Bijlage 1a - Bestemmingsplan Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) nieuw
Tekst van het document
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
4C) participatieve stad, betrok kenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
Planbeschrijving De Groene Corridor wordt op een duurzame wijze ontwikkeld. Daarom wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur en zal alleen indien noodzakelijk de volledige fundering worden vervangen. In andere gevallen vervangen we enkel de deklaag.
Daarnaast worden op zoveel mogelijk locaties nieuwe bomen, heesters en kruidenrijk gras geplant. Deze bomen worden op een duurzame manier aangeplant zodat deze tot volledig wasdom kunnen komen en daarmee een bijdrage leveren aan een robuuste groenstructuur. Zoveel mogelijk bestaande bomen blijven behouden. Met de nieuwe inrichting van het groen, wordt direct gekeken naar het bergen van het water. Met de toenemende piekbuien is het van belang de afwatering goed te regelen.
60
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
Concluderend zijn deze maatregelen positief voor het milieu en duurzaam.
5.7
Bodem
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Daarbij gaat het enerzijds om de bodemgesteldheid en anderzijds om bodemverontreiniging.
Voor de beoogde ontwikkeling moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie.
Planologisch gezien verandert de functie voor het fietspad niet, zodat een bodemonderzoek hier niet nodig is. De nieuwe ontsluitingen en de taluds naar de fietsbrug worden ter plaatse van natuur en agrarische grond gerealiseerd, zodat bodemonderzoek hier ook niet aan de orde is.
In zijn algemeenheid geldt dat het (industriële) verleden van Eindhoven zijn sporen in de bodem heeft nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Eindhoven om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van bouwvergunningen of in het kader van de aan- of verkoop van locaties. In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn de gegevens van alle bekende bodemonderzoeken opgenomen.
Op diverse locaties in Eindhoven zijn verontreinigingen aangetroffen, het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico's voor de gezondheid van mensen.
Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen onderhavig plangebied ook niet bekend. De volgende bodemonderzoeken zijn bekend voor (de directe omgeving van) het plangebied: a. Verkennend onderzoek crematorium, Grontmij, rapportnummer 109/1726/S, d.d. 12 augustus 1994; b. Nulsituatie-onderzoek crematorium, Tebodin, rapportnummer 334110, d.d. 26 augustus 1997; c. Verkennend onderzoek crematorium, Tebodin, rapportnummer 334111, d.d. 26 augustus 1997; d. Verkennend onderzoek Buitenplaats Tegenbosch, Grontmij, rapportnummer 31.9583.1 /31 /R001, d.d. 6 december 1999; e. Verkennend onderzoek Acht Ecozone, gemeente Eindhoven, rapportnummer 105755, d.d. 31 mei 2001; f. Verkennend onderzoek Achtseweg Noord 1, Geofox, rapportnummer 540/WW/bh , d.d. 17 december 2002; g. Monitoringsrapportage crematorium, Tebodin, rapportnummer 331 51 OOA, d.d. 26 april 2003; h. Verkennend onderzoek Tegenboschweg, Lankelma, rapportnummer 61381, d.d. 28 april 2006; i. Nulsituatie-onderzoek Oirschotsedijk - Anthony Fokkerweg, Heijmans, rapportnummer bapo3/wime5/45733, d.d. 1 november 2006; j. Monitoringsrapportage crematorium, Mos Grondmechanica, rapportnummer 596808, d.d. vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
61
16 december 2008; k. Verhardings- en bodemonderzoek Oirschotseweg ong., Lankelma, rapportnummer 66166, d.d. 15 mei 2013; l. Grondonderzoek toplaag bermen Anthony Fokkerweg, Lankelma, rapportnummer 67029 , d.d. 25 november 2014. Uit voornoemde onderzoeken is in zijn algemeenheid gebleken dat de bodemgesteldheid van betreffende onderzoekslocaties niet verdacht was en dat de bodem geschikt was voor de betreffende doeleinden. Gelet op het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.7.1
Ontplofbare oorlogsresten
Aangezien voorgenomen werkzaamheden gepaard gaan met bodemingrepen, heeft een ter zake deskundig bureau een zogenoemd Vooronderzoek na-conflictperiode (VNC) Ontplofbare Oorlogsresten (OO) en een Risico Analyse (RA) Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd. Hierna volgt een korte samenvatting van voornoemde onderzoeken.
Resultaten vooronderzoek OO na-conflictperiode Uit het vooronderzoek OO na-conflictperiode is gebleken dat er meerdere op OO verdachte gebieden zijn binnen het projectgebied Groene Corridor. Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande werkzaamheden een risico is op het aantreffen van OO en mogelijke werking hiervan. Er zijn verschillende hoofdsoorten OO die binnen het projectgebied kunnen worden aangetroffen. De soorten OO zijn afwerpmunitie en submunitie. Deze OO kunnen de volgende gevaarsfactoren bevatten zoals, voorgespannen slagpinveer, gewapende ontsteker, witte fosfor en veroudering. Wanneer één van de mogelijk aan te treffen OO tot uitwerking komt, zijn er verschillende uitwerkingsfactoren mogelijk, zoals scherfwerking, gas-/luchtdrukwerking, schokgolf en brand/hitte.
Conclusies VNC en RA Uit de resultaten van het VNC is gebleken dat er sprake is van bodemingrepen na-conflictperiode. Op basis hiervan is bepaald of, en zo ja tot welke diepte minus huidig maaiveld / huidige (water)bodem en ten opzichte van NAP de aanwezigheid van OO kan worden uitgesloten. De Oirschotsedijk en Tegenboschweg waren reeds aanwezig ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. In 1969 zijn het fietspad en trottoir langs de Oirschotsedijk aangelegd. De Anthony Fokkerweg is in de jaren '80 aangelegd en heeft een deel van de Tegenboschweg vervangen. De Anthony Fokkerweg is tussen 1988 en 2008 verbreed. De percelen aangrenzend aan de wegen hebben grotendeels een agrarische functie, al zijn er ook onverharde delen in gebruik geweest als sportveld en opslagdepot. Per onderdeel van de benodigde sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden is voorts een advies geformuleerd. Indien nodig zal verder detectieonderzoek plaatsvinden vóórdat tot realisatie van de werkzaamheden wordt overgegaan.
5.8
Natuur
5.8.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000, stikstofdepositie 62
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
Op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het niet toegestaan een plan of project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Het kabinet heeft besloten om de stikstofproblematiek structureel aan te gaan pakken, wat heeft geleid tot de introductie van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), welke op 1 juli 2021 in werking is getreden. Met deze wet wordt beoogd de natuur te versterken en de stikstofuitstoot en depositie te verminderen. De wet bevatte ook een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector. Naar aanleiding van de ‘Porthos-uitspraak’ omtrent de bouw-/aanlegfase van 2 november 2022 moet worden geconcludeerd dat de vrijstelling, zoals opgenomen was onder de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), niet in overeenstemming is met de Europese wetgeving. Daarom dient naast de gebruiksfase ook de aanlegfase betrokken te worden in de planvorming/vergunningverlening en bijbehorende berekening stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op circa 7 km afstand ten westen van het plangebied. Het betreft het gebied het Kempenland-West. Het gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux ligt circa 10 km ten zuiden van het plangebied.
De rapportage van het stikstofonderzoek is als Bijlage 9 aan deze toelichting gehecht. Uit de rekenresultaten van de projectberekening volgt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling (peiljaar 2034) van de Groene Corridor geen sprake is van en toe- of afname op de stikstofdepositie ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden ten opzichte van de bestaande situatie (peiljaar 2023). Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
NNB Zoals in paragraaf 3.3.2 van de toelichting is aangegeven is een deel van het plangebied conform de Omgevingsverordening aangeduid als 'Natuur Netwerk Brabant'. Binnen deze gebieden is het beleid erop gericht om natuur en water te versterken. Er is sprake van directe aantasting van de NNB, in de vorm van ruimtebeslag. Negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken van het NNB in het plangebied kunnen niet worden uitgesloten. Aangezien sprake is van ruimtebeslag binnen het NNB op de locatie, kan het project alleen doorgang vinden door herbegrenzing van het NNB. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3.2.
5.8.2
Soortenbescherming
De bescherming van soorten is geregeld in de Wnb. Onder de werking van deze wet vallen circa 1.000 dier- en plantensoorten. Zo zijn alle inheemse zoogdieren, amfibieën en reptielen een beschermde status, evenals een aantal soorten planten, vissen, insecten en ongewervelden. Volgens de wet mogen beschermde soorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust en gedood. Ook mogen voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Om een goed beeld te vormen van de binnen het plangebied aanwezige beschermde soorten en habitats is een natuurtoets noodzakelijk.
Quickscan Door het ter zake deskundig bureau Ecologica is een zogenoemde quickscan flora & fauna opgesteld, welke als Bijlage 10 aan onderhavige toelichting is gehecht. Hierna volgt een uiteenzetting van de onderzoeksresultaten.
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
63
Grondgebonden zoogdieren Ondanks de aanwezigheid van zeer intensief gebruikte infrastructuur zijn de bosranden, grazige ruigtes en bossen geschikt voor diverse kleine niet-kritische grondgebonden zoogdieren zoals muizen, spits-muizen, egel en konijn. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen maatregelen. In de omgeving komen echter ook strenger beschermde zoogdiersoorten voor zoals de eekhoorn en bunzing. De eekhoorn komt voor in de bossen rond Tegenbosch, landgoed de Wielewaal en de Herdgang. Het grootste deel van de werkzaamheden wordt buiten het leefgebied van de eekhoorn uitgevoerd. Alleen het geplande dunnen van de strook bos langs de Oirschotsedijk en het verwijderen van ondergroei kan tot negatieve effecten leiden. Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoornnesten waargenomen. Deze kunnen evenwel zijn gemist. Bovendien gebruiken eekhoorns vaak meerdere nesten en maken relatief snel een nieuwe waardoor er ten tijde van de start van de werkzaamheden nieuwe, in gebruik zijnde nesten aanwezig kunnen zijn binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de eekhoorn is op voorhand daarom niet uit te sluiten. Nader onderzoek is dan ook noodzakelijk.
De steenmarter is eveneens in de omgeving waargenomen waaronder op het terrein van de nabijgelegen Internationale School aan de Oirschotse dijk (Ecologica, 2021). De steenmarter zal delen van het plangebied gebruiken als, waarschijnlijk relatief gering, onderdeel van het foerageergebied. De werkzaamheden zullen voor deze flexibele soort met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet leiden tot een overtreding van verbodsbepalingen. Verblijfplaatsen worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden niet verwacht. Uit de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant volgt dat de bescherming van een aantal grondgebonden zoogdieren is veranderd. De kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) worden in de provincie strenger beschermd doordat deze niet meer algemeen worden vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. De bunzing is diverse keren in de omgeving als verkeersslachtoffer gemeld en zal delen van het plangebied waarschijnlijk als onderdeel van het leefgebied beschouwen. Van wezel en hermelijn zijn geen waarnemingen bekend in of in de directe omgeving van het plangebied. Met name de bosranden, houtsingels en ruigtes rond Tegenbosch zijn wel geschikt voor kleine marterachtigen. Deze liggen echter voor een groot deel buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
De zone met drie rijen zomereiken ten noorden van de Anthony Fokkerweg is geheel ongeschikt voor kleine marterachtigen aangezien beschutting geheel ontbreekt en de foerageermogelijkheden naar alle waarschijnlijkheid beperkt zijn. Aan de hand van de Handreiking kleine marters van de provincie Brabant (Bouwens, 2017) is gekeken naar mogelijke effecten van de uit te voeren werkzaamheden. De aanleg van de fietsbrug zal gezien de locatie direct naast intensieve infrastructuur en het beperkte ruimtebeslag niet leiden tot een overtreding van verbodsbepalingen. De te veranderen toegangswegen leiden eveneens met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet tot een overtreding van verbodsbepalingen. Het oppervlakte waar daadwerkelijk werkzaamheden worden uitgevoerd en vegetatie verdwijnt is relatief gering. Er is wel sprake van versnippering. De braakliggende akker en aangrenzende ruigte wordt doorsneden door de nieuwe toegangsweg. Deze nieuwe weg wordt echter slechts vrij extensief gebruikt terwijl de huidige toegangsweg in de toekomst niet meer door gemotoriseerd verkeer zal worden gebruikt. Het resterende deel van de akker is te klein om dienst te doen als zelfstandig leefgebied. Dit deel zal geen wezenlijk onderdeel uitmaken van het foerageergebied gezien de beperkte resterende grootte en de ligging naast zeer intensief gebruikte infrastructuur en bijbehorende verlichting.
Nader onderzoek of ontheffing is niet nodig. Overige streng beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn niet, of alleen als incidentele zwerver, te verwachten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.
Vleermuizen 64
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
In de NDFF zijn waarnemingen van gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis bekend uit de directe omgeving van het plangebied. Andere soorten zijn, zeker in de ruimere omgeving, echter wel te verwachten. Het voorkomen van soorten vleermuizen is vaak niet goed onderzocht, terwijl vleermuizen op veel plekken aanwezig zijn en grote gebieden gebruiken. In gebieden op relatief korte afstand is in ieder nog gewone grootoorvleermuis aangetroffen (Ecologica, 2021). Vleermuizen maken gebruik van onder meer bebouwing en holtes of scheuren in bomen als verblijfplaats. Deze verblijfplaatsen zijn jaarrond streng beschermd. Bebouwing is niet aanwezig binnen het plangebied. De bomen buiten de bospercelen grenzend aan het plangebied zijn allen goed onderhouden en in de meeste gevallen vrij hoog opgesnoeid. Voor vleermuizen potentieel geschikte holtes en scheuren zijn hier niet aangetroffen. Bovendien staan de meeste bomen binnen het plangebied naast intensief gebruikte infrastructuur met bijbehorende kunstverlichting. Verblijfplaatsen in deze bomen kunnen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. De bospercelen grenzend aan de Oirschotsedijk bevatten echter diverse oudere bomen met potentieel geschikte holtes en scheuren.
Ook indien er uitsluitend bomen zonder holtes of scheuren worden verwijderd, zijn negatieve effecten niet uit te sluiten aangezien het microklimaat rond eventueel aanwezige verblijfplaatsen in te behouden bomen kan zijn aangetast. Nader onderzoek is dan ook noodzakelijk. Naast de mogelijke verblijfplaatsen dienen ook mogelijke effecten op foerageergebied en vliegroutes worden beoordeeld. Omdat vleermuizen hiervoor van veel elementen in hun leefgebied gebruik maken, zijn deze niet altijd per definitie beschermd, maar wel wanneer ze van cruciaal belang zijn. Deze zogenaamde essentiële foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming omdat deze noodzakelijk zijn voor het functioneren van voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen. Binnen het plangebied en zeker daar direct aan grenzend zijn veel bomen en ander opgaand houtig groen aanwezig. Het is daarom aannemelijk dat het plangebied onder-deel uitmaakt van het foerageergebied van vleermuizen. Aangezien het plangebied slechts een smalle strook betreft en aanwezige bomenbehouden blijven, zijn effecten op deze foerageerfunctie met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwaarloosbaar. Het verwijderen van struweel of enkele bomen heeft geen dermate groot effect op de foerageerfunctie, dat dit vervolgens leidt tot een overtreding van verbodsbepalingen.
De in (de directe omgeving van) het plangebied aanwezige lijnvormige structuren blijven grotendeels behouden. De nieuwe toegangsweg naar Tegenbosch doorsnijdt wel de houtsingel langs de Anthony Fokkerweg. Met name de onverlichte zuidzijde kan onderdeel zijn van een vliegroute. Langs de Tegenbosch weg is gedeeltelijk een houtsingel aanwezig die wellicht als alternatieve route dienst kan doen. Deze houtsingel is echter niet aaneengesloten en zal eveneens worden doorsneden door de nieuwe toegangsweg. Als gevolg van de aanleg van de fietsbrug worden bomen gerooid in de bermen van de Oirschotsedijk ten noordwesten van de kruising met de Anthony Fokker-weg. De bomen langs de Oirschotse dijk kunnen onderdeel uitmaken van een vaste vliegroute. Het hogere struweel evenwijdig aan de sloot aan de oostzijde en mogelijk deels ook de dubbele rijen eiken ten westen van de berm kunnen als mogelijk alternatieve route dienst doen. Om effecten uit te sluiten is nader onderzoek ook voor dit deel noodzakelijk. Nader onderzoek naar het huidige terreingebruik en eventueel aanwezige vliegroute(s) is evenwel noodzakelijk.
Vogels Binnen het plangebied zijn naast de bospercelen langs de Oirschotse dijk ook kleinere ruigtes, struwelen en andere kleinere bosaanplant aanwezig waarin vogels broedgelegenheid kunnen vinden. Het rooien of kappen van bomen, heesters en andere hogere vegetatie dient dan ook buiten de broedperiode te worden uitgevoerd. Tijdens het uitgevoerde veldbezoek is verder gelet op aanwezige jaarrond beschermde nesten. In de bomen zijn deze niet aangetroffen en worden ook niet verwacht binnen de directe invloedssfeer van de werkzaamheden. Nader onderzoek naar vogels is niet nodig. vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
65
Amfibieën Met uitzondering van de reeds verharde delen is het overgrote deel van het plangebied geschikt als onderdeel van het landbiotoop van diverse soorten voor amfibieën. Aan de noordoost-zijde van de Oischotsedijk tussen de Anthony Fokkerweg en de A2 is een natte ecologische verbindingszone aanwezig met open water en flauwe oevers met riet en moerasvegetatie. Met uitzondering van de alpenwatersalamander zijn streng beschermde soorten niet binnen de invloedssfeer te verwachten; zowel op basis van biotoopvoorkeuren als op basis van verspreidingsgegevens. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen maatregelen. De alpenwatersalamander is, buiten de geheel open en verharde delen, overal als zwerver te verwachten. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan potentiële voortplantingswateren. Ook het waarschijnlijke landhabitat, de strook ten noordoosten van de Oirschotsedijk ten noorden van de kruising, blijft geheel gevrijwaard van werkzaamheden. Aangezien de soort in het overige deel alleen als zwerver te verwachten is, is nader onderzoek of een ontheffing niet nodig.
Planten Het plangebied, en overigens ook de directe omgeving daarvan, is in zijn geheel niet geschikt voor beschermde planten. Deze zijn dan ook niet aangetroffen tijdens het uitgevoerde veldbezoek. Nader onderzoek of ontheffing is niet nodig.
Reptielen, vissen en ongewervelden Het plangebied, en overigens ook de directe omgeving daarvan, is in zijn geheel niet geschikt voor beschermde vissen en ongewervelden. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater en het ontbre-ken van geschikt habitat in het plangebied en de directe omgeving ervan is de aanwezigheid van deze soorten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit te sluiten. Derhalve is aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag niet nodig.
Nader onderzoek Uit de quickscan volgt concreet dat nader onderzoek naar vleermuizen en de eekhoorn noodzakelijk is in het kader van de geplande werkzaamheden in het bosperceel langs de Oirschotsedijk en de te rooien bomen ten noordwesten van de kruising. Een dergelijk onderzoek is uitgevoerd. De rapportage hiervan is als Bijlage 11 aan deze toelichting gehecht. Hierna volgt een uiteenzetting van de conclusie en het advies dat uit dit onderzoek volgt.
Eek hoorn Om aan te tonen of en waar er eekhoornnesten aanwezig zijn in de te rooien bomen is gedurende de winterperiode (na bladval) op 23 maart 2023 een inspectie uitgevoerd en zijn deze bomen nader bekeken. Ook de bomen in de directe omgeving direct grenzend aan het plangebied zijn bekeken. Er zijn geen eekhoornnesten aangetroffen in de te rooien bomen of in de bomen in de directe omgeving er van. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen eekhoorns waargenomen.
Vleermuizen Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd volgens het vigerende Vleermuisprotocol. 66
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
Inventarisaties die volgens deze richtlijnen worden uitgevoerd door een ervaren vleermuisonderzoeker, zowel in tijd als met het gebruik van de voorgeschreven apparatuur, voldoen aan de eisen, die gesteld worden door de bevoegde gezagen. Er zijn essentiële vliegroutes vastgesteld van laatvlieger, gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis. Om het functioneren van deze routes te garanderen zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Ook leiden de werkzaamheden niet tot een dermate grote aantasting van foerageergebied dat er sprake is van een mogelijk overtreding van verbodsbepalingen. De aangewezen mitigerende maatregelen draaien dan ook allemaal rond het behoud van de kritische vliegroute en de oversteekbaarheid van de Anthony Fokkerweg en de Oirschotsedijk voor vleermuizen. De totale hoeveelheid verlichting mag niet toenemen als gevolg van de werkzaamheden. Tijdens de bouw van de fietsbrug mag er in de periode april tot en met oktober geen sprake zijn van extra verlichting. Met de herinrichting van het kruispunt dient nog eens kritisch gekeken te worden naar welke verlichting echt noodzakelijk is voor de verkeersveiligheid. In overleg met een vleermuisdeskundige zijn wellicht verdere aanpassingen nodig ten aanzien van plaatsing, kleur verlichting en de type armaturen.
De verlichting van het kruispunt kan vervangen worden door vleermuisvriendelijke verlichting. Daarnaast kan er door een slim ontwerp en aanvullende aanplant ervoor worden gezorgd dat de aan te leggen fietsbrug een donkere oversteekplek over het kruispunt garandeert voor vleermuizen. Aangeraden wordt bomen aanplanten langs de zuidwestelijke kant van de Oirschotsedijk tussen de A. Fokkerweg en de ‘eggdrive’ om de vliegroute te versterken. Aanvullend wordt aangeraden om op de middellange termijn de felle witte ledverlichting van het fietspad op het zuidoostelijke deel van de Oirschotsedijk kritisch te bekijken en herevalueren. Deze heeft duidelijk een sterk negatief effect op aanwezige vleermuizen. Alleen indien de fietsbrug landschappelijk goed wordt ingepast, met de nodige aanvullende beplanting én het kritisch herbekijken van de huidige verlichting en zonder nodeloze “artistieke” verlichting van de nieuwe structuur, kan, in overleg met een vleermuisdeskundige, een overtreding van verbodsbepalingen worden voorkomen. Zo niet zal de aanleg een significant negatief effect hebben op essentiële vliegroutes van drie verschillende soorten vleermuizen en daarmee een evidente overtreding van verbodsbepalingen.
Conclusie Voornoemde mitigerende maatregelen zijn uivoerbaar en zullen worden toegepast, zodat het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor dit planvoornemen.
5.8.3
Algemene zorgplicht
Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken. Zo dient het verwijderen van bomen, struwelen en ruigtes buiten de broedperiode plaats te vinden. Men dient alert te zijn op mogelijk aanwezige zeer vroeg of juist zeer late broedgevallen van niet kritische broedvogelsoorten, zoals bijvoorbeeld de houtduif.
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
67
5.8.4
Ecologische voorzieningen
Binnen het plangebied worden tot slot een faunapassage en wildbegeleidende voorzieningen bij de Anthony Fokkerweg gerealiseerd. De nieuw te realiseren ecologische voorzieningen bestaan meer concreet uit: Kruiden- en faunarijk grasland met greppels/ondiepe slootjes (wisselvochtige delen). Dit geeft habitat voor kruiden, insecten, kleine- en middelgrote zoogdieren (mogelijk ook grazende reeën), vogels (er is een buizerdterritorium), amfibieën (landhabitat); Houtsingels gebaseerd op historische kleinschalige verkaveling en een structuurrijke bosrand langs bomen bij de weg Tegenbosch. Deze bieden habitat voor insecten, kleineen middelgrote zoogdieren én vleermuizen, vogels, amfibieën (overwintering); Nieuwe, verbeterde faunatunnel onder de A. Fokkerweg, met geleidingen. Deze werkt voor amfibieën en kleine- en middelgrote zoogdieren tot grootte van een vos; Rillen met takhout, als schuilplaats, nestplaats, overwinteringsplek, dekking gevende geleiding. Dat werkt voor vogels en kleine zoogdieren. Nieuwe fietsbrug met windluwe balustrade, aanvullende aansluitende houtopstanden en afgestemde verlichting, geschikt als hop-over viaduct voor vleermuizen óver de Anthony Fokkerweg.
68
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 6
6.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.
6.2
Beleid
6.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).
6.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk.
Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
69
6.2.2
Provinciaal beleid
6.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.
Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.
De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.
70
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
6.2.3
Beleid Waterschap
6.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn.
Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
71
6.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente). Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.
6.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. 72
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk.
Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
6.2.3.4 Waterschapverordening Sinds 1 januari 2024 geldt de Waterschapsverordening (WSV). De WSV legt een meldplicht op voor het lozen van regenwater op beken en sloten door toename van verhard oppervlak (artikel 2.33 WSV). Die meldplicht geldt wanneer de toename van het verhard oppervlak ligt tussen de grenswaarden 500 m² en 10.000 m². Ook wanneer een regenwaterberging wordt aangelegd en het regenwater vertraagd wordt afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem, geldt de meldplicht. Neemt het verhard oppervlak toe met meer dan 10.000 m², of wordt afgeweken van de algemene regels voor het aanleggen van een regenwaterberging, dan geldt een vergunningplicht. Een lozingsconstructie aanbrengen in een a-watergang dient ook te voldoen aan de WSV artikel 2.39 t/m 2.44 en dus ook te worden gemeld.
6.2.4
Gemeentelijk beleid
6.2.4.1 Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026 Het Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het WKA 2023-2026 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het WKA is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken.
Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de waterklimaatopgave.
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
73
6.2.5
Waterplan
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.
6.3
Eindhovense klimaattoets
Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan. 6.3.1
Klimaatadaptiebeleid
In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm.
6.3.2
Waterbergingsnorm
6.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is. Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing.
Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. 74
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/.
6.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt. In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen.
Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief handelen. De datum van indiening van de omgevingsvergunning is leidend. De uitzonderingsregel is geregeld in artikel 32.2.2 van de regels.
6.3.2.3 Stimulans klimaatadaptatiebeleid De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel. Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein.
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
75
6.3.3
Toelichting rekentool
De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend.
6.3.3.1 Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie.
De tool doorloopt hierbij vier stappen: Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.
6.4
Beschrijving watersysteem plangebied
Binnen het project Groene Corridor wordt de fietsbrug over de Anthony Fokkerweg en de aansluiting met het crematorium en Tegenbosch gerealiseerd. In deze paragraaf worden alle water gerelateerde zaken benoemd en wordt aangegeven hoe het totale systeem aan waterhuishoudkundige voorzieningen in de toekomst gaat functioneren.
6.4.1
Checklist watersysteem
Checklist Watersysteem Hoofdw atergang cq open w ater 76
Ja, ER 40 en ER 41 vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
zijw atergang
Ja
Keurgebied binnen plangebied?
Ja
Binnen 25-100 jaarszone?
Nee
Binnen boringsvrije zone?
Ja
Ecologische verbindingszone?
Nee
Binnen reserveringsgebied w aterberging 2050?
Nee
Attentiegebied EHS
Nee
Rioolw atertransportleiding
Nee
Waterschap gemaal
Nee
Landelijke afvoernorm binnen plangebied Verdachte/verontreinigde locaties?
Nee
Infiltratie praktisch mogelijk?
Waarschijnlijk beperkt
Uitw erkingsplicht / w ijzigingsbevoegdheid -
6.4.2
Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water
Het gebied is gelegen binnen het buitengebied van de gemeente Eindhoven en wordt begrenst aan de zuidzijde door de wijk Tegenbosch, aan de noordzijde door het buitengebied, en aan de westzijde door het bedrijventerrein GDC-Zuid.
6.4.3
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied zijn twee A-watergangen gelegen; de ER40 en de ER41. Vanaf het zuiden van de Anthony Fokkerweg wordt water via de ER41 afkomstig uit Tegenbosch en het landelijke gebied afgevoerd in noordelijke richting. Vanuit oosten wordt het water van het landelijke gebied, uitlaten van dakwater van het bedrijventerrein en water afkomstig uit het Verbeterd gescheiden stelsel van GDC Zuid afgevoerd via de ER40 en de daaraan gekoppelde waterberging evenwijdig aan de Oirschotsedijk. De ER40 kan via een stuw overlopen op een duiker die loost in het Beatrixkanaal. Ten noorden aan de Anthony Fokkerweg is een B-watergang gelegen evenals aan de westzijde van de Oirschotsedijk (ten noorden van de Anthony Fokkerweg). Vanaf Tegenbosch loopt een B-watergang die later overgaat in de ER41.
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
77
Ligging A- en B watergangen
6.4.4
Verharding
Voor de verharding is onderscheid gemaakt in drie sub gebieden, namelijk; Aansluiting Tegenbosch / crematorium; Oirschotsedijk; Anthony Fokkerweg. Onderstaande tabel geeft de huidige verharding weer binnen het plangebied voor alle drie de sub gebieden.
Subgebied
Huidig aantal m2
a. Aansluiting Tegenbosch/crematorium
0
b. Oirschotsedijk
9.911
c. Anthony Fokkerw eg
15.079
Totaal
24.990
5.4.5
Bodemopbouw
Op basis van BRO is te verwachten dat de bodem tot circa 2m-mv hoofdzakelijk bestaat uit leem, met weinig fijn en midden zand en een spoor veen en grof zand.
78
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
6.4.5
Grondwater
Op basis van het grondwatermodel van de gemeente Eindhoven zit de GHG aan de zuidzijde van de Anthony Fokkerweg op circa 0,5 tot 0,9 m beneden maaiveld. Het maaiveld aan de zuidzijde van de Anthony Fokkerweg zit rond de NAP + 18,4 m; GHG zit dan op circa NAP + 17,9 m tot NAP + 17,5 m. Aan de Noordzijde van de Anthony Fokkerweg zit de GHG op circa 0,9 tot 1,3 m beneden maaiveld, Het maaiveld ligt rond de NAP + 18,4 m. De GHG zit dan op NAP + 17,5 m tot NAP 17,1 m.
GHG- Eindhoven
De GLG ligt een rond de NAP + 15,0 m a NAP + 15,50 m; circa 2 m tot 2,5 m beneden maaiveld.
6.4.6
Regenwater
Regenwater vallende op de Anthony Fokker weg wordt bovengronds of via leidingen afgevoerd naar de watergangen evenwijdig aan de weg. Dit is ook het geval voor afstromend regenwater van de Oirschotsedijk en crematorium. De wijk Tegenbosch loost met een regenwaterriool op het regionale watersysteem. Het bedrijventerrein GDC Zuid loost via een VGS- stelsel op de ER40 en de daaraan gekoppelde waterberging. Regenwater vallende op onverhard terrein zal via het grondwater afvoeren naar het regionale watersysteem.
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
79
6.4.7
Afvalwater
Het afvalwater van Tegenbosch wordt onder vrijverval ingezameld en middels een gemaal afgevoerd naar het gemaal van het bedrijventerrein GDC Zuid. Vanuit het bedrijventerrein wordt het afvalwater verpompt naar de het vrijvervalstelsel in de Schakel. Vanuit hier wordt het afvalwater getransporteerd naar de RWZI.
6.4.8
Boringsvrije zone
Het plangebied is tevens gelegen in een 'boringsvrije zone'. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een 'boringsvrije zone' strekt mede tot het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Het is niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijke spoor op te nemen omdat in de Provinciale milieuverordening (PMV) al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten. Van opname in het bestemmingsplan van de boringsvrije zone gaat dan ook vooral een signalerende functie uit.
6.5
Toekomstige situatie van het watersysteem
Door de realisatie van de nieuwe brug, een nieuwe aansluiting naar Tegenbosch en het crematorium vanaf de Anthony Fokkerweg dienen waterhuishoudkundige aanpassingen te worden gedaan. De aanpassingen bestaan uit: A. B. C. D. E. F.
Compensatie toename verhard oppervlak; Verlengen duiker ER41-KDU1; Verwijderen duiker ER40-KDU6 en aanleggen watergang; Dempen en uitbreiden waterberging GDC Zuid; Verleggen watergangen; Verleggen persleidingen.
6.5.1
Verharding
Aansluiting Tegenbosch Door de aanleg van de aansluiting Tegenbosch en het crematorium neemt de verharding met circa 2100 m2 toe.
80
vastgesteld Oirschotsedijk-A. Fokkerweg (Groene Corridor) Gemeente Eindhoven
Toename en afname verharding
Compensatie toename verhard oppervlak Om de toename van de verharding te compenseren wordt aan weerszijde van de aansluiting Tegenbosch een watergang aangelegd. Bij de aansluiting bij het crematorium wordt aan de noordzijde een watergang aangelegd/ verlegd. In totaal is de toename aan verharding circa 2.100 m2. Op basis van een compensatie opgave van 60 mm dient circa 126 m3 berging te worden gerealiseerd. In de watergangen wordt circa 0,5 m3 berging per strekkende meter watergang. De lengte van de watergangen aan weerszijde van de aansluiting Tegenbosch is circa 200 m. In deze watergangen kan dus circa 100 m3 berging worden gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de zuidzijde van de Anthony Fokkerweg tussen de weg Tegenbosch waterberging gerealiseerd. Het oppervlak van deze bergingen is circa 6500 m2. Met een bergende waterdiepte van 0,5 m boven de GHG en uitgaande dat de helft van deze waterberging netto kan worden benut (i.v.m. landschappelijke inpassing) wordt circa 1650 m3 waterberging gerealiseerd. De bestaande watergangen en de nieuw te realiseren watergangen en bergingen staan onderling met elkaar in verbinding. Het is niet zondermeer mogelijk om middels één of meerdere stuwen het water vast te houden in de sub gebieden.
Om eveneens het overschot aan berging als 'klimaatbuffer' te laten functioneren worden de watergangen en bergingen aangesloten op het bestaande regionale watersysteem en niet voorzien van een 'nieuwe' stuw. In de nadere uitwerking van het plan wordt dit in samenspraak met het Waterschap De Dommel afgestemd.
Anthony Fokkerweg Door de aanpassingen aan de Anthony Fokkerweg neemt het verhard oppervlak af. Dit is met name het gevolg van het vervallen van de aansluiting met de Oirschosedijk. Compensatie toename verhard oppervlak