CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20)

Raadsvergadering 10 september 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20)36.631 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Variant 1 vertoont de grootste verbetering ten opzichte van het maximale volume, maar kent nog steeds een kleine zone waar klasse D geldt. Door het toegepaste principe (uitsparing over de gehele breedte) verder te optimaliseren kan het gebied met klasse D verder gemitigeerd worden. Hierbij zou bijvoorbeeld een diepere uitsparing kunnen helpen. Daarnaast kan het verlagen van de uitsparing ten opzichte van het maaiveldniveau een bijdrage leveren in het verbeteren van het windklimaat. In het kader van een correcte planologische borging is in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting windhinder opgenomen. Bij de definitieve omgevingsvergunningaanvraag zal aangetoond moeten worden op welke wijze voldaan wordt aan het gemeentelijke beleid. Dat zou kunnen door het verder optimaliseren van variant 1 zoals onderzocht, maar ook andere oplossingen kunnen nog nader onderzocht worden (mits uitvoerbaar binnen de bouwregels). Het uitgevoerde onderzoek geeft in ieder geval voldoende zekerheid dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op het gebied van windhinder.

46

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

3.10.2

privaatrechtelijke belemmeringen

Uit jurisprudentie blijkt dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Hieraan kan slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is. Doorwerking plangebied Er zijn op dit moment geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen aanwezig. Ook worden er geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen voorzien die de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staan. 3.10.3

bezonning

Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Deze beleidsruimte heeft de gemeente Eindhoven ingevuld door in 2017 de 'beleidsregels voor bezonning woningen' vast te stellen. Volgens deze beleidsregels is ten aanzien van zonlicht in de woning onder andere het volgende bepaald: In de periode van 19 februari t/m 21 oktober moet minimaal 2 uur zonneschijn per dag aanwezig kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. In de gemeentelijke beleidsregels ten aanzien van zonlicht op het balkon is het volgende bepaald: In de periode van 21 maart t/m 21 september moet minimaal 2 uur zonlicht aanwezig kunnen zijn op enig punt op het balkon. Zonlicht op het balkon mag in de nieuwe situatie in tijdsduur niet meer dan 50% verminderen dan in de bestaande situatie. Doorwerking plangebied De dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van meer dan 220 meter, maar gezien de ligging van de woning ten zuiden van het te realiseren kantoorgebouw zal dit geen schaduwwerking met zich meebrengen. Er zijn in Nederland, noch in Eindhoven specifieke eisen gesteld aan beschaduwing van functies zoals kantoren.

Er is dan ook geen sprake van een vermindering van de bezonning.

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

47

48

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is met name 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.

Het gaat daarbij om: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen; Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit.

4.1.2

Conclusie

Voor de ontwikkeling van de Prof. Dr. Dorgelolaan 20 is een m.e.r. beoordeling uitgevoerd. De ontwikkeling overschrijdt de wettelijke drempelwaardes (zoals genoemd onder 11.2 onderdeel D) niet. Voor de ontwikkelingen van Prof. Dr. Dorgelolaan 20 kan dan ook volstaan worden met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In deze vormvrije m.e.r. beoordeling is tevens ingegaan op de vraag hoe de ontwikkeling van de Prof. Dr. Dorgelolaan 20 zich verhoudt met de volledige gebiedsontwikkeling Fellenoord. De gemeente Eindhoven heeft voor de gebiedsontwikkeling Fellenoord een cumulatienotitie opgesteld, deze notitie is als bijlage toegevoegd aan de vormvrije m.e.r. beoordeling (bijlage 18). Bek nopte conclusie vormvrije m.e.r. beoordeling Prof. Dr. Dorgelolaan 20 vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

49

De uitgevoerde onderzoeken (o.a. bodem, luchtkwaliteit, archeologie en cultuurhistorie, externe veiligheid) tonen aan dat het realiseren van een multifunctioneel kantoorgebouw voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie vanuit milieuoogpunt. Om een goed windhinderklimaat, een passende waterhuishouding, een passende groeninvulling en een correcte parkeeroplossing te borgen zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. Daarmee worden eventuele negatieve effecten voorkomen en gewenste positieve effecten planologisch vastgelegd. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en dat een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. Ten slotte is in de vormvrije m.e.r. beoordeling onderbouwd en geconcludeerd dat er geen sprake is van een (zodanige) financiële, organisatorische en/of bouwkundige samenhang met andere ontwikkelingen in de nabijheid dat deze moeten worden gezien als één stedelijke ontwikkeling in de zin van de m.e.r.-regelgeving.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.

bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; 50

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

4.2.2

Het plangebied

Het plangebied is gelegen in het bestaand stedelijk gebied van Eindhoven aan de Prof. Dr. Dorgelolaan 20. Het plangebied maakt onderdeel uit van Fellenoord. De gemeente Eindhoven zet voor Fellenoord in op de ontwikkeling van een gemengd gebied waar wonen en werken samenkomen in een duurzame en groene stedelijke omgeving. De mening van functies is daarmee onderdeel van de ruimtelijke keuzes van de gemeente Eindhoven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar de bestaande situatie. In de directe omgeving van het plangebied zijn allerlei verschillende functies gevestigd, zoals de Universiteit van Eindhoven, het spoor, woningen en kantoren. Gelet op deze diversiteit van functies is er hier sprake van een gemengd gebied, waardoor de oorspronkelijke richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verlaagd. Zoals gesteld zal deze conclusie ook na ontwikkeling van het gebied Fellenoord nog steeds van toepassing zijn. Voorliggend bestemmingsplan maakt een multifunctioneel kantoorgebouw mogelijk met hoofdzakelijk kantoren. Tevens zijn commerciële en publieksgerichte functies mogelijk in de stedelijke plint van het toekomstige gebouw. Alle binnen het gebouw beoogde functies vallen binnen milieucategorie 1. In een gemengd gebied bestaat er geen minimale afstand tussen gevoelige functies en bedrijvigheid binnen milieucategorie 1.

De afstand van het plangebied tot aan de dichtstbijzijnde bestaande woningen bedraagt meer dan 220 meter. Daarmee kan gesteld worden dat zowel in de bestaande als toekomstige situatie geen belemmeringen ontstaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen en de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

In het voorliggende bestemmingsplan worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

51

4.3.2

Plangebied

In de Wet geluidshinder worden kantoren niet aangemerkt als een geluidgevoelige bestemming. Een onderzoek naar de toekomstige geluidsbelasting op het kantorengebouw is dan ook niet noodzakelijk. In het kader van de Wet geluidhinder dient ook in kaart gebracht te worden of de toekomstige ontwikkeling mogelijk zelf geluidshinder veroorzaakt. Een kantoor valt niet binnen de categorie overlast gevende bestemmingen. Bovendien is het in de bestaande situatie ook mogelijk een kantoorpand te vestigen aan de Prof. Dr. Dorgelolaan 20. Geconcludeerd kan worden dat onderzoek naar het aspect geluid niet noodzakelijk is voor de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: 52

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Het bestemmingsplan omvat de realisatie van een multifunctioneel kantoorgebouw van maximaal 31.300 m2 BVO. De ontwikkeling van een kantoorgebouw van deze omvang valt in principe direct binnen één van de getalsmatige begrenzingen voor 'niet in betekende mate projecten'. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is toch aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 9. Voor een volledige onderbouwing van het uitgevoerde onderzoek wordt verwezen naar de bijlage, onderstaand volgen de resultaten en conclusies. Opgemerkt wordt dat de gebruikte verkeersgeneratiecijfers zijn afgeleid uit het mobiliteitsrapport van Goudappel (bijlage 5). Resultaten en conclusie vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

53

Tabel 3: Rekenresultaten beoordeling luchtkwaliteit Op basis van het opgesteld rekenmodel is bovenstaande tabel opgesteld. De tabel geeft een overzicht van de hoogst berekende immissies NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van het plan. Uit het onderzoek blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving ver onder de wettelijke norm liggen. Voorliggend bestemmingsplan draagt daar ten hoogste 0,1 ug/m3 aan bij. Hiermee is rekenkundig aangetoond dat de gevolgen van de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ kunnen worden aangemerkt. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er 54

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen. Voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan is een volledig onderzoek externe veiligheid uitgevoerd, dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 10. Inrichtingen Ten noorden van het bouwplan worden gevaarlijke stoffen opgeslagen op het TUe Science Park, ten zuiden van het bouwplan is het ProRail Emplacement Centrum aanwezig. Op beide locaties worden gevaarlijke stoffen opgeslagen waardoor een PR 10-6 risicocontour aanwezig is. Het bestemmingsplangebied en het beoogde bouwplan bevinden zich niet binnen deze plaatsgebonden risicocontouren. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Op basis van deze conclusie is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor de beide risicovolle inrichtingen niet benodigd. Wel dient bij de verantwoording van het groepsrisico hierop in te gaan. Transport Op ongeveer 40 meter ten zuiden van het bouwplan is de spoorweg van Eindhoven gelegen. Het betreffen verschillende routes, zoals omschreven in bijlage II van de Regeling Basisnet, te weten route 12 en route 110. Onderstaande tabel geeft het transport van gevaarlijke stoffen over dit spoortraject weer.

Tabel 4: vervoer gevaarlijke stoffen ten zuiden van het plangebied (bron: Stantec) Omdat het gebied rondom het plangebied de komende jaren sterk gaat veranderen (lees: ontwikkelvisie Fellenoord) heeft de gemeente een toekomstige basissituatie vastgelegd en verwerkt in het basisrekenmodel 'Bevmonitor Centrum 2023_TAC'. In het onderzoek wordt dus zekerheidshalve rekening gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in en rondom het plangebied. Voor de berekening van het groepsrisico en de verantwoording hiervan is ook de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de betreffende risicobronnen van belang. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om maximaal 31.200 m2 bvo te realiseren waarbij kantoren de overhand zullen hebben. Het uitgevoerde onderzoek gaat uit van een maximale invulling van 33.200 m2 bvo en is dus representatief voor voorliggend bestemmingsplan. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn kentallen gegeven voor het aantal aanwezigen voor verschillende functies, waaronder voor kantoren. Voor een kantoorfunctie is het volgende aangegeven: Dagperiode: 1 aanwezige per 30 m2 bvo, waarbij aangenomen is dat 14% buiten is. Nachtperiode: 0,21 aanwezige per 30 m2 bvo (= 21%), waarbij aangenomen is dat 1 % buiten is.

Het bestemmingsplan voor cluster 9B leidt tot een maximale populatie van 1.106,7 aanwezigen in de dagperiode en 232,4 aanwezigen in de nachtperiode. Door de twee scenario’s met elkaar te vergelijken is de invloed van de nieuwe ontwikkeling op het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

55

Uit de beoordeling van de rekenresultaten zijn de volgende conclusies te trekken: De oriëntatiewaarde (OW) wordt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg in zowel de autonome situatie als in de toekomstige situatie sterk overschreden. Het bestemmingsplan voor cluster 9B leidt niet tot een toename van het groepsrisico, tot een groepsrisico van 9,478 x OW voor zowel de autonome als voor de toekomstige situatie. De maatgevende kilometer (traject van 0 tot 999) verschuift niet. Het aantal dodelijke slachtoffers bedraagt voor de beide situaties 3.967 personen bij een ongeval frequentie van 1,2 x 10-9 per jaar. De kans dat er sprake is van een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers neemt niet toe door de ontwikkeling. De kans is en blijft 5,4 x 10-7. Plasbrandaandachtsgebied In de Regeling basisnet is aangegeven dat langs de spoorweg, ter hoogte van het bestemmingsplangebied, een plasbrandaandachtsgebied (PAG) aanwezig is. In het geldende bestemmingsplan is hiervoor een veiligheidszone opgenomen in de vorm van een gebiedsaanduiding. Een PAG is het gebied tot 30 meter van de spoorweg waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Het PAG geldt aan weerszijden van de spoorbaan en wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Het bouwvlak bevindt zich niet in het PAG.

De ondergrondse parkeergarage bevindt zich wel binnen het PAG, maar vormt geen belemmering. Het PAG levert dan ook geen (bouw)beperkingen op voor de realisatie van het bouwplan. Voor een correcte planologische vertaling van het PAG is de bestaande veiligheidscontour overgenomen en behouden in voorliggend bestemmingsplan. Buisleidingen Buisleidingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan.

4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor van Eindhoven. Zowel op basis van het gemeentelijke beleid als de wettelijke normen dient onderzoek naar externe veiligheid plaats te vinden. Onderhavige paragraaf en bijlage 10 voorzien in deze onderzoeksplicht en verantwoording. 4.5.3

Groepsverantwoording

Bij het vaststellen van het bestemmingsplan door de gemeenteraad dient het groepsrisico te worden verantwoord. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het belang van een ruimtelijke ontwikkeling en het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Voor de verantwoording dient de Veiligheidsregio de gelegenheid gesteld te worden een advies uit te brengen. Het groepsrisico moet verantwoord worden conform artikel 13 van het Bevi in geval van inrichtingen, artikel 8 van het Bevt in geval van transportroutes en artikel 12 van het Bevb in geval van buisleidingen. Mogelijke rampscenario's 56

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

In de omgeving van het bouwplan worden zowel brandbare als toxische stoffen vervoerd en/of opgeslagen. Hierna zijn de rampenscenario’s voor beide stofsoorten beschreven. Brandbaar scenario Het maatgevende scenario op de spoorweg voor brandbare stoffen is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankwagon. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal en een drukgolf met daarna warmtestraling. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. De optredende warmtestraling bij een warme BLEVE is tot een afstand van 140 meter een hittestraling van meer dan 110 kW/m 2 voelbaar. Het volledige bouwplan van Gebouw 9B ligt binnen deze afstand. De drukgolf zal ter hoogte van het bouwplan 0,17 tot 0,35 bar zijn. Dit leidt tot beschadiging aan daken, ernstige beschadigingen aan draagconstructies, ontzette muren en scheuren in gevels. Om deze reden wordt geadviseerd om het glasoppervlak aan de spoorzijde te beperken en te voorzien van drukbestendig glas. Zo kan voorkomen worden dat in geval van een drukgolf of hitte, personen gewond raken door rondvliegend glas. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tankwagon bezwijkt door een mechanische oorzaak.

Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de tankwagon. Het invloedsgebied van een dergelijk incident reikt tot 460 meter vanuit het hart van de spoorweg. Toxisch scenario Voor toxische stoffen is een toxisch scenario maatgevend. Door een incident op de transportroute met een tank met toxische stoffen scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische stoffen lekken in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Bij toxische gassen komen als gevolg van een brand toxische dampen direct vrij. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De nieuwe functie en beoogde bebouwing zijn niet specifiek bedoeld voor minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Het bouwplan wordt goed ontsloten door de Prof. Dr. Dorgelolaan om zo bij een dreigende situatie eenvoudig van het incident af te kunnen ontvluchten.

Daarnaast kan bij een incident op het spoor of op het ProRail Emplacement Centrum ook via het terrein van de TU/e Science Park van een incident af worden gevlucht. Bij een eventueel incident op het TU/e Science Park kan ook via een nabijgelegen onderdoorgang van het spoor worden gevlucht. Bleve Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. Wanneer een incident optreedt is het beste advies om te schuilen totdat de BLEVE heeft plaatsgevonden. Daarna verdient het aanbeveling om te vluchten in verband met secundaire branden. Bij het optreden van een BLEVE is naast een enorme hittebelasting ook een tijdelijke overdruk aanwezig. Een dergelijke overdruk kan leiden tot schade aan bebouwing. Toxisch scenario vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

57

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk overlijden is afhankelijk van de dosis waaraan de persoon is blootgesteld, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident met toxische stoffen is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Geadviseerd wordt om de ventilatievoorziening in het nog nader uit te werken bouwplan afsluitbaar uit te voeren. Is schuilen niet mogelijk, dan kan ervoor worden gekozen om te vluchten. Zoals eerder aangegeven is het bouwplan goed te ontvluchten bij een dreigende situatie. Mogelijke maatregelen ter vergroting zelfredzaamheid Naast het advies van de veiligheidsregio (volgende paragraaf) is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Bovendien is alarmering via de telefonische dienst NL-Alert mogelijk. Daarnaast draagt ook de bestrijdbaarheid van een eventueel rampscenario bij aan het minimaliseren van slachtoffers. In bijlage 10 wordt nader beschreven aan welke voorwaarden voldaan moet worden om een goede rampenbestrijding mogelijk te maken.

Advies Veiligheidsregio Door de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost is voor dit plan een advies uitgebracht. De adviesbrief is toegevoegd aan het rapport in bijlage 10. Om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid te vergroten wordt het volgende advies gegeven: Het glasoppervlak aan de risicobronzijde beperken en te voorzien van een drukbestendig glastype. De vluchtwegen/(nood)uitgangen eveneens aan de risicobronzijde beperken. Om erop aan te sturen dat het uitschakelen van de ventilatie wordt gedaan door de gebouwbeheerder en anders een vervanger. Opnemen in de regels van de ruimtelijke procedure dat het bedrijf een handelingsperspectief voor het personeel op moeten stellen ingeval een incident met gevaarlijke stoffen zich voordoet. Neem contact op met de afdeling Planvorming van de Veiligheidsregio om de bluswatervoorziening in de spoorzone in te richten, aangezien deze op dit moment langs het spoor onvoldoende is. Met betrekking tot het bestrijden van een incident is voor het bouwplan de opkomsttijd van een tankautospuit ongeveer 7 minuten. Deze opkomsttijd voldoet aan het gestelde hieromtrent. 4.5.4

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan en de realisatie van het beoogde bouwplan.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 58

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. Daarnaast zijn er ook kansen voor bodemenergie vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

59

en de aanleg van een warmtenet. De gemeente Eindhoven heeft hiervoor het Masterplan 'Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven' opgesteld. Het Masterplan Bodemenergie dient in samenhang te worden beschouwd met de Warmtevisie 2020, de Transitievisie Warmte en de Energievisie centrumgebied Eindhoven.

2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam 60

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

61

met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.1

Planbeschrijving

De ontwikkeling van cluster 9B valt binnen de ontwikkeling het gebied Fellenoord. De gemeente streeft naar een duurzaam en klimaatadaptief stationsgebied gereed voor de toekomst. De Dommelvallei krijgt daarin een belangrijke positie als ecologische en recreatieve verbinding en om het gehele gebied klimaatadaptief te maken. Cluster 9 als geheel krijg een belangrijke functie met het vergroten van de bestaande groenkwaliteiten, alsmede de mogelijkheden om water beter op te vangen en vast te kunnen houden. In hoofdstuk 5 wordt nog nader ingegaan op de waterhuishouding en klimaatadaptatie binnen het plangebied. Op gebouw niveau wordt ook gestreefd naar een volledig energieneutraal en zelfvoorzienend gebouw.

4.7

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Zowel in de bestaande als toekomstige situatie is er geen sprake van een gevoelige functie (bijv. wonen) binnen het plangebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel onderzoek gedaan naar de bestaande bodemkwaliteit binnen het plangebied. De uitgevoerde onderzoeken omvatten tevens een onderzoek naar mogelijk asbest in de bodem. De uitgevoerde bodemonderzoeken zijn toegevoegd als bijlagen 11 en 12. 4.7.1

Plangebied

De uitgevoerde bodemonderzoeken aan de Prof. Dr. Dorgelolaan 20 (cluster 9B) zijn van 2019. De onderzoeken zijn daarmee voldoende actueel in het kader van voorliggend bestemmingsplan. Uit de bodemonderzoeken blijkt dat de bodem licht verontreinigd is. De grond is onderzocht tot 2 meter min maaiveld. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van asbest. De bodemkwaliteit is geschikt voor de bestaande en toekomstige kantoorfunctie. Na sloop van de huidige bebouwing zal er (in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning) ter plaatse van het gesloopte gebouw aanvullend bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Tevens dient voor de nieuwbouw de grond op het hele perceel te worden onderzocht tot 5,5 meter min maaiveld (de bodemkwaliteit moet onderzocht worden tot 0,5 meter beneden bouwdiepte). Indien sprake is van de afvoer van grond is ook het uitvoeren van een PFAS onderzoek noodzakelijk. Het plangebied ligt in het beheergebied van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-centrum (GGB). Binnen het beheergebied van het GGB gelden speciale regels wat betreft het onttrekken of gebruiken van het grondwater (Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum). De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

62

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

4.8

Natuur

4.8.1

Algemeen

De bescherming van de natuur is in Nederland geregeld via specifieke groene wet- en regelgeving en via het bestemmingsplan. De groene wetten omvatten de Wet natuurbescherming (soortbescherming, gebiedsbescherming en bescherming houtopstanden) en de Gemeentelijk verordening (kapvergunning bomen). In specifieke gevallen is ook de Wet ammoniak en veehouderij (verzuringsgevoelige natuurgebieden) en de Natuurschoonwet (natuur op landgoederen) aan de orde. In een bestemmingsplan zijn de bestaande en nieuwe natuurbestemmingen en gebruiksbeperkingen ruimtelijk vastgelegd (Natuur Netwerk Nederland, specifieke landschappelijke en natuurwaarden). Dit betreft de planologische doorwerking van de provinciale Interim omgevingsverordening, waarin ook aspecten met betrekking tot de landschappelijke kwaliteit en de natuurcompensatie zijn neergelegd. 4.8.2

Gebiedsbescherming

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Negatieve effecten (geluid, licht, hinder, trillingen) kunnen op basis van de afstand en de tussenliggende gronden uitgesloten worden. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties te kunnen vaststellen, is een stikstofberekening nodig. De uitgevoerde stikstofberekening is opgenomen in bijlage 13. Op basis van de uitgevoerde berekening blijkt zowel in de bouw- als gebruikfase geen sprake van significante stikstofdepositie, in beide berekening blijkt de maximale depositie toename 0.00 mol/ha/jaar. Opgemerkt wordt dat de gebruikte verkeersgeneratiecijfers (voor berekening van de gebruiksfase) zijn afgeleid uit het mobiliteitsrapport van Goudappel (bijlage 5). Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. 4.8.3

Soortenbescherming

In het kader van de soortenbescherming is een Quickscan flora & fauna uitgevoerd. De Quickscan is toegevoegd als bijlage 14. Het onderzoek is hoofdzakelijk opgesteld voor de noodzakelijke sloop van het bestaande gebouw. Voor het openbaar gebied wordt gedurende het bestemmingsplantraject en de navolgende herinrichting van het openbare gebied in samenwerking met Copijn Landschapsarchitecten gekeken naar de bestaande en gewenste flora & fauna. Op basis van de uitgevoerde Quickscan bleek dat de bestaande bebouwing op de Prof. Dr. Dorgelolaan 20 mogelijk geschikt zou kunnen zijn als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Overige diersoorten maken in ieder geval geen gebruik van de bestaande bebouwing. Het aanvullende vleermuizenonderzoek is in navolging van de Quickscan uitgevoerd. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 15. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bebouwing op de planlocatie geen functie heeft voor vleermuizen als vaste rust- en verblijfplaats. De beoogde ingreep (sloop) leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen is niet noodzakelijk.

Na afronding van het onderzoek zijn de aanwezige opening in de gevels (welke reden gaven tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek) afgedicht. Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

63

andere soorten op de planlocatie. Er zijn geen nesten van vogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied. Overige soorten in en rondom het plangebied Aanvullend is geadviseerd dat bij toekomstige werkzaamheden in de bestaande bosschages mogelijke nest- en rustplaatsen van kleine vogelsoorten, marterachtigen en amfibieën verstoord kunnen worden. Bij de toekomstige werkzaamheden in-en rondom deze gebieden kan aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn en dient de omvang van de ingreep verder geconcretiseerd en uitgewerkt te worden. Eénzelfde conclusie geldt ook voor een aantal bestaande bomen parallel aan de Prof. Dr. Dorgelolaan. Afhankelijk van de keuzes rondom de ontsluiting kan op een later moment nogmaals beoordeeld worden in hoeverre ecologische waarden geraakt worden. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure en de navolgende omgevingsvergunningaanvraag wordt de planvorming ecologisch begeleid. Omdat voorliggend bestemmingsplan ter plaatse van deze gebieden geen nieuwe bebouwing mogelijk maakt en de groenbestemming gehandhaafd blijft, is geen sprake van een belemmering.

4.9

Trillingen

Het plangebied en het toekomstige gebouw liggen nabij het spoor en het emplacement. De afstand tussen het spoor bedraagt ca. 25/30 meter. Omdat de in het beoogde nieuwe gebouw dichtbij het spoor en het emplacement is gepland kan trillinghinder voor de toekomstige gebruikers ontstaan als gevolg van treinverkeer. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder kan onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsmede een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming wenselijk zijn. ProRail heeft in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro, zie ook paragraaf 9.2) verzocht om een onderzoek naar trillinghinder uit te voeren conform de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Deze Handreiking helpt om bij nieuwbouw langs spoor tijdig en concreet rekening te houden met trillingen als gevolg van treinverkeer, en geeft voorbeelden waarmee de initiatiefnemer en eindgebruiker aan de slag kunnen. In deze Handreiking is beschreven op welke wijze gemeenten het aspect trillinghinder kunnen onderzoeken en afwegen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Door adviesbureaus Alcedo en WeBoost is een onderzoek naar mogelijke trillinghinder uitgevoerd. In dit onderzoek is met behulp van metingen op de bouwlocatie en modelberekeningen onderzocht wat de trillingen zullen zijn in de toekomstige bebouwing.

Hierbij is de aanpak zoals voorgeschreven in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gevolgd. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 16. Doel van het uitgevoerde onderzoek is om vast te stellen of er sprake zal zijn van trillinghinder in het geplande gebouw, en zo ja, of er maatregelen mogelijk zijn om een aanvaardbaar verblijfsklimaat te kunnen garanderen. Er wordt gesproken van een aanvaardbaar verblijfsklimaat wanneer voldaan kan worden aan de streefwaarden uit deel B van de SBR B-richtlijn “Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze streefwaarden zijn voorkeurswaarden, waarbij het streven moet zijn om de trillingen in de beoogde bebouwing te laten voldoen aan deze waarden. Conclusie De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat er overschrijdingen van de streefwaarden voor trillingshinder mogelijk zijn in het gebouw, maar dat de mate sterk afhankelijk is van de constructieve uitwerking. In het rapport zijn enkele adviezen gegeven op welke wijze voldaan zou kunnen worden aan de streefwaarden. Daarmee is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in voldoende mate aangetoond.

Het is niet verplicht deze adviezen ook daadwerkelijk op te volgen, het is aan de eindgebruiker om bij aanvraag omgevingsvergunning aan te tonen op welke wijze voldaan kan worden aan deel B van de SBR B-richtlijn “Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". In artikel 4.2.4 64

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

van de regels is dit middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Concrete maatregelen zijn overigens niet vastgelegd in de regels.

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

65

66

vastgesteld I Tongelre binnen de Ring 2020 (Prof. Dr. Dorgelolaan 20) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14271411/1