CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan VII De Bergen (Grote Berg 11-21)

Raadsvergadering 11 juli 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bp VII De Bergen (Grote Berg 11-21)30.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

33

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen. Doorwerking plangebied Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend'. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Het plangebied betreft een bebouwde locatie en heeft geen kwalitatief hoogwaardig/waardevol groen.

De beoogde woningbouw vindt plaats door sloop van de huidige bebouwing waardoor ruimte wordt gemaakt voor de realisatie van nieuwbouw. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een groenplan opgesteld, zie bijlage 10 van voorliggend bestemmingsplan. Het binnenterrein wordt voorzien van groenstructuren en bomen. Daarnaast zullen de panden gedeeltelijk worden voorzien van een groen dak. In de nieuwe situatie is er hierdoor sprake van een toename aan het oppervlak voor groen van circa 637 m². Door deze ontwikkelingen in het plangebied zal het aandeel van groen flink stijgen. Door deze ontwikkelingen ontstaat er een positieve ontwikkeling voor de lokale natuurwaarden. Doordat er meerdere soorten groen worden aangelegd met verschillende soorten en beheer wordt er ruimte geboden voor flora en fauna en is er voldoende bescherming en voeding in het plangebied aanwezig. Hierdoor ontstaat er een uitgebreider en meer divers leefgebied. Het groene dak zorgt voor waterbuffering en vertraagde afvoer van hemelwater. Daarnaast heeft een groen dak ook een isolerende werking waardoor warmte langer wordt vastgehouden in het gebouw zelf, terwijl het in de zomer juist voor verkoeling zorgt. Het planvoornemen is daarmee in lijn met het Groenbeleidsplan van de gemeente Eindhoven. 3.4.7

Beleid bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, 34

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden.

Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van de categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'. Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een locatie waar momenteel kantoren en detailhandel zijn gevestigd. Er zijn geen relevante groen- of bomenstructuren in het plangebied zelf aanwezig. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een waardeberekening opgesteld voor de aanwezige bomen in het plangebied. Aanleiding voor de berekening vormt het gegeven dat er een ontwikkeling is gepland op deze locatie waarbij mogelijk bomen worden ingepast en verwijderd. Hierbij is de waarde voor betrokken bomen berekend ten behoeve van de compensatiewaarde. De 4 levende bomen vertegenwoordigen een waarde van € 6.542,00. De dode boom vertegenwoordigt geen waarde. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een Groenplan opgesteld. Dit groenplan is bijgevoegd aan de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan.

Bij de inrichting van de binnentuin is rekening gehouden met de compensatiewaarde van de aanwezige bomen doordat het planvoornemen voorziet in het planten van nieuw groen in de vorm van bomen en struiken. Daarnaast wordt een groot gedeelte van het dak ingericht als groen dak. Hiermee draagt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling tevens bij aan het realiseren van een natuurlijke stad.

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

35

36

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Luchtkwaliteit

Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. In de Regeling NIBM is met betrekking tot woningen het volgende opgenomen: 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2).

Ontwikkeling Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een 'NIBM' toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 63 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.10 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 2%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2023 (worstcasescenario):

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

37

Figuur 10 NIBM-toets

Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,04 µg/m³ bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,01 µg/m³ bijdragen. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 22.7 µg/m³ en voor PM10 17.7 µg/m³. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 10.1 µg/m³.

Id

No2 ìg/m3

PM10 ìg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 ìg/m3

Jaar

Rekenpunt

32325

22.5

17.6

6.2

10.0

2020

Rekenpunt

32324

22.7

17.7

6.2

10.0

2020

Rekenpunt

32311

20.7

17.5

6.1

10.0

2020

Rekenpunt

31907

20.2

17.6

6.2

10.0

2020

Rekenpunt

31905

20.6

17.7

6.2

10.1

2020

40

40

35

25

Norm

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 22.7 µg/m³ en 17.7 µg/m³. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de 38

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden. Conclusie Het planinitiatief zal de luchtkwaliteit niet in betekenende mate beïnvloeden. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het ruimtelijke initiatief.

4.2

Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden.

Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Spoorweglawaai Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart van het Geluidregister spoor. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Doorwerking plangebied Er is een geluidsonderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het voorgestelde ruimtelijk initiatief. Onderstaand worden de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

39

Het onderzoek heeft zich gericht op een drietal niet gezoneerde wegen en een drietal gezoneerde wegen. De geluidsbelasting van de gezoneerde wegen op de voorgenomen ontwikkeling ligt beneden de voorkeursgrenswaarde waardoor voor de gezoneerde wegen geen hogere waarde ten aanzien van de gezoneerde wegen aangevraagd hoeft te worden. Vanuit de niet gezoneerde wegen treedt er uitsluitend via de Grote Berg een geluidsbelasting op van maximaal 62 dB, zonder aftrek van artikel 110 g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 57 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Conclusie Het ruimtelijk initiatief betreft het amoveren van de huidige bebouwing om ruimte te maken voor de realisatie van nieuwbouw, waarbij er zo veel mogelijk aansluiting zal worden gezocht bij de nieuwbouweisen. Vanuit een niet gezoneerde weg treedt geluidsbelasting op boven de voorkeursgrenswaarde.

Omdat de geluidsbelasting optreedt door een niet gezoneerde weg zijn er formeel geen maatregelen aan de gevel noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd om vanuit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen.

4.3

Bodem

Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Doorwerking plangebied Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt een gevoelige functie mogelijk gemaakt. Derhalve wordt het noodzakelijk geacht om een bodemonderzoek uit te voeren. Derhalve is er voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend 40

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

worden de belangrijkste aspecten uit het onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Bodemonderzoek. De meest verdachte bodemlaag is zowel zintuiglijk als analytisch niet verontreinigd met asbest. In de bodem zijn overwegend lichte verontreinigingen aangetroffen met zware metalen, PAK's en minerale olie. Op één plaats is een sterke verontreiniging aangetroffen met zink en arseen. Ook wordt op een andere plaats de hergebruikswaarde voor minerale olie overschreden. De bovengrond tot 150 cm-mv van het gehele terrein bestaat uit een antropogene stedelijke ophoog-laag waarin diffuus verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK's en/of minerale olie voorkomen en waarbij binnen deze op enkele plaatsen sterke verontreinigingen zijn aangetroffen. Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten zal de sterke verontreiniging rondom boring 204 zich over een oppervlakte van circa 65 m² voordoen in de bodemlaag van 8 tot 50 à 55 cm-mv. De totale hoeveelheid sterk verontreinigde grond bij deze kern is hiermee circa 33 m³. Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten zal de sterke verontreiniging rondom boring 101, 102 en 105 zich over een oppervlakte van circa 75 m² voordoen in de bodemlaag van 50 tot 100 cm-mv. De totale hoeveelheid sterk verontreinigde grond bij deze kern is hiermee circa 38 m³.

Gezien de beoogde herontwikkeling op de locatie zullen graafwerkzaamheden plaats gaan vinden. Aangezien gegraven gaat worden in het geval van ernstige verontreiniging zal hiertoe een sanering plaats moeten vinden. Aangezien de centrale kern van verontreiniging zich in de bovengrond voordoet zal deze verwijderd dienen te worden. Mogelijkerwijs zou de zuidelijke kern in de laag van 50 tot 100 cm-mv aanwezig kunnen blijven. Echter, gelet op de beperkte omvang wordt geadviseerd deze eveneens te laten verwijderen. In overleg met het bevoegd gezag dient vastgesteld te worden of sanering middels BUS mogelijk is. De bodemfunctie van de locatie is wonen. Een sanering conform BUS voor de gehele locatie zou betekenen dat de gehele bovengrond tot 100 cm-mv zou moeten worden vervangen danwel verhard. Mogelijk is het gebruikmaken van een saneringsplan voor deze locatie beter geschikt. Conclusie Er dient een sanering plaats te vinden op de locatie van de sterk verontreinigde bodem. In overleg met het bevoegd gezag dient vastgesteld te worden of sanering middels BUS mogelijk is. Nader onderzoek naar de minerale olie in de vaste bodem is noodzakelijk. In afwachting van de resultaten van het nader bodemonderzoek/BUS-melding/saneringsplan zijn graafwerkzaamheden niet toegestaan. Dit zal worden geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels.

Indien sprake zal zijn van afvoer van grond van de locatie zal de grond onderzocht moeten zijn op PFAS. De ontwikkellocatie ligt in een gebied dat verdacht is voor niet gesprongen explosieven of ontplofbare oorlogsresten. Men moet hierdoor rekening houden met extra maatregelen.

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

41

4.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.

Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld. 42

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

Visie Externe Veiligheid, Risico's de maat genomen De gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de visie Externe Veiligheid gepubliceerd waarin aspecten gerelateerd aan risico's voor de leefomgeving beschreven staan.

Figuur 11 Ligging plangebied (blauw omlijnd) in relatie tot risicobronnen in de omgeving (Bron: risicokaart)

Doorwerking plangebied De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd. Risicovolle inrichtingen Er zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen in de nabije omgeving van het plangebied. Buisleidingen De meest nabijgelegen risicovolle buisleiding (Z-519-01) van de Gasunie Transport Service is gelegen op een afstand van circa 2,2 km ten noordwesten van het plangebied. De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding. Wat betreft het groepsrisico zijn de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. De betreffende leiding heeft een maximale werkdruk van 40 Bar en een uitwendige diameter van 168 millimeter (6,61 inch) wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de leiding is gelegen op een afstand van 40 meter uit het hart van de leiding. De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 70 meter uit het hart van de leiding. Gezien het feit dat het plangebied ruimschoots is gelegen buiten de 1% letaliteitsgrens, wordt vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

43

geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied voor het groepsrisico. Transportroutes gevaarlijke stoffen De spoorlijn tussen Eindhoven en Tilburg/'s-Hertogenbosch geldt op de risicokaart als een route waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het spoortraject met nummer 12AU.3 als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geldt voor deze weg een GR-verantwoordingsgebied van 200 meter. Dit invloedsgebied wordt veroorzaakt door de stofgroep brandbare gassen. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 700 meter. Vanuit externe veiligheid gelden er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Ook lopen er verschillende snelwegen rondom het plangebied. Over de A2 (tussen afrit 30 Eindhoven Centrum en knooppunt De Hogt) worden stoffen vervoerd uit categorieën LF1, LF2, LT1, LT2, GF1, GF2, GT3 en GT4. Het grootste invloedsgebied wordt gevormd door de stoffen GT3 en GT4 (toxische gassen), namelijk > 4 kilometer. Het plangebied ligt hierbinnen. Om deze reden is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Aangezien het plangebied wel is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter is normaliter een beperkte verantwoording benodigd. Echter is de betreffende weg reeds opgenomen in de regeling basisnet.

Deze verantwoording is reeds opgenomen in de visie externe veiligheid en wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

44

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' . In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in een gebied dat kan worden aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Omdat er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. De gedachtegang hierachter is dat er sprake is van een zekere verstoring van het gebied ten opzichte van een rustige woonwijk.

Dit betekent dat voor de activiteiten met een milieucategorie 1 en 2 sprake is van een richtafstand van respectievelijk 0 en 10 meter. In de directe omgeving van het plangebied komen - naast woonfuncties - de volgende functies voor: Adres

Bestemming

Milieucategorie

Richtafstand in m

Werkelijke afstand in m

Paradijslaan 2 t/m 12

Cultuur en ontspanning

1

0

0

Paradijslaan 12 - 14 Maatschappelijk

2

10

20

Paradijslaan 20 - 42 Kantoor

1

0

5

Grote Berg 20

Gemengd - 1

2

10

16

Grote Berg 23

Gemengd - 1

1

0

0

Grote Berg 29

Gemengd - 1

1

0

7

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

45

Daarnaast zijn er aan de overzijde van de Grote Berg meerdere restaurants, kantoren en kapperszaken gevestigd. Dit is bedrijvigheid behorend tot milieucategorie 1. De richtafstand hiervoor bedraagt 0 meter en wordt vanzelfsprekend gehaald. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn geen negatieve effecten te verwachten voor het voorgestelde ruimtelijke initiatief. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

4.6

Ecologie

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groen-blauwe mantel beleidsmatig beschermd.

De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Daarnaast is er de Wet natuurbescherming die, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking heeft op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux", bevindt zich op circa 4,2 kilometer afstand ten zuidoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de 46

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 250 meter ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. In de quickscan Quickscan Flora en fauna worden de beschermde diersoorten per categorie beschouwd (vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen, ongewervelde diersoorten, vaatplanten). Uit de resultaten blijkt dat geen van deze categorieën dier- of plantsoorten betreft die mogelijk in het plangebied aanwezig zijn en door het planvoornemen negatief worden beïnvloed.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek middels een sporenonderzoek dient uitsluitsel te geven; Het te verwijderen opgaand groen binnen het plangebied betreft essentieel habitat voor huismus. Tijdens werkzaamheden dient te allen tijde voldoende alternatief groen aanwezig te zijn binnen het plangebied. Hiervoor is in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Vervolgonderzoek sporen Uit de Quickscan flora en fauna is gebleken dat er mogelijk vleermuizen aanwezig zijn in een van de muren binnen het plangebied. Derhalve heeft er een sporenonderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van vleermuizen. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat twee van de soortvoegen zodanig dicht zaten met isolatiemateriaal uit de binnenmuur (steenwol) dat deze niet geschikt waren als in- en uitvliegopening voor vleermuizen. De overige openstootvoegen waren wel open en liepen door tot de luchtspouw van de muur. In een van deze openingen waren oude spinnenwebben aanwezig wat erop wijst dat daar al lange tijd geen dieren meer doorheen zijn gekropen. De overige openstootvoegen waren wel volledig vrij van obstakels. Tijdens het onderzoek werden op de muur en bij geen van de openstootvoegen uitwerpselen of andere sporen van vleermuizen (zoals vettige afzetting) aangetroffen. Ook aan de binnenzijde werden rondom de mogelijke invliegopeningen geen vleermuizen of sporen daarvan aangetroffen.

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

47

Daarnaast wordt momenteel een nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen uitgevoerd. De eerste ronde voor deze beoordeling heeft recent plaatsgevonden. Hierbij zijn geen vleermuizen aangetroffen. In de periode augustus - september staat de tweede beoordelingsronde gepland. De resultaten hiervan zullen t.z.t. als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan worden toegevoegd. Conclusie Nader onderzoek naar vleermuizen dient aan te tonen of er mogelijk vleermuizen voorkomen binnen het plangebied.

4.7

Cultuurhistorie

Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven (CHW) vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Het cultuurhistorische basisonderzoek (CBO) dat in 2008-2009 uitgevoerd is door Res nova, diende dus twee onderling verbonden doelen, te weten de uitwerking van de ontwikkelingsvisie en het uitvoeringsprogramma van De Bergen alsmede het leveren van een geobjectiveerde onderbouwing voor de bescherming van hoogwaardig erfgoed in het gebied de Bergen via het bestemmingsplan.

Het CBO De Bergen bestaat uit de volgende onderdelen: Een inventarisatie De cultuurhistorische analyse met waardenstelling en richtlijnen: De gebiedswaardenkaart waarop conclusies uit inventarisatie en onderzoek zijn vastgelegd vanuit cultuurhistorisch basisonderzoek en de cultuurhistorische waardenkaart is in het kader van bestemmingsplan "De Bergen" een vertaalslag naar een Beleidskaart met contouren (hierna BK) gemaakt. Hierin wordt het beleid zichtbaar gemaakt om het beheer van en de ontwikkelingen binnen het gebied te kunnen sturen. Omdat dit binnen planologisch verband gebeurt, ligt de garantie dat ook de overige belangen in het kader van de wettelijke omschreven "goede ruimtelijke ordening" hierbij betrokken worden. Voor het plangebied Nieuw Bergen is onderstaande afbeelding van de BK relevant. De panden aan de Grote Berg 17-21 zijn hierbij aangeduid als beeldondersteunende panden (gemeentelijk monument categorie b, voor zover zichtbaar vanaf de publieke ruimte en gelegen binnen de hoofdstructuur). In ontwikkelingsplan Nieuw Bergen wordt bij de (her)ontwikkeling van plan deugdelijke rekening gehouden met de cultuurhistorische c.q. gemeentelijke monumentale waarden van de locatie en haar omgeving c.q. de bestaande te handhaven gebouwen.

48

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

Figuur 12 Uitsnede beleidskaart met contouren (plangebied blauw omlijnd)

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

49

Figuur 13 Uitsnede Monumentenkaart gemeente Eindhoven (plangebied oranje omlijnd)

Bovenstaande afbeelding betreft een uitsnede van de Monumentenkaart van de gemeente Eindhoven. Ten oosten en westen van het plangebied zijn een gemeentelijke monument gelegen. Binnen het plangebied zijn twee cultuurhistorische panden gelegen. Het gaat hierbij om de panden aan de Grote berg 17-21. Deze panden zijn momenteel in gebruik als winkelpanden maar zijn sinds de zeventiger jaren van de 20ste eeuw voornamelijk als cafés en restaurants gebruikt. De economie van Eindhoven was destijds voldoende gegroeid om de ruimte in dit pand niet als pension of appartement te verhuren, maar uitsluitend voor horecadoeleinden te gebruiken.

Voor deze panden geldt dat er vanuit de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' in het vigerende bestemmingsplan een bescherming uit gaat middels het sloopvergunningenstelsel. De bestaande bebouwing binnen het plangebied zal worden geamoveerd (inclusief de cultuurhistorische panden). Hierdoor zal de historische situatie verdwijnen, maar met de nieuwbouw wordt getracht de karakteristiek van de locatie te behouden. Dat de gevel van de huidige cultuurhistorische panden over veel kwaliteiten beschikt is evident. Opvallend zijn de geprofileerde houten goot, het siermetselwerk, de decoratieve lateien boven de gevelopeningen, de verfijnde houten erker ter plaatste van het kopgeveltje en de kroon van het kopgeveltje zelf. Echter gaat dit grotendeels verloren door de grove verminkingen van het gevelbeeld. Door de jaren heen is het oorspronkelijke gevelbeeld flink aangetast. Het meest in het oog springend is de plint. Naast de gewijzigde gevelafwerking zijn ook nagenoeg alle gevelopeningen in uitstraling maar ook in positie en formaat aangepast. Om de gevel terug te brengen naar het oorspronkelijke gevelbeeld van 1911 is het noodzakelijk de gehele plint te amoveren. Dit is circa 40-50% van het gevelbeeld. Daarnaast is de kopgevel volledig wit geschilderd, dit dient tevens schoon gemaakt te worden.

Indien de verschillende gevelvlakken allen lokaal hersteld worden resulteert dit in een lappendeken van oplossingen en daarmee kleurverschillen en verschil in uitstraling. Afbreken en heropbouw betekent dat er een uniforme kwaliteit gerealiseerd kan worden en de cultuurhistorische waarden worden behouden.

50

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

Figuur 14 Cultuurhistorische w aardenkaart Eindhoven

Zoals op bovenstaande kaart te zien is, grenst volgens de CHW het plangebied aan de cultuurhistorische wegenstructuur: Historische wegenstructuur voor 1900; de Grote Berg. De Grote Berg Geldt als historische infrastructuur. Deze historische infrastructuur dient met nieuwe ontwikkelingen gerespecteerd te blijven. De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor aanpassingen van de huidige Grote Berg. Daarmee heeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed op de cultuur-historische waarden van de historische infrastructuur De Grote Berg. Conclusie Het planvoornemen grenst aan een historische wegenstructuur (Grote Berg). Daarnaast zijn er enkele gemeentelijke monumenten gelegen in de omgeving van het plangebied. Een deel van de panden binnen het plangebied kennen een cultuurhistorische waarden. Gezien de huidige staat van de bebouwing wordt beoogd om de huidige bebouwing te amoveren om zo en de cultuurhistorische waarden middels nieuwbouw terug te brengen aan het plangebied. Om de maat en schaal van de nieuwe panden die zijn aangepast aan de locatie en bijdragen aan het karakter van de historische wegenstructuur De Grote Berg te borgen wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' opgenomen.

Derhalve kan worden gesteld dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden in en in de omgeving van het plangebied.

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

51

4.8

Archeologie

Wettelijk en beleidsmatig kader Nationaal beleid Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen en het toekomstig omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie.

Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Met deze kaart wil de gemeente het ondergronds cultureel erfgoed van Eindhoven behouden door behoedzame ontwikkeling en beheer. De geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart (vastgesteld op 21 juni 2022) wordt beschouwd als een bureauonderzoek op gemeentelijk schaalniveau en geldt vanaf het moment van vaststelling als onderlegger voor nieuwe bestemmingsplannen en – na inwerkingtreding van de Omgevingswet – het omgevingsplan. Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën (de categorieën 1 tot en met 8). Ter bescherming van de archeologische waarden worden deze (met uitzondering van categorie 8) op de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is.

(Bouw)werkzaamheden die binnen de in de regels vermelde oppervlakten én diepte vallen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.

Archeologisch kader De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. 52

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

Een bijzondere betekenis heeft de historische kern van Eindhoven, die als stad al in de loop van de late middeleeuwen een belangrijke regionale economische en bestuurlijke rol vervulde. Daarnaast kent de gemeente uit deze periode een aantal (verdwenen) hoeven, kasteeltjes, kerken, (water)molens en dergelijke die zowel archeologisch en cultuurlandschappelijk van hoge waarde zijn. Archeologische waarnemingen binnen en ook buiten de van oorsprong laatmiddeleeuwse historische kernen bieden mogelijkheden om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoningsdynamiek tussen de plattelandsdorpen en de stad in wording en kunnen daarmee een verrijking vormen voor de lokale en regionale geschiedenis. Daarnaast zijn in de gemeente resten van ondergronds militair erfgoed te verwachten. In de Tweede Wereldoorlog lag hier bijvoorbeeld een militair vliegveld ('Fliegerhorst Eindhoven') en de gemeente maakte deel uit van het operatieterrein 'Market Garden' van het geallieerde bevrijdingsleger. Doorwerking plangebied In het geldende bestemmingsplan "De Bergen" (onherroepelijk 23-11-2011), is de archeologische waarde (categorie II), van de vastgestelde Archeologische Waardenkaart doorvertaald naar een "Waarde - Archeologie 2". Toetsing aan het geldende bestemmingsplan heeft ertoe geleid dat een archeologisch onderzoek verplicht wordt gesteld.

Geadviseerd is archeologisch onderzoek in de vorm van een opgraving uit te laten voeren.

Figuur 15 Ligging plangebied ten opzichte van archeologisch w aardevol gebied

Conclusie In het plangebied moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Dit moet worden gedaan volgens het voor dit project opgestelde en door het bevoegd gezag goedgekeurde archeologisch Programma van Eisen (Aeres Milieu "Programma van Eisen Grote Berg te Eindhoven / DO", definitieve versie 3.0, d.d. van 22-10-2021).

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

53

4.9

Verkeer en parkeren

De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Hierbij wordt voor het aspect parkeren getoetst aan het gemeentelijk Parkeerbeleidsplan. De verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kengetallen. 4.9.1

Parkeren

Park eernorm Op basis van het gemeentelijke 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' (vastgesteld 24 september 2019) is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het plangebied bepaald. Hierbij is uitgegaan van 'centrum' volgens de overzichtskaart zone-indeling uit hoofdstuk 2 van de actualisatie. Het uitgangspunt van de gemeente Eindhoven is dat het parkeren, zowel voor motorvoertuigen als ongemotoriseerde voertuigen, volledig op eigen terrein dient plaats te vinden. Op basis van de normen zal het plan 19 parkeerplaatsen nodig hebben (zie onderstaande tabel). Dit is inclusief het aandeel parkeerplaatsen voor bezoekers. Woningtype conform parkeerbeleidsplan

Aantal

Parkeernorm Benodigd aantal (incl. bezoekers) parkeerplaatsen

Niet grondgebonden w oningen klein (60 t/m 120 m²)

27

0,7

Totaal

27

18,9 18,9

In het ontwerp zijn 2 parkeerplaatsen voorzien voor motorvoertuigen (deelauto's), zie hiertoe figuur 7 en de bijgevoegde stukken bij vergunningaanvraag. Conform de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' vervangt één deelauto maximaal 10 parkeerplaatsen. Voor onderhavig ruimtelijk initiatief betekend dit dat de twee deelauto's maximaal 20 parkeerplaatsen vervangen. Voor onderhavig ruimtelijk initiatief is derhalve geen sprake van een tekort aan parkeerplaatsen. Daarnaast is de rekentoolparkeerbehoefte van de gemeente Eindhoven ingevuld (tevens opgenomen in de bijlage van voorliggend bestemmingsplan. Onderstaand betreft een uitsnede van de resultaten van de rekentool-parkeerbehoefte. Voor het aantal parkeerplaatse van bezoekers wordt gebruik gemaakt van de afkoopsom via het mobiliteitsfonds.

Figuur 16 Resultaat rekentool-parkeerbehoefte

Ook het aantal fietsparkeerplaatsen is berekend conform de gemeentelijk 'Actualisatie Nota 54

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

Parkeernormen 2019'. De resultaten zijn in onderstaande tabel weergegeven. In totaal is de fietsparkeerbehoefte 87 stallingen. In totaal worden 104 fietsenstallingen gerealiseerd waardoor ruimschoots in de behoefte wordt voorzien.

Woningtype conform parkeerbeleidsplan

Aantal

Parkeernorm Benodigd aantal (incl. bezoekers) parkeerplaatsen

Niet grondgebonden w oningen klein (60 t/m 120 m²)

27

3

81

Bezoekers w oningen

27

0,2

5.4

Totaal

32

86,4

Vanuit het aspect parkeren worden daarom geen belemmeringen verwacht. 4.9.2

Verkeer

Verk eersgeneratie De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk' in de 'centrum'. Daarnaast is er uitgegaan van de gemiddelde normen, aangezien er geen aanleiding is om juist voor de minimale of maximale normen te kiezen. Voor de volledigheid is de verkeersgeneratie voor twee woningtype berekend. Op basis van de gehanteerde normen zal het planvoornemen 63 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Woningtype conform CROW

Aantal w oningen

Verkeersgeneratie per w oning

Verkeersgeneratie

Appartement midden/goedkoop

11

1,2

13,2

Appartement duur

15

3,3

49,5

Totaal

32

62,7

Ontsluiting en verkeersafwikk eling De ontsluiting van het plangebied vind voor zowel motorvoertuigen als ongemotoriseerd verkeer plaats via de Grote berg in oostelijke en westelijke richting, aansluitend op de Keizersgracht en de Hoogstraat. Beide routes zijn ongeveer 250 meter. De Keizersgracht betreft een eenrichtingsweg (voor gemotoriseerd verkeer) waardoor wordt aangenomen dat het merendeel van de verkeersbewegingen van motorvoertuigbeweging in westelijke richting plaats zal vinden. De Grote Berg en omliggende wegen zijn relatief drukke straten waardoor wordt aangenomen dat de omliggende stratenstructuur de hoeveelheid verkeersbewegingen goed kan verwerken.

Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren wordt geen belemmering verwacht voor het voorgestelde ruimtelijke initiatief.

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

55

4.10

Bezonningsstudie

Het voorliggende bestemmingsplan ziet op het amoveren van de huidige bebouwing om ruimte te creëren voor de realisatie van 27 appartementen. De appartementen worden verdeeld over twee gebouwen die middels een garage aan elkaar zijn verbonden. Vanwege de wijzigingen in de bebouwingsmogelijkheden en de aanwezigheid van omliggende woningen in de nabijheid van het plangebied, is vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening en zorgvuldige belangenafweging een studie naar de schaduwwerking uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen. In Nederland bestaan geen wettelijke regels omtrent de bezonning van percelen en gevels. Wel dient het aspect in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden beschouwd. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Deze beleidsruimte heeft de gemeente Eindhoven ingevuld door in 2017 de 'beleidsregels voor bezonning woningen' vast te stellen. Volgens deze beleidsregels is ten aanzien van zonlicht in de woning onder andere het volgende bepaald: In de periode van 19 februari t/m 21 oktober moet minimaal 2 uur zonneschijn per dag aanwezig kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer.

In de gemeentelijke beleidsregels ten aanzien van zonlicht op het balkon is het volgende bepaald: In de periode van 21 maart t/m 21 september moet minimaal 2 uur zonlicht aanwezig kunnen zijn op enig punt op het balkon. Zonlicht op het balkon mag in de nieuwe situatie in tijdsduur niet meer dan 50% verminderen dan in de bestaande situatie. Voor de bezonningsstudie is, naast de gemeentelijke bepalingen, een systematiek gebruikt welke is afgeleid van de zogenaamde Haagse Norm. De Haagse Norm is gebaseerd op de TNO-richtlijn welke bestaat uit een 'lichte' en 'strenge' richtlijn. In het bezonningsdiagram wordt de volgende richtlijn getoetst: Ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 maart tot en met 21 september op de gevel en op een gedeelte van een perceel. In de bezonningsstudie (zie bijlage bij voorliggend bestemmingsplan) is de schaduwwerking van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op omliggende gebouwen weergegeven in de huidige situatie en de toekomstige situatie. Hieruit valt op te maken dat er in de huidige en toekomstige situatie geen grote verschillen optreden in de mate van schaduwwerking op omliggende panden en percelen. Gedurende de winterperiode is er op de gebouwen aan de overzijde van de Grote Berg overdag sprake van voldoende bezonning op de gevel van deze percelen.

Tijdens deze periode is er uitsluitend rond het tijdstip van 10 uur sprake van meer schaduw op de gevel van de panden aan de Grote Berg 22. Tijdens de lente, zomer en herfst is er in zowel de huidige als de toekomstige situatie sprake van voldoende bezonning op de omliggende panden en percelen. Op de westelijke gevel van het gebouw aan de Paradijslaan 8 is tijdens de lente en de herfst overdag sprake van lichte toename van schaduwwerking op het perceel. Echter gaat het hierbij om een zeer klein oppervlak waar gedurende de dagperiode nauwelijks activiteiten plaatsvinden. Derhalve kan worden verondersteld dat minder bezonning op het perceel gedurende de dagperiode geen negatieve invloed heeft op het woonen leefklimaat ter plaatse. Voor de overige gevels van omliggende woningen is sprake van voldoende bezonning. Derhalve kan worden verondersteld dat het aspect bezonning/schaduwwerking geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 56

vastgesteld VII De Bergen (Grote Berg 11-21) Gemeente Eindhoven

4.11

Duurzaamheid en gezondheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. a. aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12841717/2