CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste)

Raadsvergadering 24 mei 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste)26.707 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Vastgesteld bestemmingsplan

VI LimbeekWoenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste)

maart 2022

VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste)

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

13

Hoofdstuk 3 Beleidskader

17

3.1

Rijksbeleid

17

3.2

Provinciaal beleid

20

3.3

Regionaal beleid

26

3.4

Gemeentelijk beleid

28

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

39

4.1

Luchtkwaliteit

39

4.2

Geluid

41

4.3

Bodem

43

4.4

Externe veiligheid

45

4.5

Bedrijven en milieuzonering

47

4.6

Water

49

4.7

Ecologie

53

4.8

Cultuurhistorie

56

4.9

Archeologie

57

4.10

Verkeer en parkeren

59

4.11

Duurzaamheid en gezondheid

61

4.12

Niet gesprongen explosieven

63

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

65

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

67

5.1

Algemeen

67

5.2

Planmethodiek

67

5.3

Verbeelding

67

5.4

Planregels

67

Hoofdstuk 6 Financiele aspecten

69

6.1

69

Kostenverhaal

Hoofdstuk 7 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid

71

7.1

Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro

71

7.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

71

2

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

7.3

Inspraak

71

7.4

Zienswijzen

72

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

3

4

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Toelichting

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

5

6

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Bekke-Projects BVBA Future Activities B.V. heeft het voornemen om het bestaande pand van de Boschdijk 131 – 139 te Eindhoven te transformeren van kantorenpand naar wooneenheden voor studenten. Het gebouw op de locatie blijft bestaan en zal worden getransformeerd om circa 240 studenten huisvesten. Eveneens zullen er (fiets)parkeervoorzieningen, openbaar groen, gezamenlijke ruimtes zoals wasruimtes, buitenruimtes en studieruimtes gerealiseerd worden. Het plangebied staat kadastraal bekend als Woensel, sectie G, nummers 5585, 5587 en 5813 (deels) en kent een oppervlak van 3404 m². Inmiddels is een definitief ontwerp gereed voor twee aaneengesloten gebouwen wat ruimte biedt aan in totaal 240 wooneenheden waarbij eveneens (fiets)parkeergelegenheden in zijn meegenomen. Het bestaande pand zal een herwaardering genieten waarbij een uitbreiding middels nieuwbouw aan de hoek van de Zernikestraat en Boschdijk gerealiseerd zal worden. Aangezien het ruimtelijk initiatief voor de 240 wooneenheden niet past binnen het vigerende bestemmingsplan en de uitbreiding buiten het bouwvlak valt is bestemmingsplan 'VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste)' opgesteld. Dit bestemmingsplan biedt het benodigde juridisch-planologisch kader om de ontwikkeling van de locatie mogelijk te maken.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de T-splitsing van de Boschdijk en de Zernikestraat te Eindhoven, ten noorden van het Philipsstadion, ten noordwesten van het centraal station en ten westen van de Technische Universiteit Eindhoven. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied, binnen de ring van Eindhoven in de wijk Limbeek. Onderstaande afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

7

Figuur 1 Globale ligging plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie van de Boschdijk 131-139 rust momenteel de bestemming 'Kantoren' binnen het vigerende bestemmingsplan 'Limbeek - Woenselse Watermolen 2007', welke is vastgesteld op 21 augustus 2008 door de gemeenteraad van Eindhoven. Het is gelegen in gemengd stedelijk gebied met verschillende functies zoals 'Wonen', 'Nutsdoeleinden', 'Gemengde doeleinden' 'Bedrijfsdoeleinden' en 'Maatschappelijke doeleinden'. De regels, of bedrijfsvoorschriften zoals genoemd bij het vigerende bestemmingsplan, laten het niet toe om op deze locatie een nieuwe functie als 'Wonen' t.b.v. studenten te creëren. Daarnaast wordt een deel van de nieuwe bebouwing buiten het bouwvlak gesitueerd. Echter zijn er ter plaatse van de tot 'Kantoren' aangewezen gronden reeds wel parkeer- en groenvoorzieningen toegestaan. Om 'Wonen' op de locatie van het plangebied mogelijk te maken dient een bestemmingsplanprocedure doorlopen te worden.

8

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Figuur 2 Uitsnede plankaart vigerende bestemmingsplan

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen en de toetsing aan het vigerende bestemmingsplan plaatsvindt. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de wijze van bestemmen aangegeven. In de laatste hoofdstukken komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

9

10

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 2

2.1

Beschrijving bestaande situatie

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen in de wijk Limbeek van stadsdeel Oud-Woensel aan de T-splitsing van de Boschdijk en de Zernikestraat. De wijk wordt begrensd door de spoorlijn Eindhoven – 's-Hertogenbosch, de Marconilaan, de Boschdijk en Fellenoord. Limbeek-Zuid bestaat voornamelijk uit een in één stijl opgebouwde buurt uit de latere 20e eeuw. De naam Limbeek is afkomstig van een beek welke vroeger de grens vormde tussen de wijken Woensel en Strijp.

Figuur 3 Ligging Limbeek t.o.v. Eindhoven

Zoals voorgaand reeds vermeld is het plangebied gelegen aan de T-splitsing van de Boschdijk en de Zernikestraat. De Boschdijk is circa 7.000 meter lang en is in vrijwel een rechte lijn aangelegd. De Boschdijk is onderdeel van de historische wegenstructuur van voor 1900 en verbindt het centrum van Eindhoven met Best, gelegen ten noorden van Eindhoven. De Boschdijk geldt als een van de twee ontsluitingswegen vanaf het centrum van Eindhoven in noordelijke richting. In zuidelijke richting gaat de Boschdijk op in de Fellenoord. De Zernikestraat is een van de twee hoofdontsluitingswegen van Limbeek-Zuid naar de Boschdijk. De Zernikestraat vormt het verlengde van de Lijmbeekstraat, Kramerstraat en de Steenstraat welke in westelijke richting voert richting Strijp-S. Het plangebied wordt in het Noorden begrenst door de T-splitsing van de Boschdijk en de Zernikestraat. Ten oosten/zuidoosten wordt plangebied begrensd door het aangrenzende appartementencomplex van de Boschdijk 111 – 129. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door de appartementen gelegen aan de Rosa Manusstraat. Ten westen/zuidwesten grens het plangebied aan het kantorenpand van Sweco Nederland. Op de locatie van het plangebied staat momenteel het kantorenpand Boschdijk Veste welke door een variatie van bedrijven in gebruik is genomen.

Aan de overzijde van de Zernikestraat is een verscheidenheid aan bedrijven gelegen waaronder een Italiaans Restaurant, een autodealer en eveneens een kantorenpand. Aan de voor- en achterzijde van het pand bevinden zich parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen aan de voorzijde zijn te bereiken via een gedeelde ingang met Sweco Nederland. Het parkeerterrein aan de achterzijde van het pand is te bereiken via de Rosa Manusstraat. Het gebied ten oosten/zuidoosten van het plangebied vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

11

bestaat voornamelijk uit woningen. Het plangebied en de directe omgeving is vrijwel volledig verhard waarbij vrijwel alle gebouwen beschikken over platte daken. Onderstaand zijn enkele afbeeldingen opgenomen welke een sfeerimpressie geven van de huidige situatie van het plangebied.

Figuur 4 Zicht op plangebied vanaf Boschdijk

Figuur 5 Zicht op plangebied vanaf Rosa Manusstraat

Figuur 6 Zicht op plangebied vanaf zuidkant Boschdijk

Figuur 7 Zicht op Plangebied vanaf Lijmbeekstraat

12

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Figuur 8 Birdseyeview op het plangebied

2.2

Toekomstige situatie

2.2

Toekomstige situatie

Door Bekke-Projects BVBA Future Activities B.V. is een ruimtelijke initiatief opgesteld, wat heeft geresulteerd in een plan om 240 wooneenheden voor studenten te realiseren op een locatie waar op dit moment kantoren gelegen zijn. De wooneenheden zullen worden gerealiseerd in het huidige kantorenpand de Boschdijk Veste. Echter zal er ook een uitbreiding plaatsvinden in de richting van de Zernikestraat. Het pand is gelegen binnen de omliggende wegen Boschdijk, Zernikestraat en de Rosa Manusstraat. Met de transformatie wordt optimaal gebruik gemaakt van de huidige bebouwing van het kantorenpand en zorgt voor een ruimtelijke ontwikkeling waar ruime vraag naar is in de gemeente Eindhoven.

Doordat gebruik wordt gemaakt van het huidige pand wordt een duurzaam gebruik van gebouwen gerealiseerd. Het bestaande pand zal een herwaardering krijgen waardoor het past in het huidige straatbeeld en eenheid vormt met de architectonische expressie van overige gebouwen waar wooneenheden voor studenten aangeboden worden en samen een campus vormen. De hoogte van het gebouw zal gelijk blijven. Groenelementen zullen worden toegevoegd aan het gebouw en in de openbare ruimte rondom het gebouw.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

13

Figuur 9 Sfeerimpressies toekomstige situatie

14

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Figuur 10 Plattegrond ruimtelijk initiatief

De buitenruimte (Boschtuin) krijgt een groene uitstraling, zoals te zien is figuur 10. Eveneens wordt er maximaal ingezet op ontmoeten en ontspannen. In de binnentuin is eveneens ruimte gecreëerd voor ontmoeting door fietsen van de bewoners in een compacte stalling op te lossen in fietsenstallingen. Deze fietsenstallingen zullen voorzien zijn van een groen dak. Auto's en deelauto's worden allen op het achterterrein opgelost waarbij de bestrating zal bestaan uit graskeien, om de natuurlijke uitstraling te behouden. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een duidelijke en sterke kwaliteitsimpuls van het ruimtelijke beeld van de omgeving.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

15

16

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwik-kelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plangebied In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten. Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.

Het Rijk onderscheidt dertien nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.

Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1). De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land. Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk. In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

17

2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.

Realisatie Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt. De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten: Kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving); Bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld afspraken met provincies en gemeenten, internatio-nale afspraken met overheden in buurlanden); Financieel (bijvoorbeeld Infrastructuurfonds, Deltafonds); Kennis (bijvoorbeeld inzetten van het College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen, verspreiden van "best practices"). Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschil-lend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldende ruimtelijk rijksbeleid te borgen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belan-genafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verste-delijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (water-toets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro. Nationaal belang vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouw-locaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.

Doorwerking plangebied Het project behoort niet tot een van de dertien belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid inzake het mogelijk maken van het appartementencomplex wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden.

De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Daarin staat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk 18

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderhavige ontwikkeling is een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. In hoofdstuk 3.1.3 wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Aangezien er ter plaatse van het plangebied geen specifieke nationale belangen spelen, heeft het Barro geen directe doorwerking in voorliggend bestemmingsplan. 3.1.4

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe wooneenheden mogelijk gemaakt. Gezien het in dit initiatief om de toevoeging van maximaal 240 wooneenheden gaat, is een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking in basis noodzakelijk. Echter gaat het hierbij om een transformatie van een bestaand kantorenpand. Het pand zal door de transformatie een nieuwe functie krijgen.

Eindhoven is een aantrekkelijke stad voor studenten en expats door de internationale oriëntatie van de stad. Hierdoor is er overschot aan vraag voor wooneenheden voor deze groep van de bevolking. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van 240 (zelfstandige) wooneenheden voor studenten. Ook sluit het initiatief volledig aan bij niet alleen de gemeentelijke doelstellingen, maar ook de regionale doelstellingen zoals deze zijn aangegeven in de beleidsdocumenten van Stedelijk Gebeid Eindhoven (SGE)

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

19

Met een afnemende huishoudensomvang en het groeiende huishoudensaantal neemt de kwantitatieve woningbehoefte toe in de gemeente Eindhoven. Het plangebied is gelegen in het stedelijk concentratiegebied. En wordt gezien als een duurzame ontwikkeling door de transformatie en herwaardering van het pand. Hiervoor dient de stedelijke ontwikkeling duurzaam te zijn. Ook wordt er voorzien in een goede omgevingskwaliteit met veilige en gezonde leefomgeving, bevordert het ruimtegebruik van het plangebied, geeft optimaal invulling aan de houdt rekening met klimaatverandering, geeft optimale invulling aan duurzame mobiliteit door het gebruik van deelauto's en draagt bij aan duurzame concurrerende economie. Door de toevoeging van de woonvorm voor studenten in bestaand stedelijk gebied wordt de mix van woonvormen gestimuleerd wat het woonmilieu positief beïnvloed. De status als mainport gaat gepaard met een groei van het inwoners aantal. Ook het aantal (internationale) studenten die zich in Eindhoven vestigen zal toenemen. Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van 240 wooneenheden voor studenten waardoor er ingespeeld wordt op de verwachte groei en huisvesting van (internationale) studenten.

3.2

Provinciaal beleid

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

De Brabantse Omgevingsvisie

Brabantse Omgevingsvisie De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. De Provinciale Staten hebben daarom op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' vastgesteld. In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Doorwerking plangebied De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: 'wat moeten we nog toevoegen', ombuigen naar het gesprek over: 'welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?'

Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw! De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug.

20

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

De ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft de transformatie van een kantorenpand naar een gebouw waarin wooneenheden worden aangeboden aan studenten, binnen bestaand stedelijk gebied, op een goed bereikbare locatie in de schil van Eindhoven. Met de voorgestane ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit in het gebied verbeterd.

De transformatie van het bestaande kantorenpand voorziet in een duurzame ontwikkeling door het hergebruik van een bestaand gebouw. Dit gebouw wordt aangepast waardoor het energiezuiniger wordt door verbeterde isolatie en zal eveneens gasloos worden aangelegd. Ook worden de platte daken voorzien van groene daken om zo hemelwater tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Tevens heeft een groen dak ook een energiezuinige functie doorat het gebouw beter geïsoleerd wordt en een verkoelende werking ervaart van het dak waardoor er tijdens warme periodes energie wordt bespaart voor het verkoelen van de wooneenheden. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de Brabantse Omgevingsvisie.

3.2.2

Structuurvisie Noord-Brabant 2010 (partiële herziening 2014)

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking.

Deel A Visie en sturing Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

21

Figuur 11 Ligging plangebied structuurvisie Noord-Brabant 2010 (blauw e cirkel)

Deel B Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn: 1. de groenblauwe structuur De groenblauwe structuur bestaat uit bestaande natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Dit is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering. 2. het landelijk gebied Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie streeft hier naar een multifunctionele gebruiksruimte, met behoud van agrarische productieruimte in die delen van het landelijk gebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen. 3. de stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste de stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen.

De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten 22

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen kernen in het landelijk gebied zoveel mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen. 4. infrastructuur Het infrastructuurnetwerk bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen. De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in noordwest Europa. De provincie kiest hier voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische clusters van Noord-Brabant. Voor het personenvervoer zijn het hoofdwegennet en het OV-netwerk BrabantStad de dragers. Het goederenvervoer wordt zoveel mogelijk via de te ontwikkelen Goederenruit (spoor en waterwegen) geleid. Zo wordt ruimte gemaakt voor het versterken van de (inter)nationale ontsluiting (weg, water, spoor en lucht) van de Brabantse steden.

Uitwerking structuurvisie De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld. Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven.

Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.

Doorwerking plangebied Het plangebied is aangeduid als 'Stedelijk concentratiegebied'. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, zijn een belangrijke kwaliteit van Brabant. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied. Om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Bij de opgave voor wonen en werken wordt het accent sterker verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructurering en het beheer van het bestaand stedelijk gebied. De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen.

De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en betreft de vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

23

herontwikkeling van een kantorenpand. De kantooractiviteiten zullen worden gestaakt en de bebouwing wordt getransformeerd ten behoeve van wooneenheden voor studenten. Er is sprake van een transformatie van het bestaand stedelijk gebied en zorgvuldig ruimtegebruik. Het initiatief is in lijn met de Structuurvisie Noord-Brabant.

3.2.3

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen). De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale omgevingsvisie en structuurvisie.

De onderwerpen die in de Verordening Ruimte stonden en nu dus in de Interim omgevingsverordening, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren.

Zorgvuldig ruimtegebruik is dat als basisprincipe is opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit, is hierbij uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen 'Stedelijk gebied' en dat de ruimte binnen 'Stedelijk gebied' zo goed als mogelijk wordt benut. Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera.

Doorwerking plangebied Eindhoven is aangewezen als concentratiegebied binnen het 'Stedelijk gebied'. Voor het bouwen van woningen binnen het 'Stedelijk gebied' geldt als voorwaarde dat dit past binnen de regionale afspraken die over wonen zijn gemaakt. Het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik staat hierbij centraal en is uitgangspunt voor elke stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen het 'Stedelijk gebied' en dat de ruimte binnen het 'Stedelijk gebied' zo goed als mogelijk wordt benut. De stedelijke ontwikkeling dient duurzaam te zijn. Hierbij wordt er rekening gehouden met een goede omgevingskwaliteit met veilige en gezonde leefomgeving, bevordert het ruimtegebruik, geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie van duurzame energie, houdt rekening met klimaatverandering, geeft optimale invulling aan duurzame mobiliteit en draagt bij aan duurzame concurrerende economie. De beoogde transformatie past binnen de regionale afspraken die gemaakt zijn over woningbouw en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

24

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

3.2.4

Verordening ruimte Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant heeft op 7 februari 2014 de 'Verordening ruimte Noord Brabant' vastgesteld. Op 8 juli 2017 is de 'Wijziging Verordening Ruimte 2014, actualisatie 2017' vastgesteld. In de verordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. De provincie stelt algemene regels die voor heel Brabant gelden, maar verdeelt het grondgebied ook in vier structuren waarvoor apart beleid geldt. De Verordening ruimte Noord-Brabant is op 1 januari 2019 opnieuw geconsolideerd.

In de verordening zijn algemene regels opgenomen die altijd en voor heel Brabant gelden. Deze regels hebben betrekking op zorgvuldig ruimtegebruik en op het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van Brabant. In het algemeen houdt dit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. Het doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren.

Verder onderscheidt de verordening de volgende vier structuren: Bestaand stedelijk gebied Natuur Netwerk Brabant Groenblauwe mantel Gemengd landelijk gebied Deze structuren zijn gekoppeld aan de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en zijn Brabant dekkend. Elk ruimtelijk oppervlak van Brabant valt onder één van deze structuren. Per structuur is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden en onder welke voorwaarden. De vier structuren staan op de hoofdkaart van de verordening.

Naast de hoofdkaart zijn er vijf themakaarten opgenomen in de Verordening Ruimte. Voor onderhavig plangebied is de themakaart 'stedelijke ontwikkeling' van belang. Op deze themakaart staan het bestaand stedelijk gebied, zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, integratie stad-land en de regionale bedrijventerreinen. Het plangebied is aangeduid als 'Bestaand stedelijk gebied'. Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling.

Doorwerking plangebied De Verordening heeft het plangebied aangewezen als de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'.

4.2 Stedelijke ontwikkeling

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

25

Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied.

4.3 Nieuwbouw van woningen 1. De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop a. de afspraken die daarover zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg bedoeld in artikel 39.4, onder b, worden nagekomen b. de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken bedoeld onder a, en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. 2. Onder harde plancapaciteit voor woningbouw als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan de capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt, die: a. wordt uitgedruk t in aantallen woningen; b. is opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan waarvan de bestemming nog niet is verwezenlijk t. Met onderhavige ontwikkeling worden bedrijfsactiviteiten beëindigd en het kantorenpand getransformeerd tot een gebouw dat ruimte biedt voor zelfstandige wooneenheden gericht op studenten. Het terrein wordt vervolgens natuurlijk ingericht. De ontwikkeling betreft dan ook een herstructurering in bestaand stedelijk gebied waardoor er sprake is van zorgvuldig ruimte gebruik. Dit past in de visie van de provincie voor het bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen is derhalve in lijn met de Verordening ruimte.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Volkshuisvesting

Regionaal Regionaal Het bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 240 woningen mogelijk. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft gemeente Eindhoven. Hierbij wordt opgemerkt dat in de gehele regio Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) de woningvraag groter is dan de totale harde plancapaciteit.

Marktonderzoek Voor de behoefte aan woningen, zowel naar kwantiteit als naar kwaliteit, baseren we ons op het onderzoek “Marktmechanismen op de Eindhovense woningmarkt 2018” van Companen. De woningbehoefte voor Eindhoven is voor de periode 2019 t/m 2023 berekend op 15.000 woningen. Deze kwantitatieve behoefte van 15.000 woningen voor de periode 2019 t/m 2023 is ook opgenomen in de Woondeal.

Woondeal Op 7 maart 2019 hebben de minister van Binnenlandse Zaken (BZK), de provincie Noord-Brabant en het Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) de Woondeal ondertekend. Met de ondertekening van de Woondeal zetten partijen zich in om de woonopgave in deze regio aan te pakken. De Woondeal helpt de gewenste versnelling van de woonopgave in Eindhoven en de andere 26

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

acht gemeenten binnen het SGE te realiseren: meer woningen, op de juiste locatie en voor de goede doelgroep. De versnelling moet in de periode tot 2024 zo'n 27.000 woningen opleveren. Dit komt in Eindhoven neer op een forse versnelling van de jaarlijkse woningbouwproductie naar ongeveer 3.000 woningen gemiddeld per jaar. De Woondeal gaat daarnaast ook over de werking van de woningmarkt (met name op het gebied van regelgeving), de plancapaciteit (de periode tot 2040) en integrale gebiedsontwikkeling in Eindhoven. De Woondeal is een eerste stap van een langjarig partnerschap met de betrokken partijen.

Versnellen woningbouwproductie Het SGE heeft behoefte aan 27.000 woningen in de periode 2019 tot en met 2023. Deze behoefteraming geldt als richtinggevend bij de versnelling van de woningbouwproductie. De minister, de provincie en het SGE hebben hierover het volgende afgesproken in de Woondeal: Het zwaartepunt voor het realiseren van groen-stedelijke woonmilieus ligt – zoals vastgelegd in het Afsprakenkader Wonen SGE 2017 – in de negen prioritaire locaties: Aarle, Brandevoort, Blixembosch, Ekenrooi Zuid, Nuenen West, Meerhoven, Tongelrese Akkers, Waalre Noord en Zilverackers. De minister, de provincie en het SGE volgen de ontwikkeling van deze locaties als geheel op het gebied van aantallen en exploitatie. Het zwaartepunt voor het realiseren van centrum-stedelijke woonmilieus ligt in Eindhoven binnen de Ring. Onderzoek toont aan dat de woningbehoefte in Eindhoven de komende vijf jaar ca. 15.000 woningen bedraagt (als onderdeel van het totaal van 27.000 voor het SGE). Dit vraagt een forse versnelling van de jaarlijkse woningbouwproductie naar ca. 3.000 woningen gemiddeld per jaar. De minister, de provincie en het SGE onderzoeken of de versnelling kan worden uitgevoerd binnen de bestaande mogelijkheden.

Indien aanpassingen nodig zijn in bijvoorbeeld provinciale beleidskaders, regelgeving of instrumenten, dan spannen de provincie en het SGE zich gezamenlijk in om deze wijzigingen door te voeren. De minister spant zich in om, indien nodig, het toepassen van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte mogelijk te maken. Monitoren van de woningbouwplanning en -programmering De woningmarkt is per definitie – en zeker voor de middellange en langere termijn – omkleed met de nodige onzekerheden, samenhangend bijvoorbeeld met (veranderende) demografische, economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Om hier goed op in te kunnen spelen is door het SGE en de provincie een monitoringssysteem ingericht op basis waarvan jaarlijks afspraken worden gemaakt over de woningbouwplanning en -programmering in het SGE. De richtinggevende principes uit de Brabantse Agenda Wonen en de principes uit het Afsprakenkader Wonen 2017 zijn hierbij leidraad. Uitgangspunt is te voorzien in een realistisch, flexibel planaanbod op basis waarvan woningbouwlocaties versneld en vraaggericht worden ontwikkeld. Doel van de monitoring is om steeds een actueel, gezamenlijk beeld te hebben van wat er speelt op de regionale woningmarkt, waar knelpunten zijn of dreigen en welke strategieën moeten worden ingezet om de voortgang van de woningbouwproductie te bevorderen.

Afspraken in de Woondeal over voldoende plancapaciteit Plancapaciteit Het SGE heeft de behoefte om tussen 2024 en 2040 tussen de 22.500 en 35.000 woningen te realiseren, waarvan voor Eindhoven tussen de 12.500 en 25.000. Om deze productie mogelijk te maken is ook hier bovenstaande formulering onder punt c. van toepassing. Ter onderbouwing gaat het SGE in 2021, in samenwerking met de provincie, de regionale woningbehoefte nader onderzoeken. De uitkomsten hiervan worden gebruikt voor een vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

27

actualisatie van het woningbouwprogramma vanaf 2024, als onderdeel van het huidige Afsprakenkader 2017. Monitoren Op basis van het bovengenoemde monitoringssysteem bespreken de minister, Eindhoven, de provincie en het SGE jaarlijks de ontwikkeling van de feitelijke woningbouwproductie en de woningbehoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief, evenals de (harde en zachte) plancapaciteit, met specifieke aandacht voor de betaalbaarheid. Indien nodig wordt op basis van deze monitoring extra inzet gepleegd. Het plan is akkoord bevonden door de SGE.

Doorwerking plangebied Door de toevoeging van studentenwoningen wordt er ingespeeld op een verbreding van het type woningen in de omgeving van het plangebied. Het zorgt voor een bredere mix van leefmilieus. Hierdoor ontstaat er een inclusieve en gezonde samenleving. Ook wordt er met het ruimtelijke initiatief ingespeeld op de huisvesting van (internationale) studenten binnen het stedelijk gebied.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Eindhoven

De Brainportregio is een technologische topregio en één van de belangrijkste pijlers van de Nederlandse economie. Als centrumstad vervult Eindhoven een cruciale rol bij de versterking van Brainport Eindhoven als economische wereldspeler op het gebied van kennisintensieve maakindustrie en design. Om internationaal concurrerend te blijven, streeft Eindhoven samen met de regio naar een excellent woon- en werkklimaat. Daarom zet Eindhoven randvoorwaardelijk in op gezonde en duurzame verstedelijking met behoud van stedelijke en dorpse kwaliteiten en met bijzondere aandacht voor sociale cohesie en inclusie. Mede door de sterke economische positie blijft de Brainportregio Eindhoven groeien. Dit vraagt om ruimte voor nieuwe woningen, bedrijven en voorzieningen. Ruimte die geboden wordt door te verdichten in het gebied binnen de Ring en door te verdichten nabij voorzieningen als HOV en winkelcentra. Met name binnen de Ring is voldoende ruimte om te verdichten, omdat er nog relatief weinig mensen wonen. Met de keuze voor verdichten binnen de Ring wordt duurzaam omgegaan met de (groene) ruimte die de stad heeft. De kwaliteit van de groenstedelijke woonwijken, de landschapsparken en het buitengebied worden hierdoor behouden. Door het verschil tussen de ambitie van de gemeente en de huidige stand van zaken in Eindhoven zijn er zes stedelijke opgaven opgesteld: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Werken aan een gezonde groei van de stad Werken aan een aantrekkelijk en hoogstedelijk centrum Werken aan leefbare, sociale wijken met een sterke identiteit Werken aan een duurzame en concurrerende economie Werken aan de energietransitie van de stad Werken aan een goede stedelijke bereikbaarheid

Het is een opgave om voldoende betaalbare woningen voor alle inwoners te realiseren in de wijken. De gemeente Eindhoven gaat samen met de partners bouwen aan wijken met een gemengd woningaanbod. Nieuwe ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan de sociale cohesie, aan ruimtelijke kwaliteit en inclusiviteit. Doorwerking plangebied Het planvoornemen voorziet in de realisatie van wooneenheden voor studenten op een locatie 28

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

waar momenteel een kantorenpand gevestigd is. Dit is een ontwikkeling die de sociale cohesie en inclusie vergroot. Ook wordt het ruimtelijk initiatief voorzien in ene gebied binnen de Ring van Eindhoven waardoor hier een verdichting optreedt. De ontwikkeling voorziet eveneens in een natuurlijke inrichting van de buitenruimte waardoor het groene karakter van de stad versterkt wordt. Het planvoornemen voldoet daarmee aan de aspecten zoals benoemd in de Omgevingsvisie Eindhoven.

3.4.2

Klimaatplan 2016-2020

De klimaatplan bestaat uit twee delen. Deel A richt zich voornamelijk op klimaatmitigatie in de vorm van CO2 reductie. Deel B focust zich voornamelijk op het aspect klimaatadaptatie waarbij de omgeving wordt aangepast op de huidige klimaatverandering en toekomstige scenario's.

Deel A Klimaatmitigatie is CO2- reductie In de 'Klimaatverordening Eindhoven 2016´ zijn de doelen kwantitatief vastgelegd: In 2050 moet de CO2-emissie met 95% zijn verminderd ten opzichte van 1990 en in 2030 met 55%. Dit is een ambitieuze doelstelling die van alle partijen in de gemeente Eindhoven een grote inspanning zal vragen en die een grote impact heeft op de structuur van de stad midden deze eeuw. Zo zullen de verwarming van de gebouwde omgeving en de mobiliteit in de stad van andere energiebronnen gebruik moeten maken dan nu. Over 35 jaar zullen aardgas, benzine, diesel en LPG taboe of onbetaalbaar zijn, en een ingrijpende transitie, ook in de infrastructuur voor energie, is dus noodzakelijk. De te behalen reductie van de uitstoot is gedefinieerd ten opzichte van het jaar 1990. Met behulp van enig rekenwerk en inschattingen wordt de CO2-uitstoot in jaar 1990 geraamd op 1.200.000 ton/jaar. De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor meer dan de helft van de CO2-emissies in Eindhoven. Hieronder vallen dan niet alleen de woningen maar ook utiliteitsgebouwen (instellingen, organisaties) en de bedrijfsgebouwen van de dienstverlenende bedrijven. De subsector wonen stoot circa 381.887 ton CO2 per jaar uit in 2014.

In 2020 dient de emissiebeperking in 2020 circa 32.000 ton/jaar te bedragen voor huur- en koopwoningen, waarbij het overgrote deel door huurwoningen bewerkstelligt dient te worden: 28.000 ton/jaar.

Om hieraan te voldoen zijn drie invalshoeken gedefinieerd: Energietransitie: de transitie in energiebronnen (van fossiel naar duurzaam) met name benaderd vanuit de gebruiker Energiesystemen: de innovatie in energiesystemen op technisch, maar ook sociaal gebied Infrastructuur en data: de impact op de energie-infrastructuur (smart grids), het gebruik big data en open data. Om te voldoen aan de reductie is het van belang dat vrijwel alle gebouwen in Eindhoven aardgasloos verwarmd dienen te worden. Ook de productie van duurzame energie is een belangrijk onderwerp binnen de gemeente Eindhoven. Er wordt ingezet op een sterkere toename van het aantal zonnepanelen in de stad en streven naar circa 200.000 extra panelen in 2020. We doen dit door: Initiatief te nemen voor een grootschalige grondgebonden zonnepark in Eindhoven Deelname aan het initiatief 'schooldakrevolutie' Ondersteunen van de woningcorporaties bij initiatieven voor zonnepanelen Ondersteunen van de lokale energiecoöperaties bij acties om zonnepanelen te stimuleren Ondersteunen van bedrijven en Verenigingen van Eigenaren bij initiatieven voor zonnepanelen

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

29

Deel B: Klimaatadaptatie is aanpassen aan weersextremen De toename van weersextremen heeft gevolgen voor de fysieke leefomgeving, onder andere op het gebied van water, groen en gezondheid. De gemeente Eindhoven heeft daarom de landelijke ambitie omarmd om in 2020 klimaatadaptatie onderdeel te laten zijn van gemeentelijk handelen en beleid en in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze ambitie vergt integraal werken en de uitrol van een slimme mix van maatregelen over de stad. In tegenstelling tot klimaatmitigatie, is de impact van adaptatiemaatregelen afhankelijk van de lokale en regionale omstandigheden (grondsoort, hoogteligging, bebouwing etc.).

Aanpassen betekent dat er geïnvesteerd blijft worden in slim en klimaatbestendig waterbeheer. Het is daarom belangrijk om de kwetsbare gebieden voor wateroverlast, droogte en hittestress in beeld te hebben. De gemeente heeft watergevoelige en hittegevoelige gebieden in kaart gebracht, droogte ontbreekt echter nog. Om klimaatbestendigheid van de stad te garanderen heeft de gemeente Eindhoven een uitvoeringsagenda opgesteld waarin per initiator staat aangegeven hoe hier uitvoering aan wordt gegeven. Doorwerking plangebied Het plangebied voorziet in de aanleg van gasloze wooneenheden. Eveneens worden de platte daken benut in de vorm van een groen dak. Deze daken hebben niet alleen en watervasthoudende functie en daarmee een positief effect op de vermindering van de druk op het riool en wateroverlast, maar zorgen ook voor een betere isolatie van het pand. Door deze isolatie hoeft er minder energie verbruikt te worden omdat de warmte langer in het gebouw aanwezig blijft. Tijdens warme dagen heeft een groen dak het voordeel dat het een verkoelende functie heeft. Het planinitiatief voldoet hiermee aan het klimaatplan. 3.4.3

Interimstructuurvisie 2009

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur en een kaart met het gebruik van de ruimte.

Doorwerking plangebied De projectlocatie is in onderstaande afbeelding (zie figuur 12 en 13) aangeduid en ligt buiten de aangeduide transformatiegebieden op het kaartbeeld met de ruimtelijke hoofdstructuur.

30

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

Figuur 12 Plangebied (rode cirkel) in de Interimstructuurvisie 2009

Het plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'Wonen'.

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

31

Figuur 13 Plangebied (rode cirkel) in de Interimstructuurvisie 2009

De gronden voor 'Wonen' zijn voornamelijk bedoeld voor wonen, inclusief alle afgeleide wijk- en buurtgerichte functies op het gebied van (middelbaar-/ basis-)onderwijs, zorg, opvang, cultuur, religieuze voorzieningen, ontspanning en vrije tijd, groen (o.a. buurt- en wijkparken, sportfaciliteiten en –velden, buurtontmoetingsruimten), detailhandel en werken (woonwerkcombinaties en kleine bedrijven met milieucategorie 1, 2 en gedeeltelijk 3). Deze functies zijn noodzakelijk voor het functioneren van een gebied als woongebied. Zij vallen dus onder deze definitie en worden niet afzonderlijk in beeld gebracht, mede omdat hun ruimtebeslag relatief beperkt is.

De transformatie van een kantorenpand naar wonen die in het plangebied plaats vindt, past binnen het gebruiksgebied 'Wonen". Onderhavig initiatief is in lijn met de Interimstructuurvisie.

3.4.4

Woonvisie 2015 en woonprogramma 2021-2025

De Woonvisie is op 15 december 2015 vastgesteld. In de woonvisie gaat de gemeente in op haar ambities op het gebied van bouwen en wonen. Daarmee wordt de richting waarin de gemeente zich wil ontwikkelen duidelijk gemaakt aan de stad, haar bewoners en alle partijen die een rol spelen in de verdere ontwikkeling van de stad. Drie pijlers zijn geformuleerd als kader voor de nieuwe opgave: Eindhoven als ambitieuze stad, als solidaire stad en als innovatieve stad.

Ambitieuze stad Eindhoven groeit en dat creëert een nieuwe vraag naar wonen. Eindhoven wil verder verstedelijken. Onder stedelijkheid wordt een gemengde en gevarieerde omgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten verstaan. En een stad die tegelijk ook groen en gemoedelijk blijft.

De gemeente Eindhoven staat voor de unieke kans om de stad als geheel, en het gebied binnen de Rondweg in het bijzonder, de komende jaren te laten groeien. Zij verwacht dat het inwonersaantal van Eindhoven de komende 10 jaar fors zal toenemen, harder dan de prognoses nu voorspellen. De bijzondere bevolkingsopbouw van Eindhoven (een relatief jonge bevolking) draagt daaraan bij. Die groei moet ook op het vlak van wonen gefaciliteerd worden. Tot 2030 wil de gemeente Eindhoven minstens twee derde van de extra woningcapaciteit binnen de Rondweg realiseren.

Solidaire stad De gemeente Eindhoven wil dat Eindhoven een samenleving is, waarvan iedereen onderdeel is. De meeste inwoners kunnen zelfstandig hun plaats vinden in die samenleving, sommigen hebben een steuntje in de rug nodig. Voor hen wordt gezorgd voor een vangnet.

Ook is er oog voor mensen in lastige situaties: asielzoekers, daklozen, mensen in psychische nood en ex-gedetineerden. Door de decentralisatie in de zorg moeten meer mensen met een beperking een plek in de wijk vinden. De vergrijzing zet de komende jaren stevig door. Veel ouderen, met of zonder zorgvraag, zullen langer thuis blijven wonen. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie in bepaalde wijken is ongewenst. 32

vastgesteld VI Limbeek-Woenselse Watermolen 2007 (Boschdijk Veste) Gemeente Eindhoven

De sociale woningvoorraad is onderdeel van de sociale basisinfrastructuur. In theorie is in Eindhoven de sociale woningvoorraad in balans met de doelgroep. Twee ontwikkelingen vragen echter om aandacht: de samenstelling van de sociale woningvoorraad en de positie van de 13.500 huishoudens met een middeninkomen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe woningwet 2015 moeten woningcorporaties hun woningen 'passend toewijzen'.

Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens groeit. Dit betekent een grote uitdaging. Niet alleen in woonwensen maar ook in betaalbaarheid, want alleen wonen is relatief duur. De gemeente Eindhoven zal gaan inzetten op transformatie en ander gebruik. Bij de transformatie van grotere kantoren, zorg- en onderwijsgebouwen kunnen (collectief) particulier opdrachtgeverschap en nieuwe woonconcepten een oplossing bieden. Ook het gebruik van eengezinswoningen door bijvoorbeeld twee eenpersoonshuishoudens, met name in het gebied buiten de Rondweg, behoort tot de mogelijkheden.

Innovatieve stad De gemeente Eindhoven gaat partijen uitdagen om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. En ook in de aanpak van de bestaande voorraad en in de transformatie van kantoren en zorggebouwen is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11766521/1