Bijlage 1a - Bp VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk)
Tekst van het document
Zonder op voorhand aan te geven wat-waar-wanneer gebouwd moet worden. Dat doen we door gebruik te maken van een model voor de onderbouwing van de wenselijkheid van nieuwe initiatieven. Daarin vragen we van initiatiefnemers (projectontwikkelaars, corporaties, gemeentelijke grondexploitaties) om in te gaan op een aantal punten zoals bijvoorbeeld het marktsegment, het woonmilieu en de periode van oplevering. Solidaire stad Wij willen dat Eindhoven een samenleving is, waarvan iedereen onderdeel is. De meeste inwoners kunnen zelfstandig hun plaats vinden in die samenleving, sommigen hebben een steuntje in de rug nodig. We zorgen dat er voor hen een vangnet is. We hebben oog voor mensen in lastige situaties: asielzoekers, daklozen, mensen in psychische nood en ex-gedetineerden. Door de decentralisatie in de zorg moeten meer mensen met een beperking een plek in de wijk vinden. De vergrijzing zet de komende jaren stevig door. Veel ouderen, met of zonder zorgvraag, zullen langer thuis blijven wonen. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie in bepaalde wijken is ongewenst. De sociale woningvoorraad is onderdeel van de sociale basisinfrastructuur. In theorie is in Eindhoven de sociale woningvoorraad in balans met de doelgroep.
Twee ontwikkelingen vragen echter om aandacht: de samenstelling van de sociale woningvoorraad en de positie van de 13.500 huishoudens met een middeninkomen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe woningwet 2015 moeten woningcorporaties hun woningen 'passend toewijzen'. Minimaal 80% van de vrijkomende sociale huurwoningen moet aan huishoudens met een laag inkomen worden toegewezen. Daarnaast is er ruimte om 10% van de woningen toe te wijzen aan huishoudens met een middeninkomen. De resterende 10% sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen, maar daarbij moeten zij wel voorrang geven aan mensen die door bijvoorbeeld fysieke of psychische beperkingen moeilijk aan voor hen passende huisvesting kunnen komen. Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens groeit. Dit betekent een grote uitdaging. Niet alleen in woonwensen maar ook in betaalbaarheid, want alleen wonen is relatief duur. We zetten in op transformatie en ander gebruik. Bij de transformatie van grotere kantoren, zorg- en onderwijsgebouwen kunnen (collectief) particulier opdrachtgeverschap en nieuwe woonconcepten een oplossing bieden. Ook het gebruik van eengezinswoningen door bijvoorbeeld twee eenpersoonshuishoudens, met name in het gebied buiten de Rondweg, behoort tot de mogelijkheden. Innovatieve stad 44
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
We gaan partijen uitdagen om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. En ook in de aanpak van de bestaande voorraad en in de transformatie van kantoren en zorggebouwen is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen. Een andere ontwikkeling is het zogenaamde flexwonen. Tot voor kort kende de woningmarkt een vrij overzichtelijk aanbod: koop- of huurwoningen, zelfstandige of onzelfstandige woonruimten, grondgebonden woningen of appartementen. Maar de vraagkant is de afgelopen jaren sterk veranderd. Er komen steeds meer groepen die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte. Denk bijvoorbeeld aan studenten, expats, arbeidsmigranten, mensen die een echtscheiding achter de rug hebben, ex-gedetineerden en mensen die uit een opvangvoorziening komen. Deze mensen zijn op zoek naar goede tijdelijke huisvesting, met passende voorzieningen, die snel beschikbaar is en tegen een prijs die past bij hun budget. Dit flexwonen wordt een belangrijke nieuwe woonvorm in Eindhoven. Het biedt tevens kansen voor de transformatie van leegstaand vastgoed. Verder willen we in de koopsector dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door het stimuleren (collectief) particulier opdrachtgeverschap. En we willen dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor de huishoudens met een hoger inkomen.
Ook in de huursector is er sinds de herziening van de Woningwet meer aandacht voor mede-eigendom en zelfbeheer, bijvoorbeeld via het model van wooncoöperaties. Wooncoöperaties zijn een soort tussenvorm van huur en koop. Samen met de corporaties willen we de vraag naar deze eigendoms- en beheervorm en de mogelijkheden in Eindhoven onderzoeken.
Toetsing Uit paragraaf 3.2.3 (ladder voor duurzame verstedelijking) blijkt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een gevarieerd aanbod in zowel categorie (koop en huur) als prijssegment (goedkoop, middelduur en duur). De beoogde ontwikkeling past in de ambities van de gemeente Eindhoven om verder te verstedelijken en gaat uit van een groei binnen de Rondweg en met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. De verdeling van de woningen is als volgt: 3 betaalbare koopwoningen (tot 200.000); 3 betaalbare huurwoningen (tot 737,14/mnd) 7 middendure huurwoningen (van 737,14/mnd tot 1.000); 8 dure huurwoningen (vanaf 1.000); 12 dure koopwoningen (vanaf 345.000). De woningen passen binnen het vastgestelde woonprogramma van de gemeente Eindhoven.
3.5.3
Kamerverhuur en woningsplitsing
Op 12 juni 2018 heeft de gemeenteraad het paraplubestemmingsplan 'parkeren, kamerverhuur en woningsplitsing' vastgesteld. Tot het moment van inwerkingtreding van dit paraplubestemmingsplan, werd via de huisvestingsverordening voorkomen dat woningen zonder vergunning werden gesplitst, omgezet, onttrokken en samengevoegd. Hoewel kamerverhuur en woningsplitsing verschillend zijn en andere toetsingskaders kennen, hebben beiden wel een zelfde soort ruimtelijk effect op de omgeving en is het wenselijk om deze initiatieven soortgelijk te reguleren in bestemmingsplannen. Door de regeling in het paraplubestemmingsplan wordt kamerverhuur en woningsplitsing voortaan via één vergunning (omgevingsvergunning) geregeld. Deze regeling moet in opvolgende bestemmingsplannen zoals het onderhavige worden overgenomen om geldend te blijven voor het betreffende plangebied. Om die reden is de regeling uit dit paraplubestemmingsplan in dit bestemmingsplan overgenomen.
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
45
3.6
Archeologische en cultuurhistorische waarden
3.6.1
Archeologie
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet.
Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012' , dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise. De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.
46
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.10: Uitsnede Archeologische Waardenkaart
Volgens de Archeologische Waardenkaart kent onderhavig plangebied geen archeologisch waardevolle gebieden of archeologische verwachtingsgebieden. Binnen het bestemmingsplan hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met archeologische waarden of verwachtingen. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. 3.6.2
Cultuurhistorie
Cultuurhistorische waardenkaart Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Op de cultuurhistorische waardenkaart is de locatie aangeduid als 'historisch stedenbouwkundige structuur'. In paragraaf 2.2 (historisch perspectief) en paragraaf 2.1.2 (historie van de plek) wordt de stedenbouwkundige structuur en ontwikkeling van de wijk Stratum, en meer in het bijzonder de wijk Tuindorp 'De Burgh' beschreven. De beoogde ontwikkeling houdt rekening met het historisch perspectief, de stedenbouwkundige structuur van de wijk en de cultuurhistorische waarden van de Fatimakerk en haar omgeving.
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
47
Figuur 3.11: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart
'Landschap onder de stad' In 2015-2017 en 2018-2019 zijn in opdracht van de gemeente Eindhoven cultuurhistorische onderzoeken uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Deze onderzoeken hadden als doel de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart wat betreft het onderdeel historisch landschap nader te onderbouwen en waar nodig aan te vullen. Door middel van een cultuurhistorische inventarisatie en waardering is met deze onderzoeken onder andere het stedelijk gebied van Eindhoven gedetailleerd in beeld gebracht. In 2019 verscheen het rapport van het stedelijk gebied 'Het landschap onder de stad'. Onderhavig plangebied valt binnen het onderzoek van het stedelijk gebied.
48
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.12 Uitsnede uit de reproductie v an de stadsplattegrond v an Eindov en en omgev ing, door Jacob v an Dev enter (1557)
Figuur 3.13 Luchtf oto uit 1950 met ter plaatse v an de rode pijl het plangebied (Bron: gemeente Eindhov en). Het historische lintdorp Stratum lag langs de Leenderweg, uiterst links op de luchtf oto.
Volgens de RAAP rapporten geldt voor het plangebied geldt een lage herkenbaarheid van het prestedelijke landschap. Ook zijn er geen waardevolle landschapselementen op de vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
49
waarderingskaart opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat er dus geen afbreuk wordt gedaan aan deze cultuurhistorische waarden. Bouwhistorisch onderzoek Onder andere de O.L. Vrouwenkerk van Fatimakerk (architecten J.C. van Buijtenen & B. Clement, 1949-1950), draagt in haar verschijningsvorm en gaafheid in belangrijke mate bij aan het zichtbaar en afleesbaar houden van het cultuurhistorisch waardevolle gebied. De Fatimakerk is een beeldbepalend en uitgekiend gesitueerd ankerpunt in de buurt en vanwege de herkenbare traditionalistische typologie en architectuur. Bovendien gaat het hier om panden met een zorgvuldige architectuur en representeren zij de tijdsperiode waarin ze ontworpen zijn. De beoogde ontwikkeling bouwt voort op deze stedenbouwkundige structuur met respect voor de cultuurhistorische waarden van de locatie. De cultuurhistorisch waardevolle kerk wordt behouden en getransformeerd. De transformatie van de kerk is gestoeld op bouwhistorisch onderzoek dat inzicht biedt in de aanwezigheid en waarden van de verschillende onderdelen. Dit bouwhistorisch onderzoek is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. Het onderzoek geeft een beschrijving van de bouwhistorische toestand in de bestaande situatie. Op basis van de waardenstellingen zijn aanbevelingen geformuleerd voor de transformatie.
Voor het kerkgebouw wordt van belang geacht dat de inspiratie voor ingrepen of toevoegingen geen conflict oproepen met het bestaande. Ook wordt aanbevolen om het omringende terrein mee op te nemen in de planvorming en een relatie tussen beide te zoeken. Hierbij wordt gesteld dat een groene omgeving met waardevolle bomen een meerwaarde kan zijn. Zoals in het bouwhistorisch onderzoek is beschreven wordt in het beoogde ontwerp voorzien in een groen hof waarbij de architectuur is geïnspireerd op de Bossche School Stijl uit de jaren '50 en de verharding refereert aan het patroon op het Servaasplein. Er wordt dus ook bij de transformatie rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden van de Fatimakerk.
50
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.14: Middenbeuk met zicht op priesterkoor (bron: RHCe)
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
51
Figuur 3.15: Bouw Fatimkerk 1949 (bron: Eindhoven in beeld)
3.7
Verkeer en parkeren
In de visie Eindhoven op Weg wordt gewerkt aan het realiseren van ruimtelijke- en duurzaamheidsdoelen en aan het oplossen en voorkomen van knelpunten die met mobiliteit samenhangen. Eindhoven op Weg is geen blauwdruk voor de toekomst. Het is wel een kansgedreven visie met ambities, richting en kader voor concrete uitwerking. Eindhoven op Weg zet in op: aantrekkelijk vestigingsklimaat voor Brainport: multimodale bereikbaarheid van de economische toplocaties draagt bij aan een uitstekend vestigingsklimaat; aantrekkelijk leefklimaat: het centrum, woon- en verblijfsgebieden zijn vrij van hinder en overlast van het verkeer en de kwaliteit van de openbare ruimte en het groen is goed; gezond, schoon, groen en sociaal: de lucht is schoon en het geluid van een aangenaam niveau. Sociale cohesie is gegroeid door meer en aantrekkelijkere ruimtes voor ontmoeten en ontspannen en het gebruik van gedeelde voorzieningen in het vervoer; energieneutraal in 2040: energiebesparing in het verkeer en een transitie naar het gebruik van duurzame brandstoffen; veilig: een stad met zo min mogelijk verkeersslachtoffers; duurzame mobiliteit: een stad, met waar het kan meer lopen, fietsen en gebruik van het openbaar en waar het moet prioriteit voor de auto.
52
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.16: Sleutelkaart Duurzaam Verbinden - Eindhoven op weg
Uit oogpunt van mobiliteit wordt gewerkt volgens het principe 'slow motion – fast forward'. Waar het kan krijgen de voetganger, de fietser en het openbaar vervoer het primaat. Waar het moet is er prioriteit voor de auto. Voor het ruimtelijk transformeren naar de veelzijdige stad geldt het principe plaats maken'. Daadwerkelijk ruimte maken voor duurzamer vervoer en verbetering van stedelijke kwaliteit met meer ruimte voor groen. De bovengenoemde principes bepalen dat waar mogelijk de historische radialen primair geschikt worden gemaakt voor de fietser en de voetganger, en secundair voor de auto. De nieuwe radialen worden juist meer gebruikt door de auto en het HOV.
In het centrum wordt meer plaats gemaakt voor het langzame verkeer, waarbij op de Binnenring meer ruimte komt voor voetgangers, doorgaande fietsroutes en HOV, gecombineerd met groen. Het fijnmazige netwerk voor de voetganger wordt uitgebreid over de Binnenring heen waardoor de binnenstad wordt vergroot. Het plangebied ligt in het deelgebied 'Stadsdelen en radialen'. Autoverkeer Het plangebied wordt omsloten door de erftoegangswegen Sint Servaasweg, Sint Hubertusstraat en Sint Adrianusstraat. Via de Sint Hubertusstraat en Sint Adrianusstraat wordt het plangebied ontsloten op de gebiedsontsluitingsweg Puislaan. Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat drie soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Deze fietsroutes zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
53
Figuur 3.17 Kaart fietsnetwerk uit Eindhoven op weg
Het plangebied ligt nabij de snelroutes Best-Geldrop, Son & Breugel - Valkenswaard en Binnenring. Openbaar vervoer Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen.
54
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.18: Kaart Openbaar vervoer netwerk uit Eindhoven op weg
Het plangebied ligt op enige loopafstand van de HOV-haltes aan de Leenderweg en de Geldropsweg.Het netwerk van ontsluitende buslijnen is te gebruiken vanaf de Heezerweg en de Petrus Dondersstraat. Auto- en fietsparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een plan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. Deze nota is inmiddels geactualiseerd door de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019. De Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 is vanaf 4 oktober 2019 van kracht en past in de ontwikkeling naar een groenere, bereikbare en duurzame stad. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moeten we het centrum van Eindhoven goed bereikbaar houden. Er is straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum. Daarom streven we nu naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en we zetten zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen: lopen, fietsen en openbaar vervoer.
In de nota is dat uitgewerkt in de zogenaamde verplichte "HOV-reductie" (minder parkeerplaatsen bij stations en Hoogwaardig openbaar vervoer-haltes) en het stimuleren van gebruik van deelauto's voor bewoners. Als tweede aanpassing willen we de bestaande (privé) parkeercapaciteit beter en efficiënter gaan benutten ten opzichte van realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. De derde belangrijke aanpassing is dat ontwikkelaars een bijdrage in het mobiliteitsfonds moeten storten, bij gebruik van reeds aanwezige openbare parkeerplaatsen. Met dat geld willen we onder andere de opbouw van een stadsbreed deelmobiliteit netwerk op weg helpen. In de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 hebben we eveneens de fietsparkeernormen geactualiseerd en gaan daar uitgebreider op toetsen en vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
55
handhaven. Het plan voorziet in de realisatie van 33 woningen. In Bijlage 5 bij deze toelichting is de ingevulde rekentool parkeren opgenomen. De parkeerbehoefte is daarmee berekend op 33 parkeerplaatsen. De te realiseren parkeergarage voldoet met de realisatie van 33 parkeerplaatsen aan de parkeernorm. Overigens geldt dit aantal van 33 parkeerplaatsen als maximum aantal. Er zijn niet meer parkeerplaatsen toegestaan. Op basis van de 'rekentool' is ook de behoefte voor fietsparkeren berekend. De parkeerbehoefte voor fietsen is berekend op 133 stallingen. Alle woningen worden voorzien van een berging. Daarnaast worden er stallingen geplaatst in de openbare ruimte. Bij de uitwerking van het bouwplan worden de mogelijkheden voor duurzaam alternatief vervoer onderzocht.
3.8
Groen
3.8.1
Groenbeleidsplan
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.
Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
56
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.19: Ruimtelijke Strategieënkaart
Onderhavig plangebied is in de kaart uit het Groenbeleidsplan aangeduid als 'Stad, rood beeldbepalend. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden: Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groen-areaal.
Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.
3.8.2
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
57
Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2015. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.
Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie.
Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m2 of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht.
58
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.20: Uitsnede Groene Kaart met globale begrenzing plangebied in rood
Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden.
Toetsing Het plangebied vormt het groene hart van Tuindorp. Op dit principe is verder voortgebouwd in het groeninrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1. In het ontwerp is veel aandacht besteed aan een groene inpassing en herinrichting van de bestaande omgeving. Met behoud van een groot deel van de bestaande bomen en het toevoegen van nieuwe groen, is een plan ontwikkeld dat uitgaat van een kwalitatief hoogwaardige gezonde leefomgeving. Niet alleen het plangebied maakt onderdeel uit van het groeninrichtingsplan maar in overleg met de gemeente wordt ook het verharde terrein grenzend aan het plangebied vergroend. De beoogde ontwikkeling voldoet daarmee aan het groenbeleidsplan 'Stad, rood bepalend', de beleidsregel groencompensatie en het bomenbeleid van de gemeente. In de bijlage bij het inrichtingsplan is tevens een Boom effect analyse (hierna: BEA) toegevoegd. De volgende bevindingen zijn gedaan. De bomen bij de toegangswegen en rondom de bouwput zullen tijdens de werkzaamheden een verhoogd risico hebben op schade aan de stammen en kronen. Om mogelijke schade tijdens de werkzaamheden te voorkomen zullen de betreffende bomen tijdens de werkzaamheden worden voorzien van een deugdelijke stambescherming. Gedurende de werkzaamheden zal er zwaar materiaal en materieel over het terrein rijden en vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
59
na deze bouwwerken zal er nieuwe verharding toegepast gaan worden. Deze werkzaamheden hebben negatieve invloed op de verdichting van de bodem. Dit heeft structurele conditievermindering van de bomen tot gevolg. In onderstaande conclusie van de BEA worden enkele belangrijke voorwaarde gegeven aan hoe men hiermee moet omgaan om te kunnen garanderen dat de bestaande houtopstand zijn huidige conditie zal behouden.
Het grondwater bevindt zich deels binnen en deels buiten het bereik van de wortels. Om aan vocht te komen zijn veel haarwortels afhankelijk van capillaire werking. Verlaging van de grondwaterstand kan tot gevolg hebben dat een groot deel van de haarwortels het grondwater niet meer kan bereiken. Verlaging van de grondwaterstand is daarom alleen acceptabel indien dit plaatsvindt buiten het groeiseizoen. Verlaging van de grondwaterstand binnen het groeiseizoen is acceptabel mits dit niet langer duurt dan één week en dit niet wordt uitgevoerd tijdens extreem droge periodes. Wanneer dit toch het geval is dan zal men moeten kijken hoe het grondwater terug gebracht kan worden onder de kroonprojectie van de bomen.
Op basis van de BEA kan het volgende worden geconcludeerd: In totaal zijn er 87 bomen geïnventariseerd, waarvan er 4 stuks niet meer aanwezig zijn of omgewaaid liggen. 40 van de opgenomen bomen liggen buiten het plangebied, maar zijn opgenomen vanwege de risico’s mbt transport, bouw & bronnering. Totaal te kappen bomen mbt de nieuwbouw betreft 23 bomen, (boom nr. 14, 15, 34, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 68, 70, 71, 80, 81, 83, 84, 85, 72, 73, 92, 93, 94) Totaal te kappen bomen ivm conditie betreft 5 bomen, (boom nr. 49, 50, 51, 52, 53) De bomen binnen het projectgebied hebben aanzienlijk wat schade opgelopen van de storm van de winter in 2019-2020, een goede snoeibeurt is daarom noodzakelijk. Tevens wordt geadviseert om samen met de kap naastgelegen bomen vakkundig te snoeien om schade aan de bomen tijdens de bouw te voorkomen. Ook wordt geadviseert de bomen 24 en 26 te kappen ivm conditie en schade aan kroon. Deze liggen echter buiten het projectgebied. Herplant van bomen zal plaatsvinden volgens ontwerp Kruit & Kok landschapsarchitecten zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting. Na uitvoering van de in het BEA genoemde boomwerken zal de gehele boomwaarde verrekend zijn.
60
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.21: Overzicht te rooien bomen in het plangebied
Op basis van de Groene Kaart van de gemeente Eindhoven kan verder worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen beschermde houtopstanden aanwezig zijn. Het planvoornemen is dan ook niet in strijd met het gemeentelijke groenbeleid. Met het inrichtingsplan wordt voorzien in een aanzienlijke verbetering van de groenstructuur ter plaatse.
3.9
Kabels, leidingen en straalpaden
In of nabij het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die planologische bescherming behoeven.
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
61
62
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieuparagraaf
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is met name 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen;
4.1.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. De woningbouwontwikkeling wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De in dit plan besloten ontwikkeling wordt in het algemeen niet gezien als een m.e.r.plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van 34 woningen en een parkeerkelder. De ontwikkeling binnen het plangebied ligt dan ook ruim beneden de genoemde vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
63
drempelwaarde. Wel dient in dergelijke situatie een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gemaakt. De Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt dan ook als separate bijlage, onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling incl.bijlagen die is toegevoegd in bijlage 12 blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, mits de genoemde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
4.1.3
Conclusie
De uitgevoerde onderzoeken (bodem, luchtkwaliteit, archeologie en cultuurhistorie, externe veiligheid) tonen aan dat het realiseren van woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt. Daarmee worden eventuele effecten voorkomen. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen over de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling waarin aangegeven wordt of een MER nodig is, deze zal apart worden opgestuurd.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.
4.2.1
Staat van bedrijfsactiviteiten
De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit 64
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Onderzoek In de beoogde situatie worden 34 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In het gebied zijn voornamelijk woningen gevestigd. De bestaande kerk ligt echter in een cluster met andere maatschappelijke voorzieningen en een kantoor waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Dit cluster grenst tevens aan de hoofdwegenstructuur (Piuslaan) van Eindhoven. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een kinderopvang inclusief schoolplein. Dit valt volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Er wordt niet aan de richtafstanden voldaan. Het maatgevende aspect voor de aan te houden richtafstand is geluid.
Het schoolplein vormt de bron waar de meeste geluidhinder te verwachten valt. Het schoolplein ligt op een afstand van circa 20 meter en het kinderdagverblijf vormt een akoestische afscherming tussen de te realiseren woningen en het schoolplein. Hierdoor is er vanwege het schoolplein geen geluidshinder te verwachten en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.1: Basisschool (links) met kinderdagverblijf (rechts) en daartussen het schoolplein
In het bestaande kerk is de Chinese kerk gevestigd. Deze functie valt volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter. Er wordt niet aan de richtafstanden voldaan. Het maatgevende aspect voor de aan te houden richtafstand is geluid. In de bestaande kerk is al een scheidingsconstructie in de vorm van een muur van kalkzandsteen aanwezig. Hierdoor is er geen sprake van geluidshinder en is er sprake van vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
65
een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.2: Scheidingsconstructie in de vorm van een muur van kalkzandsteen
Voor de basisschool geldt een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan evenals voor de aanwezige kantoorfunctie (met een richtafstand van 0 meter).
Conclusie De kerk maakt onderdeel uit van een cluster van maatschappelijke voorzieningen en een kantoor. Dit cluster grens aan de hoofdwegenstructuur (Piuslaan) van Eindhoven. De omgeving kan worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Ten aanzien van het kinderdagverblijf en de Chinese kerk wordt niet voldaan aan de richtafstanden. Voor beide functies is geluid het maatgevende aspect en is aangetoond dat er ter plekke sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast belemmert de beoogde ontwikkeling de aanwezige functies niet in haar bedrijfsvoering.
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet 66
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
In het voorliggende bestemmingsplan worden de functie in de vorm van grondgebonden woningen en appartementen mogelijk gemaakt.
4.3.2
Wegverkeerslawaai
De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een planologisch aandachtsgebied (de zone) ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties: via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan/projectbesluit) de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan/projectbesluit) een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg (al dan niet in combinatie met een ruimtelijk besluit). In bovenstaande situaties gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone een beschermingsniveau van 48 dB, dit is de voorkeursgrenswaarde. Door middel van een "hogere waarde procedure" kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare (grens)waarde. De hoogte van deze maximaal toelaatbare (grens)waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet een standaardbreedte.
De omvang van de zone voor de verschillende situaties is in de Wgh aangegeven. Voor een weg buiten de bebouwde kom en voor een auto(snel)weg (zowel binnen als buiten de bebouwde kom): voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. De Piuslaan is een weg binnen de bebouwde kom bestaande uit vier rijstroken waarvoor een zone van 400 meter geldt. De wegen in het plangebied zelf maken onderdeel uit van een zogenaamd 30-km gebied.
Onderzoek In het kader van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen op de in de toekomst te realiseren grondgebonden woningen en appartementen. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Het onderzoek is noodzakelijk omdat het plangebied gelegen is binnen de in de Wet vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
67
geluidhinder vastgelegde geluidzone van een gezoneerde weg. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Het geluid van de Piuslaan Voor een deel van de bovenste bouwlaag van de zuidelijke nieuwbouw wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. Het betreft hier 11 woningen en 1 appartement met een gevel aan de zuid- of oostzijde. De geluidbelasting is maximaal 51 dB op de oostelijke gevel van de meest noordelijke woningen. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Geluidmaatregelen in de vorm van geluidarm asfalt of geluidschermen om de geluidbelasting te verlagen zijn niet mogelijk. Op de Piuslaan ligt al geluidarm asfalt en geluidschermen zijn niet inpasbaar. Voor de bovenste bouwlaag van het nieuwe blok woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 49 tot 51 dB ten gevolge van de Piuslaan. Daarbij worden extra eisen gesteld aan het geluidniveau in de woningen (conform artikel 3.1 Bouwbesluit). De geluidbelasting op de gevels van de Fatimakerk is in alle gevallen lager of gelijk aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Er is hier geen verdere actie vereist. Het geluid van de 30 km/h-wegen Voor alle nieuwe woningen geldt dat de geluidbelasting op geen enkel rekenpunt de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt. Er is dan ook geen verdere actie vereist. Aanwezigheid geluidluwe gevels Voor alle nieuwe woningen geldt dat er een geluidluwe gevel aanwezig is.
Conclusie Voor een aantal woningen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximale grenswaarde wordt niet overschreden. Alle woningen hebben een geluidluwe gevel. Daarnaast worden extra eisen gesteld aan het geluidniveau in de woningen (conform artikel 3.1 Bouwbesluit). Daarmee wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid en wordt voor de betreffende woningen ontheffing op grond van de Wet Geluidhinder aangevraagd.
4.3.3
Railverkeerslawaai
Het plangebied ligt niet in de zone van een spoorlijn. Conclusie Het aspect railverkeerslawaai vormt géén belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
4.3.4
Industrielawaai
Het plangebied ligt niet in de zone van een industrieterrein.
Conclusie Het aspect industrielawaai vormt géén belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
68
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
4.3.5
Luchtvaartlawaai
Het plangebied ligt op enige afstand (ruim 7 km) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militaire luchthaven met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld. De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen. De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. In bijlage 7 van het luchthavenbesluit is de 35 Ke contour voor het militaire luchtverkeer aangewezen en in bijlage 8 de contour van het commercieel burgerluchtverkeer.
De cumulatieve Ke contouren staan in de 35 Ke contour is tevens in het Barro en Rarro verwerkt. Hierbinnen zijn geen geluidsgevoelige objecten (woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen en ligplaatsen) toegestaan. Het plangebied ligt op voldoende afstand van deze geluidszone. De geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35 Ke-contouren). Deze geluidszone is op 5 augustus 2009 vervangen door een tijdelijke geluidszone na gedeeltelijke vernietiging van het uit 2007 daterend aanwijzingsbesluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plangebied ligt ook niet binnen deze tijdelijke geluidszone.
Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van Eindhoven Airport. Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
69
4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
70
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 34 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Piuslaan, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 28,8 µg/m³ voor NO2, 19,4 µg/m³ voor PM10 en 12 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7,2 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
71
Figuur 4.3: Uitsnede NSL-monitoring met maatgevende meetpunt rood omcirkeld en plangebied rood omkaderd
4.4.6
Conclusie
Aangezien het plan niet meer dan 34 nieuwe woningen omvat, kan gesteld worden dat er sprake is van een “in betekenende mate“ project zodat de realisatie van het plan niet zal leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord in een beknopte verantwoording.
72
vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven
4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.