CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1A - Verkenningenrapport - Multimodale Knoop

Raadsvergadering 10 februari 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Voorkeursalternatief Multimodale Knoop38.800 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Daarnaast wordt het gebruik van permanente diepwanden in de richting van de regionale grondwaterstroming vermeden. Tijdens de bouw wordt geadviseerd om tijdelijke damwanden te gebruiken die niet dieper reiken dan de constructie zelf, om opstuwing van grondwater te voorkomen. Met het toepassen van de mitigerende maatregelen kan grondwaterstijging grotendeels worden vermeden en scoren de alternatieven elk neutraal ten opzichte van de referentiesituatie. Het is essentieel om de effecten en mitigerende en of compenserende maatregelen voor grondwater integraal te bekijken voor de gehele Knoop XL, omdat meerdere ondergrondse ontwikkelingen een versterkend effect hebben op de grondwaterstijging.

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

66/98

Waterkwaliteit Voor het verbeteren van de waterkwaliteit kunnen aanvullende maatregelen worden getroffen, zoals het voorbehandelen van hemelwater afkomstig van in- en uitritten van busvoorzieningen. Voor grondwaterkwaliteit geldt dat eventuele verontreinigingen die door drainage worden aangetrokken, gesaneerd moeten worden. Oppervlaktewater, Hemelwater en waterveiligheid Voor de aspecten oppervlaktewater, hemelwater en waterveiligheid zijn geen aanvullende mitigerende maatregelen noodzakelijk, buiten de al in de ontwerpen opgenomen maatregelen (zoals de groen voorzieningen in de alternatieven). Conclusie Onderstaande tabel bevat een overzicht van alle beoordelingen van de wateraspecten. Op basis van de beoordeling is er geen alternatief dat aanmerkelijke beter of slechter scoort dan de andere alternatieven. Er kan worden beargumenteerd dat alternatief C enigszins beter scoort dan alternatieven A en B, omdat de invloedsfeer van de grondwaterstijging in dit alternatief kleiner is. Desalniettemin zijn de gevolgen voor grondwater nog steeds groter dan toelaatbaar (>0,05 m) en zijn er, ook in dit alternatief, grootschalige mitigerende maatregelen noodzakelijk. Een belangrijk aandachtspunt betreft het integraal bekijken van de effecten op grondwater door de ontwikkelingen van Knoop XL.

In de Effectnotitie Water is enkel gekeken naar de effecten op grondwater voor de activiteiten die vallen binnen de scope van Cluster 6. Feitelijk kunnen de ontwikkelingen in de ondergrond niet los van elkaar worden beschouwd. Uit een gevoeligheidsanalyse is gebleken dat meerdere ondergrondse ontwikkelingen binnen de Knoop XL een versterkend effect hebben op grondwaterstijging (tot 0,7 m) door enerzijds het verwijderen van de Neckerspoel drainage en anderzijds barrière werking. Daarom is het essentieel om de effecten en mitigerende of compenserende maatregelen voor grondwater integraal te bekijken. Onderwerp

Aspect

Alt. A

Alt. A’

Alt. B

Alt. C

Water

33 Oppervlaktewater

0

0

0

0

Water

34 Hemelwater

++

+

++

++

Water

35 Grondwater

--

--

--

--

Na mitigatie

0

0

0

0

Water

36 Waterkwaliteit

+

+

+

+

Water

37 Waterveiligheid

0

0

0

0

5.3.2.2 Bodem Beleidskader en wet- en regelgeving De Omgevingswet stelt regels voor het beschermen van de bodem en regelt onder andere het graven en saneren van verontreinigde grond. Bodemwerkzaamheden worden aangemerkt als milieubelastende activiteiten (MBA) en vallen onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), waarin meldings- en vergunningplichten zijn opgenomen. Een belangrijk beleidsprincipe is ‘Water en Bodem Sturend’. Dit principe stelt dat het bodem- en watersysteem leidend moet zijn bij ruimtelijke keuzes, onder meer vanwege klimaatverandering en intensief ruimtegebruik. Voor PFAS geldt een landelijk handelingskader, dat onderzoeksplicht en acceptatievoorwaarden voorschrijft voor het hergebruik van PFAS-houdende grond. De gemeente Eindhoven hanteert het generieke beleid uit dit kader en beschikt over een bodemkwaliteitskaart inclusief PFAS-waarden. Op provinciaal niveau is de Omgevingsverordening van Noord-Brabant van toepassing. Deze bevat regels voor het omgaan met bodemverontreiniging en aardkundige waarden. De provincie was tot 2024

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

bevoegd gezag voor de Wbb, maar deze taak is nu overgedragen aan de gemeenten, met uitzondering van gevallen die onder het overgangsrecht vallen. De gemeente Eindhoven beschikt over een bodemkwaliteitskaart (2023–2028), een bodemfunctieklassenkaart en een Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer (GGB). Binnen het GGB is het onder voorwaarden toegestaan dat verontreinigingen in het grondwater zich verplaatsen, bijvoorbeeld bij bemalingen. Daarnaast is het duurzaam gebruik van de ondergrond vastgelegd in het Masterplan Bodemenergie voor het centrumgebied. Onderzoeksmethodiek en scoringsmethodiek De effectbeoordeling is kwalitatief uitgevoerd met behulp van diverse bodeminformatiesystemen en richt zich op drie aspecten: bodemopbouw, bodemkwaliteit (inclusief grondwater en waterbodem) en aardkundige waarden. Voor bodemopbouw is gekeken naar de gevoeligheid voor vervorming op basis van bodemtype en laagdiktes. Voor bodemkwaliteit zijn bekende verontreinigingslocaties geïnventariseerd en geprojecteerd op de varianten. Voor aardkundige waarden zijn de contouren van aardkundig waardevolle gebieden in GIS geprojecteerd op het plangebied om te kijken of er sprake is van raakvlakken. Onderstaande tabel bevat de scoringsmethodiek voor het aspect bodem. Tabel 5.13 Scoringsmethodiek bodem Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

Bodemopbouw

Bodemkwaliteit

Aardkundige waarden

++

Zeer positief effect c.q. zeer goede doelbijdrage

n.v.t.

De aanleg van de infrastructuur leidt tot een aanzienlijke verbetering van de bodemkwaliteit

n.v.t.

+

Positief effect c.q. goede doelbijdrage

n.v.t.

De aanleg van de infrastructuur leidt tot een verbetering van de bodemkwaliteit

n.v.t.

0

Neutraal effect c.q. beperkte doelbijdrage (neutraal)

De aanleg van de infrastructuur beïnvloedt de bodemopbouw niet

De aanleg van de infrastructuur leidt niet tot een verbetering van de bodemkwaliteit

De aanleg van de infrastructuur leidt niet tot aantasting van de aardkundige waarden

-

Negatief effect c.q. negatieve doelbijdrage

De aanleg van de infrastructuur leidt tot negatieve effecten van de bodemopbouw

n.v.t.

De aanleg van de infrastructuur leidt tot aantasting aardkundige waarden

--

Zeer negatief effect c.q. zeer negatieve doelbijdrage

De aanleg van de infrastructuur leidt tot sterk negatieve effecten van de bodemopbouw

n.v.t.

De aanleg van de infrastructuur leidt tot sterke aantasting aardkundige waarden

Effecten Bodemopbouw De aanleg van ondergrondse infrastructuur in het plangebied van MMK Eindhoven heeft een aanzienlijke invloed op de bodemopbouw. In het gebied komen afwisselend zand-, klei-, leem- en veenlagen voor, waarbij met name klei en veen gevoelig zijn voor vervorming. Deze vervormingsgevoelige lagen bevinden zich vooral aan de oost- en zuidzijde van het plangebied. De varianten A, A’ en B overlappen in grotere mate met deze zones en worden daarom beoordeeld met een sterk negatief effect (- -). Variant C, die een kleinere ruimtelijke impact heeft en minder overlap met

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

68/98

het restveengebied, scoort negatief (-). Zonder mitigerende maatregelen kan de aanleg leiden tot zettingen en schade aan omliggende constructies. Bodemkwaliteit De aanleg van de infrastructuur leidt tot het ontgraven van verontreinigde grond. Dit geldt voor alle alternatieven, die in meer of mindere mate het Wbb-geval Kruisstraat 68/68a doorsnijden. Door deze verontreinigingen te verwijderen, wordt verdere verspreiding voorkomen. Dit wordt beschouwd als een positief effect (+) op de bodemkwaliteit. De verwijdering van immobiele verontreinigingen binnen de ontgravingscontour is niet meegenomen in de beoordeling, maar draagt eveneens bij aan een schonere bodem. Aardkundige waarden Binnen het plangebied zijn geen aardkundig waardevolle gebieden aanwezig. Er is dan ook geen sprake van doorsnijding of aantasting van aardkundige fenomenen. Voor dit aspect geldt daarom dat er geen effect (n.v.t.) optreedt. Mitigerende maatregelen Om vervorming van de bodem te voorkomen, worden stabiliteitsschermen (damwanden) aanbevolen. Deze kunnen trillingsarm of trillingsvrij worden aangebracht om schade aan omliggende constructies te voorkomen. De aanleg van de infrastructuur leidt in dat geval niet tot vervorming van de omliggende bodem waarmee schade aan constructies en bebouwing voorkomen wordt.

Conclusie Voor de eindbeoordeling van het aspect bodem worden alle onderliggende aspecten gelijk afgewogen. Zo ontstaat het beeld dat (zonder mitigerende maatregelen) de alternatieven A, A’ en B tot een negatief effect leiden op de bodem en variant C tot een neutraal effect. Na toepassing van mitigerende maatregelen voor bodemopbouw scoren alle alternatieven positief op het thema bodem. Onderwerp

Aspect

Alt. A

Alt. A’

Alt. B

Alt. C

Bodem

38 Bodem

-

-

-

0

Na mitigatie

+

+

+

+

5.3.2.3 Klimaat Beleidskader en wet- en regelgeving Op rijksniveau is het doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Het Deltaprogramma 2024 vormt hierbij het nationaal kader. Daarnaast biedt de maatlat voor klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving concrete handvaten. Belangrijke uitgangspunten zijn het voorkomen van schade door extreme neerslag (T100-bui), het beschermen van vitale functies en het beperken van verharding. De provincie Noord-Brabant streeft naar een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem in 2050, en hanteert daarvoor zeven principes. De gemeente Eindhoven sluit hierop aan met ambities voor een goed functionerend hemelwaterstelsel, vergroening van de openbare ruimte en het optimaliseren van de sponswerking van de stad. Waterschap De Dommel benadrukt infiltratie en klimaatbuffers in stedelijk gebied. Onderzoeksmethodiek en scoringsmethodiek Voor klimaat zijn vier klimaataspecten beschouwd: wateroverlast, overstroming, hitte en droogte. Op basis van GIS-kaarten is voor deze aspecten een kwalitatieve beoordeling gedaan van de effecten van extreme weerseffecten. Voor wateroverlast is gebruikgemaakt van de Klimaatatlas Eindhoven18 en de

18 Klimaatatlas van Eindhoven

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

gemeentelijke rekentool. Voor hitte, overstroming en droogte zijn kaarten uit de Klimaateffectatlas19 gebruikt. Tabel 5.14 Scoringsmethodiek klimaat Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

Wanneer toegekend?

++

Zeer positief effect c.q. zeer goede doelbijdrage

Sterke afname van gevolgen van klimaateffect

+

Positief effect c.q. goede doelbijdrage

Afname van gevolgen van klimaateffect

0

Neutraal effect c.q. beperkte doelbijdrage (neutraal)

Geen tot weinig afname van gevolgen van klimaateffect

-

Negatief effect c.q. negatieve doelbijdrage

Toename van gevolgen van klimaateffecten

--

Zeer negatief effect c.q. zeer negatieve doelbijdrage

Sterke toename van gevolgen van klimaateffecten

Effecten Wateroverlast In alle alternatieven wordt de bestaande fietsonderdoorgang, een knelpunt bij hevige regenval, verwijderd. Hierdoor neemt de kwetsbaarheid voor wateroverlast af. De alternatieven A, A’ en B realiseren bovendien een aanzienlijke toename van waterbergend vermogen door toepassing van intensieve en extensieve groene daken. Alternatief B scoort hierin het best, met de grootste toename in bergingscapaciteit. Alternatief C laat ook een toename in berging zien, maar door extra verharding op de Kennedylaan ontstaat lokaal juist meer wateroverlast. Overstroming Het plangebied ligt buiten overstromingsgevoelige zones en geen van de alternatieven heeft invloed op waterkeringen. Er worden dan ook geen effecten verwacht op dit vlak. Hitte De alternatieven A, A’ en B zorgen voor een aanzienlijke vergroening van het gebied, zowel op maaiveld als op daken. Dit draagt bij aan het verminderen van hittestress. Daarnaast verplaatsen de wachtruimtes van busreizigers zich van het maaiveld naar een ondergronds busstation, wat een koeler verblijfsklimaat biedt. Alternatief C is op dit vlak nagenoeg gelijk gebleven met de referentiesituatie. Hoewel ook in dit alternatief groen op het stationsplein te realiseren is, is de potentie voor groen op de Fellenoord beperkt (door het bovengrondse busperron) en maakt het huidige groen aan de John F. Kennedylaan plaats voor de busbuffer.

Droogte Het gebied is niet gevoelig voor bodemdaling door droogte. Wel vraagt de vegetatie op daken extra beheer, omdat deze minder goed water uit de bodem kan opnemen. De alternatieven hebben echter geen invloed op de droogtegevoeligheid van het gebied. Mitigerende maatregelen Voor wateroverlast wordt aanbevolen om het maaiveld slim in te richten en zoveel mogelijk water te bergen op daken en hoger gelegen plekken zoals de Fellenoord. Voor hitte kunnen extra maatregelen zoals lichte verharding, waterelementen en goed ontworpen luifels bijdragen aan verkoeling. Conclusie Alternatieven A, A’ en B dragen positief bij aan klimaatadaptatie, met name door vergroening en verbeterde waterberging. Alternatief C scoort neutraal, door beperkte vergroening en extra verharding (door plaatsen van busbuffer bovengronds op Kennedylaan). Hoewel de effecten overwegend positief 19 Kaartviewer - Klimaateffectatlas

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

70/98

zijn, blijft aandacht nodig voor kwetsbare locaties zoals de stationsentree. Verdere modellering en integratie met omliggende gebiedsontwikkelingen worden aanbevolen in de vervolgfase. Onderwerp

Aspect

Klimaat

39 Weersextremen

Alt. A

Alt. A’

Alt. B

Alt. C

+

+

+

0

5.3.3 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader en wet- en regelgeving Het beleidskader voor archeologie en cultuurhistorie binnen de MIRT-verkenning MMK Eindhoven is opgebouwd uit nationale wetgeving, en provinciaal en gemeentelijk beleid. Nationaal De Erfgoedwet (2016) en de Omgevingswet (2024) vormen samen het fundament van de nationale erfgoedzorg. De Erfgoedwet regelt de bescherming van rijksmonumenten, archeologie en museale collecties. De Omgevingswet integreert deze bescherming in het omgevingsplan en verplicht gemeenten om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat cultureel erfgoed een kwetsbaar belang is dat beschermd moet worden. Artikel 5.130 van het Bkl verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met archeologische monumenten en cultuurhistorische waarden, en stimuleert het gebruik van monumenten. Voor MIRT-verkenningen geldt aanvullend dat cultureel erfgoed integraal moet worden meegenomen in zowel de effectbeoordeling als de opgaveformulering. Provinciaal De Provincie Noord-Brabant ondersteunt gemeenten bij de bescherming van archeologie en cultuurhistorie. De provincie beheert de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), waarin archeologische verwachtingswaarden, monumenten en historische structuren zijn opgenomen.

Hoewel er geen provinciale monumenten zijn, is de provincie bevoegd gezag voor de omgang met erfgoed van provinciaal belang. De provincie streeft naar behoud en versterking van de identiteit van Brabantse landschappen en historische structuren. Gemeentelijk De gemeente Eindhoven is bevoegd gezag voor archeologie en cultuurhistorie binnen het plangebied. De bescherming is vastgelegd in het tijdelijke omgevingsplan. De gemeente hanteert een archeologische verwachtingen- en waardenkaart en stelt eisen aan archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en gemeentelijke richtlijnen Voor cultuurhistorie beheert de gemeente een monumentenlijst met rijks- en gemeentelijke monumenten. De gemeente kan voorwaarden verbinden aan vergunningen, gericht op behoud in situ of, indien nodig, opgraving (behoud ex situ). Onderzoeksmethodiek en scoringsmethodiek De beoordeling is gebaseerd op bureauonderzoek, kaartanalyse en expert-judgement. Voor archeologie is gekeken naar de mate waarin bekende en verwachte archeologische waarden worden aangetast door grondroering dieper dan 0,3 meter. Voor cultuurhistorie is beoordeeld in hoeverre de alternatieven invloed hebben op monumenten, historische structuren en de mogelijkheid om cultuurhistorische waarden te versterken.

Onderstaande tabel (volgende pagina) geeft de scoringsmethodiek weer voor archeologie en cultuurhistorie.

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

Tabel 5.15 Scoringsmethodiek archeologie en cultuurhistorie Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

Archeologie

Cultuurhistorie

++

Zeer positief effect c.q. zeer goede doelbijdrage

n.v.t.

De ontwikkeling heeft een sterk positief effect op de cultuurhistorische waarden en biedt veel aanknopingspunten deze te versterken

+

Positief effect c.q. goede doelbijdrage

n.v.t.

De ontwikkeling heeft een positief effect op de cultuurhistorische waarden en biedt aanknopingspunten deze te versterken

0

Neutraal effect c.q. beperkte doelbijdrage (neutraal)

De ontwikkeling heeft geen effect op de te verwachten en bekende gebieden van archeologische waarde

De ontwikkeling heeft een neutraal effect op de cultuurhistorische waarden en biedt enige aanknopingspunten deze te versterken

-

Negatief effect c.q. negatieve doelbijdrage

De ontwikkeling heeft een negatief effect op de te verwachten en bekende gebieden van archeologische waarde

De ontwikkeling heeft een negatief effect op de cultuurhistorische waarden en biedt nauwelijks aanknopingspunten deze te versterken

--

Zeer negatief effect c.q. zeer negatieve doelbijdrage

De ontwikkeling heeft een sterk negatief effect op de te verwachten en bekende gebieden van archeologische waarde

De ontwikkeling heeft een sterk negatief effect op de cultuurhistorische waarden en biedt geen aanknopingspunten deze te versterken

Effecten Archeologie In elk alternatief wordt de voormalige buurtschap Fellenoord, een terrein van bekende archeologische waarde, geraakt. Daarnaast worden in alle alternatieven gebieden met hoge verwachting en middelhoge archeologische verwachting doorsneden. Er zijn geen bekende archeologische rijksmonumenten in het plangebied. Alternatief C heeft minder roering van gronden vanwege de kortere bustunnels en een kleiner ondergronds busstation, maar ook hier is de roering aanzienlijk. Ook op de locatie van de nieuwe bovengrondse busbuffer zal grondroering plaatsvinden. De effecten zijn voor elk alternatief als sterk negatief (--) beoordeeld. Cultuurhistorie In het studiegebied bevinden zich meerdere gemeentelijke en rijksmonumenten, waaronder het rijksmonumentale station Eindhoven Centraal, de Vestdijktunnel, de KPN-centrale en de Paddenstoel. Hoewel geen van de alternatieven deze monumenten fysiek aantast, beïnvloeden ze wel de beleving, zichtlijnen en context van deze objecten. In de huidige en referentiesituatie is de historische structuur van Fellenoord – ooit een levendige wijk met lintbebouwing en verbindingen naar Woensel - grotendeels verdwenen. De huidige plannen grijpen niet terug op deze structuur.

Vanuit het perspectief van cultuurhistorie bieden de alternatieven echter kansen om deze historische lijnen en verhalen terug te brengen in de inrichting van de openbare ruimte, maar benutten deze nog niet. De negatieve beoordeling van alle alternatieven komt niet zozeer voort uit deze directe aantasting van monumenten, maar uit het gebrek aan benutting van cultuurhistorische kansen. De plannen bieden mogelijkheden om het verhaal van Eindhoven – van middeleeuwse nederzetting tot wederopbouwstad – zichtbaar te maken in de ruimtelijke inrichting. Deze kansen worden echter nog onvoldoende benut. Ook ontbreekt een integraal cultuurhistorisch raamwerk dat richting geeft aan ontwerpkeuzes. Daarom scoren alle alternatieven negatief op cultuurhistorie (-).

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

72/98

Mitigerende maatregelen Voor cultuurhistorie wordt geadviseerd om een cultuurhistorisch raamwerk op te stellen dat als onderlegger dient voor ontwerp en toetsing. Daarnaast kunnen stedenbouwkundige principes en kunsttoepassingen bijdragen aan het versterken van de identiteit van het gebied. Conclusie De effecten op archeologie zijn voor alle alternatieven zeer negatief, vanwege de omvangrijke en diepe grondroering in zones met hoge archeologische verwachting. Voor cultuurhistorie zijn de effecten negatief, vooral door het ontbreken van een integrale visie op erfgoed in de ontwerpen. De totaalscore voor dit thema is voor alle alternatieven zeer negatief (--), volgens het uitgangspunt dat bij samengestelde criteria de meest negatieve beoordeling geldt. Verdere uitwerking en integratie van erfgoedwaarden in het ontwerp zijn essentieel in de vervolgfase. Onderwerp

Aspect

40 Archeologie en cultuurhistorie

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

Alt. A --

Alt. A’ --

Alt. B --

Alt. C --

5.3.4 Natuur In het kader van de MIRT-verkenning MMK is onderzocht wat de effecten zijn van de alternatieven op natuur. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen ecologie en natuur en stikstofdepositie. In het beoordelingskader worden deze aspecten echter als één beoordeeld. Omdat het onderzoek en de effecten dusdanig verschillend zijn, zijn deze opgenomen in twee aparte effectnotities en worden deze aspecten ook in het verkenningenrapport in aparte paragrafen beschreven. Voor de uitgebreide toelichting op de beoordeling wordt verwezen naar de effectnotities Ecologie en natuur en Stikstof. 5.3.4.1 Ecologie en natuur Beleidskader en wet- en regelgeving Het ecologisch beleid is verankerd in de Omgevingswet (Ow), die sinds 2024 van kracht is. Deze wet vervangt onder andere de voormalige Wet natuurbescherming. De bescherming van Natura 2000gebieden, soorten en houtopstanden is geregeld via het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De provincie Noord-Brabant heeft in haar Omgevingsverordening regels opgenomen voor het behoud van natuurkwaliteit, met specifieke aandacht voor het NNB en de Groenblauwe waarden. In de Omgevingsverordening stelt de provincie regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB.

De provincie hanteert voor NNB-gebieden het ‘ja, mits’-principe: aantasting van natuur is toegestaan mits tijdige en volwaardige compensatie plaatsvindt. Om de robuustheid van de natuur te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het NNB en het landelijk gebied; de Groenblauwe waarden. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. De gemeente Eindhoven reguleert de kap van bomen via de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen met een stamomtrek vanaf 45 cm is een omgevingsvergunning vereist. Onderzoeksmethodiek en scoringsmethodiek De beoordeling voor ecologie en natuur is uitgevoerd op basis van bureauonderzoek. De effecten op beschermde gebieden (Natura 2000, NNB, Groenblauwe waarden), ecologische verbindingen en beschermde houtopstanden zijn onderzocht met kaartlagen waarbij door middel van de afstand tot het plangebied van de MMK de mogelijke directe en indirecte effecten in kaart worden gebracht zonder veldbezoek. De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht met beschikbare data (NDFF) waarbij door middel van het raakvlak en de afstand tot het plangebied de mogelijke directe en indirecte effecten in kaart worden gebracht.

Daarnaast zijn de alternatieven getoetst aan de doelen op het gebied van ecologie en natuur die zijn opgenomen in de beleidsvisies voor Eindhoven en de Fellenoord. Onderstaande tabel (volgende pagina) geeft de scoringsmethodiek weer voor ecologie en natuur.

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

74/98

Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

Beschermde gebieden

Beschermde en bedreigde soorten

Beschermde houtopstanden

Visie op ontwikkeling

++

Zeer positief effect c.q. zeer goede doelbijdrage

Het project heeft een zeer positief effect op beschermde gebieden.

Het project heeft een zeer positief effect op beschermde en bedreigde soorten.

Het project heeft een zeer positief effect op beschermde houtopstanden.

Het project voldoet aan de speerpunten uit de visie op ontwikkeling en heeft veel extra meerwaarde voor deze doelen.

+

Positief effect c.q. goede doelbijdrage

Het project heeft een positief effect op beschermde gebieden.

Het project heeft een positief effect op beschermde en bedreigde soorten

Het project heeft een positief effect op beschermde houtopstanden.

Het project voldoet aan de speerpunten uit de visie op ontwikkeling en heeft extra meerwaarde voor deze doelen.

0

Neutraal effect c.q. beperkte doelbijdrage (neutraal)

Het project heeft een neutraal effect op beschermde gebieden.

Het project heeft een neutraal effect op beschermde en bedreigde soorten

Het project heeft een neutraal effect op beschermde houtopstanden doordat geen raakvlak met bomen aan de orde is.

Het project voldoet aan de speerpunten uit de visie op ontwikkeling maar heeft geen extra meerwaarde voor deze doelen.

-

Negatief effect c.q. negatieve doelbijdrage

Het project heeft een negatief effect op beschermde gebieden door directe (ruimtebeslag) of indirecte (verstoring etc.).

Het project heeft een negatief effect op beschermde en bedreigde soorten doormiddel van raakvlak met verblijfplaatsen en/of leefgebied of door verstoring.

Het project heeft een negatief effect op beschermde houtopstanden doordat raakvlak met bomen aan de orde is.

Het project voldoet niet aan de speerpunten uit de visie op ontwikkeling.

--

Zeer negatief effect c.q. zeer negatieve doelbijdrage

Het project heeft een zeer negatief effect op beschermde gebieden door directe (ruimtebeslag) of indirecte (verstoring etc.).

Het project heeft een zeer negatief effect op beschermde en bedreigde soorten doormiddel van raakvlak met verblijfplaatsen en/of leefgebied of door verstoring.

Het project heeft een zeer negatief effect op beschermde houtopstanden doordat veel raakvlak met bomen aan de orde is.

Het project voldoet niet aan de speerpunten uit de visie op ontwikkeling en werkt de doelen tegen.

Effecten Beschermde gebieden Geen van de alternatieven leidt tot ruimtebeslag of directe verstoring van Natura 2000-gebieden, Groenblauwe waarden en ecologische verbindingen. Wel zijn er effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten door stikstofdepositie; deze worden beschreven in paragraaf 5.3.4.2. Voor de alternatieven A, A’ en B geldt dat de oostelijke tunnelmond op de Prof. Dr. Dorgelolaan op ca. 5 meter van het NNBgebied langs de Dommel ligt. Met name de toename aan lucht door de luchtpersing die bij het rijden van bussen uit de tunnel komt kan zorgen voor verstoring en een ander microklimaat op gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant. Voor de alternatieven A, A’ en B valt daarom een licht negatief

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

effect te verwachten. In alternatief C ligt de tunnelmond meer naar het westen en zijn geen effecten op NNB te verwachten. Beschermde soorten In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen gedaan van diverse beschermde soorten, waaronder grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en diverse beschermde vogelsoorten. De ontwikkeling van MMK leidt tot verlies van groen en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Er is voor alle alternatieven een negatief effect te verwachten, maar de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten is niet te bepalen zonder een veldbezoek of vervolgonderzoek. Beschermde houtopstanden Voor alle alternatieven geldt dat voor de ontwikkeling van de MMK bomen zullen moeten wijken, waardoor het effect op beschermde houtopstanden negatief is. In alternatief C is de impact het grootst; voor de busbuffer en bovengrondse busperron dienen bomen op de Kennedylaan en de volledige bomenrij aan de Fellenoord te verdwijnen. Voor alle alternatieven geldt bovendien dat de beoogde locatie voor het tijdelijke busstation in de aanlegfase (aan de Kennedylaan) raakvlak heeft met beschermde houtopstanden. Visies rondom ontwikkeling Alternatieven A en B sluiten goed aan bij de ambities van de Omgevingsvisie Eindhoven en de Ontwikkelvisie Fellenoord, omdat er veel potentie is voor het toepassen van groen en het stimuleren van de groene verbinding naar de Dommel.

Ook in alternatief A’ is er potentie voor groen maar in mindere mate dan bij alternatief A en B. Voor alternatief C geldt dat er weinig ruimte en potentie is voor het toepassen van groen, door de bovengrondse ligging van de busbuffer en één van de busperrons. Mitigerende maatregelen Om de negatieve effecten op ecologie en natuur te beperken, kan een aantal mitigerende maatregelen genomen worden. Om de effecten op Natuurnetwerk Brabant te mitigeren, kan de verlichting in de oostelijke tunnelmond worden beperkt of natuurvriendelijke verlichting worden toegepast. Voor beschermde soorten is het belangrijk zoveel mogelijk ruimte voor groen te realiseren en waar mogelijk bestaand groen te behouden. Het zoveel mogelijk behouden van bestaande bomen is ook positief voor beschermde houtopstanden. Daarnaast kan de groenstructuur versterkt worden door het verbinden van het groen op het stationsplein met het groen langs de Dommel (via de Fellenoord). Conclusie De alternatieven A, A’ en B scoren neutraal (0) op het totaalbeeld van ecologie en natuur. Alternatief C scoort negatief (-), met name door het verlies aan bomen en de beperkte bijdrage aan beleidsdoelen als gevolg van de bovengrondse ligging van de busbuffer en één busperron. Om verdere verfijning aan te brengen in de effectbeoordeling kan veldonderzoek en soortgericht ecologisch onderzoek worden uitgevoerd in de vervolgfase.

5.3.4.2 Stikstof Beleidskader en wet- en regelgeving Het stikstofbeleid is verankerd in de Omgevingswet. Voor elk project moet worden beoordeeld of sprake is van een “Natura 2000-activiteit”, waarbij stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kan leiden tot significante negatieve effecten. In dat geval is een vergunning vereist. De provincie NoordBrabant hanteert aanvullend de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) 2.0, gericht op structurele stikstofreductie en natuurherstel. Op dit moment verleent de provincie echter geen vergunningen voor Natura 2000-activiteiten, tenzij geen toename in stikstofdepositie optreedt.

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

76/98

Onderzoeksmethodiek en scoringsmethodiek De beoordeling is uitgevoerd voor twee fasen. Voor de aanlegfase is een kwantitatieve berekening gedaan met AERIUS, op basis van materieelinzet en bouwverkeer. In dit rekenprogramma zijn op basis van een aantal uitgangspunten de emissiebronnen ingevoerd, waarna AERIUS op basis van stikstofen ammoniakemissie (NOx en NH3) de stikstofdepositie berekend heeft op stikstofgevoelige habitatten in Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer van de emissiebronnen. De uitgangspunten voor de AERIUS berekeningen voor de realisatiefase zijn beschreven in de effectnotitie stikstof. Voor het onderzoek is de gebruiksfase op kwalitatieve wijze geanalyseerd. Op basis van expert judgement is ingeschat of de gebruiksfase leidt tot wijzigingen in verkeersstromen en/of -intensiteiten en indien dit het geval is, wat de invloed daarvan is op de stikstofdepositie. Onderstaande tabel geeft de scoringsmethodiek weer voor stikstof in de aanleg- en de gebruiksfase. Tabel 5.16 Scoringsmethodiek stikstof

Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

Stikstof in aanlegfase

Stikstof in gebruiksfase

++

Zeer positief effect c.q. zeer goede doelbijdrage

Afname in stikstofdepositie op habitattype(n) die in de huidige situatie (naderend) overbelast zijn.

Verkeersintensiteiten nemen af en bevinden zich in de gebruiksfase verder van de Natura 2000-gebieden af.

+

Positief effect c.q. goede doelbijdrage

Afname in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die in de huidige situatie niet (naderend) overbelast zijn.

Verkeersintensiteiten nemen af ten opzichte van de referentiesituatie.

0

Neutraal effect c.q. beperkte doelbijdrage (neutraal)

Geen invloed op stikstofdepositie.

Verkeer wijzigt niet als gevolg van het project.

-

Negatief effect c.q. negatieve doelbijdrage

Toename in stikstofdepositie op habitattype(n) die in de huidige situatie niet (naderend) overbelast zijn.

Verkeersintensiteiten nemen toe ten opzichte van de referentiesituatie.

--

Zeer negatief effect c.q. zeer negatieve doelbijdrage

Toename in stikstofdepositie op habitattype(n) die in de huidige situatie (naderend) overbelast zijn.

Verkeersintensiteiten nemen toe en bevinden zich in de gebruiksfase dichterbij de Natura 2000-gebieden.

Effecten Aanlegfase Alle alternatieven leiden tot een toename van stikstofdepositie op zes Natura 2000-gebieden, waaronder Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, en Strabrechtse Heide & Beuven. De hoogste berekende toename bedraagt 0,09 mol/ha/jr. De verschillen tussen de alternatieven zijn klein. Omdat de toename plaatsvindt op reeds overbelaste gebieden, is de beoordeling voor alle alternatieven zeer negatief (--). Gebruiksfase Als gevolg van het project MMK Eindhoven vindt er een toename in de hoeveelheid busverkeer plaats. Deze toename heeft echter geen invloed op de hoeveelheid stikstofemissie. Vanaf 2030 zullen alle bussen namelijk elektrisch zijn, waardoor ze geen stikstof zullen uitstoten. Voor alle alternatieven geldt daarom een neutraal effect (0). Mitigerende maatregelen Omdat de provincie momenteel geen vergunningen verleent voor stikstoftoename, zijn mitigerende maatregelen zoals saldering niet toepasbaar. Wel is het mogelijk de uitgangspunten van de berekening te optimaliseren, door de inzet van schoner of elektrisch materieel te onderzoeken. Dit kan de emissie sterk verlagen, waardoor ook de kans op een toename in stikstofdepositie aanzienlijk afneemt. Door het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) worden aannemers de komende jaren al gestimuleerd om emissieloos materieel toe te passen. Om de mate van emissieloos materieel te

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

stimuleren kan het project als koploperproject worden aanbesteed waarin een hoge ambitie is opgenomen voor de inzet van emissieloos materieel. Conclusie De stikstofdepositie in de aanlegfase leidt tot een zeer negatief effect (--) voor alle alternatieven. In de gebruiksfase is het effect neutraal (0). De totaalscore voor het aspect stikstof is daarmee zeer negatief (--). Verdere uitwerking van emissiereductie en vergunningstrategie (met mogelijk een ecologische voortoets en ADC-toets) is noodzakelijk in de planning- en studiefase. 5.3.4.3 Totaalbeoordeling Ecologie, natuur en stikstof In het beoordelingskader voor zeef 2 zijn de aspecten ecologie, natuur en stikstof opgenomen als één beoordelingscriterium. Voor het bepalen van de effecten is ervoor gekozen deze op te splitsen in (1) ecologie en natuur en (2) stikstofdepositie. Voor het bepalen van de totaalscore voor ecologie, natuur en stikstofdepositie als geheel is voor alle alternatieven uitgegaan van de meest negatieve score. Daarmee scoren alle alternatieven zeer negatief (- -). Onderwerp

Aspect

Natuur

41 Ecologie, natuur en stikstofdepositie

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

Alt. A --

Alt. A’ --

Alt. B --

Alt. C --

78/98

5.4

Haalbaarheid

Voor de MIRT-verkenning MMK Eindhoven is ook onderzocht in hoeverre de alternatieven haalbaar zijn. Dit is gedaan aan de hand van de thema’s ‘uitvoerbaar project realiseren’, ‘kosten en opbrengsten’ en ‘draagvlak’. De uitgebreide beoordeling van deze thema’s is respectievelijk opgenomen in de notities maakbaarheid, kosten en exploitatie en de participatieverantwoording. 5.4.1 Uitvoerbaar project realiseren Het thema ‘uitvoerbaar project realiseren’ is onderverdeeld in de aspecten technische maakbaarheid en faseerbaarheid en realisatieduur, waarvan bij het laatste aspect onderscheid wordt gemaakt in de impact van de MMK op het functioneren van de OV-knoop en op de raakvlakprojecten in de Internationale Knoop XL. Onderzoeksmethodiek De uitvoerbaarheidsaspecten worden kwalitatief beoordeeld op basis van expert judgement. De technische maakbaarheid van de alternatieven wordt beoordeeld middels een technische ontwerptoets op de constructieve maakbaarheid. Voor de impact van de faseerbaarheid en de realisatieduur op het functioneren van de OV-knoop wordt kwalitatief getoetst wat de impact is op elke modaliteit en in hoeverre uitvoeringshinder voor de reiziger te verwachten is. Voor de impact op raakvlakken wordt afhankelijk van de faseringsstappen en ruimteclaims een uitspraak gedaan over de afhankelijkheid en haalbaarheid van raakvlakprojecten in relatie tot de MMK.

Hiervoor wordt in ieder geval gekeken naar de raakvlakken met SKE en Fellenoord cluster 6. Voor de uitvoerbaarheid is het niet mogelijk te beoordelen ten opzichte van de referentiesituatie, omdat er in de referentiesituatie niet gebouwd of verbouwd wordt. Daarom wordt voor dit thema van dit uitgangspunt afgeweken en wordt de scoringsmethodiek gebruik zoals weergegeven in tabel X. Daarnaast is vooral gekeken naar de risico’s en het onderscheidend vermogen op deze risico’s tussen vier alternatieven. De reden hiervoor is dat de ontwerpdetaillering pas in een latere fase wordt uitgewerkt, waarna meer te zeggen is over de drie aspecten. Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

Technische maakbaarheid - MMK

Faseerbaarheid en realisatieduur – impact op functioneren OV-knoop

Faseerbaarheid en realisatieduur – impact op functioneren OVknoop

++

Zeer positief effect c.q. zeer goede doelbijdrage

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

+

Positief effect c.q. goede doelbijdrage

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

0

Neutraal effect c.q. beperkte doelbijdrage (neutraal)

Maakbaar zonder technische bijzonderheden

Knoop blijft volledig functioneren tijdens bouw MMK zonder hinder

Projecten kunnen zelfstandig zonder afhankelijkheden worden gerealiseerd

-

Negatief effect c.q. negatieve doelbijdrage

Maakbaar met enkele technische bijzonderheden

Hinder van de bouw blijft beperkt tot enkele periodes waarin het functioneren van de knoop wordt verstoord

Projecten kunnen met beperkte ingrepen zelfstandig zonder afhankelijkheden worden gerealiseerd

--

Zeer negatief effect c.q. zeer negatieve doelbijdrage

Maakbaar tegen grote en meerdere technische bijzonderheden

Functioneren van de knoop wordt over een langere periode ernstig verstoord tijdens bouw MMK

Projecten hebben dermate sterke afhankelijkheid dat deze niet afzonderlijk van raakvlakproject gerealiseerd kan worden

Mitigerende maatregelen Voor alle aspecten van uitvoerbaarheid geldt dat mogelijke mitigerende maatregelen nog niet zijn onderzocht, maar dat hiervoor nadere uitwerking in de planning- en studiefase nodig is.

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

5.4.1.1 Technische maakbaarheid Effecten De technische maakbaarheid van de alternatieven wordt vooral bepaald door de ligging en diepte van de bouwkuip ten opzichte van het spoorlichaam en de parkeerkelder van het Kennedy Business Center (cluster 7). Alternatieven A en A’ kennen de grootste technische uitdagingen vanwege de diepe ligging van het busstation en de directe aansluiting op cluster 7. Ook de brandveiligheidseisen beperken hier de mogelijkheden voor vastgoedontwikkeling bovenop het busstation. Alternatief B scoort iets beter doordat de fietsenstalling minder diep ligt, maar heeft nog steeds een complex raakvlak met cluster 7. Alternatief C scoort het best: de fietsenstalling ligt ondiep en de busbuffer is bovengronds geplaatst, wat de technische risico’s aanzienlijk verlaagt. Conclusie De diepteligging en locatie van de bouwkuip is de onderscheidende factor voor de technische maakbaarheid. De alternatieven A en A’ kennen daarbij de meeste risico’s en worden zodoende sterk negatief (- -) beoordeeld. In alternatief B is de fietsenstalling minder diep gelegen dan het busstation, waardoor alternatief B beter scoort dan A en A’. Het raakvlak met cluster 7 blijft zowel bij het busstation als busbuffer bestaan, waardoor alternatief B negatief scoort (-).

Alternatief C scoort neutraal (0) door de gunstige en minder diepe ligging van de fietsenstalling en het bovengronds plaatsen van de busbuffer. Onderwerp

Aspect

Uitvoerbaarheid

42 Technische maakbaarheid

Alt. A --

Alt. A’

Alt. B

--

Alt. C -

0

5.4.1.2 Faseerbaarheid en realisatieduur – impact op functioneren OV-knoop Effecten De hoofdfaseringen zijn voor alle vier de alternatieven gelijk. Alle alternatieven kennen een lange bouwtijd (circa 8 jaar) en vereisen tijdelijke voorzieningen voor busstation, fietsenstalling en stationshal. Gedurende de bouw zijn er meerdere fasen waarin functies tijdelijk worden verplaatst. Hoewel het station operationeel blijft, worden looproutes langer en is hinder voor reizigers onvermijdelijk. De fasering is voor alle alternatieven vergelijkbaar en niet onderscheidend. Net als bij de maakbaarheid is de positie van de buskelder het meest onderscheidend. Doordat in B en C de fietsenstalling afzonderlijk gerealiseerd kan worden, kan de bouwcomplexiteit (in aanbesteding) worden verkleind. Daarnaast levert dit mogelijk meer flexibiliteit op in de fasering. Dit is in deze fase nog niet onderzocht. Het opknippen van de bouw is een terugvalscenario, maar levert geen winst op in het functioneren van de OV-knoop en heeft daarom geen invloed op de score. Conclusie Het functioneren van de knoop wordt in alle alternatieven over een langere periode ernstig verstoord tijdens de bouw van de MMK. De varianten zijn hierin niet onderscheidend en scoren daarmee allen sterk negatief (- -). Onderwerp

Aspect

Uitvoerbaarheid

43 Faseerbaarheid en realisatieduurimpact op functioneren OV-knoop

Alt. A --

Alt. A’ --

Alt. B --

Alt. C --

5.4.1.3 Faseerbaarheid en realisatieduur – impact raakvlakken Effecten De alternatieven hebben een sterke afhankelijkheid van twee belangrijke raakvlakken: de Spoorknoop Eindhoven (SKE) en de integrale gebiedsontwikkeling (cluster 6). Voor SKE is reeds ruimte gereserveerd in het ontwerp, maar logistieke afhankelijkheden blijven bestaan. Voor de raakvlakken met SKE is er geen onderscheid tussen de alternatieven.

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

80/98

Voor cluster 6 is de afhankelijkheid het grootst bij de alternatieven A en A’, omdat de verschillende bouwstenen met elkaar verweven zijn en de vastgoedontwikkeling direct bovenop het busstation is voorzien. In alternatief B en C zijn de verschillende bouwstenen beter van elkaar gescheiden. Het vastgoed staat bovenop de fietsenstalling en het busstation staat (constructief) ‘los’ van de stationshal, de fietsenstalling en het vastgoed. De complexiteit van alternatief B en C in relatie tot de integrale gebiedsontwikkeling is daarom kleiner dan in alternatief A en A’. Toch geldt voor alle alternatieven dat ze niet zelfstandig gerealiseerd kunnen worden zonder afstemming met deze raakvlakken. Conclusie De SKE en de integrale ontwikkeling kennen een sterke afhankelijkheid met de MMK. De projecten kunnen daarmee niet zelfstandig worden gerealiseerd, waardoor een neutrale score niet mogelijk is. Er zijn tenminste beperkte ingrepen nodig om tot realisatie te komen. Alternatieven A en A’ onderscheiden zich verder doordat de afhankelijkheid met het vastgoed nog groter is. Alternatieven A en A’ scoren daarom sterk negatief en alternatieven B en C negatief. Onderwerp

Aspect

Uitvoerbaarheid

44 Faseerbaarheid en realisatieduurimpact op raakvlakken

5.4.2

Alt. A --

Alt. A’ --

Alt. B

Alt. C -

-

Kosten en opbrengsten

5.4.2.1 Realisatiekosten Onderzoeksmethodiek Voor de vier alternatieven zijn op basis van het technisch ontwerp SSK-ramingen van de investeringskosten opgesteld. Deze ramingen hebben als doel de besluitvorming richting het voorkeursalternatief te ondersteunen. De ramingen zijn opgesteld volgens de MIRT-spelregels. De kostenramingen zijn opgesteld in de verkenningsfase van het project en gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. Dit betekent dat de ramingen nog een bepaalde mate van onzekerheid bevatten en dat er aannames zijn gedaan die de nauwkeurigheid van de ramingen beïnvloeden. De uiteindelijke kostenramingen kunnen daarom afwijken, door wijzigingen in projectomvang, ontwerp, marktomstandigheden, regelgeving, en andere onvoorziene factoren. De ramingen geven een weergave van te verwachten investeringskosten. In het kader van het verkenningenrapport wordt aan de ramingen een kwalitatieve beoordeling gegeven. Omdat beoordelen aan de hand van de referentiesituatie niet mogelijk is, worden de geraamde investeringskosten beoordeeld ten opzichte van het investeringsbudget. Een positieve score wordt toegekend indien de geraamde investeringskosten lager zijn dan het beschikbare budget en een negatieve score indien de kosten hoger zijn dan het budget. Tabel 5.17 Scoringsmethodiek realisatiekosten

Score

Wanneer toegekend?

++

De investeringskosten zijn veel lager dan het beschikbare budget (> 25% lager)

+

De investeringskosten zijn lager dan het beschikbare budget (5 tot 25% lager)

0

De investeringskosten zijn gelijk aan het beschikbare budget (-5% tot +5%)

-

De investeringskosten zijn hoger dan het beschikbare budget (5 tot 25% hoger)

--

De investeringskosten zijn veel hoger dan het beschikbare budget (>25% hoger)

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

Toelichting beoordeling In alle alternatieven is het busstation de grootste kostendrager, met ongeveer één derde van de totale investeringskosten. Daarna volgen de bustunnels, busbuffer en stationshal. Alternatief C laat zien dat de investeringskosten afnemen, naarmate meer bouwstenen en/of functies bovengronds worden geplaatst. Alternatief C heeft dan ook de laagste investeringskosten; deze zijn min of meer gelijk aan het beschikbare budget (0). De andere alternatieven zijn allen fors duurder. De alternatieven A en A’ hebben de hoogste investeringskosten en scoren zeer negatief (- -). De investeringskosten van alternatief B zijn significant lager dan voor alternatief A en A’, maar overschrijden het budget met meer dan 25% en scoren dus ook zeer negatief (- -). Conclusie De alternatieven A, A’ en B hebben veel hogere investeringskosten dan het beschikbare budget en scoren daarmee zeer negatief (- -). De investeringskosten van alternatief C vallen binnen de marge van 5% van het budget en scoren daarmee neutraal (0). Onderwerp

Aspect

Realisatiekosten

45 Investeringskosten

Alt. A --

Alt. A’ --

Alt. B --

Alt. C 0

5.4.2.2 Exploitatiekosten Naast de investeringskosten is ook een inschatting gemaakt van de exploitatiekosten van de alternatieven. De exploitatiekosten zijn ook als criteria (46 t/m 48) opgenomen in het beoordelingskader, waarbij onderscheid is gemaakt tussen exploitatiekosten voor het Openbaar Vervoer (bus), de fietsenstalling en stationsvoorzieningen. De exploitatiekosten zijn weinig onderscheidend ten opzichte van elkaar en bovendien niet te beoordelen ten opzichte van de referentiesituatie omdat hier geen cijfers van bekend zijn. Daarom scoren alle alternatieven voor alle drie de criteria m.b.t. exploitatiekosten neutraal (0). Hoewel de totale exploitatiekosten voor de bus voor alle alternatieven min of meer gelijk zijn, zitten er wel interessante verschillen in de opbouw van die kosten, met name voor alternatief C. De totale exploitatiekosten van alternatief C zijn vrijwel gelijk aan de andere alternatieven, maar het beschouwen van de effecten van losse bouwstenen op de exploitatiekosten levert interessante inzichten op. Enerzijds zorgt het kleinere ondergrondse busstation voor een positief effect op de exploitatiekosten; de doorstroming is goed en de vertragingskosten zijn laag, wat de exploitatiekosten drukt.

Anderzijds heeft de bovengrondse busbuffer een negatief effect op de exploitatiekosten; rijtijden van en naar de buffer zijn langer dan bij de andere alternatieven, wat de exploitatiekosten verhoogd. Per saldo leidt dit tot vergelijkbare exploitatiekosten voor alle alternatieven, waarmee deze allen gelijk scoren. Onderwerp

Aspect

Alt. A

Alt. A’

Alt. B

Alt. C

Exploitatiekosten

46 Openbaar vervoer

0

0

0

0

Exploitatiekosten

47 Stationsvoorzieningen

0

0

0

0

Exploitatiekosten

48 Fietsenstalling

0

0

0

0

5.4.2.3 Maatschappelijke Kosten en Baten Analyse (MKBA) Onderzoeksmethodiek Een maatschappelijke kosten en baten analyse (MKBA) is de geaccepteerde manier om te kijken of een plan of project goed is voor de samenleving en is een verplicht onderdeel van de MIRT-verkenning. De MKBA zet de kosten en negatieve effecten van het project af tegen de positieve impact (baten) ervan. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar geld, maar ook naar effecten op mensen, natuur, verkeer, gezondheid enzovoort. Nadat duidelijk is hoe groot de effecten zijn, wordt gekeken naar hoe mensen deze effecten waarderen. Dit gebeurt door de waarde of kosten van een effect uit te drukken in geld (monetariseren). Door de baten te delen door de kosten, kan het baten/kosten-ratio (BK-ratio) worden berekend. Is het BK-ratio groter dan 1, dan zijn de maatschappelijke baten hoger dan de kosten. Het project is economisch efficiënt.

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

82/98

De MKBA is opgesteld in lijn met de werkwijzer MKBA bij MIRT (versie oktober 202420). De werkwijzer wordt gebruikt bij het opstellen van een verplichte MKBA in de verkenningsfase van het MIRT-project. In het kader van het verkenningenrapport worden de resultaten van de MKBA kwalitatief beschreven en wordt hieraan een score toegekend. Een positieve score wordt toegekend indien de maatschappelijke baten groter zijn dan de kosten en een negatieve score indien de kosten hoger zijn dan de baten. Score

Wanneer toegekend?

++

De maatschappelijke baten zijn veel hoger dan de kosten (BK ratio > 2)

+

De maatschappelijke baten zijn hoger dan de kosten (BK ratio 1,2-2)

0

De maatschappelijke baten zijn gelijk aan de kosten (BK ratio 0,9-1,1)

-

De maatschappelijke baten zijn lager dan de kosten (BK ratio 0,5-0,8)

--

De maatschappelijke baten zijn veel lager dan de kosten (BK ratio < 0,5)

Toelichting beoordeling De grootste kosten zitten bij alle alternatieven in het realiseren van het ondergrondse busstation en de gesloten toeritten (bustunnels). Voor alternatieven A, A’ en B zijn deze kosten vrijwel gelijk. Omdat alternatief C voor de helft ondergronds en voor de helft bovengronds wordt gerealiseerd, zijn deze kosten lager. De grootste baten zitten in het exploitatie-effect van het ov. Door het niet realiseren van de MMK Eindhoven in de referentiesituatie, zijn er minder reizigers die gebruik maken van de bus of de fiets. Door verminderde kwaliteit van het bussysteem is er vraaguitval bij de bus, deze reizigers kiezen voor een andere modaliteit zoals de fiets, auto of zien helemaal af van hun reis. Omdat een groot deel van de bus- en fietsreizigers overstappen op de trein zorgt dit ook voor vraaguitval bij de trein. Voor de bus en de trein betekent dit een verlies in exploitatieopbrengsten in de referentie. In de alternatieven zijn er juist exploitatieopbrengsten voor de bus en de trein, die in alle alternatieven ongeveer gelijk zijn. Andere baten zijn (beperkte) verbeteringen van de reistijd door betere aansluitingen en hogere frequenties, maar ook verbeteringen in de leefomgeving. Met het realiseren van de MMK kunnen er meer woningen en kantoorruimte gebouwd worden.

Door de gunstige locatie en prettige omgeving krijgen de woningen en kantoorruimte een hogere vastgoedwaarde. Het onderscheid tussen de alternatieven is hierin beperkt. De effecten (baten) van de alternatieven zijn vrijwel gelijk, het eindresultaat van de alternatieven wordt daardoor bepaald door de investeringskosten. De alternatieven waarbij het busstation volledig ondergronds wordt gerealiseerd hebben hogere investeringskosten waardoor de BK-ratio < 1 is. Budgetvariant alternatief C heeft een positief BK-ratio, dat wordt veroorzaakt doordat de kosten van dit alternatief lager zijn en de baten ongeveer gelijk aan de andere alternatieven. Er zijn ook een aantal niet gemonetariseerde effecten die betrekking hebben op klimaatadaptatie, geluid, natuur en bodem, en externe veiligheid, maar deze verschillen weinig tussen de alternatieven. Alleen voor alternatief C is er een negatief effect te zien voor klimaatadaptatie en ecologie en natuur. Dit komt door het bovengrondse busstation en busbuffer wat zorgt voor meer verharding en het verwijderen van groenstroken (bomen) aan de Fellenoord.

20 Werkwijzer MKBA bij MIRT

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

Conclusie De alternatieven A en A’ en B hebben een BK-ratio die vrijwel gelijk is aan 1 (binnen de marge 0,91,1). Dat wil zeggen dat de maatschappelijke baten van deze alternatieven vrijwel gelijk zijn aan de kosten, waarmee de score neutraal is (0). Alternatief C heeft een positieve BK-ratio, wat wil zeggen dat de maatschappelijke baten hoger zijn dan de kosten, waarmee de beoordeling positief is (+) Onderwerp

Aspect

Kosten/batenverhouding

49 MKBA

Alt. A

Alt. A’

0

0

Alt. B

Alt. C 0

+

5.4.3 Draagvlak Het draagvlak vanuit de omgeving is beoordeeld op basis van de opbrengsten van de participatie. Tijdens een participatiebijeenkomst, online vragenlijst en gesprekken met belangenverenigingen is opgehaald dat met name thema's als een open en groen stationsplein, logische looproutes, goede verbindingen naar omliggende gebieden, sociale veiligheid en toegankelijkheid belangrijk gevonden worden. De uitgebreide verantwoording van het participatieproces en de resultaten daarvan zijn opgenomen in de participatieverantwoording (bijlage 3). De gecombineerde stationshal voor trein- en busreizigers in alternatief A wordt als een groot voordeel gezien: door de stationshal kan onder één dak worden overgestapt tussen bus en trein. De fietsenstalling in alternatief A ligt overzichtelijk op één niveau en is daardoor makkelijk te gebruiken. Over het verhoogde plein wat hierdoor ontstaat worden zowel voor- als nadelen benoemd. Het grootste voordeel van het verhoogde plein is een fietsenstalling op één niveau en logische oriëntatie. De toegankelijkheid en openheid van het verhoogde plein worden genoemd als grootste nadelen. Alternatief A’ scoort goed vanwege de fietsenstalling met de ingang aan de Vestdijktunnel. Dit wordt door de omgeving als groot voordeel gezien omdat deze goed vanuit zowel het noorden als het zuiden te bereiken is.

Dat de fietsenstalling op meerdere lagen ligt wordt zowel als voordeel als nadeel gezien. De ruimte die hierdoor wordt gecreëerd voor een ruim stationsplein met veel groen en een goed zichtbaar station wordt als positief ervaren. Het ruime stationsplein kan fungeren als ontmoetingsplek met veel horeca wat gezien wordt als een aanwinst voor de stad. Het nadeel wat genoemd wordt is de toegankelijkheid van de fietsenstalling. Het ruime en open stationsplein in alternatief B wordt positief ontvangen. Alternatief B scoort ook goed vanwege de fietsenstalling met ingang aan de Vestdijktunnel zoals alternatief A’. Daarnaast heeft alternatief B ook een fietsenstalling met meerdere verdiepingen waar zoveel voordelen- als nadelen in worden gezien, vergelijkbaar als alternatief A’. Daarnaast wordt de korte(re) verbinding vanaf het busstation naar de binnenstad gewaardeerd. Het draagvlak voor alternatief C is het minste. Het gesplitste busstation in een ondergronds en bovengronds busstation wordt als groot nadeel gezien voor de reiziger. Er zijn met name zorgen over de routing en vindbaarheid van de juiste perrons van de bus. Op de aspecten van het stationsplein en fietsenstalling scoort alternatief C hetzelfde als alternatief B. Het bovengronds brengen van de busbuffer wordt gezien als een groot nadeel voor de ruimtelijke kwaliteit.

Alles overziend scoren de alternatieven A, A’ en B voor draagvlak van de omgeving het beste. Alternatieven A, A’ en B scoren positief (+) omdat de omgeving in alle drie de alternatieven een verbetering ziet ten opzichte van de huidige situatie, maar bij elk alternatief worden er ook nadelen gezien. Alternatief C scoort negatief (-) ten opzichte van de huidige situatie. Onderwerp

Aspect

Draagvlak

50 Draagvlak bij stakeholders

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

Alt. A

Alt. A’

Alt. B

+

+

+

Alt. C -

84/98

5.5

Overzichtstabel effectbeoordeling

Onderwerp

Nr

Aspect

Alt. A

Alt. A’

Alt. B

Alt. C

Loopstroomknelpunten in de spits

-

met optimalisaties

0

0

0

--

0

+

Haltecapaciteit busstation (aantal en lengte)

--

++

++

++

++

Doelbereik Transfercapaciteit

1 2

Robuuste dienstuitvoering

0

0

0

0

3

met optimalisaties bussysteem en VCP

++

++

++

0

Fietsparkeren en deeltweewielers

4

Fietsparkeercapaciteit

+

++

+

+

5

Capaciteit deelfietsen en -scooters

++

++

++

++

K+R en taxi

6

Capaciteit K+R en taxi

+

+

+

+

Toekomstvastheid 2050

--

--

-

--

met optimalisaties

-

-

-

--

+

+

+

0

+

+

+

0

Busstation

Toekomstvastheid

7

Logica in volgordelijkheid en vindbaarheid

8

Functionele compacte knoop

9

Herkenbaarheid en intuïtiviteit van wayfinding en oriëntatie binnen de OV-knoop Overstaprelaties en -afstanden, hoogteverschil en functionele loopstromen

10

Kwaliteit stationshal

+

0

++

+

11

Kwaliteit busstation

+

++

++

0

Kwaliteit fietsenstalling

+

+

++

+

12

met optimalisaties toegang fietsenstalling

++

+

++

+

13

Kwaliteit logistiek

+

+

+

+

Reizigerskwaliteit

Kwaliteit taxi & K+R

+

+

++

--

met VCP

++

++

++

--

15

Kwaliteit commercie en services

+

0

++

+

Integrale ruimtelijke kwaliteit binnen de OV-knoop

16

Integrale ruimtelijke kwaliteit binnen de OV-knoop

0

++

++

0

Ruimtelijke kwaliteit buitenruimte

Ruimtelijke kwaliteit buitenruimte met VCP en sloop/aanpassing KBC westtoren

+

++

++

+

17

+

++

++

+

Ruimte voor gebiedsontwikkeling cluster 6

18

Ruimte voor gebiedsontwikkeling cluster 6

+

+

+

+

Herkenbaarheid en vindbaarheid station Water-, groen- en bebouwingsstructuren Fellenoord Duidelijke, veilige en aantrekkelijke aansluiting op omliggende routes met VCP en sloop/aanpassing KBC westtoren

-

++

++

+

-

++

++

--

0

+

+

--

0

++

++

--

Milieu-impact en Circulariteit

--

--

--

-

23

Waterberging

+

+

+

+

24

Impact grondwaterstand21

--

--

--

--

Energie

25

Energieneutraliteit

--

--

--

-

Welzijn en gezondheid

26

Gezonde leefomgeving

+

+

+

+

14

Herkenbaarheid en vindbaarheid station Aansluiting op stedelijk weefsel (Fellenoord)

19 20

Aansluiting loop- en fietsroutes op de omgeving

21

Materialen

22

Water en bodem

MIRT-VERKENNING MULTIMODALE KNOOP EINDHOVEN

Onderwerp

Nr

Aspect

Alt. A

Alt. A’

Alt. B

Alt. C

27

Grenswaarden

0

0

0

0

28

Geluidbelasting reiziger

0

0

0

0

29

Geluidbelasting gebruiksfase

0

0

0

0

30

Geluidbelasting aanlegfase

-

-

-

-

Externe veiligheid

31

Risicocontour externe veiligheid

0

0

0

0

Trillingen

32

Trillingshinder

--

--

--

-

33

Oppervlaktewater

0

0

0

0

34

Hemelwater

++

+

++

++

Grondwater

--

--

--

--

Na mitigatie

0

0

0

0

36

Waterkwaliteit

+

+

+

+

37

Waterveiligheid

0

0

0

0

Bodem

-

-

-

0

Na mitigatie

+

+

+

+

Externe effecten Luchtkwaliteit Geluid

21

Water

35

Bodem

38

Klimaat

39

Weersextremen

+

+

+

0

Archeologie en cultuurhistorie

40

Archeologie en cultuurhistorie

--

--

--

--

Natuur

41

Ecologie, natuur en stikstof

--

--

--

--

42

Technische maakbaarheid

--

--

-

0

Faseerbaarheid en realisatieduur – impact op functioneren OV-knoop Faseerbaarheid en realisatieduur – impact op raakvlakken

--

--

--

--

--

--

-

-

45

Investeringskosten

--

--

--

0

46

Openbaar vervoer

0

0

0

0

47

Stationsvoorzieningen

0

0

0

0

48

Fietsenstalling

0

0

0

0

Kosten/baten-verhouding

49

MKBA

-

-

0

+

Draagvlak

50

Draagvlak bij stakeholders

+

+

+

-

Haalbaarheid

Uitvoerbaarheid

43 44

Realisatiekosten

Exploitatiekosten

21 Het criterium grondwater onder externe effecten dubbelt met het criterium ‘impact grondwaterstand’ onder doelbereik

Proj.nr. M0006441 / Definitief / Versie 7.0 / 15-12-25

86/98

6

Conclusie

In hoofdstuk 5 zijn de alternatieven per onderdeel van het beoordelingskader beoordeeld. Om een totaalbeeld te krijgen van het functioneren en de effecten van elk alternatief zijn in paragraaf 6.1 de belangrijkste conclusies per alternatief beschreven. De focus ligt hierbij op de onderscheidende elementen van de alternatieven. De paragrafen bevatten de conclusies op basis van de bijdrage aan doelbereik, de externe effecten en haalbaarheid. Daarnaast worden in paragraaf 6.2 er een aantal algemene conclusies weergegeven over de beoordeling van de alternatieven en aspecten die niet onderscheidend zijn maar wel zwaarwegende effecten hebben.

6.1

Conclusies per alternatief

6.1.1 Alternatief A Alternatief A wordt gekenmerkt door de centrale ligging van de bouwstenen nabij elkaar. In de ontwerpen is voldoende ruimte gevonden voor fiets, bus, deelmobiliteit en de stationshal. De entrees van deze bouwstenen zijn zeer dicht op elkaar gelegen en naar elkaar georiënteerd. Het leidt tot een compacte, naar binnen gerichte knoop. De fietsenstalling ligt volledig op maaiveld tussen de stationshal en de Fellenoord. Het resultaat hiervan is dat de fietsenstalling op maaiveld bovenop de buskelder een ingrijpende werking heeft op de (stedenbouwkundige) kwaliteit van de ov-knoop in alternatief A. Vrijwel alle negatieve scores zijn direct gerelateerd aan de positionering van de fietsenstalling. De stalling met het bovengelegen plein zijn een blokkade in plaats van de gewenste verbinding tussen stad en station. Het zal een uitdaging worden om de gewenste verblijfskwaliteit in alternatief A te creëren, waarbij het functioneren van het hoger gelegen plein sterk afhankelijk is van de invulling van cluster 6. Voor het vastgoed op cluster 6 geldt dat er nog een verscheidenheid aan soorten voorzieningen te realiseren is. Een belangrijk aandachtspunt is de doorstroming van de bussen welke met optimalisaties significant verbeterd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16475036/1