CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bp VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk)

Gemeenteraad 22 september 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Van - tot27.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Transport In de omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor of het water. Wel wordt er via de zuidelijke gelegen Piuslaan gevaarlijke stoffen over de weg vervoert. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen plaats.

4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van de weg) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. In de Visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidscondities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het treffen 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. In de visie is een aantal aanvullende maatregelen bij functies nabij risicobronnen (wonen, werken, recreatie) opgenomen. Om de risico's zo klein mogelijk te houden, komen er aanvullende beschermingsmaatregelen voor de veiligheid van kwetsbare functies in de buurt van risicobronnen. Nieuwe kwetsbare functies moeten op een afstand van minimaal 30 meter van het spoor en de rijkswegen worden gesitueerd. vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

73

In een gebied van 200 meter rondom een risicovolle transportas worden geen functies toegestaan voor personen die verminderd zelfredzaam zijn (zoals kinderdagverblijf, basisschool, bejaardenhuis, verpleeghuis, ziekenhuis e.d.). De verantwoording van het groepsrisico wordt gedaan door de raad van de gemeente Eindhoven, waarbij een afweging wordt gemaakt tussen het belang van de ruimtelijke ontwikkeling ten opzichte van het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen.

4.5.3

Overige wet- en regelgeving

Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogd om duidelijkheid te bieden over het maximaal aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico's die dat transport mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet weg, Basisnet spoor en Basisnet water. Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen. De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat: 1. het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: a. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt of, b. de oriëntatiewaarde wordt overschreden. 2.

bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

74

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

Figuur 4.4: Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied gemarkeerd

Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden (figuur 4.5.1). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, het water of door buisleidingen. Ten zuiden bevindt zich de Piuslaan welke onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In 2010 is een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's van bulktransport over gemeentelijke wegen binnen Eindhoven (“Transport Gevaarlijke stoffen door de Gemeente Eindhoven: SRE Milieudienst). Hieruit blijkt dat er voor de gemeentelijke wegen geen plaatsgebonden risicocontouren (10-6/jaar) worden berekend. Verder is het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. De toevoeging van de 34 woningen zal niet leiden tot een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde of een stijging van meer dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Hierdoor kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Begin 2008 zijn daarnaast met de Regionale brandweer afspraken gemaakt dat zij in bepaalde gevallen niet om advies gevraagd hoeven te worden maar dat kan worden volstaan met een standaard advies. Het ontwikkelingen langs lokale wegen met kleine omvang (< 50 woningen). Het plan maakt de ontwikkeling van 34 woningen mogelijk en voldoet aan deze gestelde criteria.

4.5.4

Groepsverantwoording

In de Visie Externe Veiligheid Eindhoven uit 2009 worden hierbij enkele voorwaarden gesteld. Hierin staat o.a. dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen (minder dan 50 woningen, waarbij de woningen niet specifiek bedoeld zijn voor een hulpbehoevende of minderjarige doelgroep) binnen 200 meter van de lokale wegen de standaard verantwoording groepsrisico geldt. Aangezien het plan 32 woningen betreft, past het plan binnen het criteria van de standaardverantwoording van de gemeente Eindhoven. Standaard verantwoording groepsrisico bij minder dan 50 woningen langs lokale vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

75

wegen in de zone van 0 tot 200 m.

Binnen zone van 0 tot 200 m zijn de blootstelling aan brandbare gassen (BLEVE) en toxische gassen de bepalende scenario's. Uitgaande van de diverse elementen van de verantwoordingsplicht leidt dit tot het volgende standaard externe veiligheidsadvies: De "Beleidsregels bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid gemeente Eindhoven" zijn van toepassing; De ontvluchtingsrichting vanuit het bouwwerk moet van de risicobron af gericht zijn; Eigenaren van bouwwerken moeten, indien van toepassing, ontruimingsafspraken maken met de gebruikers daarvan; Er is geen specifiek verzoek om advies van de Veiligheidsregio noodzakelijk.

4.5.5

Conclusie

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

76

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

77

2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe 78

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

4.6.1

Planbeschrijving

De beoogde ontwikkeling sluit op verschillende onderdelen aan op de duurzaamheidsambities van de gemeente Eindhoven. Met het behoud en herbestemming van de bestaande Fatimakerk wordt een bijdrage geleverd aan zorgvuldig ruimtegebruik en een circulaire economie. De buitengevel en andere cultuurhistorische waardevolle elementen in de kern blijven behouden. De bestaande kerk is in de bestaande situatie niet geïsoleerd. Na de transformatie naar wooneenheden is het streven de kerk te isoleren met RC-waarden van 3,5 (vloer), 4,5 (gevel) en 6,0 (dak). De oliegestookte verwarming wordt verwijderd en vervangen door warmtepompen met een lage temperatuur verwarming (all electric). De nieuwbouw voldoet aan de geldende eisen uit het Bouwbesluit en wordt gasloos gebouwd. Op het dak worden zonnepanelen (PV panelen) geplaatst. Bij de uitwerking van het bouwplan worden de mogelijkheden voor duurzaam alternatief vervoer (bijv. elektrische oplaadpunten) onderzocht. Het plangebied vormt het groene hart van Tuindorp. Op dit principe is verder voortgebouwd in het groeninrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1. In het ontwerp is veel aandacht besteed aan een groene inpassing en herinrichting van de bestaande omgeving. Met behoud van een groot deel van de bestaande bomen, is een plan ontwikkeld dat uitgaat van een kwalitatief hoogwaardige gezonde leefomgeving.

Niet alleen het plangebied maakt onderdeel uit van het groeninrichtingsplan maar in overleg met de gemeente wordt ook het verharde terrein grenzend aan het plangebied vergroend. Het inrichtingsplan gaat uit van: het versterken van het groen hart van Tuindorp; het verwijderen van het verwilderd groen en vervangen door een bloemrijk grasland met bomen, heesters- en vaste planborders; het creëren van uitgemaaide wandelpaden zodat het terrein toegankelijk blijft voor de wijkbewoners; vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

79

het creëren van een natuurlijke speelplek met waterberging (wadi). Met dit herinrichtingsplan wordt door de hoeveelheid bomen, planten en bloemen een bijdrage geleverd aan de biodiversiteit in dit gebied. Daarnaast wordt door de vergroening en het realiseren van een wadi rekening gehouden met klimaatadaptatie. Tot slot draagt de herinrichting bij aan een gezonde leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting en beweging en groen en schaduw creërt waardoor hittestress wordt voorkomen.

4.7

Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeente verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bode, Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit gescikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Ter plaatse van het plangebied is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig tot sterk siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is matig tot sterk gleyhoudend. De bovengrond is over het algemeen zwak tot sterk baksteenhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak kolengruishoudend. Ter plaatse van het plangebied zijn een tweetal deellocaties onderzocht: Deellocatie A: hele plangebied Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging" (VED-HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is.

De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, lood, zink, minerale olie, PAK en PCB. De ondergrond is licht verontreinigd met PAK. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en xylenen aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie A als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt aanvaard. Gelet op de aard en mate van de verontreiniging bestaat er géén reden voor nader onderzoek. Deellocatie B: vermoedelijke ligging voormalige ondergrondse HBO tank Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdachte locatie, met één of meer ondergrondse opslagtanks" (VEP-OO). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met xylenen en naftaleen aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie B als " plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, wordt aanvaard. Gelet op de aard en mate van de verontreiniging bestaat er géén reden voor nader onderzoek. Conclusie 80

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de milieuhygienische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor de te realiseren nieuwbouw en de beoogde bestemmingsplanwijziging.

4.8

Natuur

De Wet Natuurbescherming, hierna Wnb, biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden, hout en houtproducten. Aanwezigheid van beschermde gebieden of beschermde soorten en/of hun beschermde leefomgeving kan van invloed zijn op de uitwerking van bestemmingen. In het onderhavig plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In het kader van onderhavig plan worden ook geen negatieve effecten verwacht op elders gelegen Natura 2000-gebieden. Onderhavig bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de gunstige staat van instandhouding van beschermde planten- of diersoorten. Ten behoeve van deze ontwikkeling zijn in het kader van de Wet natuurbescherming drie onderzoeken uitgevoerd. Een onderzoek naar de gevolgen van stikstofuitstoot ter plaatse van beschermde natuurgebieden, een quickscan flora en fauna en een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en steenmarters. De rapportage van het onderzoek naar stikstof is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. De rapportage van de quickscan is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. Het vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en steenmarters (bijlage 10) is ook als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de resultaten.

4.8.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden onder het Natuur Netwerk Brabant (hierna NNB). In de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen beschermde gebieden die deel uitmaken van het NNB. Het dichtstbijzijnde NNB ligt op circa 875 meter van het plangebied. Gezien deze afstand van het plangebied tot de en de mate waarin gebieden binnen een kilometer van het plangebied al verstoord zijn door licht, geluid en optische verstoring, is van externe werking ten aanzien van NNB-gebieden geen sprake.

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

81

Figuur 4.5: Ligging plangebied ten opzichte van NNB

Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied en betreft Leenderbos, Groote Heide & Plateaux. Door middel van AERIUS-berekeningen is onderzocht of als gevolg van het planvoornemen sprake is van stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden.

82

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

Figuur 4.6: Ligging plangebied ten opzichte van Natura2000-gebieden Conclusie Op basis van het onderzoek en de bijbehorende AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Daarnaast kunnen gezien de grote afstand tot natuurgebieden verstoring, verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten.

4.8.2

Soortenbescherming

De quickscan heeft als doel de effecten op (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna te toetsen alvorens de werkzaamheden gestart kunnen worden. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten hebben op beschermde soorten, is een veldbezoek uitgevoerd. Daarbij is beoordeeld of er mogelijk beschermde soorten in de invloedsfeer van het plangebied voorkomen en of de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Daarnaast is beoordeeld of er nader onderzoek nodig is om de aan- of afwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten en of er een ontheffing nodig is voor de uitvoering van de werkzaamheden. De quickscan flora- en fauna is toegevoegd in Bijlage 9. Het vervolgonderzoek is opgenomen in bijlage 10.

Vleermuizen Er is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis,kleine dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en de meervleermuis. Effecten op vleermuizen kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Er wordt nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de hieronder opgesomde verblijfplaatsen voor vleermuzien in het plangebied. vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

83

Verblijfplaatsen Er worden werkzaamheden aan een kerkgebouw verricht. Het kerkgebouw is deels bedekt met dakpannen. Er zijn op sommige plaatsen openingen tussen de dakpannen en onder het lood aanwezig waar vleermuizen in kunnen kruipen en verblijven kunnen hebben. Verder is er een luchtspouw aanwezig, welke toegankelijk is via openingen in de gevel. Negatieve effecten op verblijfplaatsen kunnen daarom niet uitgesloten worden. Kraamverblijfplaatsen De eisen aan een kraamverblijf zijn, onder andere, een stabiele (relatief warme) temperatuur met gradiënt en buffermogelijkheden, instraling van zon en eventueel temperatuurlekkage vanuit het gebouw. Aan deze eisen kan worden voldaan in de spouwmuur of onder de dakpannen. Om deze reden kunnen kraamverblijfplaatsen van de benoemde soorten niet worden uitgesloten. Winterverblijfplaatsen De eisen aan een winterverblijf zijn onder andere een stabiele temperatuur met gradiënt, vorstvrij (wel koud/koel), buffermogelijkheden. Instraling van zon en temperatuurlekkage vanuit het gebouw maken een verblijfplaats extra geschikt als winterverblijf. Aan deze eisen kan worden voldaan in een spouwmuur, welke aanwezig is in het plangebied. Daarom kunnen winterverblijfplaatsen van de benoemde soorten niet worden uitgesloten.

Zomerverblijfplaatsen De eisen aan een zomerverblijf zijn aanzienlijk beperkter dan aan kraam- of winterverblijven, zo zijn rolluiken, ruimtes achter dakbetimmeringen en boomholtes geschikt. In het plangebied zijn zomerverblijfplaatsen mogelijk onder de dakrand en in de spouwmuur. Paarverblijfplaatsen Aan een paarverblijf worden vaak weinig eisen gesteld, kleine ruimtes onder vensterbanken of kozijnen zijn geschikt, maar ook boomholtes en bijvoorbeeld ruimtes onder dakranden. In het plangebied zijn paarverblijfplaatsen mogelijk onder de dakrand en in de spouwmuur. Massawinterverblijfplaatsen Massawinterverblijven kunnen aanwezig zijn in gebouwen met meerdere etages. In het plangebied zijn massawinterverblijfplaatsen niet uit te sluiten.

Huismus Er zijn geschikte nestplaatsen aanwezig onder de dakpannen op het dak. Er is voldoende dekking (bomen en struiken) op enkele meters afstand. Daarnaast zijn er wintergroene struiken aanwezig die de huismus kan gebruiken als plaats om te overnachten in de winter. Er worden mogelijk (houtige) elementen verwijderd die onderdeel uit kunnen maken van de functionele leefomgeving, zoals struweel en hagen die kunnen dienen als schuilplaats. Het uitgangspunt van de opdrachtgever is om zoveel mogelijk bomen te handhaven, echter, een effect op de functionele leefomgeving kan niet worden uitgesloten aangezien niet precies duidelijk is welke elementen zullen verdwijnen. Er zijn waarnemingen van de huismus bekend binnen 200 meter van de projectlocatie. Er zjin tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen. Eén bezoek is echter niet voldoende om de afwezigheid vast te stellen. Effecten op de huismus kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Er wordt nader 84

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied.

Gierzwaluw De kerk heeft geschikte nestplaatsen voor de gierzwaluw. Vaak nestelt de soort in oudere stadswijken of grotere gebouwen en in mindere mate nieuwe gebouwen. De gierzwaluw nestelt in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen, in kerktorens en in nestkasten. De kerk in het plangebied heeft overhangende dakpannen waaronder gierzwaluwen kunnen invliegen. Er zijn waarnemingen bekend van gierzwaluwen binnen 200 meter van het plangebied vandaan. De gebouwen moeten minstens 3 meter hoog zijn, omdat de gierzwaluw zich eerst naar beneden moet laten vallen voordat hij kan opstijgen. Dit is mogelijk bij de kerk in het plangebied. Ook moet de vrije uitvliegbreedte minstens één meter breed zijn. Ook dit is het geval. Er zijn geen poepsporen aangetroffen, maar deze zijn niet altijd zichtbaar. Effecten op de gierzwaluw kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Er wordt nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de gierzwaluw in het plangebied.

Steenmarter De steenmarter komt voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden en tegenwoordig zelfs in grote steden. Hij heeft een voorkeur voor rommelige terreinen, met oude gebouwen, heggen, struweel en/of kreupelhout. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. In het plangebied is geschikt biotoop voor de steenmarter. De steenmarter kan de toegankelijke luchtspouw van de kerk bereiken via de openingen in de muur. Er is een waarneming bekend op circa 1000 meter afstand van het projectgebied. Effecten op de steenmarter kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Er wordt nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied.

Maatregelen voor schermde soorten Effecten op vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen niet worden uitgesloten, maar kunnen worden voorkomen door buiten de broedperiode te werken, en als dit niet mogelijk is vooraf een broedvogelinspectie uit te voeren.

Algemene zorgplicht Effecten op andere beschermde soorten zijn uitgesloten. Daarnaast geldt op grond van de Wet natuurbescherming een zorgplicht op grond waarvan nadelige gevolgen voor flora of fauna voorkomen worden of dat noodzakelijke maatregelen getroffen worden.

Vervolgonderzoek Uit het nader onderzoek beschermde soorten (bijlage 10) kunnen de onderstaande conclusies worden getrokken:

Steenmarter, huismus en gierzwaluw Tijdens het onderzoek zijn er geen nest- of verblijfplaatsen van deze soorten aangetroffen Er zijn geen vervolgstappen benodigd voor deze soorten.

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

85

Gewone dwergvleermuis Tijdens het onderzoek is gebleken dat er vier zomerverblijfplaatsen en twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn binnen het plangebied. Aangenomen dient te worden dat deze verblijfplaatsen ook als winterverblijf kunnen fungeren. Door de werkzaamheden binnen het plangebied zullen deze verblijfplaatsen verloren gaan. Dit is in strijd met de Wet Natuurbescherming. Hiervoor wordt een ontheffing gevraagd. Als onderdeel van de aanvraag om ontheffing is een activiteitenplan opgesteld. Daarin wordt voorzien in zowel tijdelijke als definitieve compensatie van de verblijfplaatsen.

4.8.3

Conclusie

Gevolgen voor natuurgebieden kan op basis van onderzoek worden uitgesloten. Het planvoornemen heeft geen gevolgen voor soort(groep)en anders dan voor vleermuizen. Voor die soort worden compenserende maatregelen getroffen en wordt ontheffing aangevraagd.

86

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd.

Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

87

Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht.

De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water. 5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water' Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen. Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu.

Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld. Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt. Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam 88

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

gebruik ervan. 5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. 5.2.3.3 Hydrologosch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht.

Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron.

Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 – 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

89

richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.

5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Beschrijving watersysteem plangebied

5.3.1

Checklist watersysteem

Checklist Watersysteem Hoofdw atergang cq open w ater

Nee

zijw atergang

Nee

Keurgebied binnen plangebied?

Nee

Binnen 25-100 jaarszone?

Nee

Binnen boringsvrije zone?

Nee

Ecologische verbindingszone?

Nee

Binnen reserveringsgebied w aterberging 2050?

Nee

Attentiegebied EHS

Nee

Rioolw atertransportleiding

Nee

Waterschap gemaal

Nee

Landelijke afvoernorm binnen plangebied

Nee

Verdachte/verontreinigde locaties?

Nee

Infiltratie praktisch mogelijk?

Ja

Uitw erkingsplicht / w ijzigingsbevoegdheid Nee

5.3.2

Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water

In het plangebied bevinden zich geen beschermings- of kernzones van een waterkering of watergang. 5.3.3

Oppervlaktewater

Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. 5.3.4

Verharding

Momenteel is de kerk al verhard, dit zal niet wijzigen. Het overige plangebied is onverhard.

90

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

5.3.5

Bodemopbouw

Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten zuidoosten van het plangebied bestaat de grond uit enkeerdgronden; fijn zand. 5.3.6

Grondwater

Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Met betrekking tot grondwater is ten zuiden van het plangebied sprake van grondwater Vb. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 25 en 40 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. 5.3.7

Regenwater

Infiltratie van hemelwater is rondom de bebouwing de bodem mogelijk. 5.3.8

Afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater wordt in de bestaande situatie afgevoerd op het bestaande in de nabijheid gesitueerde gemengde rioolstelsel. 5.3.9

Boringsvrijze zone (facultatief)

Het plangebied is niet gelegen in een 'boringsvrije zone'.

5.4

Toekomstige situatie van het watersysteem

5.4.1

Verharding

Het totale oppervlak van het plangebied bestaat uit 6.683 m2. In de toekomstige situatie zal de verharding met 1.666 m2 toenemen waarvoor aan de waterbergingsopgave moet worden voldaan. In de volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. 5.4.2

Berging

Conform landelijk, provinciaal en waterschapsbeleid geldt voor toekomstige ontwikkeling het zogenaamde 'hydrologisch neutraal' bouwen. Voor het bepalen van de vereiste bergings-compensatie voor regenwater, afkomstig van verhard oppervlak, worden de bepalingen uit de Keur 2015; art. 15 van de Algemene regels resp. art. 13 van de Beleidsregels geraadpleegd. Omdat de grondslag in Eindhoven overwegend minder geschikt is voor het infiltreren van regenwater, betekent dit praktisch dat voor iedere m² toename van het verhard oppervlak er extra waterberging gecreëerd moet worden. Bij zowel eigen plannen als plannen van derden gaat de gemeente Eindhoven ervan uit dat de benodigde bergingscompensatie op eigen terrein wordt gerealiseerd tenzij expliciet anders overeengekomen. Dergelijke voorzieningen, indien aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel, dienen het geborgen regenwater vertraagd te lozen op het stelsel, evenredig aan de in het plangebied geldende landelijke afvoernorm.

Van de totale aantal 1.666 m2 verharding is 40 m2 aan halfverharding open, 52 m2 een groen dak (>60 mm waterberging per m2) en 61 m2 voor een groen dak (>30 mm waterberging per m2). Daarnaast wordt er 1.407 m2 aan groen gerealiseerd. Met deze maatregelen resulteert nog een waterbergingsopgave van 45,5 m2. Omdat er gekozen is voor een groene dak en extra waterberging op maaiveld, hoeft er nog slechts 35 m2 aan waterberging gerealiseerd worden. Dit zal worden uitgevoerd met een wadi. Deze is ten zuiden van het plangebied vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

91

beoogd en heeft een minimale capaciteit van 35 m2. Met de aanleg van de wadi wordt aan de waterbergingsopgave voldaan.

Hemelwater dat vanaf het bestaande dakoppervlak komt zal afgevoerd worden middels de aangesloten riolering zoals in de huidige situatie. Het hemelwater dat vanaf het nieuwe dakoppervlak en kelderdek komt zal middels een verzamelriool naar de wadi geleid worden, waarna het via een put met vertragende voorziening afgevoerd zal worden.

Figuur 5.1: Locatie, oppervlakte en capaciteit beoogde wadi (bron: Kruitkok Landschapsarchitecten) 5.4.3

Oppervlaktewater

Door de beoogde realisatie zal er geen oppervlaktewater worden gedempt en nieuw aangelegd. De situatie wat betreft oppervlaktewater blijft ongewijzigd. 5.4.4

Waterkwaliteit

Bij het afkoppelen, en duurzame watersystemen in het algemeen, verdient de waterkwaliteit van het afstromende regenwater bijzondere aandacht. Sommige af te koppelen of nieuw aan te sluiten verharde oppervlakken kunnen de waterkwaliteit nadelig beïnvloeden (bv. olie van parkeerterreinen, en uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, lood en koper verwerkt in daken). In het kader van duurzaamheid worden initiatiefnemers gestimuleerd om alleen met niet uitloogbare bouwmaterialen te werken. Bij de inrichting-, bouw- en beheerfasen worden zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater moet tot een minimum 92

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

beperkt worden. 5.4.5

Advies / overleg Waterschap

De watertoets is uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting. Onderhavig planvoornemen wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg ook voorgelegd aan het waterschap.

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

93

94

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan "VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

6.2

Planmethodiek

Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

6.3

Verbeelding

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.4

Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht. In geval meerdere dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen gelijktijdig van toepassing zijn op een gebied of in het geval dat er meerdere bepalingen van toepassing zijn binnen één bouwperceel, geldt dat deze bepalingen qua rangorde gelijk zijn aan elkaar. Dit betekent dat aan alle voorwaarden uit de relevante bepalingen voldaan moet worden. Logischerwijs heeft dit tot gevolg dat de meest beperkende bepaling geldt.

Bestemming 'Wonen' (Artikel 4) Dit bestemmingsplan is gemaakt om de beoogde ontwikkeling van de Fatimakerk en haar directe omgeving mogelijk te maken. De bestemming 'Wonen' is van toepassing op het gehele plangebied en is gelegd op de in het plangebied gelegen gronden met woningen (grondgebonden of gestapeld) en woongebouwen (de kerk) en de bijbehorende voor- en vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

95

achtererven. In de regels worden alleen hoofdgebouwen mogelijk gemaakt. In verband met de cultuurhistorische waarde en het te handhaven beeld zijn bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen niet toegestaan. Hoofdgebouwen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd waarbij de bouwvlakken volledig mogen worden bebouwd. Ter plaatse van de bestaande kerk is het bouwvlak afgestemd op het bestaande hoofdgebouw. Binnen dit bouwvlak zijn conform het bouwplan in totaal maximaal 19 woningen toegestaan. De bouwhoogte hier is zoals bestaand. Overigens is hier ook de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' opgenomen. Deze aanduiding is opgenomen ter bescherming en instandhouding van de cultuurhistorische waarden van de Fatimakerk. Het bouwvlak ten behoeve van de nieuwe woningen is toegespitst op het beoogde bouwplan. Hier zijn conform het bouwplan maximaal 15 wooneenheden toegestaan. Ter plaatse mag een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 10 en 12 meter worden gerealiseerd. De parkeergarage zoals beoogd onder de nieuwe woningen, wordt mogelijk gemaakt door middel van de aanduiding 'parkeergarage'.

Aan huis-verbonden-beroepen Het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden beroepen is binnen de gemeente Eindhoven vrijwel overal binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 50 m2). Via een afwijking is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 75 m² vloeroppervlak te benutten voor aan huis gebonden beroepen. Tevens is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 30 m2 te benutten voor kleinschalige bedrijvigheid. der de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel, de Overige regels en de Algemene afwijkingsregels.

In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen. Voorts zijn aanduidingen opgenomen voor: 1. Monumenten (zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten); voor de desbetreffende panden zijn de Monumentenwet dan wel de gemeentelijke monumentenverordening van toepassing; 2. Grondwaterbeschermingsgebied; voor de gronden in kwestie zijn de desbetreffende bepalingen van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant van toepassing;

96

vastgesteld VIII Stratum binnen de Ring 2007 (Fatimakerk) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 7

7.1

Handhaving

Handhavingsnota Leefomgeving 2018-2021

In Eindhoven streven we naar een aantrekkelijke stad waar inwoners en bezoekers zich welkom, thuis en veilig voelen. Voor het behoud van een prettige leefomgeving zijn regels nodig. Het voorkomen van overtredingen en de bereidheid om regels na te leven heeft een hoge prioriteit. Hoe dit wordt vormgegeven staat in de 'nota Handhaving Leefomgeving 2018-2021'. De nota is op 27 februari 2018 door het college vastgesteld. Het is een integraal beleidsplan waarin op hoofdlijnen de keuzes voor het handhaven van de fysieke leefomgeving staan beschreven. Op basis van de nota wordt jaarlijks een uitvoeringsplan opgesteld waarin de aanpak wordt geconcretiseerd. Uitgangspunten Bij de vertaling van dit beleidskader naar een concreet, jaarlijks uitvoeringsplan worden een aantal uitgangspunten in acht genomen. De belangrijkste uitgangspunten zijn: Informatie gestuurd De gemeente Eindhoven ziet informatie gestuurde handhaving als een belangrijke pijler. Er zijn ontwikkelingen op het gebied van ICT en data analyse. Door gemeentelijke en andere informatiebronnen te ontsluiten, te analyseren en te combineren kunnen we een problematiek eerder (of preventief) en gerichter aanpakken. Gebiedsgericht Om optimaal in te kunnen spelen op vraagstukken van inwoners zet de gemeente Eindhoven binnen het ruimtelijk domein al geruime tijd in op gebiedsgericht toezicht.

Dit doen we door - vanuit een actieve samenwerking met wijkteams - te kijken naar naleefgedrag, oorzaken en oplossingen gerelateerd aan geografische gebieden. Er zijn verschillende vragen, doelgroepen en belangen. Kennis wordt gedeeld en ervaringen van inwoners en bedrijven worden verzameld. Deze input is van invloed op de prioriteiten in het jaarlijkse uitvoeringsplan, waar mogelijk toegespitst op een specifieke wijk. Per wijk kunnen er dus op basis van gebiedsanalyses en bijvoorbeeld buurtcontracten verschillende bouwstenen zijn voor het uitvoeringsplan. Risico- en oplossingsgerichte benadering De gemeente Eindhoven benadert toezicht en handhaving risico- en oplossingsgericht. De prioriteiten worden in beginsel gebaseerd op een inschatting van de veiligheids- en gezondheidsrisico's voor inwoners. Ook aspecten als leefbaarheid, duurzaamheid en omgevingskwaliteit wegen in belangrijke mate mee. Daarnaast worden prioriteiten mede gebaseerd op wat inwoners en bedrijven belangrijk vinden. Eindhoven hecht eraan om vraagstukken waar mogelijk gezamenlijk op te lossen. Er zijn onderwerpen die in algemene zin aandacht vragen. Brandveilig gebruik van woongebouwen verdient (nog) meer aandacht, in de context van kwetsbare groepen die langer zelfstandig blijven wonen. Ook aanpak van jeugdoverlast, duurzaamheid en de bestaande bouw zijn voorbeelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11744129/1