per m2

Totaal score

= 0.4 * zorg + 0.35 * onderwijs + 0.25 * supermarkt

Aantal adressen per zeshoek

Scores: 0 (>gem-sigma) 0.5 (gem+/-sigma) 1 (<gem+sigma).

Actueel houden kaart De genoemde frequenties zijn de frequenties waarop de bronnen beschikbaar zijn. De kaart wordt (nog) niet automatisch bijgewerkt met nieuwe bronnen. Dat doen we (vooralsnog) jaarlijks en alleen op verzoek van team Gezonde Leefomgeving). Toelichting zeshoekige gebieden, score en weging We verdelen Eindhoven in 3620 zeshoeken (met zijdes van 100m). Dat zijn gebieden met een oppervlakte van ongeveer 25.981 m² ofwel 2,6 hectare. Dat zijn gemiddeld ongeveer 36 adressen. De zeshoeken zijn zo gekozen dat analyse en handelingsperspectief zo goed mogelijk is en er weinig onduidelijk is aan de randen van een gebied. De zeshoeken kunnen op de kaart worden aangepast naar 50 meter of naar 250 meter indien dat zinnig is voor analyse of gewenste maatregelen. Deze schaal zorgt ervoor dat privacy gewaarborgd is en dat tegelijkertijd zinvolle

analyse en passende maatregelen zowel door de gemeente als door inwonersinitiatieven en partners, zoals corporaties, in een gebied mogelijk worden.

Score en weging In de kaart gezondheidswinst 2025 =wegen we iedere indicator even zwaar (elke indicator heeft een waarde van 0 tot 1) en zo ontstaat een totaalscore met een waarde van maximaal 8 (zeer ongezond) en minimaal 0 (zeer gezond). Op de kaart kleurt een hogere score roder (=ongezonder).De totaalscore per zeshoek bestaat uit (zie ook de tabel) + Score Inwoners m2 (adressen) + Score Groen (33,3% boomkronen, 33,3% wiggen, 33,3% gebruiksgroen) + Score Voorzieningen (0.4 * zorg + 0.35 * onderwijs + 0.25 * supermarkt) + Score Luchtkwaliteit / Geluid (0.1 * score PM2.5 + 0.1 * score NO2 + 0.8 * geluid) + Score SES WOA + Score Eenzaamheid (ervaren beperkt sociaal netwerk) + Score Stress + Score Ervaren eigen gezondheid matig of slecht

Bijlage 4 Mogelijke bundels van maatregelen Worden opgesteld na de evaluatie.

Situatie: combineren met bouwopgaven Eindhoven bouwt, renoveert en vernieuwt. Elke gebiedsontwikkeling, herinrichting, vernieuwde straat, renovatieproject of nieuwe woning kan gezondheidswinst opleveren. Zo werken we bij groei aan een gezondere stad.

Bundel 2: Samen thuis, samen uit Bouwen en renoveren als kans voor gezondheid Acties • • • •

Slimmer kopen en coöperatieve woonvormen: collectieve financiering, gezamenlijke binnentuinen, badkamers, keukens en services. Renoveren, isoleren en verduurzamen koppelen aan ontmoeting, klusdagen, samen doen en struikroven. 15-minutenhubs en gezonde verbindingen: zorg, sport en werk dichtbij; goede wandel- en fietspaden, groene wiggen en ontmoetingsplekken op loopafstand maken bewegen aantrekkelijk. Schoolstraten, verkeersluwe buurten en gezonde routes: veilige plekken rond scholen met ruimte voor spel, groen en ontmoeting.

• • •

Gezondheidstoets en bewonersbudget: elk project kan gezondheid verbeteren én ruimte geven aan bewonersinitiatieven. Werk- en leerplekken: ondernemerschap of woningbouw koppelen aan stages en banen met werkgevers in de buurt. Geen (sociale) woningbouw op plekken met grote geluid- en/of luchtkwaliteit belasting of die met structurele maatregelen verbeteren

Klein beginnen Ouders als ambassadeurs van schoolstraten, deelauto’s en -fietsen, popupvoorzieningen, bewonerscoaches voor renovatie en energie, of een gezondheidskiosk (bij bouwplekken) waar bewoners meedenken met straatontwerpen via VR.

Gezondheidswinst Kan oplopen tot 2-3 gezonde jaren in buurten met slechte woningen en weinig onderling contact.

Situatie: combineren met groen en klimaatopgaven Sommige buurten zijn versteend, lawaaiig en ongezond. Groen, water en rustpunten geven meer lucht, koelte, minder stress, beter mentaal welzijn en leefbare buurten. En helpt bij de klimaatverandering.

Bundel 3: Groen erin, stress eruit Stenen eruit, frisse lucht en rust erbij Acties • • • • •

Groen als medicijn: straten, pleinen en scholen vergroenen met bomen, water, biodiversiteit en vogelgeluiden Stilte en rust als ontwerpprincipe: autoluwe buurten, geluiddempende materialen, stille routes en woningen met slaapkamers aan de rustige zijde. Duurzame mobiliteit en energie: sterke OV- en fietsroutes combineren met isolatie, zonnepanelen, warmtepompen en groene daken. Waterpleinen en bio-diverse vergroening: verkoelende plekken die regenwater opvangen en ruimte bieden voor ontmoeting, soms mede beheerd door bewonerscollectieven. Groene daken en gevels: gevelgroen en publiek toegankelijke daktuinen bij scholen, zorgorganisaties en flats als nieuwe ontmoetingsplekken.

Klein beginnen Buurtadoptie van groen, groene schoolpleinen, natuurambassadeurs, tijdelijke vergroening bij braakliggend terrein, stilte- en schaduwplekken, zintuigentuintjes waar bewoners geur, geluid en koelte kunnen ervaren en zelf planten toevoegen.

Gezondheidswinst Kan oplopen tot 2 gezonde jaren in buurten met veel verkeer en weinig groen.

Bijlage 5 Definitie gezonde leefomgeving Het RIVM definieert in haar rapport LEGO, Bouwstenen voor Leefomgeving en Gezondheid Gezonde leefomgeving (2021) 1 de gezonde leefomgeving als volgt. Gezonde leefomgeving is een leefomgeving die als prettig wordt ervaren, die uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is. Meer concreet is een gezonde leefomgeving een leefomgeving die: o uitnodigt tot bewegen, spelen en sporten, en schoon en veilig is; o fietsen, wandelen en openbaar vervoer -gebruik stimuleert en zorgt voor goede bereikbaarheid; o er voor zorgt dat mensen elkaar kunnen ontmoeten; o rekening houdt met de behoeften van de (toekomstige) bewoners en specifieke bevolkingsgroepen (kinderen, ouderen, chronisch zieken, gehandicapten, lagere inkomensgroepen); o een goede milieukwaliteit (geluid, lucht, bodem, externe veiligheid) heeft; o voldoende groen, natuur en water en aandacht voor klimaatadaptatie heeft; o gezonde en duurzame woningen heeft; o een aantrekkelijke en gevarieerde openbare ruimte heeft; o een gevarieerd aanbod aan voorzieningen (bijvoorbeeld woningen, scholen, winkels, cultuur, bedrijven, openbaar vervoersvoorzieningen, sport) heeft.

Bijlage 6 Externe Veiligheid Herijking van gemeentelijke externe veiligheidsprogramma “Risico de maat genomen (2009)” in kader van Omgevingswet Betrokken instanties: - Gemeente Eindhoven - Omgevingsdienst Zuidoost Brabant - Veiligheidsregio Brabant Zuidoost

Eindhoven, 4 september 2025

1

2

Programma Externe Veiligheid Gemeente Eindhoven Datum:

4 september 2025

Inhoudsopgave 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding voor doorontwikkeling van het beleid externe veiligheid

6

1.2

Afbakening ‘externe veiligheid’

6

2

Wettelijk kader externe veiligheid

8

2.1

Plaatsgebonden risico (10-6)

8

2.2

Groepsrisico

8

3

Beleidskaders externe veiligheid

11

3.1

Omgevingsvisie Eindhoven

11

3.2

Omgevingsprogramma Gezonde Fysieke Leefomgeving

11

3.3

Visie Externe Veiligheid: ‘Risico’s de maat genomen’

11

3.4

Luchthavenbesluit Eindhoven

11

3.5

Omgevingsverordening Noord-Brabant

12

3.6

Stappenplan groepsrisico binnen aandachtsgebieden

12

3.7

Handreiking veilige leefomgeving

12

4

Externe veiligheid in Eindhoven

13

4.1

Huidige situatie

13

4.2

Toekomstige situatie

16

5

Ambitie externe veiligheid

0

5.1

Risicovolle activiteiten

0

5.2

Ruimtegebruik nabij risicovolle activiteiten

1

6

Beleidsuitgangspunten externe veiligheid

1

6.1

Uitbreiding of nieuwvestiging risicovolle activiteiten

2

6.2

Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling nabij risicovolle activiteiten

4

6.3

Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid

7

7

Organisatie

8

Bijlage 1 Invulling doorgaans een groot aantal personen

9

Bijlage 2 Stappenplan Omgevingsveiligheid VRBZO

10

Bijlage 3 Gebiedstypen voor risicovolle activiteiten

11

3

Begrippenlijst Wat we beschermen Zeer kwetsbare gebouwen (ZKG) Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties Hoe we beschermen Plaatsgebonden risico (PR)

Groepsrisico (GR)

Aandachtsgebied

Voorschriftengebied

Waartegen we beschermen Basisnet(routes) Milieubelastende activiteiten (MBA)

Risicovolle activiteiten

Stationaire activiteiten

Dit zijn gebouwen genoemd in bijlage VI Bkl. Daarbij wordt bedoeld gebouwen bestemd voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen Gebouwen met een woonfunctie (met een aantal uitzonderingen), grote bijeenkomstfuncties, kantoorfuncties, logiesfuncties, sportfuncties, winkelfuncties en onderwijsfuncties voor volwassenonderwijs. Het gaat voornamelijk om functies met een bruto-vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 of waar een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is. Tevens gaat het om campingterreinen met meer dan 50 personen, om sportterreinen waar een groot aantal personen een groot gedeelte van de dag aanwezig is en om evenemententerreinen met meer dan 5.000 personen (zie ook bijlage VI Besluit kwaliteit leefomgeving en bijlage 1 van dit document). Alle gebouwen en locaties waar personen langer verblijven die niet zeer kwetsbaar of kwetsbaar zijn (zie ook bijlage VI Besluit kwaliteit leefomgeving en bijlage 1 van dit document). De kans per jaar dat een persoon, die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. De grenswaarde voor deze kans is één op de miljoen per jaar (10-6).

De cumulatieve kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid nabij een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. Gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen (brand, explosie en/of gifwolk) van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Een gebied dat binnen een brand- of explosieaandachtsgebied wordt aangewezen, waarbinnen aanvullende bouweisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van een bouwwerk. Een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijksinfrastructuur (weg/water/spoor). Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken (zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteit leefomgeving), niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuivering-technisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Een (milieubelastende) activiteit die risico’s op het gebied van externe veiligheid met zich meebrengt door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (zoals opgenomen in bijlage VII t/m X van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Een (risicovolle) activiteit die binnen de grenzen van een terrein plaatsvindt.

Denk aan een aardgas meet- en regelstation, tankstation met LPG of waterstof, opslagtank met propaan/propeen, opslagplaats met verpakte gevaarlijke stoffen en een koelinstallatie met ammoniak.

4

Seveso-bedrijf

Een bedrijf met een grote hoeveelheid opslag van gevaarlijke stoffen, waarmee bepaalde drempelwaarden worden overschreden en de Europese Seveso-richtlijn van toepassing is.

Lijst met afkortingen BAG Bal Bbl Bkl EAG GAG GR LPG MBA MOV PR

Brandaandachtsgebied Besluit activiteiten leefomgeving Besluit bouwwerken leefomgeving Besluit kwaliteit leefomgeving Explosieaandachtsgebied Gifwolkaandachtsgebied Groepsrisico Liquefied Petroleum Gas Milieubelastende activiteit Modernisering omgevingsveiligheid Plaatsgebonden risico

ZKG

Zeer kwetsbare gebouwen

5

1 Inleiding 1.1

Aanleiding voor doorontwikkeling van het beleid externe veiligheid

Met de invoering van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) staan gemeenten voor de uitdaging om hun ambities en opgaven wat betreft een veilige en gezonde leefomgeving te herijken. Dit kan vervolgens worden vertaald naar algemene beleidsuitgangspunten en concrete planregels waar eenieder zich aan moet houden. Onder de Omgevingswet vindt er ook een modernisering plaats van de manier waarop we omgaan met externe veiligheid, onder de noemer Modernisering Omgevingsveiligheid (MOV). De grootste verandering is de invoering van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiermee laten we abstracte risicogetallen achterwegen en kan het gesprek gevoerd worden over de wenselijkheid van nieuwe risicovolle activiteiten en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen nabij deze activiteiten. De invoering van aandachtsgebieden gaat gepaard met meer beleidsvrijheid, en verantwoordelijkheid, voor gemeenten. Gemeenten moeten nu zelf nadenken over wat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is en dienen dit vervolgens te borgen in de beschikbare beleidsinstrumenten (de omgevingsvisie, eventueel een programma, en het omgevingsplan).

In de ‘Visie Externe Veiligheid – Risico’s de maat genomen’ van 2009 heeft de gemeente Eindhoven vastgesteld hoe zij in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen omgaat met externe veiligheid. Deze visie moet, ingegeven door o.a. een nieuwe benadering en nieuwe wetgeving voor externe veiligheid, geactualiseerd worden.

1.2

Afbakening ‘externe veiligheid’

1.2.1

Externe veiligheid en omgevingsveiligheid

Met de Modernisering Omgevingsveiligheid wordt een nieuw begrip geïntroduceerd voor de term ‘externe veiligheid’. Het begrip ‘omgevingsveiligheid’ wordt in de praktijk echter op verschillende manieren gebruikt. Sommige stakeholders gebruiken het als vervanger voor het begrip ‘externe veiligheid’. Dit sluit aan bij de manier waarop het begrip in de Omgevingswet wordt gebruikt. In de nota van toelichting van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de Modernisering Omgevingsveiligheid het vernieuwde beleid voor externe veiligheid genoemd. In de vier nieuwe besluiten onder de Omgevingswet wordt echter nog steeds het begrip ‘externe veiligheid’ gebruikt. Andere stakeholders gebruiken ‘omgevingsveiligheid’ als breed begrip waar ook thema’s als overstromingen en natuurbranden onder vallen. Dit sluit aan bij de integrale benadering van veiligheidsregio’s. Dit beleidsprogramma is specifiek gericht op het thema externe veiligheid, en daarom kiezen we ervoor om het begrip ‘omgevingsveiligheid’ niet te gebruiken. Ook andere veiligheidsaspecten, zoals sociale veiligheid en verkeersveiligheid, maken geen onderdeel uit van dit programma.

1.2.2

Wat is externe veiligheid?

Tijdens werkzaamheden met gevaarlijke stoffen in bedrijven en tijdens transport van deze stoffen (weg, water, spoor en buisleiding) kunnen ongevallen gebeuren. Dit kan leiden tot levensbedreigende effecten voor de mensen die zich in de omgeving (wonen, werken, recreëren, etc.) van deze risicovolle activiteiten bevinden. Het gevaar kan gevormd worden door een brand, explosie of gifwolk. De kans hierop is zeer klein, maar de gevolgen kunnen groot zijn. Naast ongevallen met gevaarlijke stoffen, vallen de risico's die samenhangen met het gebruik van burgerluchthavens en windturbines ook onder het begrip externe veiligheid. De Omgevingswet heeft een gezonde en veilige leefomgeving als doel, en dus moeten mensen in de omgeving van deze risicovolle activiteiten beschermd worden tegen de mogelijke gevaren (conform art. 5.7, 5.11 en 5.15 Bkl).

1.2.3

Branden, rampen en crises

Dit beleidsprogramma is gericht op het thema externe veiligheid. Belangrijk is om in brede zin rekening te houden met de risico’s voor branden, rampen en crises (conform art. 5.2 Bkl). Specifiek gaat het dan om het voorkomen, beperken 6

en bestrijden hiervan, om de geneeskundige hulpverlening en de zelfredzaamheid van potentiële slachtoffers. In dit programma geven we hier invulling aan voor het thema externe veiligheid. Voor andere thema’s (overstromingen, natuurbranden, aardbevingen, etc.) leent dit programma zich niet om hier invulling aan te geven.

1.2.4 Alleen voor ‘nieuwe’ situaties De gemaakte beleidskeuzes in dit beleidsprogramma hebben betrekking op nieuwe situaties in relatie tot ruimtelijke ordening. Dit is het planologisch toewijzen van nieuwe functies (en/of regels) aan een locatie in het omgevingsplan. Het gaat hierbij meestal om uitbreiding of nieuwvestiging van gebouwen en locaties waar mensen zich bevinden (uit bijlage VI van het Bkl) of van risicovolle stationaire activiteiten (uit bijlage VII t/m X van het Bkl). Daarvoor kan het nodig zijn om een vergunning aan te vragen voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit en/of om het omgevingsplan te wijzigen. Met ‘bestaande situaties’ wordt gedoeld op de vigerende planologische situatie. Voor bestaande situaties wordt ervan uitgegaan dat destijds een degelijke afweging is gemaakt en besluitvorming heeft plaatsgevonden over het accepteren van risico’s en het nemen van maatregelen, gegeven de toen geldende inzichten en regelgeving.

1.2.5

Evenementenbeleid

Voor de evenwichtige toedeling van evenementen aan locaties hanteren we een ander afwegingskader dan die in dit beleidsprogramma. Hiervoor hebben we apart evenementenbeleid in de vorm van locatieprofielen waar het thema externe veiligheid in combinatie met andere omgevingsaspecten beoordeeld zal worden. Deze aanpak is het resultaat van de evaluatie van de voorgaande ‘Visie externe veiligheid: Risico’s de maat genomen’.

7

2 Wettelijk kader externe veiligheid Hieronder volgt een beknopte uitleg van de belangrijkste begrippen binnen het thema ‘externe veiligheid’. In bijlage 1 is een meer uitgebreide uitleg opgenomen.

2.1

Plaatsgebonden risico (10-6)

De overheid garandeert een zogenaamd basisbeschermingsniveau voor externe veiligheid. Dit houdt in dat er een minimale afstand wordt aangehouden tussen de risicovolle activiteit en haar omgeving. In vaktermen noemen we dit ook wel het plaatsgebonden risico (zie figuur 2.1). In het Bkl staan instructieregels over de omgang met het plaatsgebonden risico in het omgevingsplan (artikelen 5.6 t/m 5.11a Bkl). Hierin staat dat voor zeer kwetsbare gebouwen (verzorgingstehuizen, ziekenhuizen, kinderopvang, basisscholen, etc.) en kwetsbare gebouwen en locaties (woningen, grote kantoorgebouwen, grote evenemententerreinen, etc.) aan de minimale afstand voor het plaatsgebonden risico moet worden voldaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (kleine kantoorgebouwen, bedrijfswoningen, etc.) moet ook rekening gehouden worden met deze minimale afstand, maar gemeenten mogen hiervan afwijken als daar goede redenen voor zijn. De minimale afstand voor het plaatsgebonden risico verschilt per risicovolle activiteit. Voor een aantal risicovolle activiteiten staan in het Bkl vaste afstanden, voor de meer complexe risicovolle activiteiten moet deze afstand worden berekend volgens het rekenvoorschrift van het Handboek Omgevingsveiligheid. Het Handboek Omgevingsveiligheid is geschreven door het RIVM in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Het Handboek Omgevingsveiligheid is een levend document en sluit zoveel mogelijk aan bij de recente inzichten.

2.2 Groepsrisico Naast de minimale bescherming (plaatsgebonden risico) is het ook belangrijk om grote groepen mensen te beschermen tegen de effecten van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Daarmee proberen we maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. In vaktermen noemen we dit het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij risicovolle activiteit.

2.2.1

Aandachtsgebieden

De meeste risicovolle activiteiten hebben een aandachtsgebied voor brand, explosie en/of gifwolk. Voor een aantal risicovolle activiteiten staan in het Bkl vaste afstanden, voor de meer complexe risicovolle activiteiten moeten deze afstanden worden berekend volgens het rekenvoorschrift van het Handboek Omgevingsveiligheid. Binnen de aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk rondom een risicovolle activiteit (zie figuur 2-1) moeten gemeenten rekening houden met het groepsrisico (conform art. 5.15 Bkl). Dit kan middels het uitsluiten van alle (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen een aandachtsgebied. Dit is echter niet altijd mogelijk door de benodigde en soms beperkte ontwikkelruimte in onze gemeente.

In dat geval kunnen we de volgende maatregelen overwegen: • Binnen het aandachtsgebied zoveel mogelijk afstand houden tussen de risicovolle activiteit en (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties; • Beperken van functies met verminderd zelfredzamen en/of waar veel mensen aanwezig zijn voor langere tijd (dus zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen); • Gebouwen veilig positioneren; in de schaduwzijde van andere gebouwen, loodrecht op en met de kortste zijde naar de risicovolle activiteit; • Omgevingsmaatregelen die de effecten van een ongeval kunnen beperken (aarden wal, keerwand, droge greppel, etc.); • Bouwkundige maatregelen (zie paragraaf 2.2.2) waarmee mensen binnenshuis beschermd zijn tegen de effecten van een ongeval (brandwerende gevel, scherfvrij glas, etc.); • Rekening houden met de bereikbaarheid van hulpdiensten en benodigde bluswatervoorzieningen; • Voldoende vlucht- en schuilmogelijkheden creëren voor mensen die zich in een aandachtsgebied bevinden;

8

•

Voorbereiden (opleiden, trainen en oefenen) op een mogelijke ongeval en adequate crisiscommunicatie;

Gevolgen aandachtsgebied De aanwezigheid van een aandachtsgebied heeft niet alleen een waarschuwende functie: ‘let op, hier kunnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen manifesteren.’ Een aandachtsgebied heeft ook een aantal gevolgen: - Als het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) op een locatie binnen een aandachtsgebied (voor brand of explosie) zeer kwetsbare gebouwen mogelijk maakt, dan moet de gemeente een voorschriftengebied aanwijzen met bijbehorende aanvullende bouweisen (zie hieronder); - Als het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) op een locatie binnen een aandachtsgebied (voor brandrisicocontour of explosie)10kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk -6 Figuur 2-1 PR 10-6 = plaatsgebonden / BAG = brandaandachtsgebied / EAG = explosieaandachtsgebied / GAGmaakt, = dan moet de gemeente overwegen om al dan niet een voorschriftengebied aan te wijzen en dat besluit gifwolkaandachtsgebied motiveren (zie hoofdstuk 3); - Een gemeente moet vanuit het groepsrisico motiveren hoe de veiligheid in een aandachtsgebied is en in- dien geen sprake is van een aanvaardbare situatie hoe de veiligheid gaat worden ‘geoptimaliseerd’ (zie hoofdstuk 3 en 4).

Uit artikel 5.15, tweede lid, van het Bkl volgt namelijk dat waar beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen worden toegelaten in een aandachtsgebied maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen.

2.2.2 Voorschriftengebied Wanneer we als gemeente vinden dat bouwkundige maatregelen nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een aandachtsgebied, dient er een voorschriftengebied aan te worden gewezen in het omgevingsplan. Het hele aandachtsgebied kan als voorschriftengebied worden aangewezen, maar het kan ook een gedeelte zijn (bijvoorbeeld een perceel). Een voorschriftengebied kan alleen in een brand- en explosieaandachtsgebied worden aangewezen. In een gifwolkaandachtsgebied kan dat niet, omdat bouwkundige maatregelen (afschakelbare ventilatie) al als standaardeis zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In een voorschriftengebied gelden de bouwkundige maatregelen tegen een brand en/of explosie uit paragraaf 4.2.14 Bbl voor alle nieuwbouw van (zeer en beperkt) kwetsbare gebouwen (bijlage VI van het Bkl). Voor de gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden deze bouweisen uit het Bbl niet. Naast de gebruikelijke betekenis van nieuwbouw, is er ook sprake van nieuwbouw als het vorige bouwwerk met uitzondering van de gehele of gedeeltelijke fundering is gesloopt. Bij functiewijziging of verbouw van een bestaand gebouw is geen sprake van nieuwbouw.

Wanneer het gaat om locaties binnen een brand- en explosieaandachtsgebied waar zeer kwetsbare gebouwen (Bkl, bijlage VI, onderdeel E) zijn toegestaan in het (tijdelijk) omgevingsplan, is een gemeente verplicht om deze locaties aan te wijzen als voorschriftengebied in het omgevingsplan. Dit geldt zowel voor locaties zonder bebouwing als locaties met bebouwing. Als in dat laatste geval de bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen, moet het nieuwe bouwwerk aan de bouwkundige maatregelen voldoen. Het verplicht stellen van bouwkundige maatregelen voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen komt voort uit de wens van de wetgever om verminderd zelfredzamen extra te beschermen.

9

Bouwkundige maatregelen hebben als doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Als we geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan aanwijzen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Het is aan ons om af te wegen of deze aanvullende maatregelen nodig zijn om de mensen in kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen voldoende te beschermen tegen de gevolgen van een brand en/of explosie. Naast bouwkundige maatregelen zijn er ook andere mogelijkheden om deze bescherming te bieden (zie paragraaf 2.2.1).

Figuur 2-2 Paars = door de gemeente aangewezen als voorschriftengebied. De situatie in deze figuur is fictief en puur ter beeldvorming. Voor het nieuw te bouwen ziekenhuis is dit verplicht, deze moet dus voldoen aan de bijhorende bouwkundige regels. Voor de nieuw te bouwen appartementen in het BAG is dit niet verplicht, maar als de gebouwen in een voorschriftengebied komen te staan, moeten deze wel voldoen aan de bouwkundige regels. Voor de nieuw te bouwen woning in het EAG gelden deze bouwkundige regels niet, omdat deze niet staat in een voorschriftengebied.

Constatering Indien een zeer kwetsbare functie in een brand- of explosieaandachtsgebied wordt toegestaan, wijst de gemeente daarvoor verplicht een voorschriftengebied aan. Daarmee zijn de bouwkundige maatregelen zoals op- genomen in artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl (of een gelijkwaardige oplossing) van toepassing voor nieuwbouw. Dit geldt zowel voor wijzigingen van het omgevingsplan als voor omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Voor deze bopa’s geldt daarvoor specifiek artikel 12.27c van het Bkl. Daaruit volgt dat een brand- of explosievoorschriftengebied ook kan worden aangewezen in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

10

3 Beleidskaders externe veiligheid 3.1

Omgevingsvisie Eindhoven

In onze omgevingsvisie is een ambitie geformuleerd voor het thema externe veiligheid: ‘’We vinden het belangrijk dat mensen een veilige leefomgeving hebben, zowel fysiek als sociaal. Daarom houden we bij het inrichten van wijken rekening met de gezondheid, omgevingsveiligheid (externe veiligheid, zie paragraaf 1.4.1), verkeersveiligheid en het algemene veiligheidsgevoel. Bij omgevingsveiligheid kijken we naar risico’s rond gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. In Eindhoven letten we hierbij extra op de gebieden rondom het spoor. Samen met de provincie en de andere Brabantse steden die aan het spoor liggen, dringen we bij het rijk aan op een integrale visie voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Samen met de veiligheidsregio werken we aan het verbeteren van de zelfredzaamheid van inwoners bij calamiteiten, zoals brand of incidenten op het spoor.’’ (zie paragraaf 5.5.4 van de omgevingsvisie) Voorliggend beleidsprogramma gebruiken we om deze ambitie uit te werken in concrete beleidsuitgangspunten en een afwegingskader.

3.2 Omgevingsprogramma Gezonde Fysieke Leefomgeving Externe veiligheid wordt onderdeel van het programma ‘Omgevingsprogramma gezonde fysieke leefomgeving’. Het programma is een nadere uitwerking van de ‘Omgevingsvisie Eindhoven en de doorvertaling van de ambities, stedelijke opgaven en verstedelijkingsprincipes die daarin zijn opgenomen. In het programma zal een handelingsperspectief komen voor het toepassen van kwaliteitsverbetering, prioritering en kaderstelling. Tevens wordt aangegeven hoe monitoring op dit vlak wordt vormgegeven.

3.3 Visie Externe Veiligheid: ‘Risico’s de maat genomen’ Ons beleid voor externe veiligheid uit 2009 (Visie externe veiligheid: Risico’s de maat genomen) past wat betreft systematiek niet binnen het gemoderniseerde omgevingsveiligheidsbeleid dat we onder de Omgevingswet kennen. Wel is de kern van de meeste beleidsuitgangspunten uit het huidige beleid te vertalen naar beleidsuitgangspunten die conform de modernisering zijn. In het kader van beleidsneutraliteit hebben we waar mogelijke deze vertaalslag in voorliggend beleidsprogramma gemaakt.

3.4 Luchthavenbesluit Eindhoven Extern veiligheidsbeleid aangaande het luchthaventerrein Eindhoven is vastgelegd in een brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM. In de bijlage van deze brief staan de voorwaarden opgenomen waaraan een gemeente zich moeten houden wanneer binnen de PR 10-5 en PR 10-6 contouren ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Dit beleid houdt in dat: • er geen objecten mogen worden geprojecteerd in de PR 10 -5 contour waar mensen verblijven;

•

voor zogenoemde 'pijplijnplannen' binnen de PR 10-6 contour geldt een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde) waarbij de bebouwing zo laag mogelijk wordt gehouden; 1

•

functies voor groepen beperkt zelfredzame mensen, grote publiekstrekkers en evenementen worden uitgesloten.

Nationaal programma ruimte voor defensie in voorbereiding. Het luchthaventerrein Eindhoven zit qua vliegcapaciteit ook in deze opgave. Hiervoor wordt een milieueffectrapportage opgesteld. Op 12 december 2024 is middels een kamerbrief aangegeven dat er bij de luchthaven Eindhoven niet verder wordt gezocht voor de extra behoefte van militaire luchtoefeningen. Daarnaast is er ook wijziging van het luchthavenbesluit in voorbereiding. Vooralsnog is niet 1 Voor

gemeente Eindhoven zijn in dit beleid Brainport Industries, Campus (BIC) en GDC Acht Noord als 'pijplijnplannen' aangemerkt.

11

duidelijk of de externe veiligheidscontouren in dit besluit worden opgenomen. Daarom wordt nog geen rekening gehouden met dit nieuwe luchthavenbesluit en hanteren we het externe veiligheidsbeleid zoals hiervoor benoemd.

3.5 Omgevingsverordening Noord-Brabant In de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (datum januari 2025) staan in hoofdstuk 5 instructieregels voor gemeenten wat betreft de inhoud van het omgevingsplan. Er staan geen instructieregels in die direct het thema externe veiligheid raken.

3.6 Stappenplan groepsrisico binnen aandachtsgebieden De provincie Noord-Brabant heeft samen met de Brabantse omgevingsdiensten een stappenplan ontwikkeld. Dit stappenplan helpt gemeenten bij het toedelen van functies aan locaties binnen een aandachtsgebied. Om te komen tot passende bescherming kunnen gemeenten onderscheid maken tussen maatregelenniveaus. De niveaus zijn: A) wettelijke basisbescherming, B) bron- en omgevingsmaatregelen en C) bouwkundige maatregelen. Per ruimtelijke ontwikkeling (kwetsbare gebouwen en locaties) en per aandachtsgebied wordt dit stappenplan doorlopen. Indien blijkt dat de wettelijke basisbescherming (niveau A) niet voldoende is, moeten de stappen onder niveau B worden doorlopen. Indien de bestaande bescherming onvoldoende is en bron- en omgevingsmaatregelen niet mogelijk zijn, moeten de stappen onder niveau C worden doorlopen. De uitkomst van het stappenplan is een pakket aan maatregelen die voldoende bescherming biedt. In ons beleidsprogramma is rekening gehouden met dit stappenplan.

3.7 Handreiking veilige leefomgeving De drie Brabantse veiligheidsregio’s hebben een Handreiking Veilige Leefomgeving (datum februari 2024) opgesteld voor gemeenten die aan de slag gaan met het opstellen van hun omgevingsplan en hebben het aspect veiligheid daarin een plek willen geven. Daarin adviseren ze over een veilig ontwerp van de fysieke leefomgeving aan de hand van een aantal kernwaarden en geven ze voorbeeldregels voor in het omgevingsplan. In voorliggend beleidsprogramma is rekening gehouden met deze kernwaarden: 1. Samen werken aan een veilige fysieke leefomgeving; 2. Afstand tot risico’s vergroot de veiligheid; 3. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming; 4. Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; 5. De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; 6. Mensen zijn bekend met risico’s en weten hoe te handelen; 7. Voorzieningen in de zorg zijn toegankelijk voor en afgestemd op inwoners en bezoekers. Daarnaast wordt bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving de VRBZO in de gelegenheid gesteld om advies te geven over zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van noodhulpdiensten. Op basis van de ‘Brochure maatwerk- of standaardadvies externe veiligheid’ bepaalt de VRBZO of ze maatwerk- of standaardadvies zullen geven.

Ook is het belangrijk om de VRBZO te betrekken bij de intaketafel op het moment dat er een initiatief wordt ontwikkeld in het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. Op deze manier kan er in het voortraject al een inschatting worden gemaakt over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling in het aandachtsgebied. Om te bepalen wanneer en of de VRBZO wil aansluiten is er een ‘Stappenplan Omgevingsveiligheid’ ontwikkeld door de VRBZO. Deze is bijgevoegd in bijlage 2.

12

4 Externe veiligheid in Eindhoven Afstand houden tussen risicovolle activiteiten en (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties wordt steeds lastiger door de beperkte ruimte. Er zal in de toekomst een groter spanningsveld ontstaan waarbij de veiligheidssituatie van inwoners en bezoekers van onze gemeente op een verantwoorde wijze beoordeeld moet worden. In dit hoofdstuk brengen we de (ontwikkelingen met) risicovolle activiteiten en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in beeld, om eventuele aandachtspunten te kunnen duiden.

4.1

Huidige situatie

Binnen externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten risicovolle activiteiten. Risicovolle activiteiten zijn activiteiten met een risico op het gebied van externe veiligheid, die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze activiteiten zijn teven te herleiden uit bijlage VII van het Bkl. Het gaat om de volgende type activiteiten: • Transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen, autowegen en binnenwateren; • Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • Bedrijven met opslag, verwerking of productie van gevaarlijke stoffen; • Burgerluchthavens en windturbines. Het Portaal Atlas Veiligheid (PAV) is door een ieder te raadplegen voor informatie over de ligging van deze risicovolle activiteiten in onze gemeente en tot waar de bijhorende gevaren kunnen reiken 2.

4.1.1

Transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen en autowegen

In onze gemeente liggen verschillende grote transportroutes: de Brabantroute (spoorweg Eindhoven-Weert, Eindhoven- Venlo en Boxtel-Eindhoven) en de rijkswegen A2, A50, A58 en A67. De Brabantroute en de genoemde rijkswegen zijn als zogenaamde basisnetroutes aangewezen (in de Regeling basisnet) waarvoor aandachtsgebieden gelden (art. 2.23 Omgevingsregeling). Deze routes kennen aan weerszijden een plaatsgebonden risicocontour 10-6 (afstand verschilt), een brandaandachtsgebied van 30 meter, een explosieaandachtsgebied van 200 meter en een gifwolkaandachtsgebied van 300 meter (Bkl, bijlage VII, onder C). Daarnaast hanteerde de gemeente bij een aantal gemeentelijke wegen een externe veiligheidstoetsing. Het gaat om de volgende wegen (route): de Leenderweg, Piuslaan, Hugo van der Goeslaan, Jeroen Boschlaan, Insulindelaan, Onze Lieve Vrouwestraat, John F. Kennedylaan en de Eisenhowerlaan. Het gaat hier niet om een basisnetroute. Gelet op de beperkte transporten over deze gemeentelijke wegen en daarmee de beperkte EV-risico’s, wordt niet meer getoetst aan externe veiligheid.

2

Momenteel wordt de informatie over externe veiligheid in het Portaal Atlas Veiligheid nog gevalideerd. Het kan zijn dat de informatie nog niet volledig is of niet helemaal juist is.

13

Figuur 4-1: Bron Portaal Atlas Veiligheid (geraadpleegd 21-01-25). Transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen en autoweg met de geldende aandachtsgebieden

4.1.2 Transport van gevaarlijke stoffen door hogedruk aardgasleidingen In onze gemeente bevinden zich een aantal grote ondergrondse buisleidingen (Z-519-01, Z-506-01, Z-514-06 en A521-07) waardoor gevaarlijke stoffen getransporteerd worden (voornamelijk aardgas onder hoge druk). Door graafwerkzaamheden kan een buisleiding beschadigd raken en een fakkelbrand ontstaan. Een dergelijke buisleiding kent daarmee een plaatsgebonden risicocontour 10-6 en een brandaandachtsgebied die berekend moet worden (Bkl, bijlage VII, onder D2). De kans op een dergelijk ongeval is, in vergelijking met transport over (spoor)wegen en binnenwateren, zeer klein. Dit komt doordat in het verleden veel is geïnvesteerd in bronmaatregelen. Denk aan het dieper in de grond leggen van de buisleiding, het leggen van afdekplaten en de verplichte KLIC-melding (graafmelding).

14

Figuur 4-2: Bron Portaal Atlas Veiligheid (geraadpleegd 21-01-25). Transport van gevaarlijke stoffen door hogedruk aardgasleidingen met de geldende aandachtsgebieden

4.1.3 Stationaire activiteiten met gevaarlijke stoffen In onze gemeente liggen een aantal stationaire activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het gaat o.a. om gasdrukmeet- en gasdrukregelstations, LPG-tankstations, propaantanks, en een aantal industriële bedrijven en onderzoeksinstellingen. De meeste risicovolle activiteiten hebben een plaatsgebonden risicocontour 10-6, een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en/of een gifwolkaandachtsgebied. Voor een aantal risicovolle activiteiten (zoals LPGtankstations en propaantanks) staan vaste afstanden in bijlage VII het Bkl, voor de meer complexe risicovolle activiteiten moeten deze afstanden worden berekend. In het westen van onze gemeente ligt luchthaven Eindhoven. Het gaat hier niet om de mogelijkheid van een ongeval met gevaarlijke stoffen, maar om de mogelijkheid van een ongeval met een vliegtuig. In paragraaf 3.4 is het beleid omtrent deze luchthaven geschetst.

15

Figuur 4-3 Bron Portaal Atlas Veiligheid (geraadpleegd 21-01-25). Een indicatie van de stationaire risicovolle activiteiten, zonder de geldende aandachtsgebieden.

4.2 Toekomstige situatie 4.2.1 Ontwikkelingen bedrijventerreinen Op sommige bedrijventerreinen staat de gemeente Eindhoven de vestiging van nieuwe risicovolle activiteiten onder voorwaarden toe. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijventerrein De Hurk BIC en GDC. Op (delen van) een aantal bedrijventerreinen staat de gemeente de vestiging van nieuwe risicovolle activiteiten onder voorwaarden toe. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijventerrein De Kade (buiten de Ring) en Eindhoven Airport. Het is dus aannemelijk dat op (delen van) deze bedrijventerreinen in de toekomst nieuwe bedrijven met risicovolle activiteiten zich vestigen. Buiten deze bedrijventerreinen worden nieuwe risicovolle activiteiten in beginsel niet toegestaan, behoudens de zeer lichte categorie (zie paragraaf 6.1)

4.2.2 Energietransitie in Eindhoven De externe veiligheidsrisico’s zullen de komende jaren gaan veranderen door de energietransitie. Het gaat daarbij om nieuwe energiedragers, energiebronnen en energieopslagsystemen. De tankstations met benzine, diesel en LPG zullen mogelijk transformeren naar multifuel tankstations of volledig overgaan op alternatieve brandstoffen. Bij deze tankstations zal de verkoop van LNG, CNG, waterstof en elektriciteit plaatsvinden. Door de energietransitie zal ook het transport van reguliere brandstoffen afnemen, maar het transport van nieuwe energiedragers, zoals waterstof en ammoniak, mogelijk toenemen. Ook zal het aardgas dat door buisleidingen wordt vervoerd op de lange termijn mogelijk worden vervangen door waterstof. Door de energietransitie zullen er mogelijk ook steeds meer grote li-ion energieopslagsystemen (EOS) en opslagen met li-ion accu’s komen. De risico’s van deze nieuwe risicovolle activiteiten

16

zijn nog niet volledig in beeld, wat maakt dat er nog geen omgevingsrecht is hiervoor. Wij houden de ontwikkelingen op het gebied van de energietransitie goed in de gaten en stellen, waar nodig, gemeentelijk beleid op.

4.2.3 Programma Robuust Basisnet Spoor Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is langere tijd bezig geweest met de evaluatie van de werking van het basisnet en de ontwikkeling van het ‘’robuust basisnet’’. Aanleiding hiervoor zijn voornamelijk de risicoplafonds, die bepalen hoeveel eenheden met gevaarlijke stoffen per jaar vervoerd mogen worden, die niet overeen komen met de gerealiseerde hoeveelheid. Het laatste voorstel, in de kamerbrief van 19 december 2024, is om de risicoplafonds uit de Regeling basisnet te halen. Om een evenwichtig toedeling van functies aan locaties nabij een basisnetroute te bewerkstelligen, kent elke basisnetroute een plaatsgebonden risicocontour 10-6. De omvang van deze contour verschilt per wegvak en spoortraject (bij sommige routes is dit 0 meter). In de kamerbrief van 24 juni 2024 is het idee van een vaste afstand voor alle wegvakken en spoortrajecten genoemd. Onderzoek in opdracht van het ministerie van VRO toont aan dat dit grote gevolgen kan hebben voor de woningbouwopgave. Er zijn al zogenaamde ‘beperkingengebieden’ langs de infrastructuur, waarin alleen met toestemming van Rijkswaterstaat of ProRail gebouwd mag worden. In combinatie met de aandachtsgebieden geeft dit voldoende zekerheid dat een goede afweging van het veiligheidsbelang kan worden gemaakt bij bouwplannen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16163575/1