Bijlage 1c - TAM-omgevingsplan Prinsejagt - Motivering
Tekst van het document
Dit vraagt om randvoorwaarden voor de verstedelijking. Deze randvoorwaarden zijn uitgewerkt in zes verstedelijkingsprincipes. De verstedelijkingsprincipes zijn integraal en geven inzicht in de wijze waarop de verschillende stedelijke opgaven in samenhang tot elkaar opgepakt worden. Ze zijn noodzakelijk om de ruimtelijke ambities van Eindhoven waar te maken.
De verstedelijkingsprincipes zijn: De groene hoofdstructuur is leidend voor de gezonde ontwikkeling van de stad. Voldoende ruimte voor energievoorziening is noodzakelijk. Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik het uitgangspunt zijn. De mobiliteit zorgt voor een verbonden, ruimte-efficiënte en gezonde stad. De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en nieuwe economische toplocaties. De ruimtelijke structuur van de stad blijft herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe Welke opgave hebben we om de ambitie te bereiken? De kenmerken van de bestaande stad, de ambitie van Eindhoven en trends en ontwikkelingen leiden samen tot een aantal stedelijke opgaven. Deze opgaven ontstaan uit het verschil tussen de stad van nu en de stad die we in 2040 willen zijn. De opgaven zijn stadsbreed, langjarig en dragen bij aan het realiseren van de ambitie. Ze geven richting aan de ontwikkeling van onze stad. De stedelijke opgaven zijn allemaal even belangrijk en moeten in samenhang met elkaar worden opgepakt.
De stedelijke opgaven zijn: Eindhoven wordt klimaatneutraal. 38
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken; Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon. Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen. Samen met de stad werken wij aan de stedelijke opgaven. We zoeken de samenwerking op met onze ketenpartners (bijvoorbeeld Waterschap, ODZOB, Veiligheidsregio en GGD), bedrijfsleven, overheden (rijk, provincie, SGE en MRE), inwoners, ondernemers, onderwijsinstellingen, welzijnsorganisaties, woningcorporaties, ontwikkelaars en belangenorganisaties.
Toets Dit project draagt voornamelijk bij aan de opgaven 'werken aan een gezonde groei van de stad', 'leefbare, sociale wijken met een sterke identiteit' en 'energietransitie van de stad'.
Gezonde groei van de stad Eindhoven wil groeien, maar wel op een gezonde wijze. Gemeente Eindhoven streeft een compacte stad na, zodat het groenstedelijke karakter in de wijken wordt behouden. Verdichting gaat hand in hand met vergroening. Bij gezonde groei wordt ingezet op een duurzame stad, met groene gebieden, meer biodiversiteit, gezonde lucht, een klimaatadaptieve en veilige leefomgeving en een aantrekkelijke openbare ruimte die uitnodigt om te bewegen.
Dit project is onderdeel van een grotere opgave voor Woonbedrijf in de buurt Prinsejagt, waarbij de komende jaren 201 woningen worden gerestaureerd ten behoeve van het welzijn en de gezondheid van de bewoners en de energieprestatie. Voor de 42 woningen binnen het projectgebied is ervoor gekozen deze te slopen. De locatie biedt kansen om direct naast openbaar groen op een duurzame wijze te verdichten. Verouderde woningen maken plaats voor drie woongebouwen die zullen voldoen aan hedendaagse duurzaamheidseisen. De gebouwen worden deels voorzien van groene daken, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan klimaatadaptatie, waterberging en biodiversiteit (zie paragraaf 7.14). Verder gaat het project gepaard met realisatie van extra groen tussen de woongebouwen. Dit groen nodigt uit tot bewegen en ontmoeten en heeft een positieve invloed op het welzijn van bewoners.
Leefbare en sociale wijken met een sterke identiteit Bij dit project is er gekozen om te verdichten aan de rand van de woonbuurt tegen het groen. Bij positionering van de blokken wordt inspiratie gehaald uit de stedenbouwkundige opzet van de bestaande buurt. Hiermee blijft de identiteit van de buurt behouden en wordt de nieuwe toevoeging een onderdeel van de buurt. Tussen de woongebouwen wordt groen toegevoegd, waarmee het park ten noorden van het projectgebied als het ware de buurt wordt ingetrokken. Binnen dit groen worden plekken gerealiseerd waar men elkaar kan ontmoeten. De woongebouwen bevatten kleine woningen die geschikt zijn voor zowel starters als senioren. Daarmee draagt het plan eraan bij dat men de hele wooncarrière binnen dezelfde buurt kan afleggen. Op de begane grond van één van de woongebouwen komt bovendien een gezamenlijke ruimte, waar men elkaar kan ontmoeten en zodoende de sociale cohesie in de buurt kan worden versterkt.
Energietransitie in de stad vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
39
Zoals onder het kopje 'gezonde groei van de stad' al is aangeven maakt dit project deel uit van een groter renovatieproject ten behoeve van onder andere de duurzaamheid van woningen. Voor het projectgebied is daarbij geoordeeld dat hier kansen om op diverse fronten meerwaarde te creëren: toevoegen van woningen, in combinatie met toevoeging van openbaar groen en met oog voor duurzaamheid. Daarbij maken 42 woningen met een slechtere energieprestatie plaats voor 167 sociale huurwoningen die voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen en met oog voor klimaatadaptatie (zie paragraaf 7.14).
Conclusie Gelet op het voorgaande wordt met dit project invulling gegeven aan de ambities die zijn geformuleerd in de Omgevingsvisie.
6.3.2
Volkshuisvesting
6.3.2.1 Regionaal beleid Het initiatief maakt de realisatie van 167 sociale huurappartementen mogelijk. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Samen met de acht omringende gemeenten (Best, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen. Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre) vormt Eindhoven het Stedelijk Gebied Eindhoven. In dit verband werken de gemeenten samen aan regionale opgaven op het gebied van wonen. Het SGE is een subregio van de Metropoolregio Eindhoven, die in totaal 21 gemeenten omvat.
Afsprakenkader Wonen SGE 2022 Het afsprakenkader geeft aan hoe de negen SGE gemeenten omgaan met de afstemming van woningbouwplannen. Het biedt kwantitatieve en kwalitatieve kaders voor de komende jaren. Onze gezamenlijke opgave is om veel en snel nieuwe woningen te bouwen en deze groei in goede banen te leiden vanuit een scherp kwaliteitsbesef. We maken dus in het Stedelijk Gebied Eindhoven een schaalsprong in de woningbouwopgave. Met dit afsprakenkader waarborgen we daarbij de kwaliteit, betaalbaarheid, innovatie, diversiteit en duurzaamheid. En behouden we onze specifieke woon- en leefkwaliteit in deze regio, de unieke schakering van woonmilieus variërend van hoogstedelijk tot landelijk, tussen prachtige natuurlijke en recreatieve groen-blauwe landschappen oftewel onze 'City of Villages'
We richten ons bij de woningbouwopgave op inbreiding en transformatie. Dit is in lijn met het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Uit de inventarisatie van plancapaciteit en woningbehoefte blijkt dat er, op de eerder afgesproken negen majeure locaties en de twee recent aangewezen locaties De Kemmer (Oirschot) en Castiliëlaan (Eindhoven) na, geen noodzaak is voor en geen behoefte is aan nieuwe grootschalige uitbreidingslocaties.
Voor nieuwe uitbreidingslocaties geldt daarom nog steeds het uitgangspunt: 'Nee, tenzij…'. Uitbreiden kan alleen onder de volgende voorwaarden: 1. Er is sprake van een ontwikkeling die qua aard en schaal past op de locatie; 2. De ontwikkeling zorgt voor een duurzame afronding van het stedelijk gebied; 3. Hierbij is kwalitatieve landschappelijke aansluiting/ inpassing leidend. Daarnaast: 40
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
4. Monitoren we de woningmarkt voortdurend. Als veranderende prognoses erop wijzen dat wel grootschalige uitbreidingslocaties nodig zijn om te voorzien in de regionale kwalitatieve of kwantitatieve woningbehoefte (Laddertoets), zal herijking van dit afsprakenkader nodig zijn. 5. Toetsen we woningbouwplannen aan de 7 Brainport Principes om de kwaliteit hoog te houden. Dit zijn: 1. Koesteren van Identiteit; 2. Ruimte voor Innovatie; 3. Invloed voor bewoners; 4. Vraaggericht ontwikkelen; 5. Aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus: de wauw-factor; 6. Benutting regionaal schaalniveau; 7. Gezonde verstedelijking. 6. Laten we ons inspireren door de SGE-woningmarkt aquarel: de aquarel (voorheen 'kwadrantenbenadering') inspireert ons om met woningbouwprojecten aan te sluiten bij het karakter en de unieke kwaliteiten van het gebied. Zo creëren we diversiteit en kwalitatieve samenhang in woonmilieus in plaats van eenheidsworst. Woondeal 2023 Op 9 maart 2023 is de Woondeal Zuidoost- Brabant getekend. Rijk, Provincie, MRE gemeenten en woningcorporaties starten hiermee een langjarige samenwerking om de woningbouwproductie in onze regio te vergroten. De regio Zuidoost-Brabant staat voor de opgave om minimaal 45.000 woningen toe te voegen in de periode 2022 t/m 2030. Een gigantische opgave waar Rijk, Provincie Noord-Brabant, regiogemeenten en corporaties zich gezamenlijk voor gaan inzetten.
In de Woondeal maken we afspraken over ieders rol en bijdrage aan deze opgave. De gemeente Eindhoven staat in de periode van 2022 t/m 2030 voor 19.885 woningen aan de lat.
Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen streven we ernaar dat twee derde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Regionaal spreken we af dat nieuwe projecten (gemiddeld) uit minimaal 30% sociale huur, minimaal 16% middenhuur en minimaal 20% betaalbare koopwoningen bestaan. Het minimum van 30% sociale huur en twee derde betaalbaar in de nieuwbouwopgave geldt voor elke gemeente, de verdeling tussen middenhuur en betaalbare koop kan per gemeente verschillend zijn. Het lokale woonprogramma van gemeente Eindhoven voldoet aan deze voorwaarde en blijft daarmee leidend.
Met de woondeals nemen we samen de regie op de volkshuisvesting
Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven 2019 In de Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven uit april 2019 geven de SGE-gemeenten een kwalitatieve invulling aan het Afsprakenkader 2017. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van twee conceptuele handvatten: de kwadrantenbenadering en de uitgewerkte Brainport Principes. De kwadrantenbenadering bevordert de diversiteit bij nieuwe woningbouwprojecten door in te zetten op de eigenheid en kwaliteiten van alle afzonderlijke plekken binnen het SGE. De Brainport Principes zijn algemene kwaliteitscriteria waaraan ieder woningbouwproject wordt getoetst. Zo houden de regiogemeenten zichzelf scherp in het maken van unieke woongebieden die van toegevoegde waarde zijn op het bestaande palet in de regio.
Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021 In 2020 hebben de gemeenten in het SGE gezamenlijk opdracht gegeven aan Stec Groep voor de uitvoering van een regionaal woningbehoefteonderzoek voor de periode tot 2040.
Kwantitatieve opgave vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
41
In het in mei 2021 gereedgekomen Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven wordt onderbouwd dat het aantal huishoudens in het SGE tot 2040 naar verwachting met circa 48.700 zal toenemen. Daarnaast is er een opgave om het huidige woningtekort in te lopen. De totale woningbouwopgave voor het SGE komt daarmee uit op 53.900 woningen tot 2040.
In de gemeente Eindhoven zouden volgens dit onderzoek tot 2040 ongeveer 35.280 extra woningen moeten worden gerealiseerd. De behoefte aan extra woningen is vooral fors in de periode 2020-2025. In de eerst komende 5 jaar is er regionaal een uitbreidingsbehoefte van circa 16.400 woningen, circa 30% van de woningbehoefte tot 2040. In de MIRT-afspraken met het Rijk is vastgelegd dat de gemeenten in het SGE tot 2040 de bouw van 62.000 woningen faciliteren.
Kwalitatieve opgave Het Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven geeft ook inzicht in de (ontwikkeling van) de kwalitatieve woningbehoefte. De verwachte groei van het aantal huishoudens is volgens dit onderzoek terug te zien in alle leeftijdsgroepen, maar vooral onder 65-plussers. Waar gezinnen nu nog het merendeel van alle huishoudens in het SGE vormen, bestaat in 2040 het grootste gedeelte van de huishoudens uit alleenstaandenen stellen van 65 jaar of ouder.
Specifieke doelgroepen De toename van het aantal 65-plus huishoudens zorgt ook voor een groeiende behoefte aan woningen die geschikt zijn voor zelfstandig wonen met ondersteuning en zorg aan huis. In de periode tot 2040 wordt een sterke toename verwacht van het aantal inwoners met een indicatie voor langdurige zorg. Door het extramuraliseringbeleid van de rijksoverheid zal het aanbod van intramurale verzorgingsplaatsen naar verwachting niet evenredig meegroeien.
Een specifieke woningvraag is verder te verwachten van studenten. In de gemeente Eindhoven wordt tot het collegejaar 2027-2028 een groei van 120 tot 660 uitwonende studenten verwacht. In de gemeente Helmond blijft het aantal uitwonende studenten tot het collegejaar 2027-2028 naar verwachting stabiel. Voor de andere gemeenten in het SGE is geen informatie beschikbaar over de woningbehoefte van studenten.
De vraag van kennismigranten (expats) maakt onderdeel uit van de totale woningvraag in het SGE. Volgens onderzoek van het PON zijn in het Stedelijk Gebied Eindhoven daarnaast bijna 20.500 arbeidsmigranten werkzaam, die veelal productiewerk verrichten.
Afsprakenkader Huisvesting Arbeidsmigranten Stedelijk Gebied Eindhoven 2020 In november 2020 stelden de SGE-gemeenten het Afsprakenkader Huisvesting Arbeidsmigranten Stedelijk Gebied Eindhoven vast. De regionale ambitie is om in de periode 2021 tot en met 2024 circa 4.000 humane huisvestingsplaatsen voor arbeidsmigranten te realiseren. Er zijn geen afspraken over specifieke aantallen per gemeente, maar iedere gemeente heeft passend bij de aard en omvang een eigen verantwoordelijkheid. In het afsprakenkader wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen huisvesting: tijdelijke huisvesting (korter dan 2 tot 3 jaar) en permanente huisvesting (arbeidsmigranten die zich definitief vestigen in Nederland). Hierbij is bekend (op basis van ervaring) dat zo'n 80% van de arbeidsmigranten in de regio er op tijdelijke basis is en zo'n 20% zich definitief vestigt. De woningbehoefte van arbeidsmigranten die zich definitief in het SGE willen vestigen, maakt 42
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
onderdeel uit van de totale regionale woningbehoefte.
6.3.2.2 Lokaal beleid Woonvisie 2015 Op 15 december 2015 heeft de gemeenteraad van Eindhoven de Woonvisie 2015 vastgesteld. De woonvisie geeft inzicht in de gemeentelijke ambities op het gebied van bouwen en wonen en steunt op drie pijlers: Eindhoven als ambitieuze stad, als solidaire stad en als innovatieve stad.
Ambitieuze stad Eindhoven groeit en wil verder verstedelijken, in het bijzonder in het gebied binnen de Rondweg (Ring). Hierbij wordt gestreefd naar een gemengde en gevarieerde woonomgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En die tegelijkertijd ook groen en gemoedelijk blijft.
Solidaire stad De gemeente wil dat Eindhoven een inclusieve en solidaire samenleving is. De meeste inwoners kunnen hierin zelf hun plek vinden. Minder zelfredzame inwoners worden hierbij ondersteund. Door de vergrijzing en de decentralisatie van de langdurige zorg, neemt de vraag naar passende huisvesting voor ouderen en bijzondere doelgroepen toe. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie van bijzondere doelgroepen in bepaalde wijken is ongewenst.
Innovatieve stad De gemeente Eindhoven daagt ontwikkelaars van nieuwe woningen uit om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. Ook in de aanpak van de bestaande woningvoorraad en in de transformatie van kantoren en zorgvastgoed is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen. Voor inwoners die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte, die snel beschikbaar en financieel bereikbaar is, worden in Eindhoven flexwoningen ontwikkeld. Dit biedt tevens kansen voor transformatie van leegstaand vastgoed. Verder wil de gemeente Eindhoven dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Daarnaast wil de gemeente dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor huishoudens met een hoger inkomen.
Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 Vanwege de hoge dynamiek op de woningmarkt heeft de gemeenteraad op 15 december 2020 het Woonprogramma 2021-2025 vastgesteld. Het Woonprogramma sluit aan bij eerder vastgesteld beleid voor wonen en de fysieke leefomgeving. De ambities uit de Woonvisie 2015 blijven cruciaal voor de ontwikkeling van de stad, maar komen door de snelle prijsstijgingen in de afgelopen jaren in een ander daglicht te staan. Met het oog daarop kiest de gemeente voor een accentverschuiving richting de volgende ambities: forse groei van de woningvoorraad (binnen én buiten de ring) om de grote groei van woningen te kunnen opvangen; een evenwichtig woningaanbod, zodat alle inwoners een betaalbare woning kunnen vinden; voldoende geschikte woningen voor kwetsbare inwoners.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
43
Eindhoven streeft ernaar om jaarlijks minimaal 3.000 extra woningen aan de voorraad toe te voegen.
Voor de stad als geheel is voor de periode 2024-2025 de onderstaande differentiatie leidend: Categorie
Prijspeil 2020
Aandeel in nieuw bouw program m a
Doelgroepen die w e hierm ee bedienen
Sociale huur
< € 879,66
30%
Starters (jongeren), gezinnen met lagere inkomens, doorstromers uit studentenkamers
Middenhuur
€879,66 € 1.123,13
15%
Internationals, doorstromers uit sociale huur (scheefw oners), w elgestelde ouderen.
Dure huur
>€ 1.123,13
0%
Internationals, w elgestelde ouderen.
Sociale koop
< € 230.000
20%
starters (jongeren) startende gezinnen.
Middeldure koop laag Middeldure koop hoog
€ 230.000 €275.000 € 275.000 – € 390.000
20%
Starters (jongeren), gezinnen (jonge en oudere), doorstromers uit sociale huur/koop, blijvende internationals.
Dure koop
>€390.000
15%
Doorstromers uit de koop, blijvende internationals
TOTAAL
100%
Deze percentages hoeven niet bij elk woningbouwproject gerealiseerd te worden. De exacte invulling op projectniveau is onder meer afhankelijk van het (beoogde) woonmilieu en de bestaande woningvoorraad in het betreffende gebied.
Woon-zorgvisie 2023-2030 De woonzorgvisie richt zich op zelfstandig wonende ouderen en inwoners in een kwetsbare positie. De visie van de gemeente Eindhoven ten aanzien van wonen en zorg is: Inwoners wonen veilig en betaalbaar in Eindhoven. Zij zijn zoveel mogelijk samenredzaam. De woonomgeving stimuleert dit, daagt uit tot een gezonde leefstijl en is toegankelijk en leefbaar voor iedereen.
Ambities / outcome 1. Er is een betaalbare en geschikte woning beschikbaar. 2. De leefomgeving in Eindhoven sluit aan bij de behoeften. 3. Eerst inzetten op preventie en gezondheid. Zo nodig is de juiste ondersteuning en aanvullende zorg dichtbij beschikbaar. 4. Het woonzorgvastgoed in Eindhoven is CO2-neutraal in 2050 conform Europese afspraken Doelstellingen / output Onderstaand de belangrijkste doelstellingen/ output van de woonzorgvisie 44
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
1. Er is een betaalbare en geschikte woning beschikbaar Vergroten van kwalitatief hoogwaardig en aantrekkelijk woningaanbod voor ouderen Bevorderen van doorstroom onder ouderen naar een passende woning Vergroten van het aantal geclusterde woningen en levensloopbestendige woningen in woonzorgcirkels Versnelde realisatie van sociale huurwoningen en betere woonruimteverdeling Woningprogrammering richten op de specifieke woonbehoeften van inwoners in een kwetsbare positie Meer regie op locaties voor instellingszorg 2. De leefomgeving in Eindhoven sluit aan bij de behoeften De leefomgeving in Eindhoven is toegankelijk voor mindervaliden en is dementie- en GGZ vriendelijk Fysieke woonomgeving bevordert de gezondheid en nodigt uit tot het maken van gezonde keuzes Sociale basisvoorzieningen zijn beschikbaar in de wijk voor ontmoeting en vrijwillige ondersteuning Wijken bestaan uit een mix van bewoners en zijn leefbaar 3. Eerst inzetten op preventie en gezondheid. Zo nodig is de juiste ondersteuning en aanvullende zorg dichtbij beschikbaar Inzet meer gericht op preventie en gezondheid, zorg en ondersteuning zijn aanvullend. Versterken van informeel en formeel netwerk van inwoners Meer herstelgerichte zorg en clustering van zorgvragers 4.
Het woonzorgvastgoed in Eindhoven is CO2-neutraal in 2050 conform Europese afspraken Zelfstandige sociale huurwoningen verduurzamen vanuit het Duurzaamheidspact Zorgvastgoed verduurzamen met Greendeal Wonen en Zorg Toets Het initiatief voorziet in de realisatie van 167 nieuwe sociale huurwoningen. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Uit de Woondeal 2023, Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021 en Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 volgt dat er kwalitatief en kwantitatief nog ruimschoots behoefte is aan nieuwe woningen.
Conclusie Het project sluit kwalitatief aan bij de lokale en regionale ambities voor volkshuisvesting. Kwantitatief is er nog ruimschoots behoefte aan de woningen die met dit project aan de woningvoorraad worden toegevoegd.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
45
46
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 7
Fysieke leefomgeving en milieu
7.1
Ladder van duurzame verstedelijking
7.1.1
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 7.1.2
Toetsing
Het Bkl geeft geen uitsluitsel wanneer een ontwikkeling moet worden gezien als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Geldende jurisprudentie onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening / Besluit ruimtelijke ordening is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing, of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Het project voorziet in de sloop van 42 woningen en nieuwbouw van 167 sociale huurwoningen. Gelet op de omvang is er duidelijk sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Een toets aan deze instructieregel van het Rijk is dan ook nodig.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het goed om op te merken dat met dit project sprake is van een duurzame ontwikkeling waar behoefte aan is. Er is immers sprake van een verantwoorde inbreiding / verdichting binnen bestaand stedelijk gebied. 7.1.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en een duurzame verstedelijking.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
47
7.2
M.e.r.-beoordeling
7.2.1
Algemeen
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
7.2.2
Toetsing
De realisatie van 167 sociale huurwoningen kan worden gezien als een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit, te weten categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is in dat geval geen mer-plicht van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling noodzakelijk. Of een dergelijk bouwplan daadwerkelijk moet worden aangemerkt als 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de aard en omvang van het project, de ligging en ontsluiting van het projectgebied, en de resultaten van milieuonderzoeken.
In dit geval worden 42 grondgebonden woningen gesloopt om plaats te maken voor drie woongebouwen met 167 sociale huurwoningen in totaal. Ook de openbare ruimte rondom de woongebouwen wordt opnieuw ingericht, waarbij aan de randen in ieder geval twee parkeerterreinen worden gerealiseerd op maaiveld. Gelet op de aard en omvang kan het project worden aangemerkt als 'stedelijk ontwikkelingsproject' en moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.
De m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) is als bijlage bij deze motivering opgenomen. Daaruit blijkt dat dit project niet zorgt voor nadelige milieueffecten.
48
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
7.2.3
Conclusie
Het aspect mer-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.3
Geluid
7.3.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
7.3.1.1 geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente Eindhoven heeft de instructieregels voor gemeente- en waterschapswegen verwerkt in de beleidsregel 'Geluidbeleid Geluid in geluidaandachtsgebieden' dat op 14 november 2023 door het college van gemeente Eindhoven is vastgesteld.
Geluidbronsoorten
Standaardw aarde in L den (dB)
Grensw aarde in L den (dB) Nieuw e geluidgevoelige gebouw en
Aanleg of aanpassing bron
Rijks- en provinciale w egen
50
60
65
Gemeente- en w aterschapsw egen
53
70
70
Gemeente- en Waterschapsw egen in uitleggebieden voor stroomw egen, gebiedsontsluitingsw egen en w ijk-/buurtontsluitingsw egen
53
58
58
Hoofd- en lokale spoorw egen
55
65
70
Industrieterreinen
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
49
van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
7.3.1.2 Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient - naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen - ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle milieubelastende activiteiten met een functionele binding tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is zoals hier het geval is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).
Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. 7.3.2
Toetsing
7.3.2.1 Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen Het project heeft geen betrekking op een geluidbron zoals een weg, spoorweg of industrieterrein, maar voorziet wel in nieuwe woningen. Omdat woningen geluidgevoelige objecten zijn, dient de geluidbelasting van (spoor)wegen en industrieterrein ten aanzien van die woningen te worden beoordeeld.
Het bedrijventerrein GDC (ten noordwesten) is een geluidgezoneerde industrieterreinen. De geluidcontour reikt echter niet tot over het projectgebied. Op ongeveer 870 meter en zuidwesten van het projectgebied loopt de spoorlijn Eindhoven-Boxtel. Gezien de afstand ligt het projectgebied ruimschoots buiten het geluidaandachtsgebied van het spoor. Het projectgebied ligt wel binnen het geluidaandachtsgebied van lokale wegen zoals de Boschdijk en Oude Bosschebaan. Daarom is voor dit project een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting op de gevels van de geprojecteerde woningen te beoordelen. 50
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Het akoestisch onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de appartementen ten hoogste Lden = 53 dB bedraagt. De standaardwaarde van Lden = 53 dB wordt op de gevels van appartementen niet overschreden. Als gevolg van de omliggende gemeentewegen zijn er geen akoestische belemmeringen voor het plan. Mits bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen kan worden voldaan aan de minimaal vereiste GA;k van 20 dB, is reeds een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Geconcludeerd kan worden dat het geluid op de nieuwe woningen en appartementen ten gevolge van de geluidbronsoort gemeentewegen aanvaardbaar is.
Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de “1,5 dB-toets”. Dit is voor de ontwikkeling niet aan de orde.
7.3.2.2 Geluid door activiteiten Geluid door activiteiten moet bij dit project als volgt worden beoordeeld. Er worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. Beoordeeld moet worden in hoeverre de woningen geluidhinder ondervinden van omliggende functies. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een begraafplaats, ten oosten een opleidingscentrum en ten westen bevindt zich een hondenschool. Voor deze functies geldt dat geluid maatgevend is. Het opleidingscentrum is bedoeld voor mensen die een mbo- of hbo-opleiding hebben afgerond. Er is daarom geen sprake van een schoolplein of schreeuwende en spelende kinderen. Gezien de aard en omvang van de begraafplaats, opleidingscentrum en hondenschool en de afstand tot de beoogde woningen kan er worden voldaan aan de standaardwaarden van toelaatbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast zijn er op dit moment al woningen gelegen in het plangebied. De beoogde woningen komen niet op een kortere afstand tot de begraafplaats, opleidingscentrum en hondenschool. Ter plaatse is er daarom al sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering.
7.3.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.4
Luchtkwaliteit
7.4.1
Algemeen
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
51
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
norm
ingangsdatum
Jaargemiddelde grensw aarde NO2
40 µg/m3
1-1-2015
Jaargemiddelde grensw aarde PM10
40 µg/m3
1-6-2011
Daggemiddelde grensw aarde PM10
max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3
1-6-2011
De gemeente Eindhoven heeft een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Dit houdt in dat voor iedere ontwikkeling de luchtkwaliteit getoetst dient te worden.
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen.
De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
7.4.2
Toetsing
Dit project voorziet in het omzetten van een kantoorbestemming naar woningen met maatschappelijke functies in de plint. Er wordt dus een 'gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan' mogelijk gemaakt. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen.
52
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Gelet op het aantal woningen waarin dit project voorziet, draagt de ontwikkeling zelf 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek vanwege de realisatie van de nieuwe woningen is dan ook niet nodig.
Omdat gemeente Eindhoven een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof heeft, is het in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig om de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied te beoordelen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Eindhoven heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst.
Hieronder is een uitsnede opgenomen van de CIMLK viewer waarop te zien is waar het dichtstbijzijnde toetspunt zich bevindt ten opzichte van het projectgebied. De afbeelding geeft de NO2-concentratie weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (PM10 en PM2,5, per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een afbeelding op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.
Uitsnede CIMLK viewer, met het projectgebied blauw omlijn en pijl naar dichtstbijzijnde toetspunt.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
53
Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het projectgebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor het projectgebied, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen. 7.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.5
Geur
7.5.1
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. 54
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
De gemeente Eindhoven heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het permanente omgevingsplan. Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder hanteert de gemeente de Beleidsregel industriële geur als toetsingskader. In de beleidsregel zijn normen opgenomen voor gebiedstypen. In onderstaande tabel zijn de normen weergegeven.
98-percentiel
99,9 percentiel
Om gevingscategorie
Richtw aarde ouE(H)/m 3
Grensw aarde ouE(H)/m 3
Richtw aarde ouE(H)/m 3
Grensw aarde ouE(H)/m 3
Wonen
1,0
2,0
4
8
Gemengd
2,0
4,0
8
16
Overig
10
10
40
40
Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente.
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. 7.5.2
Toetsing
Met dit project wordt geen nieuwe geurbron mogelijk gemaakt. Wel worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt en dat zijn geurgevoelige objecten. In de omgeving van het projectgebied zijn echter geen geurveroorzakende activiteiten (bedrijven, veehouderijen en dergelijke) met een invloed op het projectgebied. 7.5.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.6
Bodem
7.6.1
Algemeen
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
55
verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.6.2
Toetsing
Voor dit project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlagen.
De bodem bestaat deels uit zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond bovendien zwak humeus. Zeer plaatselijk bestaat de bovengrond uit zwak humeuze, sterk zandige klei. De ondergrond bestaat deels uit zwak tot sterk zandige leem. Ter plaatse van de brandgangen/steegjes is de bovengrond zwak tot matig puinhoudend, zwak baksteenhoud en zwak tot sterk koolhoudend. In de overige boringen zijn zintuiglijk geen bijmengingen aangetroffen.
In de bovengrond zijn géén parameters in een verhoogd gehalte aangetroffen. Daarmee valt de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de bovengrond op de onderzoekslocatie in de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. In de ondergrond zijn eveneens géén parameters in een verhoogd gehalte aangetroffen. Daarmee valt de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de ondergrond op de onderzoekslocatie in de kwaliteitsklasse landbouw/ natuur. In het grondwater zijn geen parameters in een verhoogde concentratie aangetroffen.
Gelet op de onderzoeksresultaten, bestaat er géén reden voor een nader bodemonderzoek. Er zijn geen belemmeringen voor het bouwen op een bodemgevoelige locatie.
Ter plaatse van de brandgangen/steegjes is de grond verdacht op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest (vanwege de bijmengingen met puin en de bouwperiode). Een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem (conform de NEN 5707) is dus noodzakelijk om vast te stellen of de puinhoudende grond asbesthoudend is.
Conclusie: asbestonderzoek dient aan te tonen of de puinhoudende grond asbesthoudend is. Omdat geen onderzoek uitgevoerd kon worden onder de bebouwing dienen deze terreindelen 56
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
onderzocht te worden na de sloop. 7.6.3
Conclusie
Met de opname van een beoordelingsregel ingevolge waarvan ter plaatse van de brandgangen/steegjes een asbestonderzoek wordt voorgeschreven voordat gestart wordt met de bouw van de woningen, vormt aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.7
Omgevingsveiligheid
7.7.1
Algemeen
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
57
Aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).
Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
58
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
7.7.2
Toetsing
Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaart 'Externe Veiligheid' van Atlas Leefomgeving kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Uitsnede kaarten Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico, Aandachtsgebieden en Plaatsgebonden risico van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW - Register externe veiligheid, 2024). Projectgebied met blauwe marker aangeduid.
Risicovolle inrichtingen Op bedrijventerrein GDC ten noordwesten van het projectgebied (tussen rijksweg A2/N2 en het spoor) komen meerdere bedrijven met risicovolle activiteiten voor. Het projectgebied ligt niet binnen de plaatsgevonden risicocontour van deze bedrijven. Eén bedrijf heeft een gifwolkaandachtsgebied dat tot net over het spoor reikt, maar het projectgebied ligt ruimschoots buiten dit aandachtsgebied.
Buisleidingen Parallel aan het spoor ten westen van het projectgebied loopt een buisleiding (Gasunie) waardoor brandbare stoffen worden vervoerd. Deze gasleiding loopt ook via de Anthony Fokkerweg in de richting van de Boschdijk. Het projectgebied ligt niet binnen de PR10-6-contour of het brandaandachtsgebied van deze buisleidingen.
Transport gevaarlijke stoffen over land In de omgeving komen geen vaarwegen voor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het projectgebied is niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied van de spoorlijn Tilburg-Eindhoven. Ook is het projectgebied niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied of vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
59
explosieaandachtsgebied van de rijkswegen A2/N2 en A50. Transport van gevaarlijke stoffen over lokale wegen is in de omgeving van het projectgebied niet aan de orde.
7.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
7.8
Verkeer en parkeren
7.8.1
Algemeen
Het Masterplan Mobiliteit 2050 'Wij gaan vooruit' is in maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2050) vastgelegd. Met een concrete uitwerking voor de komende jaren (t/m 2026) en een doorkijk naar 2030. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeersen mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het projectgebied beschreven.
Masterplan Mobiliteit 2050 Het Masterplan Mobiliteit streeft naar een toekomst waarin wij in verbinding zijn met elkaar, waarin er vrijheid is voor iedereen om te gaan en staan waar ze willen en op welke manier ze dat willen, waarin we ruimte maken voor elkaar en de veelzijdigheid van de stad, waar het veilig is voor jong en oud. Een stad waar de lucht schoon is en waar we gezond oud kunnen worden. Een stad waar het fijn is om te zijn en waar we kunnen ontspannen.
Voetgangersverkeer De gemeente Eindhoven wil meer aandacht schenken aan de voetganger in de stad. Daarvoor zijn een tweetal routenetwerken voor de voetgangers benoemd in het 'Masterplan Mobiliteit 2050'. Routes om actief te verplaatsen en routes om ontspannen te bewegen.
Aan de noordzijde van het plangebied is een voetpad aanwezig richting de Oude Bosschebaan. De Oude Bosschebaan maakt deel uit van het voetgangersnetwerk van Eindhoven, met vrijliggende voet- en fietspaden aan weerzijden van de rijbaan en een geregelde oversteekplaats voor het langzaam verkeer. Aan de zuidzijde is het plangebied gelegen aan de Van Zinnicqstraat, waar aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende voetpaden aanwezig zijn. Alhoewel de kwaliteit van het omliggende voetgangersnetwerk goed is, is het ook van belang om te kijken naar de afstand tot de dichtstbijzijnde dagelijkse voorzieningen. Zo zijn er twee basisscholen gelegen op circa 500 meter loopafstand vanaf het plangebied en is het Lieven De Keypark gelegen op circa 300 meter loopafstand. De afstand tot de dichtstbijzijnde supermarkt is echter wel groter. De dichtstbijzijnde supermarkt is namelijk de Jumbo aan het Gerretsonplein, gelegen op circa 1 kilometer loopafstand vanaf het plangebied.
Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In het 'Masterplan Mobiliteit 2050' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat twee soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid: doorfietsroutes en stadroutes. Deze fietsroutes zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
60
vastgesteld TAM-omgevingsplan Prinsejagt (Van Zinnicqstraat) Gemeente Eindhoven
Ten westen van het plangebied is een stadsroute langs de Boschdijk aanwezig. Deze fietsroute leidt in zuidelijke richting naar het centrumgebied van Eindhoven. Daarnaast is ten oosten van het plangebied een doorfietsroute aanwezig langs de Oude Bosschebaan. Op de Van Zinnicqstraat zijn conform de ontwerprichtlijnen voor erftoegangswegen uit het ASVV 2021 geen aparte fietsvoorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer.
Overzicht fietsroutes rondom plangebied (zwart omlijnd), doorfietsroutes (rood), stadsroutes (blauw)
Openbaar vervoer Het vervoer per spoor en het netwerk van hoogwaardige busverbindingen vormt volgens het Masterplan Mobiliteit 2050 het kernnetwerk voor het openbaar vervoer. Voor het busnetwerk wordt vervolgens uitgegaan van twee netwerken: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen.