CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan Fietspad HTCE-De Run

Raadsvergadering 2 juli 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Fietspad HTCE – De Run’28.073 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

31

natuurwaarden in stand te houden. Het beleid is er op gericht het contrast tussen stad en landschap te benutten door scheiding van functies na te streven. De functies die aanwezig zijn of worden ontwikkeld staan in dienst van het primaire doel; namelijk natuur- en landschapsbehoud en ontwikkeling. De aanpak van verdroging is daarbij een van de belangrijkste thema's, uiteraard met respect voor het cultuurhistorisch waardevol landschap. De gebieden in de strategie Natuur en landschap kennen een hoge mate van biodiversiteit. Het streven naar behoud en vergroting van de biodiversiteit krijgt in deze gebieden vorm door wettelijke opgaven betreffende gebiedsbescherming (NNB) en bijzondere soorten (Wet natuurbescherming). Voorts is het beleid gericht op het behoud van rust en duisternis. Functies met een geluidsstorend effect passen niet. Uitgangspunt is geen verlichting. Dit is zowel van belang voor de daar aanwezige natuur als voor de beleving van het gebied als “buitengebied”. Maatwerk kan soms aan de orde zijn bij belangrijke fietsroutes, in combinatie met technologische innovaties die verstoring van de aanwezige natuur tot een minimum beperken. Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap zijn in deze gebieden de primaire functies, gecombineerd met extensief recreatief medegebruik.

Er is ruimte om te recreëren en natuur en landschap te beleven, voor zover daar geen verstorende inrichtingsmaatregelen voor nodig zijn. Andere bestaande voorzieningen of gebouwen ter ondersteuning en behoud van natuur en (historisch) landschap worden gedoogd. Gebouwen zonder functie voor het behoud of de ontwikkeling van natuur en landschap worden verwijderd na functiebeëindiging. Verstedelijking of andere ingrepen (infrastructuur) zijn in deze categorie niet aan de orde, tenzij het gaat om zwaarwegende maatschappelijke belangen, waarvoor alternatieven ontbreken, en met toepassing van compensatie. Onderhavig bestemminsplan voorziet in de realisatie van een fietspad binnen een gebied dat binnen het Groenbeleidsplan is aangeduid met de strategie 'Natuur'. Het realiseren van infrastructuur is binnen een dergelijk gebied in principe niet gewenst. Een uitzondering wordt gemaakt voor projecten met een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor geen deugdelijke alternatieven zijn en waarvoor compensatie zal plaatsvinden. Naast ruimtebeslag zal sprake zijn van beperkte toename van verstoring binnen het natuur. Het beoogde fietspad is namelijk nagenoeg gelegen op het bestaande fietspad en zal enkel worden verbreed en op een aantal locaties worden gewijzigd. Vanuit de regio en vanuit de Brainport-gedachte is het wenselijk een veilige fietspad mogelijk te maken tussen beide campussen.

Ook recreatief verkeer profiteert van dit verbeterde fietstracé.

Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.

32

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

3.7.2

Beleid Bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2024. Deze is op 7 mei 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Omgevingswet. De Omgevingswet is onder andere van toepassing op: - houtopstanden die buiten de 'bebouwingscontour' liggen als bedoeld in artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving; - alle houtopstanden met een oppervlakte van 10 are of groter of bestaan uit een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Omgevingswet of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen waar de Omgevingswet op van toepassing is dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.

Verordening Bomen 2024 In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen binnen de bebouwingscontour nodig voor: bomen/houtopstand vanaf 45 cm stamomtrek op 1.30 meter hoogte; het snoeien van het kroonvulume of wortelgestel van een boom of houtopstand van minimaal 45 cm stamomtrek op 130 centimeter hoogte met meer dan 30%; het verplanten van een boom/houtopstand vanaf 45 cm stamomtrek op 1.30 meter hoogte; een houtopstand of boom met een stamnomtrek van minimaal 45 cm op 130 centimeter hoogte die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college.

het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden een vergunning nodig. Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwdingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving; gemeentelijke waardevolle bomen en monumentale bomen. De informatie op de groene kaart is nodig om: Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwingscontourgrens; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden. vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

33

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.

Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'.

Het plangebied Voor het gehele fietstracé is een bomenonderzoek uitgevoerd die als bijlage 5 onderdeel uitmaakt van deze toelichting. Verreweg de meeste bomen hebben een voldoende of goede vitaliteit. Bij twintig bomen zijn gebreken aanwezig, waarvan er elf van invloed kunnen zijn op de toekomstverwachting. De actuele toekomstverwachting van de bomen zijn bepaald op basis van conditie, gebreken, standplaats en soortspecifieke eigenschappen. Onderstaande tabel vat de toekomstverwachting van de bomen samen. De toekomstverwachting geldt bij gelijkblijvende omstandigheden, dus zonder invloed van voorgenomen plannen.

De monetaire waarde van alle bomen, met uitzondering van twee bomen is afgerond in totaal € 370.000,-. De wortelkluiten van de zijn ongeveer zo groot als de kroonprojectie. Maar het bestaande fietspad met onderliggende fundering vormt hierin een barrière. Slechts op enkele plekken hebben wij aanwijzingen gezien dat wortels ook echt onder het fietspad groeien. Veel wortels zijn wel te verwachten tegen de rand van het fietspad. De voorgenomen plannen hebben op acht bomen een neutrale invloed. Deze acht bomen staan op ruime afstand van de voorgenomen ingrepen. Op 31 bomen is de invloed ‘licht negatief’. Dat komt omdat er een kans is op schade aan de boven- en ondergrondse delen van de boom en kwaliteitsverlies van de groeiplaats. Door beschermende maatregelen te treffen, kan dit voorkomen worden of beperkt tot wat de bomen nog goed kunnen verdragen. Op 32 bomen is de invloed ‘negatief’. Dit komt omdat ernstige schade aan de wortels en kwaliteitsverlies van de groeiplaats ontstaat door de voorgenomen ingrepen. Op elf bomen hebben de voorgenomen plannen een zeer negatieve invloed. Dit omdat de bomen op of in de strook van de geplandekabelsleuf of faunakeerwand of zeer dicht op het te ontgraven fietspadcunet staan. De 39 ‘neutraal’ of ‘licht negatief’ beoordeelde bomen kunnen duurzaam behouden blijven zonder aanpassingen in het ontwerp of de uitvoeringswijze.

Maar de bomen en hun groeiplaatsen moeten goed worden beschermd. De 32 ‘negatief’ beoordeelde bomen kunnen 34

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

alleen duurzaam behouden blijven als maatregelen worden getroffen om ernstige wortelschade en kwaliteitsverlies van de groeiplaatsen te voorkomen. De elf ‘zeer negatief’ beoordeelde bomen kunnen bij de gegeven planvorming niet duurzaam behouden blijven. Om de 32 ‘negatief’ beoordeelde bomen duurzaam te behouden, zijn specifieke maatregelen nodig. Deze maatregelen worden ook wel boomvriendelijke alternatieven genoemd. Deze maatregelen zijn in hoofdstuk 6 van bijlage 5 bescheven.

3.8

Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Een invloedsgebied van een leidingstrook valt wel voor een klein gedeelte binnen het plangebied. Hiervoor is een planologische (dubbel)bestemming opgenomen waarbij rekening gehouden moet worden met het milieukundig veiligheidsaspect voor de omgeving. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

35

36

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling De activiteit is niet genoemd in de onderdelen C en D van de bijlagen van het Besluit m.e.r. Het betreft namelijk geen autosnelweg/autoweg (activiteit C 1.2) of weg met meer dan 4 rijstroken (C. 1.3). De activiteit geeft daarom in dit geval geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapportage of vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor dit bestemmingsplan zijn echter wel bepaalde milieueffecten nader onderzocht, zoals de invloed van de aanleg van het fietspad op de bodem, waterberging en de natuur. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan geen wezenlijk negatieve effecten heeft op het milieu.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een fietspad. Een fietspad is geen zoneplichtige activiteit of inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit en er gelden conform de VNG-publicatie geen richtafstanden. Het fietspad is daarnaast niet als kwetsbaar object aan te merken. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' is dan ook niet aan de orde.

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

37

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

Beoordeling plan In het voorliggend plan worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Een fietspad wordt in de zin van de Wet geluidhinder niet gezien als een weg, omdat de gebruikers ervan niet gezien worden als motorvoertuigen. Een fietser en bromfietser zijn in de zin van de Wet geluidhinder juncto Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen motorvoertuig, waardoor geen sprake is van de aanleg van een rijstrook. Daarnaast wordt het fietspad in het gebied Hanevoet middels bord G13 aangewezen tot onverplicht fietspad waardoor brom- en snorfietsers en speed pedelecs niet zijn toegestaan op dit gedeelte. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten 38

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

39

4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Dit plan voorziet in de realisatie van een fietspad. Een dergelijk plan is niet te plaatsen onder een categorie die is opgenomen in de bijlage van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Het fietspad is bestemd voor fietsers. Het fietspad wordt middels bord G13 aangewezen tot onverplicht fietspad waardoor brom- en snorfietsers en speed pedelecs niet zijn toegestaan op dit gedeelte en is ook niet toegankelijke voor ander gemotoriseerd verkeer. Gezien de aard en omvang van het project kan dan ook worden gesteld dat de aanleg van het fietspad niet in betekenende mate zal bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze conclusie kan zeker getrokken worden wanneer het project wordt vergeleken met andere categorieën van ontwikkelingen (bijvoorbeeld woningbouw of kantoorlocaties) die in de bijlage van de Regeling NIBM zijn opgenomen en die eveneens niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van een gevoelige bestemming in de zin van Besluit gevoelige bestemmingen. Daardoor is het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing. Het tracé van het fietspad is voornamelijk gelegen in het buitengebied en in de nabije omgeving zijn geen gevoelige bestemmingen gelegen.

De primaire gebruikers van het tracé, fietsers, zorgen in ieder geval niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit, maar juist omgekeerd voor een verbetering van de luchtkwaliteit indien het fietspad het fietsgebruik stimuleert ten koste van het autogebruik.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

40

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

4.5.3

Toepassing plangebied

Een verantwoording van het plaatsgebonden risico is conform het Bevt van belang wanneer middels een bestemmingsplan een (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi wordt mogelijk gemaakt. Onderhavig plan heeft betrekking op de aanleg c.q. verbreding van een fietspad en dit is geen (beperkt) kwetsbaar object. Daarom hoeft in dit geval geen aandacht te worden besteed aan een verantwoording van het plaatsgebonden risico.

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

41

4.6

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Daarbij gaat het enerzijds om de bodemgesteldheid en anderzijds om bodemverontreiniging. In voorliggend geval blijft de bodem haar gevoeligste (bodem-) functie behouden. Er zijn geen aanwijzingen dat ter hoogte van het aan te leggen fietspad sprake is van een bodemverontreiniging of dat hier een calamiteit heeft plaatsgevonden. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Indien er grondwerkzaamheden worden uitgevoerd en grond wordt toegepast in een ander werk, is onderzoek noodzakelijk. Om aan te kunnen tonen of vrijkomende grond geschikt is voor toepassing in een ander werk, is het uitvoeren van partijkeuringen noodzakelijk. Dit levert echter geen belemmeringen op voor de bestemmingswijziging.

4.7

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Deze wet en de bijbehorende Bnb en Rnb zijn opgegaan in de Omgevingswet die op 1 januari 2024in werking is getreden. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

4.7.1

Gebiedsbescherming

In het plangebied is geen Natura 2000-gebied aanwezig. Er komen ook geen beschermde Natura 2000-gebieden voor binnen de invloedssfeer van het plangebied, omdat het dichtstbijzijnde gebied op circa 3 km afstand ten zuiden van het plangebied is gelegen. Het betreft het gebied het Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Het Natura 2000-gebied ligt buiten het invloedsgebied van het project wat betreft verdroging of geluid- en lichtverstoring. Vanwege de afstand, de geringe omvang van de ontwikkeling in het projectgebied, de ligging in het stedelijke gebied en daardoor de afscherming worden geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in het Natura 2000-gebied verwacht. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan in de Porthos-project zaak (ECLI:NL:RVS:2022:3159). Hierin is geoordeeld dat de bouwvrijstelling die in de Wet natuurbescherming is verankerd, niet meer gebruikt mag worden. Deze vrijstelling is namelijk in strijd met Europese recht. Dit wil zeggen dat er voor de aanlegfase een stikstofberekening moet worden aangeleverd. Deze berekening is enkel uitgevoerd voor de aanlegfase, omdat de gebruiksfase (fietspad) geen stikstofemissie veroorzaakt. Een toelichtend memo alsmede de berekening maken als bijlage 6 onderdeel uit van deze toelichting.

Uit de berekening volgt dat er in de aanlegfase geen sprake is van significante depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. Er is geen passende beoordeling of Wet natuurbeschermings-vergunning voor het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor dit project.

NNB-Gebied Het beoogde fietspad gaat met een (reeds bestaande) fietsbrug over een NNB-gebied (De 42

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

Dommel). Het projectgebied is wel omsloten door delen van het NNB. Dit betreft de Recreatieplas Hanevoet, De Dommel en de daaromheen gelegen terreinen. Delen van het NNB gebied bevinden zich tot circa één meter ten zuiden van het fietspad en (in de aanloop richting en) onder de bestaande (en beoogde) fietsbrug. Het plangebied betreft een zone van ongeveer 3,5 meter breed en circa 1 kilometer lang waarbij in de huidige situatie reeds een fietspad aanwezig is met een breedte van ca. 2,5 meter. 4.7.2

Soortenbescherming

De bescherming van soorten is geregeld in de Wnb. Onder de werking van deze wet vallen circa 1.000 dier- en plantensoorten. Zo zijn alle inheemse zoogdieren, amfibieën en reptielen een beschermde status, evenals een aantal soorten planten, vissen, insecten en ongewervelden. Volgens de wet mogen beschermde soorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust en gedood. Ook mogen voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Om een goed beeld te vormen van de binnen het plangebied aanwezige beschermde soorten en habitats is een natuurtoets noodzakelijk. Op basis van de Natuurtoets (zie bijlage 7 is gebleken dat het projectgebied een potentieel geschikt biotoop biedt voor vogels (boomvalk, grote gele kwikstaart, ransuil, sperwer en algemene broedvogels), vleermuizen, grondgebonden zoogdieren (bever, bunzing, otter en wezel), levendbarende hagedis, alpenwatersalamander en de grote weerschijnvlinder. Om deze reden is er enkel op deze soort(groep)en een potentieel effect aan de orde. De onderstaande effectbeoordeling richt zich alleen op deze soort(groep)en. Overige beschermde soorten zijn uitgesloten en ondervinden geen effect van het voornemen.

Vogels Er is een aantal vogelsoorten waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en bij verwijdering van de broedplaats altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn de zogenoemde categorie 1-4-vogelsoorten. Het is niet uit te sluiten dat vaste rust- en verblijfplaatsen van de boomvalk, sperwer en de ransuil in de te verwijderen bomen in het projectgebied aanwezig zijn. Voor deze soorten geldt dat aantasting niet zonder meer toegestaan is. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen van de soorten aanwezig zijn in de bomen en deze worden gekapt, dan worden de beschermde verblijfplaatsen verstoord en vernietigd. Dit is een overtreding van gestelde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Om de functie van het projectgebied en tevens het effect van de plannen op deze eventueel aanwezige jaarrond beschermde nesten te kunnen bepalen, is een vervolgonderzoek (zie bijlage 8) naar het voor komen van deze soorten en hun nesten uitgevoerd. Negatieve effecten als gevolg van de kap van de bomen op nestplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. Negatieve effecten op broedende eksters worden voorkomen door, in de directe omgeving van het nest te werken buiten de broedperiode van de ekster. Negatieve effecten op overige broedende vogelsoorten worden voorkomen door te werken buiten de broedperiode.

De in de omgeving aanwezige nestlocaties van de grote gele kwikstaart worden niet beschadigd of vernield als gevolg van de geplande werkzaamheden. Indien de werkzaamheden buiten de broedperiode van de grote gele kwikstaart uitgevoerd worden, kan verstoring van broedgevallen worden voorkomen en is er geen aanvullend onderzoek noodzakelijk.

Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

43

relatief eenvoudig rekening worden gehouden door de werkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met augustus) indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Zo kunnen in het projectgebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten met name in opgaande vegetatie). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het projectgebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het projectgebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het projectgebied dan worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het projectgebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.

Vleermuizen In de directe omgeving van het projectgebied kunnen vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen aanwezig zijn. Wegens de aanwezigheid van voldoende alternatieven wordt niet verwacht dat de mogelijk te verwijderen groenstructuren een essentieel onderdeel vormen van in de omgeving aanwezige vliegroutes van vleermuizen. Door het gebruik van nachtelijke verlichting in de realisatiefase en de gebruiksfase kunnen in de omgeving aanwezige individuen van vleermuizen worden verstoord. Verlichting langs het fietspad kan voor lichtverstoring zorgen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen door de kap van de bomen worden niet verwacht. Daarnaast geldt dit ook als een optische verstoring gedurende de nacht. Met name vleermuizen zijn lichtgevoelig en kunnen hier effecten van ondervinden. Wanneer de lampen naar beneden worden gericht is de lichtverstoring op vleermuizen minimaal. Uit onderzoek blijkt daarnaast dat gewone dwergvleermuizen en laatvliegers ook verlichting langs fietspaden opzoeken in de loop van de nacht (www.vleermuis.net). Wanneer de verlichting naar beneden wordt gericht en naar het omliggende NNB of boven schijnt, zijn negatieve effecten als gevolg van lichtverstoring uitgesloten.

Bever en otter In de te aanpassen delen van het projectgebied is geen geschikt habitat voor verblijfplaatsen van de bever en de otter aanwezig. In de omgeving van het projectgebied zijn knaagsporen aanwezig wat duidt op de aanwezigheid van de bever. Mogelijk kunnen in de omgeving aanwezige individuen van de bever verstoord worden als gevolg van de werkzaamheden. Om die reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van de otter en de bever ten zuiden van het fietspad (zie bijlage 9). Middels het uitgevoerde nader onderzoek is de aanwezigheid van de bever en de otter in het plangebied/ dan wel binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden vastgesteld. Voor desbetreffende soorten zijn nader te specificeren mitigerende maatregelen benodigd alsmede een ontheffing voor de Wet natuurbescherming om de werkzaamheden uit te kunnen voeren.

Bunzing en wezel De buzing en de wezel kunnen verblijfplaatsen hebben in de omgeving van het projectgebied. In de te verwijderen bosschages langs het fietspad kan leefgebied van de bunzing en de wezel aanwezig zijn. Om die reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9). Gedurende de verschillende onderzoeken en veldinventarisaties zijn geen individuen of sporen van kleine 44

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

marterachtigen (bunzing en wezel) aangetroffen in (de directe omgeving van) het plangebied. Op basis van het uitgevoerde nader onderzoek, is de aanwezigheid van desbetreffende soorten uitgesloten. Er zijn derhalve geen ontheffing en maatregelen ten aanzien van desbetreffende soorten benodigd.

Reptielen en amfibieën In het projectgebied kunnen individuen van de levendbarende hagedis en de alpenwatersalamander in landfase aanwezig zijn. Mogelijk wordt het fietspad overgestoken door individuen van de alpenwatersalamander om in de omgeving aanwezige voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen. Door uitvoer van de werkzaamheden en het verwijderen van bosschages langs de weerzijden van het fietspad, kunnen individuen van de alpenwatersalamander en de levendbarende hagedis worden gedood en overwinteringsplaatsen/verblijfplaatsen worden vernield. Om die reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9). Middels het uitgevoerde nader onderzoek is de aanwezigheid van de Alpenwatersalamander in het plangebied/ dan wel binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden vastgesteld. Voor desbetreffende soort zijn nader te specificeren mitigerende maatregelen benodigd alsmede een ontheffing voor de Wet natuurbescherming om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Gedurende de verschillende onderzoeken en veldinventarisaties zijn geen individuen of sporen van de levendbarende hagedis aangetroffen in (de directe omgeving van) het plangebied. Op basis van het uitgevoerde nader onderzoek, is de aanwezigheid van desbetreffende soort uitgesloten. Er zijn derhalve geen ontheffing en maatregelen ten aanzien van desbetreffende soort benodigd.

Ongewervelden De grote weerschijnvlinder is bekend in de omgeving van het projectgebied voor te komen. Indien door verbreding van het fietspad wilgen langs het fietspad worden verwijderd, kunnen eiafzetplaatsen en overwinteringsplaatsen van de grote weerschijnvlinder worden vernield en overwinterende individuen worden gedood. Op basis van het nader onderzoek (zie bijlage 8) worden negatieve effecten op deze soort als gevolg van de kap van de bomen niet verwacht.

Natuurwaardenonderzoek Aanvullend is er ingegaan op effecten van de verbreding van het fietspad voor niet-beschermde soorten en kansen binnen het project ten aanzien van biodiversiteit. De rapportage hiervan maakt als bijlage 8 onderdeel uit van deze toelichting. Bij het aanpassen van het fietspad zijn diverse maatregelen mogelijk die bijdragen aan de natuurwaarden rondom het fietspad en de directe omgeving. Hierbij hangt de effectiviteit van de maatregelen niet noodzakelijkerwijs samen met de benodigde financiële investering. Geadviseerd wordt om in eerste instantie te focussen op maatregelen die bijdragen aan de zorgplicht (zoals het voorkomen van verkeerslachtoffers tijdens werkzaamheden) en het doorvoeren van een meer natuurlijke/extensieve vorm van beheer (zoals het aanpassen van het maaibeheer). Bestaande natuurwaarden worden daardoor behouden of zo min mogelijk geschaad. Vervolgens kunnen overige maatregelen worden toegepast om de bestaande natuurwaarden verder te versterken. Natuurwaarden die nog minder sterk zijn ontwikkeld verdienen daarbij de voorkeur, omdat daar de grootste winst voor de natuur te behalen is.

Naar aanleiding van het natuurwaardenonderzoek heeft een extra terreinbezoek plaatsgevonden waarbij de maatregelen met Gemeente Eindhoven en Trefpunt Groen Eindhoven (TGE) verder zijn besproken en waarbij de toepassingsmogelijkheden van deze vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

45

maatregelen verder is onderzocht (zie bijlage). In het natuurwaardenonderzoek zijn eenmalige en lange termijn maatregelen genoemd. De bevindingen vanuit het terreinbezoek zijn hieronder kort toegelicht. De eenmalige maatregelen zijn als volgt: Tijdens werkzaamheden fietspad ontoegankelijk maken d.m.v. paddenschermen Inzaaien bermen Faunapassage(s) Dood hout (waaronder takkenhopen) terugbrengen in de directe omgeving Opstellen Ecologisch Werkprotocol ter bescherming van bomen Plaatsing oeverzwaluwwand/ijsvogelwand Bijenburcht en/of zandige delen creëren Talud langs wateren aanpassen (talud verflauwen) – Vanwege reeds aanwezige flauw hellende oeverdelen en het recreatief medegebruik van de omgeving, is bij het terreinbezoek vastgesteld dat het aanpassen van oevers geen prioriteit vormt De lange termijn maatregelen zijn als volgt: Aanpassen maaibeheer Snoeibeheer bomen aanpassen (gefaseerd snoeien) Onderhoud oeverzwaluwwand/ijsvogelwand Bewoners stimuleren tot vergroenen en/of het plaatsen van soort-specifieke kasten Bovenstaande mitigerende en versterkende maatregelen zullen worden uitgevoerd. Voor de overige maatregelen geldt dat op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar is om de optimale locatie voor de maatregel te bepalen en dat op basis van vervolgonderzoek dit nader bepaald zal worden.

4.7.3

Algemene zorgplicht

Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.

46

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan Fietspad HTCE-De Run heeft ten dele een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk.

Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

47

5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

48

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

49

5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.

5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

5.2.3.4 Waterschapsverordening Sinds 1 januari 2024 geldt de Waterschapsverordening (WSV). De WSV legt een meldplicht op voor het lozen van regenwater op beken en sloten door toename van verhard oppervlak (artikel 2.33 WSV). Die meldplicht geldt wanneer de toename van het verhard oppervlak ligt tussen de grenswaarden 500 m² en 10.000 m². Ook wanneer een regenwaterberging wordt aangelegd en het regenwater vertraagd wordt afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem, geldt de meldplicht. Neemt het verhard oppervlak toe met meer dan 10.000 m², of wordt afgeweken van de algemene regels voor het aanleggen van een regenwaterberging, dan geldt een vergunningplicht.

50

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026 Het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het WKA geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht op het gebied van het afval- en oppervlakte- en grondwater. Het WKA bevat de geplande activiteiten gericht op het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen binnen het plangebied waarna alsnog vertraagd kan worden afgevoerd.

5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Beschrijving watersysteem plangebied

5.3.1

Checklist watersysteem

Checklist Watersysteem A-w ateren binnen fietspad

Ja

B-w ateren binnen fietspad

Nee

Keurgebied binnen plangebied?

Ja, regionale w aterkering: veiligheid 1/100 beekdal en attentiegebied

Binnen 25-100 jaarszone?

Nee, w el nabij (zuidelijk van De Dommel)

Binnen boringsvrije zone?

Ja, maximale boordiepte hoofdzakelijk 70 m . en klein deel 80 m.

Ecologische verbindingszone?

Nee

Binnen reserveringsgebied w aterberging 2050?

Nee, w el nabij (zuidelijk van De Dommel)

Attentiegebied NNB

Nee, w el noordelijk van ecologische hoofdstructuur

Rioolw atertransportleiding

Nee

Waterschap gemaal

Nee

Verdachte/verontreinigde locaties?

Toegelicht in bodemonderzoek

Infiltratie praktisch mogelijk?

Nee, tenzij infiltratieonderzoek anders uitw ijst

Wijzigingsbevoegdheid

Ja

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

51

5.3.2

Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water

Het huidige fietspad is een belangrijke route dat onderdeel uitmaakt van de fietsverbinding tussen het centrum van Eindhoven en ASML in Veldhoven. Het fietspad vormt een kering of dijk langs de watergangen. Vlakbij het fietspad liggen A-watergangen de Dommel, de Klotputten, het Werdje en het Afwateringskanaal. A-watergangen vormen een wezenlijk onderdeel voor de afwatering van Eindhoven en vallen onder de keur van waterschap De Dommel. Daarnaast bevindt het fietspad zich in een regionale waterkeringszone en is laag gelegen. Het fietspad wordt ook benoemd als beekdal in de keur van het waterschap. Tevens is het fietspad gelegen binnen de boringsvrije zone van waterwingebied Welschap. Binnen de boringsvrije zone mogen (diepliggende) beschermende kleilagen niet zonder meer doorboord worden.

5.3.3

Oppervlaktewater

Vier A-watergangen bevinden zich in nabijheid van het huidige fietspad. De watergangen hebben zowel een watervoerende als een waterbergende functie tijdens natte periode en vallen bij gebrek aan neerslag niet droog. De Klotputten mondt uit in De Dommel en Het Werdje mondt uit in het Afwateringskanaal.

5.3.4

Verharding

Het huidige fietspad is volledig verhard en uitgevoerd in asfalt. De verharding kan worden opgesplitst in twee delen. Deel 1 (kant van Ooievaarsnest) loopt van de Ulenpas tot de Hunenborg en heeft een lengt van ca. 470 meter. Dit deel ligt grotendeels buiten voorliggend plangebied. Deel 2 (kant van Hanevoet) vormt de regionale waterkering en loopt van de Hunenborg tot de brug (over Afwateringkanaal) en heeft een lengte van ca. 886 meter. De verharding van het laatste deel wordt verbreed van 2,5 naar 3,5 meter.

5.3.5

Bodemopbouw

De bodemopbouw in dit deel van Eindhoven is te typeren als matig doorlatend. Het nemen van bodem verbeterende maatregelen is noodzakelijk om infiltratie van hemelwater binnen het plangebied mogelijk te maken. Onderstaande gegevens zijn afkomstig van de onderzoeklocatie van Geofoxx.

52

vastgesteld Fietspad HTCE-De Run Gemeente Eindhoven

5.3.6

Grondwater

Binnen het projectgebied zijn er geen peilbuizen aanwezig. Net buiten het plangebied, in het zuiden en noorden, bevinden zich drie peilbuizen. Het gemiddelde grondwater in deel 1 (Ooievaarsnest) bevindt zich op een diepte van circa 3,0 m-mv. Het grondwater van deel 2 (kant Hanevoet) fluctueert tussen de 16,07 m +NAP en 16,45 m +NAP. Ter plaatse van laatstgenoemde locatie wordt het grondwater sterk beïnvloedt door de watergangen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14175651/1