Bijlage 1c - TAM-omgevingsplan Prinsejagt - Motivering
Tekst van het document
Binnen het openbaar vervoersnetwerk van Eindhoven is het plangebied gelegen tussen twee ontsluitende buslijnen. De dichtstbijzijnde OV-halte is de bushalte Oude Bosschebaan, gelegen op circa 200 meter loopafstand vanaf het plangebied. Vanaf deze halte kan om het halfuur gebruik worden gemaakt van buslijn 9, tussen Eindhoven Station en Best Station. De eerstvolgende OV-halte is de bushalte De Grote Beek, gelegen op circa 700 meter loopafstand vanaf het plangebied. Bij deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 8, tussen Eindhoven Station en Kapelbeemd.
Autoverkeer vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
61
Het wegennetwerk is in Masterplan Mobiliteit 2050 geactualiseerd. Dit bestaat uit de volgend indeling in hoofdwegen: Randweg A2/N2, Ring en regionale bundelroute, Radialen buiten de ring, Radialen binnen de ring. Daarmee is een robuust wegennetwerk gedefinieerd voor de hoofdontsluiting voor autoverkeer. Dit zijn ook de wegen waar een maximum snelheid van tenminste 50 km/u gehandhaafd zal blijven in de toekomst. Een onderliggend netwerk van gebiedsontsluitingswegen zorgt voor de verder ontsluiting van de diverse stadsdelen en wijken. Op enkele uitzonderingen na zullen deze uit oogpunt van leefbaarheid en veiligheid in de toekomst allemaal een maximum snelheid van 30 km/u kennen.
Het plangebied wordt ontsloten op de Van Zinnicqstraat, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. In oostelijke richting leidt de Van Zinnicqstraat naar de Oude Bosschebaan, een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In zuidelijke richting leidt de Oude Bosschebaan via de Europalaan en de John F Kennedylaan naar de ring van Eindhoven. In noordelijke richting leidt de Oude Bosschebaan naar de Anthony Fokkerweg. Binnen het Masterplan is de Anthony Fokkerweg gedefinieerd als een radiaal buiten de ring. In westelijke richting leidt de Anthony Fokkerweg naar de aansluiting op de A2, tussen Maastricht en Amsterdam.
Hubs Hubs vormen de verbindende schakels in de verplaatsingen. Het zijn de plekken waar verschillende vervoerwijzen samenkomen en mensen kunnen overstappen. Voor de mobiliteitstransitie zijn verplaatsingen met een of meer overstappen essentieel. Mobiliteitshubs in Eindhoven hebben vooral drie functies; het aanbieden van deelmobiliteit, het faciliteren van de overstap van de ene op de andere vervoerwijze en tot slot het (op afstand) parkeren van de (eigen) auto. Hubs hebben in Eindhoven verschillende verschijningsvormen op allerlei schaalniveaus.
Het STOMP principe In en om het centrum van Eindhoven spelen diverse (grote) verdichtingsopgaven die ieder hun eigen mobiliteitsbehoefte meebrengen. Om het centrum nu en in de toekomst bereikbaar, leefbaar en veilig te houden moet op een andere manier naar de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte gekeken moeten worden. Hierbij wordt uitgegaan van het STOMP principe. STOMP staat voor hoe we verplaatsingen onderscheiden: Stappen; Trappen; Openbaar Vervoer; Mobility as a Service; Privé-auto. Bij het STOMP-ontwerpprincipe wordt eerst naar de voetganger gekeken (Stappen), vervolgens naar de fietser (Trappen), OV en MaaS en pas daarna wordt naar de privéauto gekeken. Deze aanpak sluit ook aan op de doelstellingen/ambities uit het Masterplan Mobiliteit 2050 dat specifiek inzet op lopen, fietsen en openbaar vervoer, vooral binnen de Ring, terwijl de automobiliteit meer wordt gebundeld en naar de Ring.
Navolgend wordt het STOMP principe ten aanzien van het onderhavige plan uitgewerkt.
Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de meest recente CROW-kencijfers, afkomstig uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. Aan de hand 62
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie in de huidige en toekomstige situatie bepaald. De verkeersgeneratie betreft de optelsom van de aankomende en vertrekkende ritten. Binnen de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en ligging van de ontwikkeling. Op basis van CBS-data wordt voor de gemeente Eindhoven een stedelijkheidsgraad van 'zeer sterk stedelijk' gehanteerd. De ligging van het plangebied is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit binnen de gemeente Eindhoven conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-744 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag een omrekenfactor van 1,11 toegepast.
In de bestaande situatie zijn binnen het plangebied 42 sociale huurwoningen aanwezig die als gevolg van de beoogde ontwikkeling komen te vervallen. Bij het bepalen van de verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling kan daarom dan ook saldering worden toegepast. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 167 huurappartementen met een oppervlakte van 30 tot 60 m². In onderstaande tabel is de verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling weergegeven.
Bestaande situatie Functie
Aantal
Kencijfer
Weekdag (mvt/etmaal)
Werkdag (mvt/etmaal)
Huur huis, sociale huur
42 w oningen
4,3 per w oning
180,6
200,5
Beoogde situatie Functie
Aantal
Kencijfer
Weekdag (mvy/emaal)
Werkdag (mvt/etmaal)
Huur appartement sociale huur < 75 m² bvo
167 w oningen
3,2 per w oning
534,4
593,2
353,8
392,7
Saldo
Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 354 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag, wat neerkomt op een verkeerstoename van 393 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.
Verkeerstoedeling Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. Vanaf het plangebied wordt het gemotoriseerde verkeer volledig in oostelijke richting ontsloten naar de Oude Bosschebaan. Op de Oude Bosschebaan wordt 40% (157 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer in noordelijke richting ontsloten naar het kruispunt Estafettelaan - Fakkellaan - Oude Bosschebaan, vanaf waar 10% (39 mvt/etmaal) in oostelijke richting over de Fakkellaan wordt ontsloten en 30% (118 mvt/etmaal) in noordelijke richting over de Estafettelaan naar de Marathonloop. Vanaf hier wordt het verkeer in westelijke richting ontsloten naar het kruispunt Boschdijk Marathonloop - Anthony Fokkerweg. Op dit kruispunt wordt 15% (59 mvt/etmaal) via de Boschdijk in noordelijke richting ontsloten en 15% (59 mvt/etmaal) in westelijke richting over de Anthony Fokkerweg. De resterende 60% (236 mvt/etmaal) wordt op de Oude Bosschebaan in zuidelijke richting ontsloten naar het kruispunt Oude Bosschebaan - 1e Lieven de Keylaan Doctor Berlagelaan. Vanaf dit kruispunt wordt 10% (39 mvt/etmaal) verder in zuidelijke richting vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
63
ontsloten over de Doctor Berlagelaan en 25% (98 mvt/etmaal) via de 1e Lieven de Keylaan naar de Boschdijk en vanaf daar naar de Ring van Eindhoven. De resterende 25% (98 mvt/etmaal) wordt over de 1e Lieven de Keylaan ontsloten in oostelijke richting.
Beoogde verkeerstoedeling
Verkeersafwikkeling Aan de hand van de cijfers die volgen uit de berekening van de verkeersgeneratie moet worden bekeken welke consequenties dit heeft op de verkeersafwikkeling op het huidige en eventueel aangepaste wegennet. Hieruit blijkt dat het plan wel of niet past binnen de bestaande infrastructuur.
De hoogste verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling vindt plaats vanaf het plangebied tot aan de Oude Bosschebaan, waar de beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 393 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze wegen zijn ingericht als een erftoegangsweg-type 1 met een rijbaanbreedte van circa 6 meter. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat op erftoegangswegen-type 1 een verkeersomvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten in de autonome situatie is gebruik gemaakt van verkeersgegevens afkomstig uit het BBMA verkeersmodel 2022 van de provincie Noord-Brabant. Hieruit zijn verkeersgegevens verzameld voor de prognosejaren 2030 en 2040. Voor het beoordelen van de impact van de planbijdrage is de verkeersituatie 10 jaar na realisatie maatgevend. Voor de beoogde ontwikkeling wordt als uitgangspunt rekening gehouden met het realisatiejaar 2025 en het toekomstjaar 2035. Voor 64
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
het bepalen van de verkeersintensiteiten in het toekomstjaar is per wegvak de 'jaarlijkse autonome groei bepaald aan de hand van het verschil in de intensiteiten tussen de prognosejaren 2030 en 2040. In de onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten met en zonder planbijdrage weergegeven tot en met de Oude Bosschebaan. Hierbij is per wegvak ook weergegeven op basis van de inrichting van de weg hoeveel verkeer een dergelijke weg probleemloos vlot en veilig kan verwerken.
Wegvak
Acceptabel verkeersom vang
Intensiteit 2030 autonoom (m vt/etm aal)
Intensiteit 2040 autonoom (m vt/etm aal)
Intensiteit Planbijdrage Intensiteit 2035 (m vt/etm aal) 2035 incl. autonoom plan (m vt/etm aal) (m vt/etm aal)
Van Zinnicqstraat
4.000 à 6.000 mvt/etmaal
900
1.000
949
393
1.341
Pastoor Duséeplein
4.000 à 6.000 mvt/etmaal
1.900
2.100
1.997
393
2.390
Vitruviusweg
4.000 à 6.000 mvt/etmaal
1.900
2.100
1.997
393
2.390
Oude Bosschebaan Noord
6.000 à 15.000 5.600 mvt/etmaal
6.100
5.845
236
6.080
Oude Bosschebaan Zuid
6.000 à 15.000 7.100 mvt/etmaal
7.600
7.346
157
7.503
Uit de resultaten van de bovenstaande tabel blijkt dat de autonome situatie tot aan de Oude Bosschebaan dermate laag zijn ten opzichte van de gehanteerde grenswaarde voor een acceptabele verkeersomvang dat de beoogde verkeerstoename probleemloos kan worden opgevangen. Vanaf de Oude Bosschebaan is de beoogde verkeerstoename dermate laag dat de planbijdrage opgaat in het heersende verkeersbeeld.
Verkeersveiligheid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer. Voor voetgangers zijn voetpaden aanwezig ten noorden van het plangebied. Op de punten waar het langzaam verkeer in aanraking komt met het gemotoriseerde verkeer is de planbijdrage dermate laag dat het effect op de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer verwaarloosbaar is. Alhoewel fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer tot aan de Oude Bosschebaan, zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor een significante verslechtering van de verkeersveiligheid van het fietsverkeer. Op de betreffende wegen geldt een lage maximumsnelheid en de bochten in de rijbaan ontmoedigen te hard rijden. Daarbij geldt zoals eerder benoemd dat deze wegen nog over ruim voldoende restcapaciteit beschikken om de beoogde verkeerstoename probleemloos op te vangen. De beoogde ontwikkeling leidt dan ook niet tot knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid.
Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom wordt er ingezet op ruimte-efficiënt en omgevingsvriendelijk vervoer. Meer lopen, fietsen, openbaar vervoer en gebruik van deelmobiliteit en minder gebruik van de auto. Deze mobiliteitstransitie is in het belang van een bereikbare en leefbare stad.
De Nota Parkeernormen 2024 is opgesteld om de door de gemeente Eindhoven gewenste mobiliteitstransitie te kunnen sturen. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
65
in Eindhoven en tegelijk het centrum van Eindhoven goed bereikbaar blijven. De parkeernormen die aan bouwplannen gesteld worden, dragen bij aan de doelstellingen voor een autoluw centrum en aan de verdichtingsopgave in de hele stad en maken het daarom ook mogelijk om plannen te realiseren met minder of zelfs (in het centrum) zonder de aanleg van parkeerplaatsen (nulnorm).
De parkeernormering heeft betrekking op het parkeren van auto's en fietsen. In de systematiek wordt echter ook ingezet op duurzame alternatieve vervoerswijzen. Dit is onder meer uitgewerkt in de vorm de verplichte reductie bij HOV en het stimuleren van deelmobiliteit en mobiliteitshubs (minder parkeerplaatsen bij stations en HOV-haltes en bij gebruik van deelvervoer voor bewoners. Daarnaast willen we bestaande parkeercapaciteit beter gaan benutten in plaats van het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen. Voor het gedeelte van de parkeeropgave waar een plan niet in voorziet, bestaat het mobiliteitsfonds waarin de afkoopbedragen terecht komen ten behoeve van stadsbrede duurzame mobiliteitsvoorzieningen.
Elk nieuw of bestaand adres waar na 2016 een omgevingsvergunning voor is afgegeven, komt op het AUP-overzicht (Adressenlijst Uitsluiting Parkeervergunningen). Adressen op deze lijst komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden.
Fietsparkeren In de Nota Parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen. Naast voldoende in omvang hangt het succes van een fietsenstalling sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden ook vastgelegd: het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.171) regelt dat een woonfunctie over een afsluitbare bergruimte moet beschikken voor het stallen van fietsen en bij collectieve fietsenstallingen gelden de kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen die Eindhoven als gelijkwaardig beschouwt mits de benodigde aantallen fietsparkeerplekken conform de normen worden ingepast.
7.8.2
Toetsing
Verkeersgeneratie en -afwikkeling Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 393 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Op basis van de autonome verkeersintensiteiten hebben de ontsluitende wegen ruim voldoende rest capaciteit beschikbaar om de beoogde verkeerstoename probleemloos te verwerken. Het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet is dan ook verwaarloosbaar.
Autoparkeren Voor dit project is de online parkeertool van gemeente Eindhoven ingevuld. De parkeertool is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit de parkeertool blijkt dat in de beoogde situatie 57 parkeerplaatsen extra nodig zijn. In deze parkeerbehoefte wordt voorzien door middel van twee parkeervelden aan de west- en oostzijde van het projectgebied. Beide velden bij elkaar opgeteld zijn goed voor 57 parkeerplaatsen.
De berekening gaat uit van een toename, waarbij de huidige parkeercapaciteit behouden blijft. 66
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Uit de parkeertool blijkt dat de huidige behoefte op het maatgevende moment 45 parkeerplaatsen betreft (bezoekers en parkeren sociale huurwoningen met toepassing dubbelgebruik). De parkeerbehoefte werd voorheen volledig in de openbare ruimte opgevangen, maar van die capaciteit komen de twee hofjes (totaal 16 parkeerplaatsen) te vervallen. In de overige openbare ruimte in nabijheid is voldoende ruimte beschikbaar om deze parkeerplaatsen op te vangen. Uit de als bijlage toegevoegde parkeerdrukmeting volgt immers dat op de maatgevende momenten voldoende restcapaciteit beschikbaar is, waaronder langsparkeren aan de Van Zinnicqstraat (sector 4, 5 en 6 uit de parkeerdrukmeting).
Benadrukt moet worden dat het aandeel van de parkeerbehoefte gelijk aan de parkeerbehoefte in de huidige situatie (grondgebonden sociale huurwoningen) op dit moment al in openbaar gebied wordt opgelost en dit blijft in de toekomstige situatie behouden. De parkeerplaatsen die in de hofjes komen te vervallen (16 parkeerplaatsen) worden elders in de openbare ruimte in de omgeving van het plangebied opgevangen. Daarbij mag de parkeerdruk niet oplopen tot een onacceptabel niveau. Uit de Nota Parkeernormen 2024 volgt dat het buiten het centrum mogelijk is bij voldoende restcapaciteit parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor een plan in te zetten, zolang de bezetting onder de 90% blijft (zowel op het maatgevende moment van het plan als op het piekmoment van de parkeerdruk in de omgeving). Uit de parkeerdrukmeting volgt dat zowel voor het gebruikmaken van parkeerplaatsen aan de Van Zinnicqstraat als voor parkeerplaatsen in de direct aangrenzende straten (totaal) de parkeerdruk onder de 90% blijft. De parkeerdruk blijft dus op een acceptabel niveau.
Gezien het voorgaande wordt voldaan aan het geldende parkeerbeleid van gemeente Eindhoven.
Park eersituatie in de nieuwe situatie (Bron: Pauwert architectuur)
Fietsparkeren
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
67
De fietsparkeerbehoefte is onder te verdelen in de behoefte voor bewoners en bezoekers. Uit de ingevulde parkeertool volgt een behoefte aan 404 fietsparkeerplaatsen voor bewoners. In de drie woongebouwen worden op de begane grond bergingen gerealiseerd die voldoende groot zijn om per woning in de fietsparkeerbehoefte (2 per woning) te voorzien. Voor bezoekers worden aan de entree van ieder gebouw zogenaamde fietsnietjes voorzien. In totaal zijn ongeveer 34 fietsparkeerplaatsen voor bezoekers nodig, die in verhouding tot het aantal woningen per woongebouw worden verdeeld. 7.8.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.9
Groen
7.9.1
Algemeen
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie.
Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan.
Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.
In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen . De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
68
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Ruimtelijke Strategieënkaart (plangebied blauw omcirkeld)
Het projectgebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Stad, rood bepalend' maar op ligt tegen 'Structureel stadsgroen'. In deze gebieden wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:
Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. De ondersteunende functie van het groen is van groot belang, vooral vanwege de betekenis voor biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.
Strategie 4: Structureel stadsgroen In deze gebieden gaat het om het netwerk van de binnenstedelijke groenstructuur. Het groen is bedoeld voor groene dooradering van de stad, voor intensieve recreatie en ontspanning (parken), natuur en waterberging. Als uitgangspunt wordt ingezet op een robuust groen netwerk. Het beleid is gericht op het versterken van de functionaliteit van deze gebieden en het verbinden tot robuuste structuren. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
69
7.9.2
Beleidsregel Groen en Water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven
Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen.
Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit.
Groennorm In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen.
Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan. Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave.
Groencompensatie In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen.
7.9.3
Verordening bomen 2024
In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.
Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig voor: het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt; het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht; 70
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand, of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur. De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op: boom of houtopstand met minimaal 45 centimeter stamomtrek gemeten op 130 centimeter hoogte, buiten erven of in tuinen; houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.
Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de nadere uitwerking daarvan in de nadere regels.
Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024 Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand.
Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het plangebied mogelijk.
Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.
7.9.4
Groene kaart
Er is een Groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); groenarme gebieden; centrumgebied; bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving; gemeentelijke waardevolle bomen en monumentale bomen. De informatie op de groene kaart is nodig om: te duiden waar de waardevolle bomen staan; te duiden waar de monumentale bomen staan; inzicht te geven in de Bebouwingscontour houtkap; inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
71
compensatie aan de orde is; het centrumgebied en de groenarme gebieden (zie Nadere regels compensatieplicht). Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.
7.9.5
Toetsing
De strategie 'Stad, rood beeldbepalend' is aan de orde. Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van groene elementen of functies, waarbij het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. Binnen als zodanig aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Het projectgebied ligt volgens de Groene Kaart 2024 niet binnen een groenarme buurt waar naar uitbreiding van het groenareaal wordt gestreefd.
Het park aan de noordzijde van het projectgebied maakt deel uit van het 'Structureel stadsgroen' en is volgens de Groene Kaart 2024 van belang als 'groene dooradering' van de stad. Op de plek van de huidige hofjes tussen de afzonderlijke deelgebieden is dit groen al enigszins de wijk ingetrokken. Door de ruime positionering van de nieuwe woongebouwen onderling en ten opzichte van bestaande bebouwing in de omgeving komt er nog meer ruimte om dit groen verder de buurt in te trekken. Het groen tussen de woongebouwen wordt multifunctioneel, in die zin dat deze bijdraagt aan klimaatambities (minder verharding ten behoeve van hemelwaterinfiltratie en tegengaan hittestress), biodiversiteit, bewegen en ontmoeten (en daarmee het welzijn en de gezondheid van bewoners).
Om te beoordelen of het ontwerp van een project aan de groennorm voldoet is een online rekentool ontwikkeld. Daarin is ook de norm voor hemelwaterberging (zie paragraaf 7.11) verwerkt. Voor dit project is de online rekentool ingevuld en het resultaat is opgenomen als bijlage bij deze motivering.
Bij stap 1 van de Rekentool Klimaatopgave worden de kerngegevens van het project ingevuld, zoals ligging, oppervlakte en programma. Daaruit volgt de behoefte aan groen en waterberging die gerealiseerd dienen te worden. Bij stap 2 wordt nader gespecificeerd welk oppervlak van het maaiveld, dak en gevel groen wordt uitgevoerd. Ook kan worden aangegeven welke maatregelen in het project worden genomen om groen toe te voegen en/of water vast te houden, zoals een groen dak, wadi of ondergrondse waterbergingen. De ontwikkeling is klimaatneutraal of -positief als aan de vereiste groen- en waterbergingsopgave wordt voldaan. Zoals uit bijgevoegde uitvoer blijkt voldoet het project aan de vereisten. De realisatie en instandhouding van de juiste hoeveelheid groen en waterberging wordt in de regels van dit TAM-omgevingsplan geborgd met een beoordelingsregel.
Bomen effect analyse De sloop- en nieuwbouw binnen het projectgebied kan gevolgen hebben voor bestaande bomen binnen en rondom het projectgebied. Daarom is een bomeneffectanalyse uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze motivering opgenomen.
In totaal zijn 59 bomen geïnventariseerd. 27 bomen hebben een goede conditie, 29 bomen hebben een redelijke conditie en drie bomen hebben een matige conditie. De bomen met een goede en redelijke conditie hebben een levensverwachting van meer dan vijftien jaar. De 72
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
bomen met een matige conditie hebben een levensverwachting tussen de vijf en vijftien jaar. Bij 11 bomen zijn holte(s) waargenomen waardoor zij als risicobomen zijn opgenomen.
Bomen 3, 13, 18 en 57 kunnen in het licht van de voorgenomen werkzaamheden niet duurzaam worden ingepast. Voor deze bomen moet een omgevingsvergunning voor kap worden aangevraagd.
Behoud van de overige bomen in het plangebied is in het licht van de voorgenomen werkzaamheden mogelijk, mits volgens een aantal randvoorwaarden wordt gewerkt.
In het participatietraject is door huidige bewoners met name veel waarde toegekend aan een magnoliaboom in één van de achtertuinen van de huidige woningen. Verzocht is om deze boom te behouden en een plaats te geven in het ontwerp. De magnoliaboom is één van de vier bomen die volgens de BEA niet duurzaam behouden zou kunnen blijven.
Naar aanleiding van de BEA en het participatietraject is het stedenbouwkundig ontwerp dusdanig aangepast dat zo veel mogelijk bomen, waaronder in ieder geval de magnoliaboom, kunnen worden behouden.
Bij het stedenbouwkundig ontwerp zijn de gebouwen en het parkeerterrein dusdanig gepositioneerd dat de boom behouden kan blijven. De boom staat bij de entree van het oostelijke gebouw, waardoor deze nog meer betekenis krijgt.
De drie bomen die niet behouden kunnen worden, zullen worden gekapt. Deze bomen staan momenteel in de achtertuin van huidige bewoners. De waarde van deze bomen wordt getaxeerd en compensatie van de bomen vindt plaats in de groene middenzones. De overige bomen zijn duurzaam te behouden mits tijdens de aanlegwerkzaamheden rekening wordt gehouden met deze bomen en een aantal boombeschermende maatregelen worden genomen.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
73
Invulling groenopgave (Bron: Pauwert architectuur)
7.9.6
Conclusie
Het aspect groen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.10
Natuur
7.10.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van 74
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
7.10.2
Toetsing
7.10.2.1
Gebiedsbescherming
Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied "Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux" dat op ongeveer 7,8 km ten zuidoosten van het projectgebied is gelegen. Een ander dichtbijgelegen Natura2000-gebied is het gebied "Kempenland-West" op ongeveer 9,7 kilometer ten zuidwesten. Groen op Landgoed De Grote Beek op ongeveer 160 meter ten westen van het projectgebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de Omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant). Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
75
Uitsnede digitale kaart 'Natuurnetwerk Nederland (EHS)' en 'Natura 2000-gebieden' (Bron: Atlas Leefomgeving). Projectgebied met blauwe marker aangeduid.
Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatieen gebruiksfase van de ontwikkeling.
7.10.2.2
Soortenbescherming
Woningcorporatie Woonbedrijf heeft binnen gemeente Eindhoven en gemeente Geldrop-Mierlo bijna 25.000 woningen die ouder zijn dan 18 jaar en in aanmerking komen voor een ruimtelijke ingrepen zoals renovatie of sloop. Deze werkzaamheden zijn nodig om te voldoen aan prestatieafspraken met betrekking tot de energieprestatie. Bij dit soort werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten verloren gaan. Daarom heeft in meerdere fasen ecologische soortenonderzoek plaatsgevonden, waarbij ook de woningen binnen voorliggend projectgebied zijn betrokken.
Vooronderzoek Aan de hand van bureauonderzoek zijn waarnemingen van verblijfplaatsen gedigitaliseerd en is aanvullende informatie verzameld over de kenmerken van woningen ten behoeve van modelmatig onderzoek. Met het modelmatig onderzoek is op basis van kenmerken van de woningen, de gebouwen en de omgeving een voorspelling gedaan over de kans dat een soort aanwezig is. Dit is vergelijkbaar met een reguliere quickscan, maar dan op basis van een model, het geschiktheidsmodel. De uitkomsten van dat model zijn gevalideerd met de resultaten van de veldonderzoeken die conform de landelijke onderzoeksprotocollen en/of kennisdocumenten zijn uitgevoerd. In de periode 2016 tot en met 2022 is 15% van het totale woningbezit van Woonbedrijf in Eindhoven en Geldrop op locatie onderzocht. Binnen de overige 85% van het totale woningbezit van Woonbedrijf in Eindhoven en Geldrop vindt 76
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
aanvullend onderzoek plaats. Voor voorliggend projectgebied heeft in het veld onderzoek plaatsgevonden naar huismussen, gierzwaluw en vleermuizen.
Nader onderzoek huismussen Op buurtniveau heeft nader onderzoek naar huismussen plaatsgevonden. Ook de te slopen woningen binnen voorliggend projectgebied zijn daarin onderzocht. De resultaten van het nader onderzoek zijn als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit het onderzoek blijkt voor voorliggend projectgebied dat bij één woning aan de Jacob van Campenweg aan de achterzijde krijtsporen aanwezig zijn onder de dakgoten, wat duidt op de aanwezigheid van huismussen.
Nader onderzoek gierzwaluw en vleermuizen Op buurtniveau heeft op buurtniveau nader onderzoek naar vleermuizen en gierzwaluw plaatsgevonden. Ook de te slopen woningen binnen voorliggend projectgebied zijn daarin onderzocht. De resultaten van het nader onderzoek zijn als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit het onderzoek blijkt voor voorliggend projectgebied dat bij vier woningen nesten van de gierzwaluw (zeven stuks in totaal) zijn aangetroffen. Verder zijn er meerdere paarterritoria van vleermuizen aangetroffen ter hoogte van Jacob van Campenweg 46-58 en Van Zinnicqstraat 2-10, 30-38 en 42-56. De exacte locatie van de verblijfplaatsen is onbekend. Geconstateerd is dat het park aan de noordzijde van het projectgebied als foerageergebied fungeert.
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Vanwege de sloop van de woningen kunnen de aangetroffen nest- en verblijfplaatsen niet behouden blijven. Het vernietigen van nesten van huismussen en gierzwaluwen en verblijfplaatsen van vleermuizen is een overtreding van de natuurwetgeving conform Omgevingswet en is alleen toegestaan nadat hiervoor een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit is verkregen. Voor de woningvoorraad van Woonbedrijf ouder dan 18 jaar binnen gemeente Eindhoven en Geldrop-Mierlo is in 2022 al een gebiedsontheffing aangevraagd conform de destijds geldende Wet natuurbescherming (Wnb). Op 10 maart 2023 is deze ontheffing met kenmerk Z/174764-332014 verleend (zie bijlage bij deze motivering). Daarbij is specifiek ontheffing verleend aan: het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van huismus, huiszwaluw en gierzwaluw; het beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen en het opzettelijk verstoren van dieren voor de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis; het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen voor de steenmarter. SMP en omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Een Wnb-ontheffing of omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit kan niet worden verkregen zonder Soortenmanagementplan (SMP).
Daarom is voor dit project een SMP opgesteld, dat eveneens als bijlage bij deze motivering is gevoegd. Uit het SMP volgt dat een aantal mitigerende maatregelen moet worden genomen, zoals het aanbrengen van vleermuiskasten en nestkasten voor gierzwaluwen en huismussen. Dat is inmiddels gebeurd.
7.10.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van gebieds- en soortenbescherming geen belemmeringen zijn voor dit project.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
77
7.11
Water
7.11.1
Algemeen
Algemeen (wettelijk kader /gemeentelijk beleid) Rijk Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.
Provincie De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang:
In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen.
In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk.
Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) 78
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.
Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is.
Bij regionale waterkeringen rondom de Klotputten geldt een beperkingengebied. Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
Waterschap Het waterschap gaat niet over ruimtelijke ordening. Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Op basis van het uitgangspunt 'water en bodem sturend' kan de rol van het waterschap in de ruimtelijke ordening wellicht wijzigen. In de Keur van Waterschap De Dommel bevat artikel 3.6 een verbod op afvoer door verhard oppervlak zonder vergunning. Op basis van de algemene regel 15 (Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak) geldt een vrijstelling als het waterschap na 1 januari 2019 heeft ingestemd met de waterparagraaf in het bestemmingsplan. Voor de gemeente Eindhoven is dit geval. Dat betekent dat de rekentool klimaatadaptie opgave leidend is bij elke nieuwe ontwikkeling.
Gemeente Eindhoven De gemeente Eindhoven heeft drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater). Daarnaast zijn in het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) taken beschreven voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven.
De water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven zijn verder uitgewerkt in waterregels. Deze regels binden derden aan de doelen van dit beleid. De regels voor waterberging zijn zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in millimeters wordt. Ook ontwikkelingen in groenarme buurten worden op deze manier gestimuleerd.
De gemeente Eindhoven heeft de rekentool klimaatadaptatie opgave ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Ook de vergroeningsopgaven zijn opgenomen in de rekentool. vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
79
Rijk en provincie zetten in op water en bodem sturend maken. In Eindhoven zijn Watervisiekaarten opgesteld om hier invulling aan te geven. Deze watervisiekaarten zijn richtinggevend bij elke ruimtelijke transitie binnen de gemeente Eindhoven en vormen een onderlegger voor het Omgevingsplan.
Toelichting rekentool De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning.
De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend.
Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen.
De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie.
De tool doorloopt hierbij vier stappen: 1. 2. 3. 4.
Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.
Beschrijving watersysteem plangebied
Checklist Watersysteem Hoofdw atergang cq open w ater
80
Nee
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Zijw atergang
Nee
Keurgebied binnen plangebied?
Nee
Binnen 25-100 jaarszone?
Nee
Binnen boringsvrije zone?
Nee
Ecologische verbindingszone?
Nee
Binnen reserveringsgebied w aterberging 2050?
Nee
Attentiegebied EHS
Nee
Rioolw atertransportleiding
Nee
Waterschap gemaal
Nee
Verdachte/verontreinigde locaties?
Nee
Infiltratie praktisch mogelijk?
matig tot goed*
Uitw erkingsplicht / w ijzigingsbevoegdheid
Nee
Samenvattend Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geeft het Rijk drie aandachtspunten mee: (1) betrekken van de waterbeheerder, (2) water en bodem sturend maken en (3) werken met de groene maatlat. Naast de bestaande instructieregels stuurt de provincie op een goede omgevingskwaliteit met aandacht voor water en bodem sturend middels de lagenbenadering. Hierdoor wordt rekening gehouden met een veranderend klimaat. De gemeente Eindhoven heeft een wettelijke zorgplicht voor de inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater. De rekentool klimaatadaptatie opgave geeft invulling aan klimaatadaptatie en is opgenomen in het paraplu bestemmingsplan. Door het invullen van de rekentool kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen eenvoudig nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn.
7.11.2
Toetsing
Door de bouw van 167 sociale huurappartementen op de plaats van 42 grondgebonden woningen zal het aanbod aan huishoudelijk water (afvalwater) toenemen. Dit afvalwater zal op gebruikelijke wijze gescheiden van het hemelwater worden aansloten worden op het bestaande gemengde riool in de Van Zinnicqstraat. Het hemelwater op het hoge dak van de drie gebouwen wordt opgevangen en afgevoerd naar hergebruiktanks. Van daaruit wordt het water verpompt en gefilterd naar de aangesloten toiletten. Op deze manier wordt het regenwater hergebruikt en dus ook drinkwater bespaard. De hergebruiktanks hebben wel een overlaat, mocht de hoeveelheid water van een neerslaggebeurtenis/reek groter zijn dan de aanwezige waterbergingscapaciteit. Zodoende wordt er ook minder snel hemelwater afgevoerd via het gemengde stelsel. De capaciteit van de gemengde stelsels is geënt op oude neerslaggebeurtenissen, welke maatgevend zijn in relatie tot de droogweer afvoer. Hiermee is de toename van het huishoudelijk afvalwater te aanvaarden. Ook heeft het plan nog lagere daken welke als groene daken uitgevoerd zullen worden. Groen daken zorgen ook weer voor een vertragende afvoer van hemelwater. De hemelwaterafvoer van deze daken en de overlaat leidingen worden afgevoerd naar de bestaande gemengde riolen (Noord-Zuid) die tussen de gebouwen liggen, zie de groene leiding in de onderstaande afbeelding.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
81
Met de huidige inzichten en het behoud van de huidige bomen is de gemeente Eindhoven voornemens de 4 rioolstrengen van dit Noord-Zuid tracé op enig moment om te bouwen naar HWA-riool.
Binnen dit ontwikkelplan vinden geen veranderingen van eigendom plaats. Per perceel en gebouw is de rekentool klimaatopgave ingevuld, welke in onderstaande tabel is samengevat.
82
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Tabel type oppervlakk en en/of te nemen maatregelen per perceel/gebouw In de bijlage zijn de drie rekentools klimaatopgave bijgevoegd. Het hergebruik van hemelwater in een appartementencomplex is maatwerk omdat de rekentool hier enkel in voorziet in geval van grondgebonden woningen. Met bijgevoegde notitie is de afstemming van dit maatwerk geleverd en met hergebruik hemelwater gekozen voor de meest duurzame vorm van verwerking van hemelwater.
7.11.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.12
Archeologie
7.12.1
Algemeen
Wettelijk en beleidsmatig karakter Nationaal beleid Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
83
deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Met deze kaart wil de gemeente het ondergronds cultureel erfgoed van Eindhoven behouden door behoedzame ontwikkeling en beheer. De geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart (vastgesteld op 21 juni 2022) wordt beschouwd als een bureauonderzoek op gemeentelijk schaalniveau en geldt vanaf het moment van vaststelling als onderlegger voor het omgevingsplan.
Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën (de categorieën 1 tot en met 8). Ter bescherming van de archeologische waarden worden deze (met uitzondering van categorie 8) op de verbeelding opgenomen als Waarde – Archeologie. Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. (Bouw)werkzaamheden die binnen de in de regels vermelde oppervlakten én diepte vallen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.
Archeologisch kader De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.