CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste)

Raadsvergadering 24 mei 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste)26.707 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een andere ontwikkeling is het zogenaamde flexwonen. Tot voor kort kende de woningmarkt een vrij overzichtelijk aanbod: koop- of huurwoningen, zelfstandige of onzelfstandige woonruimten, grondgebonden woningen of appartementen. Maar de vraagkant is de afgelopen jaren sterk veranderd. Er komen steeds meer groepen die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte. Denk bijvoorbeeld aan studenten, expats, arbeidsmigranten, mensen die een echtscheiding achter de rug hebben, ex-gedetineerden en mensen die uit een opvangvoorziening komen. Deze mensen zijn op zoek naar goede tijdelijke huisvesting, met passende voorzieningen, die snel beschikbaar is en tegen een prijs die past bij hun budget. Dit flexwonen wordt een belangrijke nieuwe woonvorm in Eindhoven. Het biedt tevens kansen voor de transformatie van leegstaand vastgoed.

Verder wil de gemeente Eindhoven in de koopsector dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door het stimuleren (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Daarnaast wil de gemeente Eindhoven dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor de huishoudens met een hoger inkomen.

Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling van 240 wooneenheden voor studenten draagt bij aan vitaal houden van Eindhoven. Het betreft de transformatie van kwalitatief hoogwaardige kleinschalige wooneenheden waarmee de stedelijke structuur wordt versterkt welke eveneens binnen de rondweg gerealiseerd wordt. Ook voorziet de transformatie van het kantorenpand binnen de pijler solidaire- en innovatieve stad. Het plan wordt in lijn met het volkshuisvestingbeleid gerealiseerd. Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 Het Woonprogramma is op 15 december 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Met het Woonprogramma sluiten we aan bij het bestaande beleid. De gemeente Eindhoven heeft in 2015 een Woonvisie opgesteld. In 2020 is een integrale visie voor de fysieke leefomgeving in de stad vastgelegd in de Omgevingsvisie. En in 2019 is een Woondeal gesloten met het vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

33

ministerie van BZK, provincie Noord-Brabant en de regio. Het Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 hangt nauw samen met dit beleid.

De ambities uit de Woonvisie van 2015 blijven cruciaal voor de ontwikkeling van de stad in de komende jaren. Deze zijn gericht op de ontwikkeling van Eindhoven van een middelgrote naar een grote, economisch sterke en inclusieve stad. De ambities komen echter in een ander daglicht te staan: door de snelle prijsstijgingen in de afgelopen jaren en mogelijk door de coronacrisis. Vandaar dat in het Woonprogramma gekozen is voor een accentverschuiving richting de volgende ambities: 1. Forse groei van de woningvoorraad om de grote vraag naar woningen op te kunnen vangen. 2. Een evenwichtig woningaanbod, zodat alle inwoners een betaalbare woning kunnen vinden. 3. Voldoende geschikte woningen voor kwetsbare inwoners. Om alle inwoners van Eindhoven een passende en betaalbare woning te kunnen bieden, wordt ge-werkt aan een goed kwantitatief en kwalitatief Woonprogramma. Kwantitatief wordt voorgenomen om gemiddeld 3.000 woningen per jaar toe te voegen in komende jaren. De woonopgave zal binnen én buiten de Ring worden gerealiseerd. Ook buiten de Ring liggen immers kansen, met name rondom centrale plekken in de wijken en langs HOV-lijnen. De Woonvisie 2015 blijft het vertrekpunt. De gemeente Eindhoven werkt aan een inclusieve stad, met een gevarieerd aanbod voor alle doelgroepen. Daarnaast wordt aangesloten op de regionale visie op Wonen (2019).

Er is immers een duidelijke relatie met de regiogemeenten. Deze relatie wordt verder vorm gegeven door gezamenlijk met de regio de Visie op Wonen en de Woondeal uit te voeren. Woonprogramma Op basis van de woonbehoefte voor de stad, de bestaande plannen en de uitwerking naar woonmili-eus komen we tot het Woonprogramma. We doen dit voor de stad als geheel en per woonmilieu. Voor de stad als geheel is onderstaand schema leidend. Dit betekent overigens niet dat deze percen-tages in elk woningbouwproject gerealiseerd moet worden. We onderscheiden immers woonpro-gramma's naar woonmilieu (centrumstedelijk, groenstedelijk, binnen de Ring en buiten de Ring). Daar-naast is een exacte invulling op projectniveau bijvoorbeeld ook afhankelijk van de bestaande voor-raad in een buurt of straat. Via de wijk- en buurtmonitor houden we realisatie in de gaten.

34

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Figuur 14 Woonprogramma

Wat betreft sociale huur vormt het Collegeprogramma, waarin 20% sociale huur is opgenomen, het uitgangspunt. Voor de langere termijn, vanaf 2022 voorzien we een noodzakelijke groei naar 30%.

3.4.5

Groenbeleidsplan 2017

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bij-drage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.

Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

Doorwerking plangebied vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

35

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend'. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.

Het plangebied betreft een kantoorlocatie en heeft geen kwalitatief hoogwaardig/waardevol groen. De beoogde woningbouw vindt grotendeels plaats middels de herontwikkeling van het voormalige kantoorpand. Door TBInfra is in opdracht van Landman Vastgoed B.V. een groenplan opgesteld Bijlage 10 Groenplan Boschdijk. In dit plan is de huidige groenstructuur in het plangebied in kaart gebracht en beschreven. In de huidige situatie is slechts 6 m² groen aanwezig in het plangebied. Deze groenstructuren hebben zo goed als geen invloed op de natuurwaarde in de omgeving. Daarnaast heeft het aanwezige groen geen positieve effecten ten aanzien van het klimaat, milieu en water. Het dak en het verharde terrein zijn traditioneel ingericht om het water zo snel mogelijk af te voeren, zonder dat het tijdelijk wordt vastgehouden of opgeslagen. Het terrein gaat hiermee op in de verstedelijkte omgeving. Geconcludeerd wordt dat het terrein geen positieve invloed heeft op de biodiversiteit, de waterhuishouding en hittestress. Door de juiste aanpassingen kan er meer uit het terrein gehaald worden en het geheel groen ingericht worden. In het groenplan is de nieuwe situatie weergegeven en beschreven hoe de toekomstige groenstructuur en daarmee de ruimtelijke kwaliteit in het openbaar gebied van de locatie van het plangebied getransformeerd en verbeterd wordt.

Figuur 14 geeft het groenplan weer. Voor een gedetailleerde tekening ten aanzien van de invulling van de groenvoorzieningen wordt verwezen naar Bijlage 11 Detail groenvoorziening. Wat opvalt is de hoeveelheid groen in het plangebied. De voormalige parkeerplaats aan de Zernikestraat is volledig groen ingericht met mogelijk ruimte voor waterberging. Daarnaast zijn er verschillende bomen en hagen toegevoegd aan het plangebied. Ook wordt het wooncomplex voorzien van groene daken en wordt een zijde voorzien van gevelbeplanting. Verder wordt de halfverharding op de parkeerplaats toegepast en wordt de overkapping van de fietsparkeerplaatsen ook voorzien van een groene overkapping. Door deze ontwikkelingen in het plangebied zal het aandeel van groen flink stijgen, naar circa 850 m² groen en circa 1.023 m² halfverharding. Het aanwezige groen kan worden verdeeld in verschillende categorieën: bomen, heesters, hagen en gazon en halfverharding gevuld met gras.

Door deze ontwikkelingen ontstaat er een positieve ontwikkeling voor de lokale natuurwaarden. Doordat er meerdere soorten groen worden aangelegd met verschillende soorten en beheer wordt er ruimte geboden voor flora en fauna en is er voldoende bescherming en voeding in het plangebied aanwezig. Hierdoor ontstaat er een uitgebreider en meer divers leefgebied. Het groene dak zorgt voor waterbuffering en vertraagde afvoer van hemelwater. Ook het groen in de openbare ruimte speelt hier een rol bij waardoor het hemelwater op een duurzame manier kan infiltreren. Daarnaast heeft groen een koelend effect op de directe omgeving. Met name de bomen zullen zorgen voor schaduwwerking en verkoeling. Daarnaast heeft een groen dak ook een isolerende werking waardoor warmte langer wordt vastgehouden in het gebouw zelf, terwijl het in de zomer juist voor verkoeling zorgt.

In de nieuwe situatie is het terrein ontwikkeld van parkeerterrein naar verblijfsgebied. De openbare ruimte kan hierdoor gebruikt worden als tuin/park voor verblijf en recreatie. Het groen 36

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

zorgt voor een groene beleving van het gebied. Dit zorgt voor rust, beschutting en een aantrekkelijk woon- en verblijfsklimaat.

Het planvoornemen is daarmee in lijn met het Groenbeleidsplan van de gemeente Eindhoven.

Figuur 15 Groenplan Boschdijk Veste

3.4.6

Beleid bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 4 mei 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming is van toepassing op de volgende houtopstanden, voor zover deze buiten de 'bebouwde kom Boswet' vallen: houtopstanden die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij of rijen uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord-Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Boswet, vallen onder de Verordening Bomen / Nadere Regels Bomen zoals opgesteld door de gemeente Eindhoven.

Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

37

naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie. Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van de categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels Bomen De Verordening (2021 is uitgewerkt in nadere regels Bomen. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting bij houtopstanden.

Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een kantoorlocatie. Er zijn geen relevante groen- of bomenstructuren in het plangebied zelf aanwezig. Het plangebied voorziet in het planten van nieuw groen in de vorm van bomen en struiken en draagt hiermee bij aan de ontwikkeling van een natuurlijke stad.

38

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Luchtkwaliteit

Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.

In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. In de Regeling NIBM is met betrekking tot woningen het volgende opgenomen: 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeers-verdeling (voorschrift 3A.2). Ontwikkeling Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een 'NIBM' toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 408 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.10 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 2%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2021 (worstcasescenario):

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

39

Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,35 µg/m³ bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,07 µg/m³ bijdragen.

Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 29,4 µg/m³ en voor PM10 20,88 µg/m³. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 12,49 µg/m³.

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 30,6 µg/m³ en 20,9 µg/m³. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal 40

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden.

Conclusie Het planinitiatief zal de luchtkwaliteit niet in betekenende mate beïnvloeden. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het ruimtelijke initiatief.

4.2

Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten.

Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Spoorweglawaai Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart van het Geluidregister spoor. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Doorwerking plangebied

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

41

Er is een geluidsonderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het voorgestelde ruimtelijk initiatief Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Onderstaand worden de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden op rekenpunten 1 tot en met 4, 7 en 8. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter nergens overschreden. De hoogste geluidsbelasting op de gevels is ter plaatse van rekenpunten 1 tot en met 3 (gevel Boschdijk) en bedraagt 61 dB ten gevolge van de Boschdijk. De geluidsbelastingen zijn conform de wettelijke correctie conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Doordat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden, maar de voorkeursgrenswaarde wel, kunnen hogere waarde aangevraagd worden. De hogere waarde kunnen door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Eindhoven worden verleend wanneer is vastgesteld dat maatregelen onvoldoende doelmatig zijn.

Er kan onderscheidt worden gemaakt voor de maatregelen ter reductie van de geluidbelasting, namelijk: maatregelen aan de bron; maatregelen in het overdrachtsgebied; maatregelen aan de ontvangzijde. Geen van bovengenoemde maatregelen is realistisch op de locatie van het ruimtelijk initiatief. Hierdoor is het noodzakelijk om hogere waarde aan te vragen voor de studio's direct gesitueerd aan de Boschdijk (begane grond tot en met 5de etage, 74 stuks) en diverse studio's aan de Zernikestraatzijde (1e t/m 5e verdieping, 5+10 stuks). Daarnaast hebben de studio's slechts een gevel en daardoor geen geluidluwe zijde. In onderhavig transformatieproject, bestaand pand met de studentenstudio's zijn weinig ontwerpvrijheden. B&W wordt verzocht, aangezien het bestaande bebouwing betreft om af te wijken van deze eis. Ter onderbouwing hiervoor is een memo met datum 12 maart 2021 opgesteld Bijlage 7 Memo - Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Ter plaatse van de studio's aan de Boschdijkzijde is de geluidsbelasting maximaal 66 dB. Bij een transformatie wordt in het Bouwbesluit gesteld, dat moet worden voldaan aan het rechtens verkregen niveau (kantoorfunctie, jaar 1988). In dit geval betekend dat, dat aan de eis voor woningbouw, bestaande bouw zou moeten worden voldaan. Er zijn geen eisen gesteld aan de gevelwering voor bestaande bouw in het Bouwbesluit 2012.

Geadviseerd wordt om aansluiting te zoeken bij het toetsingskader voor geluidsaneringen waarbij een binnenniveu van 43 dB acceptabel wordt geschat. Aangezien er veranderingen aan de gevel plaatsvinden kan er worden gestreefd naar een binnenniveau van 38 dB.

Het nastreven van de nieuwbouweis volgens het Bouwbesluit (maximaal binnenniveau van 33 dB), stuit in onderhavig transformatieproject op verschillende praktische problemen: Omdat het compacte appartementen betreft, waarin de relatief hoge ventilatiecapaciteit voor de keuken en badkamer (minimaal 35 dm3/s, conform Bouwbesluit) uit één klein geveldeel onttrokken dient te worden, is er praktisch gezien een grens aan de geluidreductie van de ventilatievoorziening (suskast); De beglazing in de bestaande geveldelen wordt bij voorkeur behouden. Dit betreft dubbele beglazing in aluminium kozijnen met een dubbele kierdichting. Het vervangen van deze, technisch gezien goede, beglazing is uit duurzaam oogpunt niet wenselijk. Voorgesteld wordt om, rekening houdend met bovenstaande beperkende randvoorwaarden, een zo laag mogelijke binnenwaarde te realiseren per appartement/studio. Dit zal voor de appartementen met nieuwe gevels een lagere binnenwaarde opleveren, dan voor de bestaande 42

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

appartementen.

Conclusie Omdat het ruimtelijk initiatief gerealiseerd wordt in een bestaand pand waarbij er een uitbreiding plaats vindt in de vorm van nieuwbouw, zal er zo veel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de nieuwbouweisen. Daarnaast is er een gevelweringrapport opgesteld ten aanzien van het binnenniveau Bijlage 6 Akoestisch onderzoek gevelwering. Er dient een hogere waarde aangevraagd te worden voor meerdere studio's om het ruimtelijk initiatief te realiseren.

4.3

Bodem

Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

Doorwerking plangebied Op basis van verkennend (voor)onderzoek waarbij is uitgegaan van een onderzoeksstrategie 'diffuus belaste niet- lijnvormige locatie met n heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL) uit de NEN5740 is de bodemgesteldheid in beeld gebracht. Bijlage 1 Bodemonderzoek Onderstaand worden de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen.

Door eerder lokaal verricht onderzoek op de locatie van het plangebied wordt vermoed dat er olieverontreiniging aanwezig is. Hierdoor is er in de directe nabijheid van de eerdere boringen een peilbuis (B01) geplaatst. Bij deze peilbuis is vastgesteld dat de minerale olie in de vaste bodem de grenswaarden wordt overschreden. Op de locatie van de verontreiniging waren vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

43

tussen 1956 en 1988 en motorenrevisie werkplaatsen actief. Het is hierdoor mogelijk dat het gaat om een zogenaamd 'historische' verontreiniging. Er is echter geen minerale olie ontdekt in het grondwater ter plaatse van peilbuis B01.

Middels nader onderzoek dient de omvang van de geconstateerde verontreiniging met minerale olie in de vaste bodem van boring B01 zowel in horizontale- als verticale richting nader bepaald te worden. In het nader onderzoek dienen aanvullende boringen en analyses overlegt te worden.

Het doel van het nader bodemonderzoek is om vast te stellen of er sprake is van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging'. Hiervan is sprake als er meer dan 25 m² sterk verontreinigde grond aanwezig is. Wanneer dit het geval is spreekt men van een saneringsnoodzaak in het kader van de Wet bodembescherming.

Naast de minerale olie zijn er bodemlagen met baksteenresten. Bodemlagen met ongedefinieerd puin van onbekende herkomst worden, ongeacht de hoeveelheid (hier gaat het slechts om 'sporen') als asbestverdacht beschouwd. Onderzoek naar asbest in de bodem zit niet inbegrepen bij een verkennend (voor)bodemonderzoek en zal uitgevoerd worden in het kader van de omgevingsvergunning procedure.

Het nader onderzoek ten aanzien van de aangetroffen minerale olie is op 1 december uitgevoerd Bijlage 2 Nader bodemonderzoek. Het doel van het nader onderzoek is de omvang van de in de vaste bodem (0,2 tot 1,5 m - mv) aangetoonde sterke verontreiniging met minerale olie in de boring B01 vast te stellen. Ter inkadering van bovengenoemde sterke verontreiniging zijn in het nader bodemonderzoek in totaal acht boringen verricht en zijn zes grondmonsters geanalyseerd op de aanwezigheid van minerale olie, inclusief droge- en organische stof.

Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de omvang van de sterke verontreiniging met minerale olie ter plaatse van de boring B(0)01(A) volledig is ingekaderd. De sterke verontreiniging met minerale olie beperkt zich tot de vaste bodem van deze boring, en in het dieptetraject van 0,2 tot 1,5 m - mv. De totale omvang van de sterke verontreiniging bedraagt maximaal circa 15 m3.

Op basis van de beschikbare gegevens kan derhalve worden gesteld dat de hoeveelheid sterk verontreinigde grond beperkt van omvang is en het gehele 'geval' dus minder dan 25 m3 sterk met minerale olie verontreinigde grond omvat. De verontreinigingssituatie in de vaste bodem is ook weergegeven op de situatietekening SIT-01 in de bijlage B.

Aldus is ter plaatse géén sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging' is sprake indien meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond aanwezig is. In dat geval wordt gesproken over een saneringsnoodzaak in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). In onderhavige situatie is dit dus niet aan de orde.

Daarnaast is er een asbestinventarisatie uitgevoerd Bijlage 3 Asbestinventarisatie. Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen van het aanwezige asbest in het gebouw en het bepalen van de risico's van het aanwezig asbest. Naast de locatie en de afmetingen van het materiaal, is tevens het type en de hoedanigheid van het asbest bepaald. Uit dit onderzoek 44

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

blijkt dat er geen asbesthoudende toepassing zijn aangetroffen.

Conclusie Uit het nader onderzoek blijkt dat in, zowel verticaal als in de horizontaal inkaderende boringen, geen verontreinigingen met minerale olie zijn aangetoond. Ook het asbestonderzoek zorgt niet voor belemmering ten aanzie van het aspect bodem voor de ontwikkeling van onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet.

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

45

Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen. Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.

Visie Externe Veiligheid, Risico's de maat genomen De gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de visie Externe Veiligheid gepubliceerd waarin aspecten gerelateerd aan risico's voor de leefomgeving beschreven staan.

Doorwerking plangebied De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.

Figuur 15 Ligging plangebied in relatie tot risicobronnen in de omgeving (Bron: risicokaart)

Risicovolle inrichtingen Er zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen in de nabije omgeving van het plangebied.

Buisleidingen 46

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

De buisleiding (transportrouteID 11433) van de Gasunie Transport Service is gelegen op een afstand van circa 1,1 km ten noordwesten van het plangebied. De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding. Wat betreft het groepsrisico zijn de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. De betreffende leiding heeft een maximale werkdruk van 40 Bar en een uitwendige diameter van 168 millimeter (6,61 inch) wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de leiding is gelegen op een afstand van 40 meter uit het hart van de leiding. De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 70 meter uit het hart van de leiding. Gezien het feit dat het plangebied ruimschoots is gelegen buiten de 1% letaliteitsgrens, wordt geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied voor het groepsrisico.

Transportroutes gevaarlijke stoffen De spoorlijn tussen Eindhoven en Tilburg/'s-Hertogenbosch geldt op de risicokaart als een route waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het spoortraject met nummer 12AU.3 als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geldt voor deze weg een GR-verantwoordingsgebied van 200 meter. Dit invloedsgebied wordt veroorzaakt door de stofgroep brandbare gassen. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 300 meter. Vanuit externe veiligheid gelden er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor het ruimtelijke initiatief.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' . In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

47

stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

Doorwerking plangebied In de directe omgeving van het plangebied komen – naast woonfuncties – de volgende functies voor: Lijmbeekstraat 247: bestemming gemengd (Autobedrijf Limbeek). Milieucategorie 2 De afstand tot plangebied bedraagt circa 60 meter; Lijmbeekstraat 251: bestemming Gemengd (Coranta Italian Handmade Products). Milieucategorie 2. De afstand tot plangebied bedraagt circa 55 meter; Zernikestraat 17: bestemming Gemengd (Atriensis B.V.). Milieucategorie 1. De afstand tot plangebied bedraagt circa 45 meter; Hemelrijken 310: bestemming Maatschappelijk (Basisschool Fellenoord). Milieucategorie 2. De afstand tot plangebied bedraagt circa 105 meter; Rosa Manusstraat 11: bestemming Maatschappelijk (Moskee Yeni Camii Eindhoven). Milieucategorie 2. De afstand tot plangebied bedraagt circa 100 meter; Diverse kantoren ten westen en oosten van het plangebied. Omdat er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. De gedachtegang hierachter is dat er sprake is van een zekere verstoring van het gebied ten opzichte van een rustige woonwijk. Dit betekent dat voor de activiteiten met een milieucategorie 1 en 2 sprake is van een richtafstand van respectievelijk 0 en 10 meter.

De gemengde bestemmingen aan de Zernikestraat en de Lijmbeekstraat liggen op voldoende afstand van het plangebied. Binnen de maatschappelijke bestemmingen rondom het plangebied zijn maatschappelijke voorzieningen, waaronder een basisschool en een moskee Deze maatschappelijke voorzieningen vallen onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter binnen gemengd gebied. Zodoende wordt voldaan aan de richt-afstand.

Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn geen negatieve effecten te verwachten voor het voorgestelde ruimtelijke initiatief.

48

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

4.6

Water

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

Nationaal waterplan 2016-2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie.

Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.

Waterbeheerplan 'Waardevol Water' Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.

Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

49

Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen: Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu. Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld. Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt. Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan.

Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan. Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening.

Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht op het gebied van het afval- en oppervlakte- en grondwater. Het GRP bevat de geplande activiteiten gericht op het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen binnen het plangebied waarna alsnog vertraagd 50

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

kan worden afgevoerd. Hiervoor stimuleert de gemeente Eindhoven vergroenen. Door vergroenen neemt de benodigde waterbergingsopgave af. Om de waterbergingsopgave te berekenen heeft de gemeente een rekentool ontwikkeld.

Doorwerking plangebied Door middel van een beknopte waterparagraaf is het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarbij de belangrijkste hydrologische aspecten onderzocht en beschreven zijn.

Ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden. Bij nieuwbouw is afkoppeling verplicht. Door aan de milieuhygiënische voorwaarden te voldoen, zal door de aanvoer van het hemelwater de kwaliteit van het ontvangend grond- of oppervlaktewater niet verslechteren.

In onderstaande tabel zijn de veranderingen tussen de huidige en toekomstige verwachte oppervlakten binnen het plangebied samengevat. Bij bouwplannen dient ten tijde het uiteindelijk verhard oppervlak en de eventueel bijhorende watercompensatie herberekend te worden. Uit onderstaande tabel valt op te maken dat het totaal verhard oppervlak met circa 844 m² afneemt. Echter is hier het aantal vierkante meters half-verharding meegeteld als volledig verhard. In werkelijkheid is de half-verharding deels infiltreerbaar doordat er gras tussen de verharding geplaatst wordt. In werkelijkheid neemt het aantal verhard oppervlak dus meer af dan onderstaand is weergegeven. Daarnaast wordt er ruimte geboden aan extra waterberging op het maaiveld doormiddel van een wadi van circa 9,5 m³.

Bruto oppervlakten

Huidige situatie (m²)

Toekomstige situatie (m²)

Verhard oppervlak, circa

1.190

1.547

Overige verharding

2.224

1.023 (halfverharding)

Totaal verhard oppervlak

3.414

2.570

Grondwater De visie van de gemeente Eindhoven is dat er sprake moet zijn van een beheersbaar grondwatersysteem passend bij de aan de grond gegeven bestemming. De verantwoordelijkheid voor het grondwaterbeheer op particulier terrein ligt bij de eigenaar van de grond. De doelstelling van de gemeente voor nieuwe ontwikkelingen is structurele grondwateroverlast zoveel mogelijk te voorkomen. In bestaande gebieden streeft de gemeente ernaar structurele grondwateroverlastproblemen zoveel mogelijk op te lossen op locaties waar potentieel problemen kunnen ontstaan. Het plangebied is gelegen op hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand, welke relatief goed infiltreerbaar is van aard.

Oppervlaktewater Uit de gegevens van de Legger van Waterschap De Dommel blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen watergangen zijn gelegen. Ten oosten van het plangebied is op circa 880 meter een A-watergang gelegen (de Dommel) waarin meerdere vaste stuwen aanwezig zijn. Hemelwater In het plangebied is momenteel een kantorenpand met bijbehorende parkeervoorzieningen aanwezig. Het plangebied is volledig verhard en wordt eveneens omringt door verharding. Het plangebied is gelegen aan de wegen de Boschdijk en de Zernikestraat. Daarnaast grenst het in het zuidoosten en zuidwesten aan appartementencomplexen. In het westen is eveneens vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

51

een kantorenpand met bijbehorende parkeervoorzieningen gevestigd. Het hemelwater infiltreert hierdoor nauwelijks in de grond en wordt afgevoerd naar het rioolstelsel.

Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt waarbij de voorkeursvolgorde '(her)gebruiken – vasthouden – bergen – afvoeren' geldt. Overtollig hemelwater afkomstig van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient, na de eventuele stappen hergebruiken en vasthouden, tijdelijk te worden geborgen voordat het vertraagd afgevoerd mag worden naar open water of het gemeentelijke rioolstelsel. Voor iedere m² verharding in het plangebied dient maximaal 75 mm waterberging binnen datzelfde plangebied te worden gecreëerd. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een ontwikkeling met 1.000 m² verhard oppervlak 75 m³ waterberging. De 75mm waterberging per m2 verharding geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Eindhoven met een oppervlak vanaf 150 m².

Bij de planontwikkeling bedraagt het toekomstig verhard oppervlak ca. 2.570 m², een afname van circa 844 m². Voor een ontwikkeling van een ruimtelijk initiatief met een oppervlak kleiner dan 500 m² toename in verharding, en de ligging buiten hydrologisch beschermd gebied, is geen aanvullend overleg met het waterschap noodzakelijk. Vanuit het gemeentelijk beleid van de gemeente Eindhoven wordt gestreeft naar hemelwater neutrale ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied.

Voor een bui van T = 60 bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelen circa 154,2 m3. Ter plaatse is geen minderingsfactor van toepassing. De berging van hemelwater wordt zoveel mogelijk voorzien op de platte groene daken, de verticale gevelbeplanting en het groen in de buitenruimte. Op deze manier wordt hemelwater tijdelijk vastgehouden voordat het infiltreert in de grond/danwel wordt afgevoerd naar het (gescheiden) rioolstelsel. Ook kan hemelwater eventueel hergebruikt worden, maar dit is geen strikte eis. Daarnaast is er nog de mogelijkheid om regentonnen te plaatsen waardoor het opgevangen hemelwater kan worden gebruikt voor de besproeiing van het plangebied. Momenteel wordt dit vooralsnog niet meegenomen in het ruimtelijk initiatief. Bij hergebruik dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met de omgeving en mag er geen wateroverlast op eigen terrein ontstaan. Voor het vertragen van het afstromen van het hemelwater van groene daken (vanaf 150 m²) en wadi' e.d. is wel een verplichting (tussen de 10 en 72u). Om te voldoen aan de wateropgave past de ontwikkeling de volgende waterberging toe: 592m2 groen dak toe met minimaal 60mm waterberging;653m2 groen dak toe met minimaal 30mm waterberging; 354m2 halfverharding; 850m2 nieuw particulier groen; een wadi met 10,55m3 berging; 7 nieuwe bomen met minimaal 6m3 ondergrondse groeiruimte per boom.

Ook is het van belang dat er géén uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood toegepast worden. Dit om de kwaliteit van het oppervlaktewater te beschermen. Op termijn zal de ontwikkeling afwateren op de Dommel.

Afvalwater De ambitie is dat het afvalwater van alle panden is aangesloten op openbare riolering. Dit betekent dat er geen ongezuiverde huishoudelijke lozingen meer mogen plaatsvinden naar bodem of oppervlaktewater. Het huidige rioolstelsel wordt in stand gehouden en waar mogelijk worden verbeteringen zoals het opheffen van foutieve aansluitingen, of het voorkomen van 52

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

terugstroming van oppervlaktewater, doorgevoerd. Bij nieuwbouw wordt een apart afval- en hemelwaterriool aangelegd waarbij het afvalwater separaat van het hemelwater wordt afgevoerd. Voor nieuwe bebouwing geldt dat conform het bouwbesluit afvalwater en hemelwater gescheiden worden.

Tevens is er een notitie opgesteld over het ontwerp van het hemelwaterstelsel (HWA) en het vuilwaterstelsel (DWA) in het plangebied en het functioneren daarvan. De notitie is gebaseerd op het resultaat van de rekentool van de gemeente Eindhoven Bijlage 13 Resultaat rekentool. De rekentool is ingevuld op basis van de oppervlakte verdeling uit het groenplan. Uit deze notitie blijkt dat de maatregelen zoals deze in het groenplan zijn aangegeven, de waterbergingsopgave teruggebracht kan worden tot -0,0 m³ waarmee voldaan wordt aan de waterbergingsopgave.

Conclusie Het plangebied betreft een transformatie van een bestaand kantoorpand met een relatief kleine uitbreiding in de vorm van nieuwbouw. Ten opzichte van de huidige situatie worden er meer natuurlijke elementen toegevoegd aan het plangebied en neemt het verharde oppervlak (beperkt) af. Zo worden de platte daken op het bestaande gebouw en nieuw te realiseren uitbreiding evenals de overkappingen bij de fietsenstalling voorzien van beplanting (natuur daken). Deze maatregelen zorgen er voor dat hemelwater tijdelijk wordt opgevangen en vertraagd wordt afgevoerd naar het (gescheiden) rioolstelstel. Daarnaast zullen de parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de vorm van graskeien. Ook de buitenruimte zal worden voorzien van een natuurlijk karakter door de toevoeging van bomen, heesters, hagen en gazon en half-verharding. Deze maatregelen bevorderen de waterdoorlatendheid van het plangebied. Om te voldoen aan de wateropgave past de ontwikkeling de volgende waterberging toe: 592m2 groen dak toe met minimaal 60mm waterberging; 653m2 groen dak toe met minimaal 30mm waterberging; 354m2 halfverharding; 850m2 nieuw particulier groen; een wadi met 10,55m3 berging; 7 nieuwe bomen met minimaal 6m3 ondergrondse groeiruimte per boom. Uit de waterbergingsopgaveberekening blijkt dat de genomen maatregelen voldoende doeltreffend zijn om de waterbergingsopgave terug te brengen naar -0,0 m³.

Het ruimtelijk initiatief voldoet aan de eisen die gesteld worden vanuit nationaal, provinciaal, gemeentelijk en waterschapsbeleid en vormt geen belemmering voor voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

4.7

Ecologie

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebieds-bescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

53

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groen-blauwe mantel beleidsmatig beschermd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11766521/1