CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) 20-2-2024

Raadsvergadering 7 mei 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan)31.915 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur 4.1 Cumulatieve Ke-contouren luchthaven Eindhoven zoals opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor dioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een 52

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

53

snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Voor het planvoornemen is een toetsing uitgevoerd (bijlage 8). Het plan omvat de aanleg van maximaal 400 woningen. Dit past binnen de getalsmatige begrenzing voor “niet in betekende mate”projecten. Uit een berekening met de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer niet “in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Conclusie Aangezien het plan niet meer dan 400 nieuwe woningen omvat, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een “in betekende mate“ project zodat de realisatie van het plan niet zal leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Er is dan ook sprake van een goede ruimtelijk ordening.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; 54

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen. Inrichtingen Risicovolle inrichtingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan. Er zijn geen risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied gelegen. Transport Transportroutes waarover risicovolle stoffen vervoerd worden vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan. Er zijn geen transportroutes waarover risicovolle stoffen vervoerd worden in of nabij het gebied gelegen. Buisleidingen Buisleidingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan. Er zijn geen buisleidingen in of nabij het gebied gelegen. 4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. In de Visie Externe Veiligheid is de omgeving van het gebied aangewezen als woonwijk waar geen risicovolle activiteiten plaatsvinden. 4.5.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen voor onderhavig plan.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. De gemeente Eindhoven zet in op: CO2 reductie 1. Aardgasloze verwarming 2. Duurzame mobiliteit 3. Warmte- en energiebesparing 4. Duurzame energie opwekking Circulaire economie 1. Duurzame materialen 2. Geen afval 3. Flexibel en demontabel bouwen 4. Deeleconomie/as a service concepten Natuur 1. Biodiversiteit 2. Oppervlakte groen Sociale basisbehoeften 1. Klimaatadaptatie 2. Gezonde verstedelijking vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

55

3. Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen 4. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) 4.6.1

NL Greenlabel

Het NL Greenlabel is een duurzaamheidscertificaat voor gebiedsontwikkelingen. Onafhankelijke experts en assessoren toetsen plannen door te kijken naar welke positieve ontwikkeling een plan maakt. Het is dus van belang dat wordt gekeken naar de bestaande waarde en hiermee een vertrekpunt wordt bepaald, om vervolgens een verbeterde eindsituatie achter te laten. Het NL Greenlabel hanteert een zevental thema's waarop punten gescoord kunnen worden. Afhankelijk van het behaald aantal punten voor de ontwikkeling van een gebied wordt een duurzaamheidsscore vergeven. Hierbij is A de hoogste haalbare score en G het laagst haalbare. De ambitie is om met de gebiedsontwikkeling uit het voorliggende plan een duurzaamheidsscore B te behalen. Om deze ambitie te kunnen verwezenlijk is Heijmans een samenwerking met NL Greenlabel gestart. De thema's die bij het NL Greenlabel worden gehanteerd sluiten aan bij de duurzaamheidsdoelen (Sustainable Development Goals, SDG's) waar Nederland zich aan heeft gecommitteerd. Onderstaand zijn de thema's waarop getoetst wordt weergegeven. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Ontwerp, realisatie en beheer Producten en materialisatie Energie en klimaatbestendigheid Bodem en water Biodiversiteit en landschappelijke waarden Relatie mens en omgeving Borging en beleid

Het NL Greenlabel moet gezien worden als een dynamisch proces en vraagt om betrokkenheid en toewijding van alle stakeholders. Daarbij is het essentieel dat aan de voorkant de uitgangspunten om te komen tot een duurzame leefomgeving gezamenlijk worden geformuleerd. Dit omvat onder andere onderzoeken naar de bestaande situatie, maar ook bij het contracteren van opdrachtnemers en formuleren van ontwerpuitgangspunten. 4.6.2

Planbeschrijving

Het plan Humperdincklaan kent hoge ambities als het gaat om duurzaamheid. Er wordt met het plan gestreefd naar minimaal duurzaamheidsscore B volgens het NL Greenlabel, dit uit zich o.a. in het volgende: CO2 reductie 1. Er wordt op een duurzame methode verwarmd middels een warmte- en koudeopslag; 2. Er komen deelauto's beschikbaar voor bewoners (zie ook 3.7); 3. Het plan is gelegen nabij hoogwaardige OV-verbindingen. Circulaire economie 1. Er wordt zoveel mogelijk afval beperkt bij de sloop, het bouwrijp maken en de bouw door middel van een grondstromenplan en selectief ontgraven; 2. Indien mogelijk wordt gebruik gemaakt van duurzame (bouw)materialen. Natuur 1. De groene buitenruimte wordt ingericht met oog voor biodiversiteit, daarbij wordt ingezet op inheemse soorten en/of aanwezige bodemkwaliteiten; 2. Bestaand groen wordt zoveel mogelijk ingepast in de plannen; 3. Er wordt geheel natuurvriendelijk gebouwd; 4. Daken en gevels worden waar mogelijk groen/blauw. Sociale basisbehoeften 1. De buitenruimte wordt ingericht op ontmoeten en bewegen; 2. De buurt wordt betrokken bij de inrichting.

56

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

4.7

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In dit kader is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de planlocatie aan de Humperdincklaan te Eindhoven (bijlage 9). Op de gehele onderzoekslocatie zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond in de grond (zware metalen, PAK en PCB). In het grondwater zijn eveneens maximaal lichtverhoogde concentraties gemeten (barium en nikkel). Ter plaatse van het uitgevoerde asbestonderzoek van deellocatie 1.2 (ter plaatse van opstallen) is geen asbest aangetoond. Voor PFAS geldt over het algemeen de hergebruiksklasse Landbouw/Natuur. Enkel ter plaatse van deellocatie 4 is plaatselijk de bovengrond geclassificeerd als Wonen/Industrie. Op basis van het huidige onderzoek is de bodem op de locatie maximaal licht verontreinigd. Deze verontreinigingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en navolgende herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Na sloopwerkzaamheden van de internationale school dient aanvullend een verkennend bodem- en asbestonderzoek te worden uitgevoerd.

Aanbevolen wordt om geen infiltratievoorziening toe te passen in de bodemlagen ter hoogte van de GHG (circa 0,5 m-mv) vanwege de beperkte doorlatendheid van deze bodemlagen. In de diepere ondergrond, beneden de grondwaterstand (circa 1,5 tot 2,5 m-mv), zijn wel mogelijkheden voor de infiltratie van hemelwater met behulp van een infiltratievoorziening.

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2023 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.8.1

Soortenbescherming

Uit het soortgericht onderzoek en de in januari 2021 opgestelde natuurtoets door Arcadis (bijlage 10) volgt dat binnen het plangebied de volgende gericht onderzochte beschermde soort(groep)en zijn aangetroffen: Steenmarter – een actueel in gebruik zijnde leefgebied, rustplaats van minder dan drie jaar oud. Gewone dwergvleermuis – foerageergebied en vliegroute (niet essentieel leefgebied door de aanwezigheid van een binnenstedelijk netwerk aan bebouwing en (laan)beplanting die een structuur aan alternatieve verbindingen vormt). Laatvlieger – vliegroute (niet essentiële vliegroute door de aanwezigheid van een binnenstedelijk netwerk aan bebouwing en (laan)beplanting die een structuur aan alternatieve verbindingen vormt). De volgende soorten kunnen in het plangebied, gezien hun wijde verspreiding, veelvuldig voorkomen en geschikt habitat in het plangebied niet worden uitgesloten: Algemene grondgebonden zoogdieren als egel, mol, huismuis etc. Algemeen voorkomende broedvogels zonder jaarrond beschermd nest (koolmees, zwarte kraai, houtduif, merel, heggenmus, roodborstje etc.). Steenmarter Het plangebied is onderdeel van functioneel leefgebied van de steenmarter en er bevindt zich vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

57

een rustplaats binnen het plangebied. De steenmarter is een beschermde soort. De rustplaats is beschermd, behalve als deze aantoonbaar minimaal drie jaar niet in gebruik is geweest. De aangetroffen rustplaats is niet ouder dan drie jaar en daardoor beschermd onder de Wnb. De rustplaats maakt ook deel uit van functioneel leefgebied voor de soort. Verlies van deze beschermde (incidenteel gebruikte) rustplaats zorgt voor een overtreding van de Wnb. Het leefgebied kan niet als essentieel worden bestempeld door het uitgevoerde onderzoek. Aan de hand van de waarnemingen (regelmatige vastlegging van volwassen en jonge individuen in het gebied) is wel te concluderen dat het leefgebied actief gebruikt wordt. Verlies van dit leefgebied, als gevolg van de gebiedsontwikkeling, heeft betrekking op een actueel in gebruik zijnde onderdeel van het leefgebied van de steenmarter. Verwacht wordt dat de werkzaamheden een negatief effect zullen hebben op de aanwezige individuen. Verlies van het leefgebied kan ook leiden tot een aantasting van rustplaatsen buiten het plangebied. Vleermuizen Door de aanwezigheid van voldoende alternatieven in de nabije omgeving van het plangebied is bepaald dat het hier gaat om niet-essentieel foerageergebied.

Door de beperkte aantallen vleermuizen op de routes en de aanwezigheid van diverse alternatieve geleidende structuren rondom het plangebied geldt dit ook voor aanwezige vliegroutes. In combinatie met de ambitie tot behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke groene structuur binnen het plangebied, die aansluiting zal vinden bij de ruimtelijke en groene structuren in de omgeving van het plangebied, zal de ingreep niet leiden tot negatieve effecten op de lokale populaties en daarmee niet leiden tot overtreding van verbodsbepalingen door indirecte aantasting van verblijfsfunctionaliteit. De afwezigheid van verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële verblijfplaatsen zorgt ervoor dat de verbodsbepalingen van lid 1 tot en met lid 4 van art. 3.5 niet overtreden zullen worden. Lid 5 is voor vleermuizen niet aan de orde. Algemeen voorkomende zoogdieren, amfibieën en broedvogels Het verwijderen van vegetatie en mogelijk ook de sloophandelingen en het bouwrijp maken kan negatieve effecten hebben op algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdieren en algemene broedvogels. De staat van instandhouding van deze soorten komt hierdoor niet in het geding bij het uitvoeren van de werkzaamheden mits rekening wordt gehouden met de zorgplicht.

Tevens dient rekening gehouden te worden met het vogelbroedseizoen om zodoende overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat zich in het te slopen gebouw aan de Humperdincklaan een rustplaats van de steenmarter bevindt en dat het plangebied onderdeel is van het functioneel leefgebied van deze soort. De beoogde ontwikkeling aan de Humperdincklaan heeft, door de sloop van het gebouw en het verwijderen van vegetatie, mogelijk effect op de aanwezige functies voor steenmarter. Om deze reden is het noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen voor overtreding van verbodsbepalingen. Nader onderzoek naar mogelijke en noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen en de manier waarop deze al dan niet moeten worden toegepast dient ter aanvulling op de natuurtoets uitgevoerd te worden. De natuurtoets, in combinatie met het nader onderzoek naar mogelijk mitigerende en/of compenserende maatregelen zullen dienen ter onderbouwing voor de aanvraag van een ontheffing Wet natuurbescherming. Door middel van een omgevingscheck is onderzocht waar binnen het mogelijk primaire leefgebied van de steenmarter geschikt leefgebied (verblijfplaats en foerageergebied) aanwezig is (bijlage 11). Een deel van de aangewezen potentiële verblijfplaatsen is door de huidige functie als ongeschikt bestempeld.

Op basis van huidige leegstand en dekkingsmogelijkheden (voornamelijk door opgaand groen) zijn ook een aantal locaties als geschikt bestempeld. Gelet op het geringe aanbod aan verblijfsmogelijkheden in de omgeving van de planlocatie dienen conform Wnb alternatieve verblijfsvoorzieningen aangeboden te worden. Bij een aantal van de geschikte locaties zijn mogelijkheden aanwezig voor het realiseren van alternatieve 58

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

verblijfsvoorzieningen. Hierbij wordt de mitigatietaakstelling van twee verblijfsvoorzieningen per verloren verblijfplaats gehanteerd (voor dit project zullen dus twee verblijfsvoorzieningen gerealiseerd moeten worden). Het heeft de voorkeur om een combinatie van verblijfsvoorzieningen aan te bieden om kans op acceptatie te vergroten: de focus ligt daarom op een marterhoop én een steenmarterkast. Ook heeft het de voorkeur om de verblijfsvoorzieningen zo dicht mogelijk bij het plangebied te realiseren. De realisatie van de verblijfsvoorzieningen dient door middel van fotomateriaal te worden vastgelegd. Bij de aanleg van de marterhopen moet dit in stappen worden vastgelegd zodat de verblijfsconstructie aan de binnenkant goed in beeld is gebracht. Bij een eventuele controle kan bevoegd gezag dan oordelen of de verblijfsvoorzieningen correct zijn gerealiseerd. Indien de verblijfsvoorzieningen gerealiseerd zijn, zijn aanvullende stappen met betrekking tot het aanbieden van alternatieve verblijfsvoorzieningen voor steenmarter, niet aan de orde. Hiermee wordt voldaan aan de inspanning conform Wnb. In bijlage 12 en bijlage 13 van deze toelichting staan de locaties en de te treffen maatregelen nader beschreven. 4.8.2

Gebiedsbescherming

Voor het planvoornemen zijn stikstofberekkeningen uitgevoerd (bijlage 14). Op basis van de Aerius berekeningen op basis van rekenjaar 2022 voor het gebruik met woon-werk verkeer is de uitkomst dat er 0,00 mol depositie optreedt zonder gebruik te maken van de referentiesituatie. Op basis van de Aerius berekeningen op basis van rekenjaar 2022 voor de bouwfase is de uitkomst dat er 0,00 mol depositie optreedt met gebruik maken van de referentiesituatie, er is zelfs sprake van een afname in stikstofdepositie. In de gebruiksfase is er geen depositie in rekenjaar 2022, dit zal voor elk ander rekenjaar na 2022 niet wijzigen. De emissies van verkeer neemt in de loop van de jaren af door het steeds schoner en emissie loos worden van de Nederlandse voertuigen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op circa 4,1 km waarmee vaststaat dat Natura 2000gebieden op een grotere afstanden 5 km geen negatieve effecten zullen ondervinden van de ontwikkeling door de verkeer aantrekkende werking. Op basis van vaste jurisprudentie van de Raad van State en Aerius Calculator berekeningen is de conclusie dat het plan gerealiseerd en gebruikt kan worden zonder toestemming Wet Natuurbescherming.

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

59

60

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2022 - 2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

61

5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2022 - 2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

62

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

63

5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap. 5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur.

In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem.

Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende 64

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026 Het Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het WKA 2023-2026 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het WKA is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken.

Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de waterklimaatopgave. 5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Eindhovense klimaattoets

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan. 5.3.1

Klimaatadaptiebeleid

In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

65

voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm. 5.3.2

Waterbergingsnorm

5.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is. Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing.

Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/. 5.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.

In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief handelen. De datum van indiening van de omgevingsvergunning is leidend. 66

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

5.3.2.3 Stimulans klimaatadaptatiebeleid De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel. Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein. 5.3.3

Toelichting rekentool

De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend. 5.3.3.1 Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden.

Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.

5.4

Beschrijving watersysteem plangebied

Voor het plangebied is een watertoets opgesteld (bijlage 15). Maaiveldhoogten

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

67

Op basis van de AHN3 is de hoogte van het bestaande maaiveld bepaald. De maaiveldhoogte bevindt zich op circa NAP +17,40 m. De maaiveldhoogte varieert van NAP +17,28 m in het zuiden tot NAP +17,73 m in het noorden. De weghoogte van de Karel de Grootelaan (noord-westelijk ten opzichte van de locatie) bedraagt circa NAP +17,50 m. De Humperdincklaan (zuidoostelijk ten opzichte van de locatie) ligt op circa NAP +17,40 m. Bodemopbouw In tabel 5-1 is de globale bodemopbouw op de onderzoekslocatie weergegeven. Hieruit blijkt de bodem tot de verkende boordiepte voornamelijk te bestaan uit fijn, zwak tot sterk siltig zand. Op een diepte vanaf circa 2,35 m-mv is een kleilaag aangetroffen.

Tabel 5-1. Af geleide globale bodemopbouw

Grondwaterstand Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is een grondwaterstand in het boorgat waargenomen van ongeveer 0,8 à 1,0 m -mv. Dit betreft een momentopname. In het opgeboorde materiaal zijn ter hoogte van 0,5 à 0,8 m -mv hydromorfe kenmerken (zoals roest) waargenomen. Dit duidt erop dat de hoogste grondwaterstand zich ongeveer op dit niveau bevindt. Binnen het plangebied worden de grondwaterstanden gemonitord. Geadviseerd wordt de meetreeksen te analyseren en de GHG nauwkeuriger in te schatten als input voor de verdere uitwerking van het gebied. Doorlatendheid De resultaten van de doorlatendheidsmetingen zijn in tabel 5-2 weergegeven.

Tabel 5-2. Resultaten doorlatendheidsmetingen (m/dag)

Zoals tabel 5-2 weergegeven, varieert de doorlatendheid op de onderzoekslocatie van 1,3 tot 5,4 m/dag. Ondanks de relatief 'goede’ doorlatendheid in de diepere zone, zijn vanwege de hoge grondwaterstand de mogelijkheden beperkt voor het infiltreren van hemelwater. De sterk siltige zeer fijne zandlaag van circa 0,45 tot 1,5 m -mv biedt zeer beperkte mogelijkheden voor de infiltratie van hemelwater. De matig fijn en matig siltige bodemlaag daaronder tot circa 2,5 m -mv biedt meer mogelijkheden voor het infiltreren van hemelwater. Daarnaast bevindt zich op circa 2,5 m -mv een kleilaag die zeer slechte mogelijkheden biedt voor het infiltreren van hemelwater. Indien het hemelwater met behulp van een infiltratievoorziening infiltreert in de bodemlaag boven de leemlaag, kan het hemelwater op de leemlaag stagneren en daardoor wateroverlast veroorzaken. Aanbevolen wordt om geen infiltratievoorziening toe te passen in 68

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

de bodemlagen ter hoogte van de GHG (circa 0,5 m-mv) vanwege de beperkte doorlatendheid van deze bodemlagen. In de diepere ondergrond, beneden de grondwaterstand (circa 1,5 tot 2,5 m-mv), zijn wel mogelijkheden voor de infiltratie van hemelwater met behulp van een infiltratievoorziening. Watersysteem In het plangebied en de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Het gebied watert af naar het gemeentelijk rioolstelsel.

5.5

Toekomstige situatie van het watersysteem

5.5.1

Verharding

De stedenbouwkundige schets (VOSP) gaat uit van realisatie van woningbouw in mix van sociale woningbouw en vrije sector woningen. Binnen het plan wordt voorzien in woningen, parkeergelegenheid en ontsluiting naar bestaande infrastructuur. Parkeren voor bewoners en bezoekers vindt deels plaats in een gebouwde parkeervoorziening ter plaatse van de bebouwing en deels buiten de gebouwen. De verwerking van hemelwater wordt geheel binnen de ontwikkeling gerealiseerd met mogelijkheid tot noodafvoer naar het gemeentelijk watersysteem. Vuilwater wordt separaat afgevoerd naar de bestaande gemeentelijke vuilwaterriolering. De bestaande panden op het perceel worden gesloopt. Daarvoor in de plaats komen gestapelde appartementen en grondgebonden woningen inclusief infrastructuur en groen. Uitgangspunt is een klimaat adaptieve ontwikkeling. Voornaamste aspecten hiervoor zijn het voorkomen van hittestress en droogte, verbetering van de luchtkwaliteit en biodiversiteit. Tevens wordt de buitenruimte multifunctioneel gebruikt waarbij het hemelwater volledig afgekoppeld wordt tot de waterbergingsnorm voor dit gebied. De wateropgave dient binnen de contour van groene ruimtes (collectief / privé) worden gerealiseerd. Aan de hand van de ontwerpschets en de voormalige situatie is een inschatting van de toekomstige verharding opgenomen.

Tabel 5-3. Globale balans areaal v erhard en onv erhard

Uit tabel 5-3 blijkt dat in de toekomstige situatie netto 1.840 m2 verharding afneemt, hiervoor komt groen in de plaats. Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen in Eindhoven is klimaatadaptief bouwen, Dit betekent dat voor de nieuwe verhardingen in principe 60 mm berging gerealiseerd moet worden. Afhankelijk van de locatie, inrichting en oplossingsrichtingen wordt de uiteindelijke opgave bepaald binnen het Eindhovens klimaatbeleid. Omdat de ontwikkeling zich in een groenarme buurt bevindt geldt hier de bonus/malus regel; bonus is van toepassing op de hoeveelheid groen binnen het plan. Hoe meer groen, hoe lager de rekenbui. Bijvoorbeeld bij meer dan 50% groen wordt een rekenbui á 30 mm gehanteerd. Door de toepassing van de malus kan het voorkomen dat een ontwikkeling in een groenarme buurt die alleen niet-groene maatregelen kiest op een vereiste extra waterberging uitkomt die past bij een grotere rekenbui dan 60 mm: bij een maximale malus van 20% is dat een rekenbui van maximaal 75 mm. Ook is de bonus/malus van toepassing op de resterende bergingsopgave. Zo geldt de bonus voor toepassen van extra (substraat)berging op groen dak en waterberging op maaiveld en de malus voor ondergrondse voorzieningen met leegloop op vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

69

het gemeentelijk riool. Tenslotte kunnen naast bergingsvoorzieningen extra voorzieningen gerealiseerd worden die bijdragen aan waterberging zoals bomen en regentonnen. Per voorziening wordt een gespecificeerde bijdrage aan de waterberging toegekend. Deze achterliggende voorwaarden zijn in de online rekentool van de gemeente Eindhoven verwerkt. 5.5.2

Berging

In de watertoets is de klimaattool van gemeente Eindhoven doorlopen (zie bijlage 15). Het huidig VOSP gaat uit van 100% groendaken met (substraat) berging. In de klimaattool is = 60 mm berging aan de daken toegekend. Uit de berekening met de Klimaattool blijkt dat de waterbergingsopgave ruimschoots binnen het plan gerealiseerd kan worden bij toepassen van de groene daken conform het VOSP. Na realisatie van de waterberging op de daken bedraagt de bergingsopgave nog 74,7 m3. De resterende bergingsopgave wordt gerealiseerd op het parkeerdek in de binnentuinen. Dit wordt gerealiseerd middels een dunne laag “kratten” onder de beplanting. Bij ontwerp opstallen zal rekening gehouden worden met een bergend vermogen tot 18 cm. Als dat conform rekentool mogelijk is zal een minder dik pakket worden aangebracht t.b.v. grondpakket voor groenvoorzieningen. 5.5.3

Waterkwaliteit

Bij de inrichting, bouw en beheer fase dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater moet tot een minimum beperkt worden. Ook een gifvrij beheer van de ruimte (weg- en groenbeheer) levert een belangrijke positieve bijdrage aan de waterkwaliteit en dient aandacht te krijgen bij het uitwerken van het beheersplan voor de ontwikkeling. 5.5.4

Advies / overleg Waterschap

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van bestaande bebouwing en ontwikkeling en realisatie van woningbouw. In het plan is voorzien van binnenhoven met groenzones en kleine tuinen te plaatse van de grondgebonden woningen. Het plan wordt omzoomd door gemeentelijk openbaar groen. De ondergrond bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig zand. De zone van circa 0,45 tot 1,5 m -mv biedt zeer beperkte mogelijkheden voor de infiltratie van hemelwater. De bodemlaag daaronder tot circa 2,5 m -mv biedt meer mogelijkheden voor het infiltreren van hemelwater. Op circa 2,5 m -mv is een kleilaag aangetroffen die slechte mogelijkheden biedt voor het infiltreren van hemelwater. Ondanks de relatief 'goede’ doorlatendheid in de zone tot 2,5 m -mv zijn, vanwege de hoge grondwaterstand, de mogelijkheden beperkt voor het infiltreren van hemelwater. Als gevolg van de ontwikkeling is in de toekomstige situatie sprake van een netto afname van 4.395 m2 verharding (inclusief groendak). Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen in Eindhoven is klimaatadaptief bouwen. Dit betekent dat voor de nieuwe verhardingen 60 mm berging gerealiseerd moet worden. Afhankelijk van de locatie, inrichting en oplossingsrichtingen is de uiteindelijke opgave bepaald binnen het Eindhovens klimaatbeleid. Hiervoor is de online rekentool doorlopen.

Uit de rekentool volgt dat het planvoornemen nog een bergingsopgave van 73,7 m3 heeft. Met toepassing van extra waterberging in de binnentuinen (aangegeven als substraatberging in de Rekentool) is aangetoond dat aan de opgave wordt voldaan. Het Voorlopig Ontwerp toont aan dat de opgave is in te passen in plan. In een later stadium (WHHP), bij de afgifte omgevingsvergunning voor bouw, wordt nader civieltechnisch uitgewerkt op welke concrete wijze hieraan invulling wordt gegeven. Vuilwater en hemelwater worden in de toekomstige situatie gescheiden opgevangen en verwerkt. Ten opzichte van de historische situatie neemt de normafvoer naar het openbaar rioolstelsel af met 0,11 m3/h. De afname wordt voornamelijk veroorzaakt, doordat het 70

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

afstromend hemelwater in de toekomstige situatie grotendeels binnen het plangebied geborgen wordt. Enkel tijdens zeer extreme neerslagsituaties zal de waterberging overstorten naar het rioolstelsel, hiervoor is 10% van de pompovercapaciteit gehanteerd. Door de netto afname is het waarschijnlijk dat het stelsel in de toekomstige situatie beter zal functioneren dan in de huidige situatie.

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

71

72

vastgesteld I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan "I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan)" is te typeren als een globaal plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857666/2