CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan Campinaterrein

Gemeenteraad 22 september 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Campinaterrein40.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

We huisvesten bedrijven die maatschappelijke en persoonlijke waarde toevoegen. En ook bedrijven die geld verdienen met producten of diensten met maatschappelijke impact. Het Campinaterrein wordt een plek waar samengewerkt wordt vanuit de persoonlijke motivatie om de wereld letterlijk en figuurlijk mooier te maken. Met het Campinaterrein spelen we, samen met deze maatschappelijk georiënteerde bedrijven, in op het groeiende bewustzijn dat het noodzakelijk is om op een duurzame manier met onze aarde om te gaan.

Het nieuwe Campinaterrein gaat mee in de internationalisering van Eindhoven. We richten ons op de stad en hebben een stedelijke oriëntatie. Onze doelgroep is gericht op expressie, zelfontplooiing en vrijheid. Ze hebben een vrije, eigenzinnige geest die onafhankelijkheid boven alles stelt. Ze hebben een actieve en impulsieve manier van leven, waarbij er naast werk, voldoende tijd over moet blijven voor culturele ontwikkelingen en reizen. Ze zijn, jong en oud, geörienteerd op de stad. Ze zijn creatief en op zoek naar uitdagingen buiten de gebaande paden. Centrale drijfveer in deze levensstijl is het opdoen van nieuwe ervaringen. Dit betekent niet dat ze zich terugtrekken uit de maatschappij of anderen vermijden. Ze willen juist wel hun steentje bijdragen en doen dat graag samen met anderen. Waar het om gaat is dat hun ambities vooral intrinsiek gemotiveerd zijn. Ze staan betrekkelijk los van status of het streven naar maatschappelijke erkenning. Ze streven naar een comfortabele leefstijl zonder al te veel opgelegde verplichtingen. Materiële zaken spelen geen primaire rol. Ten aanzien van de eigen levensstandaard stellen ze zich geen bijzonder hoge doelen: luxe is welkom, maar is geen ‘must’. Ze hechten veel waarde aan zelf kunnen beslissen over de dingen die hen aangaan.

Zij hebben weinig moeite hun weg te vinden in de complexe maatschappij, maar worden bij voorkeur informeel benaderd.

Deel B, hoofdstuk 4; Plan: Wonen en werken in een stadsdorp

73

4.3 LEEFMILIEU ‘STADSDORP’

We zien in de maatschappij en ook bij deze doelgroep enerzijds een sterke individualisering en tegelijkertijd de zoektocht naar collectiviteit en gemeenschap daarbinnen. Ogenschijnlijk tegenstrijdig. We willen beide invalshoeken faciliteren: enerzijds het individualistische, gericht op privacy, gemak en beleving. Anderzijds het collectieve, gericht op ontmoeting en gemeenschapszin. Het nieuwe Campinaterrein sluit aan bij de woonmilieuvoorkeur van deze groep. Een wijk met sfeer en karakter. Ideaal is een levendige, beetje eigenzinnige buurt met een mix van culturen, leeftijden en inkomensgroepen. Het voorzieningenniveau in de wijk moet hoog zijn en het aanbod divers en bijzonder. In het plan zijn de grote industriële gebouwen en de openbare autovrije ruimten de bijzondere bouwstenen om van het Campinaterrein een kleine samenleving te maken: een stadsdorp. De openbare ruimte wordt geactiveerd door de niet-woonfuncties zoals kleinschalige bedrijvigheid en recreatieve voorzieningen in de plinten van de bouwvolumes. Zo ontstaat een levendige wereld op het maaiveld. Boven wordt gewoond. Er heerst een rustig woonmilieu.

SOCIAL DESIGN

WONEN

MAAK INDUSTRIE

DIENSTEN

Het plan kent een opzet waarin een grote differentiatie aan woningtypen mogelijk is. Appartementen, woningen, huur en koop. Ook is er ruimte voor aparte woningen, zoals loftwoningen en woningen met een open plattegrond. De woning hoeft niet groot te zijn en het mag best een huurwoning zijn. Qua architectuurstijl staat de doelgroep meer dan andere groepen open voor moderne architectuurstijlen en industriële architectuur. Belangrijker dan architectuur is wellicht het groene karakter van de wijk.

WERKEN: DE COMEBACK VAN DE AMBACHTEN

DESIGN

74

Deel B, hoofdstuk 4; Plan: Wonen en werken in een stadsdorp

De werksfeer van de fabrieksgebouwen is aanleiding om ook aan te sluiten bij ambachten: Ambachten maken een opleving door. Er is nu veel meer waardering voor traditionele ambachten dan de afgelopen decennia. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen ambachtslieden uit het straatbeeld, hun

kennis dreigde verloren te gaan. De waardering voor werken met je handen werd minder. De aandacht ging uit naar werken met je hoofd. Je moest studeren. Maar dat is aan het veranderen. Jongeren die zijn opgegroeid in een wereld waar in de directe omgeving niets meer gemaakt wordt, gaan hun handen weer gebruiken. In een tijd waarin alles kant-en-klaar verkrijgbaar is, bewegen ‘de nieuwe ambachtslieden’ de andere kant op. Hun sociale en economische invloed is groot. In een advies in 2013 benadrukt de SociaalEconomische Raad dat ambachten 'een onmiskenbare schakel vormen in de Nederlandse economie en samenleving'. Juist internet blijkt een enorme steun in de rug te zijn voor jonge ambachtslieden. Online bereiken ze veel meer klanten voor specifieke producten. De nieuwe ambachtslieden zoeken elkaar op en werken opvallend vaak samen. Door heel het land, zeker ook in Eindhoven, zijn voorbeelden te vinden. Het verhaal over het product is heel belangrijk. Makers en kopers willen elkaar kennen. Kopers willen in de werkplaats zijn geweest, het materiaal voelen en iemand leren kennen. De jonge ambachtslieden hebben veel respect voor oude technieken en willen daar graag van leren. Maar niet uit nostalgie. Ze willen niet terug naar het verleden. Ze geven hun eigen draai. Ze gebruiken oude technieken om er ook iets nieuws mee te doen.

Dat is ambacht anno nu: een combinatie van de modernste technieken, maatschappelijk ondernemen en het opnieuw uitvinden van het ambacht. Kortom, ateliers worden weer belangrijk. Weg van massaproductie. De focus ligt op de beleving en creatie van de (ambachts)man en -vrouw. Unieke materialen en ambachtelijke technieken heroveren terrein. De nieuwe ambachtelijke producten die hier uit voortkomen vertellen een verhaal.

Deel B, hoofdstuk 4; Plan: Wonen en werken in een stadsdorp

75

4.4 PROGRAMMA IN KAARTBEELD EN GETALLEN

SERVICES: ELKE DAG EEN COMMUNITY VOOR ÉÉN DAG We willen met de plannen voor het Campinaterrein maatschappelijke relevantie prikkelen en faciliteren. Dit doen we door het concept van ‘everyday a community for one day’ aan te bieden. Wonen, werken en voorzieningen haken in elkaar in dit leefconcept. Wat we de bewoners iedere dag weer aanbieden is de mogelijkheid om deel uit te maken van de communities van het Campinaterrein in een community voor één dag. Als mensen willen, maken ze onderdeel uit van de Campinaterrein Community. Dit doen we door het openbaar gebied dusdanig in te richten dat mensen daar kunnen samenkomen en elkaar kunnen ontmoeten. Dit doen we ook door bewoners te ontzorgen met behulp van een ‘Campinaterrein app’ waarmee diverse diensten (lees: buurtvoorzieningen) zoals deelauto’s, maaltijdservices, ontvangst van postpakketjes etc. toegankelijk zijn. De verbindingszones (zie hoofdstuk 7) zijn een voorbeeld van de ruimtelijke vertaling van de communities. Het eigenaarschap ervan wordt vrijwillig aangegaan en niet dwingend opgelegd. We maken daarbij onderscheid tussen de verbindingszones bij de woningen en die bij het erfgoed en diensten. Beide dienen de sociale interactie en cohesie naar gelang hun plek in het geheel.

Momenteel onderzoeken we de haalbaarheid van de app, evenals die van een community manager, die bijvoorbeeld ook de kinderopvang regelt, postpakketten ontvangt of de technische dienst inschakelt. We streven ernaar dat we de bewoners diensten aanbieden via 'pay-per-use'. M.a.w. Men betaalt alleen voor de diensten waar men gebruik van maakt. Dit betekent dat we dus maatwerk leveren per bewoner. De parkeerhub kan daarbij dienen als centrale plek voor de community manager en de aanverwante diensten. Met de Campinaterrein Community App en de communitymanager bevorderen we de sociale interactie (op deze plek) en ontsluiten we de services op het Campinaterrein.

76

Deel B, hoofdstuk 4; Plan: Wonen en werken in een stadsdorp

CAMPINATERREIN COMMUNITY

Dit VOSP is een meer indicatieve weerslag van het plan. In het DOSP ligt de nadruk op de getalsmatige en kwantitatieve vastlegging. Met de mix van het woonprogramma en het nietwonen programma bereiken we de verdichting en de stedelijkheid die nodig is en komt de synergie tussen erfgoed en nieuwbouw sterk naar voren. Het stoere karakter van de gebouwen zetten we in bij het zoeken naar passende nieuwe programmatische invulling. In het erfgoed komen functies die zo mogelijk deel uitmaken van de openbare beleving van het gebied. Daarbij wordt gezocht naar functies die het karakter van het Campinaterrein verrijken en aansluiten bij de visie. We willen (kleinschalige) voorzieningen, stedelijke bedrijvigheid en horeca. Deze functiegroepen en het woonprogramma gaan interacteren, elkaar aanvullen en versterken.

Maaiveld horeca/bedrijvigheid/ateliers

mobiliteit

werken

hotel/studenten/ zorg

wonen

PROGRAMMA IN OVERZICHT: • • •

700 woningen 21.500 m2 BVO programma (niet-wonen) 1.600 fietsopslag/ semi-openbarestraat

SCHATTING VAN DAGELIJKSE GEBRUIKERS: • • •

1400 bewoners waarvan 100 studenten 300 werknemers 700 bezoekers

Divers programma

Woonlagen in laagbouw wonen

Wonen in torens wonen

Deel B, hoofdstuk 4; Plan: Wonen en werken in een stadsdorp

77

HOOFDSTUK B5

STEDENBOUW

INZET 3 OMGEVINGSVISIE EINDHOVEN, KLOPPEND HART VAN BRAINPORT Integrale visie voor de fysieke leefomgeving van Eindhoven

economie, mobiliteit, energietransitie en de transitie van het landelijk gebied.

Het aantal inwoners en bedrijven in onze regio en onze stad groeit hard. Dat leidt tot een grotere vraag naar ruimte voor wonen, werken, mobiliteit en voorzieningen. Het slim omgaan met de beperkte ruimte vraagt om het combineren van opgaven. Hoe het gemeentebestuur dat gaat doen heeft ze vastgelegd in de Omgevingsvisie. In onderstaande de delen van de Omgevingsvisie die mede betrekking hebben of van invloed zijn op het plan voor het Campinaterrein.

De Metropoolregio Eindhoven is een regio van contrasten en dat maakt ons uniek: een hecht netwerk van steden, dorpen en bewoond landelijk gebied. Je bent snel in de stad of juist in het groen. De regio is sterk in high tech en innovaties in een dynamische 24/7-economie met een gastvrije bourgondische levensstijl. De strategie van de regio is gericht op het sterker maken van de sterke punten door aan te haken op de eigen kracht en identiteit van de deelgebieden. Stad en land hebben elkaar nodig. Een goed vestigingsklimaat en een aantrekkelijke leefomgeving zijn randvoorwaarden voor economische ontwikkeling en voor de welvaart en het welzijn van onze inwoners en bedrijven. De Metropoolregio heeft een ruimtelijk economische strategie opgesteld vanuit het gedachtengoed dat binnen het samenspel van steden, dorpen, bedrijven, kennisinstituten, maakindustrie en landelijk gebied de contrasten aantrekkelijk zijn. De stad moet stadser worden en het land landelijker.

Brainport Eindhoven is een economische wereldspeler en we willen deze positie behouden en versterken. We moeten (inter)nationaal aantrekkelijk blijven voor investeerders, bedrijven en bestaande en nieuwe inwoners. Daarom moeten we onze stad en regio blijven doorontwikkelen. Het is nodig om te investeren in voorzieningen en nieuwe (hoogstedelijke) woon- en werkvormen. Onze campussen, bedrijventerreinen, openbare ruimte en het centrum spelen daarin een belangrijke rol. Een aantrekkelijke stad met voldoende ruimte voor wonen, creativiteit, ontmoeting en ontspanning, slimme en duurzame bereikbaarheid en een hoogstedelijk centrum sluiten aan bij het internationale karakter van Brainport. De Omgevingsvisie brengt focus aan bij het inrichten van Eindhoven en stimuleert om samen te werken aan de stedelijke opgaven. Deze ambitie vertaalt zich naar vier deelambities. Eindhoven als: economische wereldspeler; gezonde en toekomstbestendige stad; een sociale, inclusieve en gastvrije stad en een authentieke stad met sterke gebieden. Regio met contrasten Op regionale schaal werkt het gemeentebestuur samen met de 20 andere gemeenten binnen de Metropoolregio Eindhoven aan versterking van de

78

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

Wonen, werken en recreëren in Stedelijk Gebied Eindhoven Van de 21 gemeenten zijn Eindhoven en acht andere gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven een samenwerking aangegaan. Zij maken afspraken over het woningbouwprogramma, over bedrijventerreinen, over voorzieningen en over het integrale programma Brainport City.

vrijetijdsbesteding, toerisme en recreatie. Iedereen moet zich welkom voelen in een stedelijke, groene omgeving die internationale allure uitstraalt en plek biedt voor rust en ontspanning. Met het Stedelijk Gebied Eindhoven heeft Eindhoven de ambitie om met innovatieve verblijfsaccommodaties een uitvalsbasis te zijn voor nieuwkomers en bezoekers. Het versterken van recreatieve voorzieningen (zoals Aquabest en Gulbergen) en infrastructurele verbindingen dragen hier aan bij. Als centrumstad vervult Eindhoven een cruciale rol bij de versterking van Brainport Eindhoven als economische wereldspeler op het gebied van kennisintensieve maakindustrie en design. Om internationaal concurrerend te blijven, streeft Eindhoven samen met de regio naar een excellent woon- en werkklimaat. Eindhoven zet daarom randvoorwaardelijk in op gezonde en duurzame verstedelijking met behoud van stedelijke en dorpse kwaliteiten en met bijzondere aandacht voor sociale cohesie en inclusie. Eindhoven is in staat om zich snel aan te passen aan de steeds veranderende vraag naar geschikte en betaalbare ruimte om te wonen, werken, verblijven en recreëren.

Erfgoed Erfgoed geeft karakter en identiteit aan de stad en is in de wijken op verschillende manieren aanwezig (monumenten, historische radialen, historisch groen en historische stedenbouwkundige structuur). Ook in de toekomst wil het gemeentebestuur het verhaal van de stad in het stadsbeeld en de openbare ruimte terug blijven zien. Het is de opgave om vrijkomend erfgoed te transformeren en een tweede leven te geven. De centrale doelstelling hierbij is: het herkenbaar houden van de historische ontwikkeling van de stad om daarmee de identiteit en de kwaliteit van de leefomgeving te versterken. Bij de herinrichting van de openbare ruimte heeft het gemeentebestuur extra aandacht voor het herkenbaar maken van de historische structuur, verdwenen erfgoed en betekenisvolle plekken in het stadsbeeld. Met passende regelingen beschermen we het erfgoed en met de instandhoudingsplicht gaan we aantasting, verpaupering en verlies van erfgoed tegen om het voor toekomstige generaties te behouden. Hoogstedelijke milieus Bij de grote vijf steden van Nederland zien we een trend naar meer hoogbouw. Hoogbouw is een manier om te verstedelijken zonder extra ruimte in te nemen en waarbij de omringende openbare ruimte aantrekkelijk wordt heringericht. Het voorkomen van windhinder en schaduw op ongewenste plekken zijn belangrijke randvoorwaarden bij de realisatie van hoogbouw.

Een belangrijke regionale opgave is de (extra) woningbouwopgave zoals opgenomen in de Woondeal. Daarnaast liggen er opgaven rondom de transformatie van verouderde bedrijventerreinen (haven en industrie gerelateerd) en het bieden van (regel)ruimte voor nieuwe functies en experimenten. Voor de regio ligt er ook een belangrijke opgave op het gebied van Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

79

5.1 INLEIDING STEDENBOUW

Eindhoven kan goed inspelen op deze trends van inbreiding en verdichting door inzet op transformatie en het toevoegen van hoogbouw. Er is een diversiteit aan stedelijke en dorpse woonmilieus, maar het hoogstedelijk woonmilieu is nog weinig aanwezig. Een uitzondering hierop vormt Strijp-S, waar wonen, horeca en werken worden gecombineerd in een hoogstedelijke omgeving. In het centrum en in de spoorzone zijn volop plannen in ontwikkeling die meer hoogstedelijk karakter gaan toevoegen aan de stad. Unieke centrumplekken De gemeente heeft samen met de Rijksoverheid, provincie en Stedelijk Gebied Eindhoven een ‘Woondeal’ gesloten. Deze Woondeal richt zich op de hele woningmarkt. Hiermee wordt ingezet op een versnelling van de woningbouwproductie en het wegnemen van belemmeringen in bijvoorbeeld regelgeving. Afgesproken is dat Eindhoven als centrumstad van de regio, zich qua woningbouwproductie focust op een hoogstedelijk woonmilieu in het centrum. Dat gaat hand in hand met een stad die groener wordt door de aanleg van daktuinen, groene gevels en binnenterreinen. In het centrum biedt de stad ruimte aan bijzondere onderscheidende hoogbouw en andere vormen van verdichting. De hoogte varieert daarbij, afhankelijk van de locatie en omgeving. De aanwezige cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en monumenten dragen bij aan de identiteit en kwaliteit van de omgeving.

Bij nieuwe ontwikkelingen worden de identiteit en kwaliteiten van de omgeving gerespecteerd en bij voorkeur versterkt.

Het ensemble van originele fabrieksgebouwen heeft de formele status en bescherming van Gemeentelijk Monument. Zoals we in hoofdstuk A2 aangeven is het zorgvuldig integreren van het erfgoed het primaire principe van dit VOSP. In hoofdstuk B3 wordt specifiek ingegaan op de verschillende monumenten en de Hallen en Garages (tesamen: 'Erfgoed'). In de te behouden gebouwen komt ruim 20.000m2 divers programma, waarvan een deel (semi-)openbaar. Daarnaast - daaromheen - voegen we ruim 60.000m2 woonprogramma toe. De anterieure overeenkomst vermeldt 61.500m2. De kern van de ontwikkeling van het nieuwe Campinaterrein betreft de opgave om het erfgoed te behouden door het te transformeren en daarmee een tweede leven te geven, in combinatie met de realisatie van een omvangrijk nieuwbouwprogramma. We hebben deze duo-opgave concreet opgepakt door de inzichten uit de studie van het erfgoed te vertalen naar ontwerpuitgangspunten op alle ontwerpniveaus: de stedenbouw, de architectuur, de inrichting van het openbaar gebied en de restauratie van de monumenten. In dit VOSP is met name de stedenbouwkundige opzet en de inrichting van het openbaar gebied aan de orde. Het stedenbouwkundig ontwerp representeert de beide doelstellingen en resulteert in de ontwikkeling van een eigenzinnig hoogstedelijk woon- en werkgebied waarin het erfgoed het startpunt vormt.

Het nieuwe karakter komt direct voort uit het industriële karakter van het gebied en de bestaande bebouwing. Het erfgoed van het Campinaterrein vormt de basis voor de nieuwe stedenbouwkundige invulling en het programma. Aansluitend bij dit VOSP presenteren wij het Beeldkwaliteitsplan (BKP). Veel van wat wij in dit hoofdstuk presenteren wordt in het BKP verder uitgewerkt of gepreciseerd. Tenslotte nog het volgende: de openbare ruimte is als onlosmakelijk onderdeel mee ontworpen in dit VOSP. Wij wijden hoofdstuk 7 hieraan.

80

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

COMMUNITY BUILDING

OMGEVINGSVISIE

Bij communitybuilding denkt u wellicht aan een gemeenschapsgebouw. Elders bespreken we wat wij met het werkwoord Community Building bedoelen: hoe we de identiteit van de wijk op het niveau van de openbare ruimte (zie hoofdstuk 7) én op gemeenschapsniveau willen verstevigen en faciliteren. In de openbare ruimte noemen we dit de verbindingszone. Het (gevoel van) eigenaarschap en de daaraan verbonden 'communitybuilding' faciliteren we middels verschillende participatievormen. Hiermee brengen we de coöperatie terug waar deze historisch ook gevestigd was. Hoewel de uitwerking hiervan buiten het kader van dit hoofdstuk valt, is het wel degelijk een kerngedachte die stoelt op de stedenbouwkundige taak waarvoor wij ons gesteld zien: het omvangrijke woonprogramma op een beperkt beschikbare locatie en ondergeschikt aan het erfgoed.

Hiermee sluit het plan volledig aan bij de beleidsuitgangspunten van het gemeentebestuur zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie. Hierin wordt ruimte gegeven aan hoogstedelijke woonmilieus. De identiteit en kwaliteit van de omgeving wordt gerespecteerd en bij voorkeur versterkt. Op stedenbouwkundig en landschappelijk niveau zet het plan in op de vorming van een ensemblekwaliteit. De Campinafabriek was destijds een helder en fris fabrieksensemble. Het straalde eenheid uit en functioneerde als een samenhangend geheel. In de nieuwe situatie is het gebruik meer multifunctioneel en zijn de gebruikers ook veel meer individuen. Toch is de samenhang van het geheel een structuurbepalende kwaliteit. •

•

•

•

De monumenten blijven gehandhaafd en blijven in het ontwerp ook met elkaar in contact. Met het toevoegen van programma voegen we er een ruimtelijke laag aan toe. Het gebied als geheel krijgt een zonering waarin een heldere keuze met betrekking tot bouwvolumes en bouwhoogte herkenbaar is: laagbouwblokken en torens. Het geheel, nieuw en oud, gaat weer deel uitmaken van een eenduidig landschap waarin de relicten van de fabriek zijn opgenomen en de nieuwe collectiviteit de inrichting en sfeer van het openbaar gebied gaat bepalen. Ook in de architectuur wordt de link met het bestaande erfgoed gezocht. De nieuwbouw zal in kleur en materiaalgebruik verwijzen naar de aansprekende architectuur van de monumenten: lichtvoetig en transparant, met een ritmische ordening en ingetogen detaillering.

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

81

5.2 VAN NOORD NAAR ZUID

KANAALPARK KANAALZONE

4

2

3

1 MIDDENZONE BINNENWERELD N

BOULEVARDZONE BOULEVARD Binnen het plangebied onderscheiden we drie gebieden. Van noord naar zuid; de Kanaalpark, Binnenwereld, en Boulevard.

De ruimtelijke identiteit van het gebied wordt mede ontleend aan de contrasten in het gebied. De weidse ruimten naast de intieme kleinschalige ruimten. We houden de ruime opzet van het gebied aan de kant van het kanaal in stand. De nieuwbouw staat verder meer op de achtergrond. Aan de zuidzijde verdichten we door de nieuwbouw (laagbouw) in heldere en kloeke massa’s, in drie of vier bouwlagen, te organiseren. De nieuwbouw neemt de schaal én de richting van de monumentale fabrieksbebouwing over. Hier creëren we een compact openbaar gebied en streven we naar een vriendelijke sfeer. Wat ontstaat is een afwisselend spel van intieme stegen en pleintjes en een grote openheid aan de kant van het kanaal. Daar waar de monumenten een samenspel met elkaar aangaan passen we de nieuwbouw zorgvuldig in om ook de wisselwerking tussen de monumenten te behouden. Binnen het plangebied valt onderscheid te maken tussen drie gebieden gerelateerd aan hun situering: van noord naar zuid onderscheiden we de Kanaalpark, Binnenwereld, en Boulevard.

82

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

KANAALPARK Aan de noordzijde van het gebied is de relatie met het kanaal bepalend. Aan deze kant van het kanaal blijft de fabriekssituatie heel herkenbaar. De grootste ingreep is de plaatsing van de hoge toren T5 in de hoek van het Kanaal en de Rondweg. Deze toren markeert het begin of het eind van dit deel van de stad. De oorspronkelijke openheid en ruime opzet van de Campinafabriek komt hier terug en het erfgoed voert hier de boventoon. Het fijne en lage gebouw van de Melkontvangst markeert hier op subtiele wijze de overgang tussen de sfeer van het kanaal en de sfeer van het nieuwe Campinagebied. Het geheel wordt straks een (semi-)openbaar en vrij toegankelijk domein op het niveau van de stad. Door de ruime opzet te combineren met de sfeer en inrichting van het kanaal ontstaat een grote publieke ruimte die voor een groot deel haar identitieit ontleent aan de wisselwerking tussen het kanaal en fabrieksmonumenten. Dit is een waardevolle kans voor de stad om het gewenste beeld van de Groen/ Blauwe corridor kracht bij te zetten en de situatie van de langgerekte zone te transformeren naar een betekenisvolle publieke ruimte op het niveau van de stad. De ruimte is voornamelijk groen ingericht.

Er ontstaat een parkgevoel dat de ruimte van het kanaal bij de parkbeleving betrekt. Zo bieden wij de kans om in de toekomst opnieuw te kijken naar het profiel en het parkeren naast de rijbaan van de Kanaaldijk Zuid en bij een eventuele herinrichting van de Kanaaldijk maximaal bij het Campinaterrein aan te haken.

De route zal een groene sfeer krijgen met verharde paden en groene plantvakken. De pleinruimten zullen veel zitgelegenheid krijgen. De pleinruimte in de Hallen en Garages krijgt een meer steenachtige inrichting, de beide andere ruimten zullen volop groen krijgen.

BINNENWERELD

BOULEVARD

De verdichting vindt plaats daar waar een groot deel van de gebouwen geamoveerd kunnen worden. Dit zijn de gebouwen die in de rapporten als indifferent en storend geduid worden. Hier wordt de openbare ruimte programmatisch verdicht en compact, met de menselijke maat als vertrekpunt en het erfgoed als decor. Hier ontstaat de intimiteit van kleine pleinen en groene plekken aaneengeregen door smallere en bredere stegen en routes. Het middengebied is meer het domein van de bewoners en ondernemers in het gebied: de autovrije collectieve ruimte waar het buurtleven zich afspeelt. In oost-west richting ontstaat een lange doorgaande routing die aan de oostzijde start aan de Hugo van der Goeslaan - bijvoorbeeld bij de parkeerhub - en doorloopt naar de Hallen en Garages.

Aan de zuidzijde wordt de Dirk Boutslaan begeleid door hogere en lagere bebouwing. Tussen de Hallen en Garages en het Kantoorgebouw en Kantine worden twee kloeke woonblokken ingepast. Het doorgaande functionele karakter van de Dirk Boutslaan wordt bevestigd door de gebouwen min of meer op één lijn te plaatsen. Kleine inhammen bevestigen de dwarsroutes. Geen van de drie dwarsroutes loopt onbelemmerd door naar de noordzijde. In alle drie de dwarsroutes loopt men tegen wanden van de monumenten aan. Vanaf deze boulevard wordt het Campinaterrein en de mogelijke parkeergarage ontsloten om de overige openbare ruimte autoluw te houden. Bevoorrading van de voorzieningen en de toegang voor bezorgdiensten zal hoofdzakelijk via de Dirk Boutslaan plaatsvinden. Hiermee wordt het verkeer via Kanaaldijk Zuid beperkt.

Aan deze oost-west route liggen vier pleinruimten: 1. Aan de oostzijde rondom de schoorsteen. 2. Centraal de relatief kleine ruimte tussen de IJsfabriek en de Melkfabriek. 3. De grote ruimte tussen de Melkfabriek en de Hallen en Garages. 4. Aan de westzijde een bijzondere verblijfsruimte die wordt uitgesneden uit de Hallen en Garages.

De woonblokken aan de Boulevard hebben gesloten hoeken en een groene binnenruimte. Deze collectieve binnenruimten zijn bedoeld voor aanwonenden. De binnentuinen zijn rustig en groen. De inrichting zal samen met de bewoners bepaald worden.

Bij de voormalige Hallen en Garages wordt deze uitsnede ingezet om de enorme diepte van het gebouw schaal te geven en functioneel te maken. Hier wordt bovendien een opening gecreëerd naar het westelijker gelegen gebied Kanaalzone Zuid. In de toekomst kan de herontwikkeling doorgezet worden en een veel langere centrale route gerealiseerd worden richting het centrum van de stad. De parkeerhub kan hiemee een gebiedsoverstijgende voorziening worden.

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

83

5.3 DRIE GEBOUWFAMILIES

5.4 DE LAAGBOUW

drie gebouwfamilies erfgoed laagbouw torens

Het karakter van het Campinaterrein met haar kenmerkende gebouwen wordt doorgezet in het stedenbouwkundig plan. Hierin hanteren we het krachtige uitgangspunt dat de bebouwing bestaat uit drie herkenbare families: het erfgoed, zoals in hoofdstuk 3 besproken, de laagbouw en de torens. Elke ‘familie’ heeft eigen kwaliteiten en bijbehorende uitstraling en spelregels. Dit wordt vastgelegd in het Beeldkwaliteitsplan (BKP). Door consequent vast te houden aan deze driedeling ontstaat een leesbare ruimtelijke basisordening die een grote mate van vrijheid biedt in de architectonische en programmatische invulling. Regels en vrijheden bieden samen een aantrekkelijke balans tussen samenhang en dynamiek. Onderling zijn de families duidelijk te onderscheiden. Maar tegelijkertijd zijn ze met elkaar verbonden doordat met name kleurgebruik en materiaalgebruik ingezet worden om de nieuwe ensemblekwaliteit van het Campinagebied gestalte te geven.

84

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

In de familie van de laagbouw realiseren we heldere blokken met een blokmaat die aansluit bij het erfgoed zoals in hoofdstuk 3 uitvoerig is beschreven. De korrelgrootte met de karakteristieke industriële omvang van met name de Melkfabriek en de IJsfabriek/Ketelhuis nemen we over en zetten we in om tot een evenwichtige basisindeling te komen van het gebied. Zo ontstaan er gelijkwaardige stedenbouwkundige massa's van oud en nieuw die op elkaar inspelen. De samenhang wordt bereikt door oud en nieuw in dezelfde orthogonale ordening te plaatsen en door de blokken in de zichtassen. De monumenten en de blokken vallen als gelijkwaardige puzzelstukken in elkaar en creëren samen de topografie, het stratenplan, van de nieuwe buurt. De overgang tussen laagbouw en openbare ruimte geven we vorm middels een overgangszone die we in hoofdstuk 7 verder toelichten. Erfgoed en laagbouwblokken samen bieden ruimte aan het programma op maaiveld. De bouwhoogte zal 3 of 4 bouwlagen zijn. De woonblokken bevatten zowel appartementen als grondgebonden woningen. De laagbouwblokken zullen in het Beeldkwaliteitsplan dat zal worden opgesteld uitvoerig van kwaliteiten en regels worden voorzien. Op stedenbouwkundig niveau spelen de volgende uitgangspunten: • Verbindingszone tussen bebouwing en maaiveld, zie hoofdstuk 7.

• De standaard verdiepingshoogte is 3 meter bruto met uitzondering van de plint, die zoveel mogelijk 4 meter hoog is. • De hoeken van de blokken zijn gesloten. De hoeken zijn verbijzonderd zowel in programma als in architectuur. Hier komen de entrees, de collectieve en publieke ruimten van de woongebouwen. • Met name de entrees moeten een bijdrage geven aan de levendigheid van de straat. Bergingen en fietsenbergingen zijn geïntegreerd in de bouwblokken. • De entrees moeten zich onderscheiden in maat en materialisatie. Ze moeten ten minste dubbelhoog of dubbelbreed zijn. Bovendien transparant.

• • •

•

Leefgalerij en collectieve binnentuin aan binnenzijde van het bouwblok. Per blok vertonen de rooilijn en de daklijn geen verspringingen. Elk blok heeft als geheel één eigen repeterend ritme, waarbinnen de glazen invullingen en de buitenruimtes zijn geplaatst. Buitenruimten liefst gericht op de straat, zijn hoofdzakelijk geïntegreerd in het hoofdvolume.

7 14.8 8.4 13.2

5.3

Erfgoed

14 12

13

6

Laagbouw respecteert en reageert op bestaande hoogtes

Laagbouw massa en volume reageert in maat en schaal op erfgoed Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

85

5.5 SPECIALS

Ensemble erfgoed ensemble specials

We voegen specials toe om de identiteit en de uitstraling van het gebied te versterken. Zij voegen iets unieks toe en bieden ruimte om het overkoepelende programma van het thema food, health en social design zichtbaar te maken binnen het ensemble en communiceren dit naar de omliggende omgeving. De specials maken actief deel uit van het openbare leven en gaan een relatie aan met de gebouwen binnen het ensemble. Zo introduceren we een kas waar o.a. voedsel kan worden verbouwd, deze kas heeft direct een relatie met het naastgelegen horecaprogramma. Een parkeerhub die naast parkeerfunctie op het dak ook een publieke ruimte voor de buurt biedt die bijvoorbeeld kan worden ingericht als daktuin.

Specials in het ensemble

EENHEID IN KLEUR EN MATERIAALGEBRUIK De architectuur van de nieuwbouw wordt ontworpen in samenhang met het erfgoed. Het erfgoed is gebouwd volgens heldere principes inzake licht, lucht, ruimte en ritmische ordening. De bestaande constructie van de monumenten is op dezelfde principes geinspireerd, lichte constructies met economisch verantwoord materiaalgebruik zorgen voor open en lichte ruimtes. Door het gebruik van eenheid in materialisatie, gebruik van lichte kleuren, alzijdigheid en heldere gevelritmes bij de nieuwbouw ontstaat een herkenbaar ensemble met helder leesbare volumes, dat aansluiting zoekt met het erfgoed en het erfgoed niet overschaduwt maar juist versterkt en ruimte geeft.

Studioninedots Haptic Architects Kleur- en materiaalgebruik tonen verwantschap met erfgoed

86

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

gevels erfgoed

Bestaande architectuur

specials

Marc Koehler

Special op het plein tussen Melkfabriek en Hallen

Bestaande architectuur Gevels erfgoed

Geurst en Schulze

Delva/Studioninedots Trap naar daktuin parkeergarage

Lowlands Kas Kas met kwekerij

Daktuin Kopenhagen Dak met groententuin

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

87

5.6 HOOGBOUW

5.6.2 SAMENSPEL HOOGBOUW, MONUMENTEN EN BLOKKEN

In de tijd van de Melkfabriek, was de schoorsteen een essentieel onderdeel van de fabriek: de schoorsteen benadrukte de energie in het plan. De nieuwe torens gaan op een zekere manier dezelfde rol vervullen. Ze leveren de hoeveelheid bewoners en daarmee het draagvlak en de initiatieven die het nieuwe plan tot leven wekken. Daarnaast hebben de nieuwe torens, net als de schoorsteen, een duidelijke signaalfunctie in de stad. Samen zijn ze het baken aan het kanaal en de Ring, dat de Eindhovenaren gaan herkennen als oriëntatiepunt. De torens geven het gebied opnieuw een adres in de stad.

Het nieuwe Campinaterrein krijgt vijf torens. We hebben ze genummerd: • Toren 1: staat aan de westzijde ín de Hallen en Garages. • Toren 2: staat aan de zuidkant in het blok naast de Hallen en Garages. • Toren 3: staat in het midden van het terrein, tussen de Melkfabriek en de IJsfabriek. • Toren 4: staat aan de Dirk Boutslaan. • Toren 5: in de hoek van het Kanaal en de Ring.

25

5.6.1 SCHOORSTEEN ALS METAFOOR

25 Torens krijgen een voetafdruk van maximaal 25 bij 25 meter.

Alle torens zijn in beginsel opgezet met dezelfde vierkante footprint die rechtlijnng omhoog gaat. De torens variëren in hoogte. Alle torens worden alzijdig in hun uitstraling. De inzet van torens in het plan zorgt ervoor dat ondanks de toevoeging van een fors woonprogramma het erfgoed zo veel mogelijk zichtbaar blijft en er ruimte beschikbaar blijft voor een hoogwaardige groene invulling van het maaiveld. De torens zijn zorgvuldig ingepast. De torens staan nergens solitair in de ruimte. Ze vormen een herkenbare groep van accenten, die samen een spannend ruimtelijk spel aangaan met de monumenten en de nieuwe laagbouw. Ze maken deel uit van de nieuwe blokken, staan tegen de monumenten of gaan zelfs, zoals bij de Hallen en Garages het geval is, door de bestaande volumes heen. Centraal in het plan staat toren 3, tussen de Melkfabriek en de IJsfabriek.

T1 T3

T2 T4

Schoorsteen als herkenningspunt/hoogteaccent voor voormalig Campinaterrein

88

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

T5

Hoogbouw als ensemble nieuw herkenningspunt voor hernieuwd terrein en uniek hoogteaccent voor de stad

Studioninedots

Spelregels voor beëindiging torens

De torens krijgen geen eenzame plek in het plan, maar vormen straks een onlosmakelijk onderdeel van de nieuwe leef- en werkwereld. De torens helpen het bestaande erfgoed te verbinden met de nieuwe omgeving. Ze worden onderdeel van de nieuwe bestemming van het oude fabrieksterrein. Op deze wijze ondersteunt het plan het tweede leven van de monumenten. Ruimtelijk maar ook functioneel door bijvoorbeeld het delen van de entrees, of de verbondenheid door luchtbruggen of leidingen. Maar ook, waar mogelijk in de uitwisseling van bijvoorbeeld energiestromen. De torens zijn sterk verbonden met het maaiveld. Om dit kracht bij te zetten, kiezen we voor verbijzondering van het basement, waar de torens een fysieke verbinding aangaan met hun omgeving.

• •

•

• •

Voor elke toren wordt een specifieke wijze ontworpen hoe de toren landt op maaiveld. De verbijzondering dient niet te worden uitgewerkt als uitdijing, maar juist als uitholling of openen van het toren-volume. Bij de architectonische expressie van elke toren dienen de buitenruimtes integraal en in samenhang te worden vormgegeven, zo dat de slankheid van de toren tot uitdrukking komt. Alzijdige uitstraling. De torens krijgen een herkenbare beëindiging.

De aansluitingen tussen oude en nieuwe bebouwing is een complexe architectonische opgave die met veel zorgvuldigheid moet worden aangegaan. Deze wordt uitgewerkt in het Beeldkwaliteitsplan. In dit BKP worden de regels voor de uitwerking vastgelegd. Op stedenbouwkundig niveau spelen de volgende uitgangspunten die we in het BKP verder uitwerken: Spelregels hoogbouw volgens nota hoogbouwbeleid Gemeente Eindhoven

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

89

INZET 4 HOOGBOUWBELEID EINDHOVEN DE DERDE DIMENSIE VAN EEN LAAGBOUWSTAD HOOGBOUWBELEID GEMEENTE EINDHOVEN 2017 Door de gemeente Eindhoven zijn met het rijk en de provincie afspraken gemaakt om woningen toe te voegen in het gebied binnen de Ring met accent op het Centrum. Eindhoven kiest voor verdichting met kwaliteit, compact bouwen, de hoogte in om groene ruimte te sparen in de rest van de stad. Hiervoor is het hoogbouwbeleid Binnenstad opgesteld gebaseerd op meer woningen, meer groen, duurzaamheid en een gemengd programma. Voor de overige locaties binnen de Ring is de verdichting waar mogelijk onderzocht en een van de potentiële plekken waar deze mogelijk is, is de Kanaalzone langs het Eindhovens Kanaal. Voor de overige gebieden is de Hoogbouwvisie van kracht. Conform de Hoogbouwvisie is Eindhoven overwegend bebouwd met een laagbouw milieu met hier en daar accenten tot 5 bouwlagen. De volgende categorieën worden onderscheiden; • S (small) categorie tot max. > 15m bouwhoogte. • M (medium) categorie is structuur dragende hoogbouw en betreft een bouwhoogte van max. > 45m. Deze structuren begeleiden de hoofdwegen en assen. • L (large) categorie betreft de stedelijke oriëntatiepunten. Ze markeren een markante plek maar zijn niet dominant in het stedelijk silhouet. De bouwhoogte is max. 75m. • XL (extra large) categorie betreft de regionale landmarks.

Ze bepalen het stadssilhouet en vormen nieuwe oriëntatiepunten. De Regent, De Admirant, De Vestedatoren, Student Hotel en KBC- toren zijn hier een voorbeeld van. De bouwhoogte is max. > 105m. • XXL (extra extra large) categorie is tot nu toe fictief geweest maar wordt nu mogelijk gemaakt binnen de hoogbouwvisie voor de Binnenstad. XXL categorie De bouwhoogte is max. >160m

90

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

Binnen deze maximale hoogtes is altijd een plaats voor ruimtelijke aanleiding, reflectie op de plek en aandacht voor leefbaarheid van de omgeving. Deze aspecten bepalen uiteindelijk wat de gewenste hoogte zou kunnen zijn. Aan de hoogbouw binnen de Gemeente Eindhoven worden algemene kwaliteitseisen gesteld. De meeste eisen zijn universeel van aard en eveneens van belang voor de ontwikkeling van de hoogbouw op het Campinaterrein. 1. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en vergroening van de omgeving. 2. Verdichten met respect en aandacht voor cultuurhistorie. 3. Ontwikkelen met aandacht voor duurzaamheid, klimaatadaptatie, groen en leefbaarheid. 4. Toepassen van duurzame mobiliteitsoplossingen. 5. Het daklandschap wordt bruikbaar voor groen, duurzaamheid en/of toegankelijk en bruikbaar voor sport en spel. 6. Ontwikkelen volgens een gemengd programma met levendige plinten en actieve plekken op hoogte. 7. Maak de locatie toegankelijk en doorwaadbaar door middel van een kwalitatief hoogwaardige openbare ruimte. 8. Ontwikkelen volgens drie van elkaar onderscheidende typologieën: Eindhovense laag, Brainportlaag en Specials. (S – M/L/X/XL/XXL- ?; Specials zijn zonder hoogte aanduiding) 9. Hoogbouw wordt ontwikkeld met oog voor de impact op de omgeving. (bezonnings- en windonderzoek) 10.

Ondersteunende voorzieningen ten behoeve van een ontwikkeling worden in het gebouw opgenomen, niet in de openbare ruimte.

5.6.3

POSITIE VAN DE TORENS

Voor de positie van de torens is de directe omgeving en de afstand tussen de torens onderling bepalend. De torens zijn zo geplaatst dat ze niet op één lijn staan en de bewoners aan iedere zijde van een toren een zo vrij mogelijk uitzicht hebben, al dan niet langs de andere toren. Deze positionering zorgt voor een wisselende transparantie in de stedenbouw. Met name rijdend op de Ring of langs het kanaal is het wisselende beeld te ervaren. Op het ene moment kijkt men ruim tussen de torens door op een ander moment lijken de torens één geheel te vormen. Hiermee zijn ze niet alleen herkenbaar, maar kunnen ze ook ter oriëntatie dienen.

Torens nooit in elkaars verlengde gepositioneerd, vrij uitzicht woonkwaliteit

Zicht op erfgoed, combinatie stadse laagbouw en hoogbouw behoudt zicht op erfgoed

Rückriem plaatst het liefst zijn (staande) sculpturen in een landschap. Daar zijn ze wonderwel op hun plaats alsof ze er altijd gestaan hebben. Ze zijn niet of net niet in elkaars verlengde geplaatst, wat zorgt voor een interessant ruimtelijk spel waarin de volumes een relatie met elkaar aangaan. Hun gelijke vorm versterkt hun verwantschap als ensemble.

Ulrich Rückriem · “Limestone” (1988 Dublin)

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

91

5.7 RESUMEREND GEMEENTEBELEID T2 · 45 M

T4 · 64 L

verdichtingsvisie, ontwikkelperspectief, en woondeal in relatie tot hoogbouwnota

T1 · 49 •

M

T3 · 58 L

•

T5 · 75 •

L

erfgoed laagbouw torens

Bouwhoogtes torens in meters

•

specials

•

5.6.4

TORENS ONDERDEEL VAN HET STADSBEELD

De eerste verdichting binnen de Kanaalzone heeft plaatsgevonden op het Picusterrein aan de westzijde van de Kanaalzone. Hier is gebouwd in de categorieën S en M. De volgende ontwikkeling vindt plaats aan de Ring, op het Campinaterrein. We zien het Campinaterrein als aanjager. De Kanaalzone zal ontwikkeld worden tot een nieuw stuk stad met een hoogtepunt in het gebied naast de kruising van het kanaal en de Ring. Om dit kracht bij te zetten en de connectie met het centrum te maken, komen er een aantal hoogteaccenten in het plangebied. De vijf torens worden samen onderdeel van het silhouet van de stad. Campina wordt hiermee, vergelijkbaar met Strijp S, een satelliet van het centrum, aan het eind van de strip die de Ring met het centrum verbindt. Het ontwerp strookt met het hoogbouwbeleid van de gemeente Eindhoven. De locatie Campina is een locatie binnen de Ring, waar volgens het gemeentelijke hoogbouwbeleid verdichting en bouwen in de hoogte mogelijk is. Het toepassen van een mix binnen M-categorie past het best in het gemeentelijk beleid. Waarbij ter plaatse van de ontmoeting tussen de beide structuurdragers - het Eindhovens Kanaal en de Ring - een accent in de L-categorie past in het beleid. Studie heeft uitgewezen dat bij 4 torens met een

92

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

CAMPINATERREIN

hoogte van 45 meter en één accent van 75 meter er niet voldoende capaciteit ontwikkeld kan worden om het overeengekomen programma van 61.500 m2 wonen te kunnen ontwikkelen. Houden we strikt vast aan de hoogtebepalingen die de Raad heeft vastgesteld dan zijn er meer torens nodig, of krijgen de torens een ongewenste plompe vorm. Dit zou zeer ten koste gaan van de beleving van de monumenten. Ook het ophogen van de laagbouw is geen goed idee. De gelijke hoogte tussen de monumenten en de nieuwe laagbouw is een uitgangspunt dat zeer goed uitpakt, omdat dit de inpassing van de monumenten in hun nieuwe omgeving ten goede komt. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het realiseren van een samenspel van 5 torens met een naar het oosten toe opklimmende hoogte het meest optimaal. De torens variëren in het plan tussen de 45 meter (M) en de 75 meter hoogte (L), dusdanig dat een ensemble ontstaat van in hoogte oplopende torens. Niet alleen de toren in de hoek, maar het gebied als geheel krijgt de accentwaarde.

•

•

De Nota Hoogbouw definieert de categorieën M tot 45m hoogte en een hoogteaccent L tot 75m hoogte. Globaal geldt dat hier M zonder meer van toepassing is en een hoogteaccent aan de Ring wenselijk. Een marge van ca 10% is een gebruikelijke uitzonderingsruimte. Door het algemene tekort aan woningen en het kader van de Woondeal ligt er een grote opgave om woningen toe te voegen. Eindhoven wil verder verdichten binnen het gebied Centrum binnen de Ring. In het ontwikkelperspectief Centrum is een scenariostudie gedaan naar verdichting voor het gebied Centrum binnen de ring. In alle scenario’s is een extra groei voorzien voor woningen binnen het gebied Centrum binnen de Ring. In de omgevingsvisie is de stedelijke opgave werken aan een aantrekkelijk en hoogstedelijk centrum opgenomen, te weten: Een levendig en aantrekkelijk centrum met meer en unieke plekken om te wonen, werken, ontmoeten, leren en ontspannen. Deze opgave geldt voor het gebied Centrum binnen de ring. De omgevingsvisie zet in op compact verdichten met de nadruk op zuinig ruimtegebruik; de hoogte in gaan is daarbij een logische richting.

•

•

•

•

De hoogste (T5) en de laagste (T2) toren passen binnen de visie hoogbouw geformuleerd door de gemeente. T1 valt nog binnen de 'flexibiliteitsmarge bij aangetoonde meerwaarde'. T3 en T4 vormen de overgang tussen beide uitersten. De Nota Hoogbouw stamt uit 2008 en is niet helemaal meer actueel noch eenduidig. Het Campinaterrein ligt binnen de Ring op het kruispunt van Kanaal en Ring, waardoor de combinatie van M en L - i.c. specifiek de overgang van M naar L - goed verdedigbaar is. Het Campinaterrein is gelegen binnen het gebied Centrum binnen de Ring. Met de realisatie van ruim 700 woningen draagt de ontwikkeling Campina bij aan de Woondeal en aan de stedelijke opgaven uit de verdichtingssvisie. Door de hoogte in te gaan, wordt gezorgd voor zuinig ruimtegebruik. De realisering van torens variërend van M tot L draagt bij aan deze doelen. We voldoen ruimschoots aan de voorwaarden waaraan voldaan moet worden bij de toepassing van hoogbouw.

SAMENVATTEND 1. We voegen torens toe om het omvangrijke woonprogramma zo compact mogelijk in te passen ten gunste van erfgoed en openbare ruimte 2. de torens vormen gezamelijk het hoogteaccent van het Campinaterrein in de stad 3. de hoogte van de torens sluit aan bij de omgeving en loopt op naar de ring toe waar ook het stedelijk schaalniveau het hoogst is

De hoogste (T5) en de laagste twee torens (T1 & T2) passen binnen de visie hoogbouw geformuleerd door de gemeente, T3 en T4 vormen de overgang tussen beide uitersten. 4. we houden de individuele torens los van elkaar en herkenbaar; zo geven ze identiteit binnen het Campinaterrein en oriëntatie daarbuiten.

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

93

5.8 ZICHT VANUIT DE OMGEVING ZICHT VANAF DE RING KOMEND UIT HET ZUIDEN

Aanzicht oostzijde (ring)

ZICHTBAARHEID ERFGOED Doordat een groot deel van het toe te voegen programma in 5 torens wordt gecomprimeerd, is het gelukt om het erfgoed de hoofdrol te laten spelen in het beeld vanuit de verschillende standpunten binnen en buiten het plan. De enscenering op stedenbouwkundig niveau wordt in dit hoofdstuk beschreven en verantwoord. Uiteraard wordt de relatie tussen de nieuwbouw en het erfgoed in het BKP verder uitgewerkt.

ZICHT VANAF RING EN KANAAL, KOMEND UIT HET NOORDEN Vanaf de Kanaaldijk en de brug over het kanaal blijft het oorspronkelijke erfgoed grotendeels zichtbaar in het nieuwe plan. De schoorsteen, het Ketelhuis, de IJsfabriek, de Melkfabriek en Melkontvangst en de Hallen en Garages zijn vanaf deze zijde prominent aanwezig. De nieuwbouw staat er als een coulisse achter geplaatst, met uitzondering van het gebouw aan de Ring. Hier stapt de hoogste toren naar voren en eist een plek op naast de belangrijke monumenten.

Aanzicht noordzijde (Kanaaldijk)

94

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

Zicht vanaf ring en kanaal

De historische gebouwen komen zowel als ensemble als individueel volledig tot hun recht. De oorspronkelijke ruime opzet van het fabriekscomplex is hier straks goed te ervaren. De open relatie met het kanaal blijft, maar zal volledig transformeren. De defensieve hekwerken verdwijenen en de stenige vloer wordt vervangen door veel groen. De relicten gaan deel uitmaken van het openbare gebied tussen de monumenten en de kanaaloever en krijgen een eigen inbreng in de realisatie van dit ‘Campina-park’.

Het zicht op de IJsfabriek en het Ketelhuis met de schoorsteen, kijkend langs de mooie gevel van de Kantine is nog heel authentiek. Het beeld is waardevol en daarom als doorzicht gehandhaafd. De ruimte tussen de Kantine en het nieuwe parkeer- en mobiliteitsgebouw is groot genoeg zodat het zicht op het ensemble in het interieur van het gebied blijft bestaan. Het zicht vanaf de Ring op de oostflank van het terrein zal wél veranderen. We hebben de keuze gemaakt om het verkeerslawaai vanaf de Ring af te schermen met het parkeergebouw, de parkeerhub. Een logische keuze, met als gevolg dat de bestaande diepe inkijk vanaf de Ring op het ensemble van IJsfabriek, met de klok en Schoorsteen, sterk wordt ingekaderd.

De zijgevel van het Kantoorgebouw en Kantine blijven wel helemaal in beeld. Doordat het parkeergebouw relatief laag is, zal de schoorsteen er bovenuit torenen en zijn rol als markant herkenningspunt kunnen blijven vervullen. Het sluiten van het gat naast de Kantine komt tegelijkertijd de beleving vanuit het interieur van het gebied ten goede. De langgerekte interne route van west naar oost wordt door het parkeergebouw beëindigd. De interne plek krijgt een grotere mate van beslotenheid die de intimiteit van het middendeel versterkt.

Zicht vanaf de Ring komend uit het zuiden, de klok is hier nog nèt zichtbaar Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

95

5.9 PLEKKEN

ZICHT VANUIT HET ZUIDEN, DE WIJK AUGUSTUS

PLEK 1 WESTGEVEL MELKFABRIEK

Aanzicht zuidzijde (Dirk Boutslaan)

De Dirk Boutslaan zien we het liefst evolueren naar een stedelijke Boulevard, waarin de auto én de wandelende voetganger en de fietser het beeld bepalen. De zuidrand van het Campinaterrein begeleidt dit deel van de Dirk Boutslaan met relatief lage gesloten woonblokken met een vrij continue bebouwingslijn. De toren die in dit beeld het meest domineert is toren 2, de laagste toren. Voorlangs deze toren treft men de enige doorgaande vista met zicht tot aan het kanaal, en langs de Hallen en Ggarages.

Deze vista verbindt op deze plek de Dirk Boutslaan met de kanaalzone. Dit is een verbinding die in de bestaande situatie helemaal niet bestaat. De andere twee inkijken bieden zicht op het erfgoed; Het volgende zicht op het interieur van het plan vanaf de Dirk Boutslaan is de blik op de hoek van de Melkfabriek en de centrale toren. De derde, meest oostelijke inkijk brengt de IJsfabriek in beeld. De Dirk Boutslaan wint met deze drie ‘inkijken’ enorm aan belevingswaarde.

Het overhoekse beeld van de Melkfabriek aan de kant van het kanaal draagt bij aan de integratie van de Melkfabriek in de nieuwe situatie. Het oorspronkelijke samenspel van de Melkfabriek, de Hallen en Garages en het Ontvangstgebouw komt optimaal naar voren en vormt een belangrijke toegang tot het Campinaterrein. Aan deze zijde van de Melkfabriek wordt gedacht aan horeca met een terras aan de buitenzijde. De aanwezige hellingbaan aan de zuidzijde biedt een goede aanleiding om hier de entree naar de (fietsen)kelder op te nemen in het plan.

Zicht vanaf de Dirk Boutslaan komend uit het westen

Doorkijk vanaf de Dirk Boutslaan naar kanaal

96

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

De locatie tussen de Melkfabriek en de Hallen en Garages vormt een belangrijke plek in het ontwerp; dit is qua maat en schaal de grootste pleinruimte binnen het Campinaterrein en loopt vanaf het Kanaal tot diep het plan in door. De oorspronkelijke ruimtelijkheid met de fiere gevel van de Melkfabriek en de lange doorgaande lijn van fuséedaken van de Hallen is waardevol en illustratief voor de sfeer van de fabrieksgebouwen in de beginfase van Campina. Toevoeging van de Special (de kas) geeft de ruimte meer intimiteit en geborgenheid, en vernieuwt het ensemble. De Special versterkt het contrast tussen de openheid aan de kant van het kanaal en de geborgenheid van het woongebied. De westgevel en de hoeken van de Melkfabriek maken we weer helemaal zichtbaar door de huidige ontsierende aanbouw te verwijderen. Ook de originele hellingbaan onder deze aanbouwen willen we weer bereikbaar maken. We zetten er op enige afstand een kas en paviljoen voor en houden de hoeken van de Melkfabriek vrij. De contouren van de Melkfabriek blijven het beeld bepalen en de alzijdigheid van het monument wordt in ere hersteld.

Plein tussen Melkfabriek en de Hallen met een nieuwe kas en een paviljoen

Big Architects Referentie ensemble met kas

Zicht vanaf het schoolplein bij de Dirk Boutslaan Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

97

PLEK 2 KANTOOR EN KANTINE

PLEK 4 INPASSING TOREN 1 EN PATIO

Voor het hele Campinaterrein geldt dat we de ensemblekwaliteit van het erfgoed restaureren. In de zuidoost hoek van het plangebied is dat de visuele wisselwerking tussen enerzijds Kantoor en Kantine en anderzijds de IJsfabriek met Ketelhuis en de schoorsteen. Deze relatie houden we in stand en krijgt een nieuwe dimensie of gelaagdheid door de nieuwbouw er onderdeel van te maken. Door het L-vormige gebouw van Kantoor en Kantine onderdeel de laten worden van een meer gesloten blok, rondom een hof, ontstaat een op stedenbouwkundig niveau heldere bouwsteen die aansluit bij de andere blokken. Het nieuwe L-vormige volume reageert in maat en schaal op de bestaande gebouwen. Het zicht tussen de IJsfabriek, de kop van de Kantine en een deel van de Kantoorvleugel houden we open. Plein tussen de IJsfabriek met de schoorsteen en de nieuwbouw

Aan de westzijde van het terrein ligt de grote plot van de Hallen en Garages. Deze hebben niet de status van monument gekregen, maar zijn wel als waardevol bestempeld; het fascinerende golvende fuséedak is vrij uniek. De westgevel is volledig gesloten en vormt nu de beëindiging van het terrein. De oostzijde vormt een lange lage gevel die voor een belangrijk deel aan de grote pleinruimte ligt. Dit geeft de ruimte om de Hallen en Garages aan te passen aan de nieuwe omgeving en de nieuwe bestemming van het gebied. De mutatie die wordt voorgesteld is het ‘uitgutsen’ van ruimten; zo ontstaat een interne pleinruimte waarin toren 1 kan worden ingepast en kan worden bereikt. De zeer grote binnenruimte van de Hallen krijgt op deze wijze licht en betrokkenheid bij het totale plan en vormt een spannende onderbouw voor de woontoren. Wonen en bedrijvigheid zullen hier in elkaar haken. Bovendien creëren we zo een doorgang naar de toekomst; een opening naar de bedrijfszone aan de westzijde die in de toekomstige ontwikkelingen een verbindende schakel kan worden tussen centrum en Campinaterrein.

Zicht vanaf schoorsteen naar Kantoor en Kantine

PLEK 3 INPASSING TOREN 3 TUSSEN MONUMENTEN In het centrum van het plangebied herstellen we de ruimte tussen de twee belangrijkste monumenten: de Melkfabriek en de IJsfabriek. Fantastisch dat hier de twee zijgevels de dialoog opnieuw met elkaar aangaan. Nog spannender is het als die dialoog geconfronteerd wordt met een tussen de monumenten geplaatste toren. De nieuwe context dringt zich tussen de twee monumenten. Hier ontmoeten verleden en heden elkaar. Dit is zo’n ontwerpopgave die complex is, maar tot een heel dynamisch moment in het plan zal leiden. De Melkfabriek wordt letterlijk gespaard, en wel uit de nieuwe toren die deels boven de Melkfabriek komt te staan. Aan de kant van de IJsfabriek sparen we een doorgang uit; deze verbindt het midden van het plangebied met het Kanaalpark. Hier vindt men de entree van de toren. Tevens wordt de westgevel van de IJsfabriek als begeleiding van deze doorgang bij de Melkfabriek

98

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

getrokken. Zo menen wij beide monumenten te verbinden met de toevoeging van deze toren. De uitwerking van deze ontmoeting van drie markante gebouwen is een van de grote uitdagingen in de

Inpassing toren 3

Inpassing toren 1 en patio

INZET 5 BELEIDSREGEL GEMEENTELIJKE NORMEN WINDHINDER GEMEENTEBLAD Officiële uitgave van de gemeente Eindhoven Beleidsregel gemeentelijke normen windhinder Nr. 141113 4 juni 2020 1. De Gemeente Eindhoven kiest nadrukkelijk voor het toevoegen van hoge gebouwen binnen de stad. De Gemeente Eindhoven stelt daarbij ook eisen aan windhinder en windgevaar. 2. Windhinder en windgevaar moeten conform NEN 8100:2006 in beeld worden gebracht. 3. Voor de openbare ruimte moet als ondergrens een ‘goed’ (zoals gekwalificeerd in NEN 8100:2006) windklimaat worden nagestreefd. Voor ‘langdurig zitten’ wordt altijd een kwalificatie ‘goed’ verlangd. Deze kwalificatie geldt ook voor ‘slenteren’ wanneer een hoofdentree van een gebouw in een dergelijk gebied is gelegen. Een beoordeling ‘matig’ kan eventueel na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd, hierbij spelen kosten van windhinderbeperkende maatregelen en het ontbreken van alternatieven een rol. Een ‘slecht’ windklimaat is niet toegestaan. In situaties waar, vanwege specifieke locatieomstandigheden, in zeer beperkte mate op niet voor verblijf relevante plekken, het windhinderklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, hebben B&W de bevoegdheid van deze eis af te wijken. 4. Bij windgevaar moet de kwalificatie ‘gevaarlijk’ te allen tijde worden vermeden.

Dko Architects Referentie contrast tussen bestaand en nieuw volume Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

99

5.10 WINDHINDER Kanaal

dijk-N

schermen h = 1,5 m

46 m

oord

inrichtingsplan Delva

T1

Kanaal

dijk-Zui

52 m

d scherm h=4m

55 m

55 m 52 m

T3

61 m

overstek h = 6,9 m

58 m

61 m

T5

70 m luifel h = 15 m

luifel h = 8,3 m

er Go

eslaa n

luifel h=7 m

van d

T2

Hugo

45 m

61 m

64 m

58 m

luifel h=7 m

T4

= goed windklimaat (doorlopen <10.0; slenteren <5.0) = matig windklimaat (doorlopen 10.0 - 20.0; slenteren 5.0 - 10.0) = slecht windklimaat (doorlopen ≥20.0; slenteren ≥10.0) = beperkt risico lopen = overschrijding gevaarcriterium / beperkt risico slenteren

O 16375

Variant 5

UITKOMST WINDONDERZOEK Voor de situatie binnen en direct rondom het plangebied heeft uitvoerig windonderzoek plaatsgevonden. De uitkomst van de windonderzoeken geeft voldoende vertrouwen dat wij zowel binnen het hele plangebied als daaromheen de beoordeling goed kunnen gaan realiseren. De keuze om de gebouwen niet 'koud' op de grond te zetten, maar te laten landen op lagere gebouwen levert een gunstiger windklimaat op. De torens aan westzijde zijn lager dan bij de Ring. Ze hebben daarmee ook minder impact op hun omgeving. Toch zullen we bij alle torens in de uitwerking specifieke maatregelen meenemen die uit de verschillende windonderzoeken naar voren zijn gekomen. In het plangebied is er alleen bij T2 nog één geel puntje op de hoek van de toren, één bij T4 in het straatje en twee bij de doorgang tussen MelkfabriekT3-IJsfabriek. Buiten het plangebied zien we alleen bij de hoek Kanaaldijk Zuid/ Hugo vd Goeslaan en een plaats op de Kanaaldijk Zuid nog getallen net hoger dan 10. Deze matig scorende plekken zullen in het inrichtingsplan en de deeluitwerkingen extra aandacht krijgen. De hoek naast T4/laagbouw zal bij de uitwerking van deze gebouwen extra aandacht vragen.

100

Deel B, hoofdstuk 5; Plan: Stedenbouw

Dirk Bo

utslaa

n

VOORLOPIG

Figuur 7

Conclusie voorlopig rapport Peutz, onderzoek O 16 375 variant 5 dd 14 september 2020. Sinds kort heeft de gemeente een beleid omtrent windhinder (zie inzet). Uitgangspunt is een beoordeling 'goed' voor de betreffende functie of onder voorwaarden 'matig' maar niet slecht of gevaarlijk. • De onderzoeksresultaten zijn ten opzichte van het eerdere onderzoek op hoofdlijnen gelijk tot enigszins gunstiger; met name het windklimaat bij T5 pakt wat gunstiger uit. Alleen bij T4 is in de uitgangssituatie sprake van een beoordeling slecht met het criterium voor doorlopen, verder is sprake van een goed of plaatselijk matig windklimaat. Een beoordeling matig is op de meeste punten te voorkomen door kleine wijzigingen in de bebouwingsopzet, bouwkundige windafschermende maatregelen en de terrein-inrichting. Een beoordeling slecht is eveneens te voorkomen. • Het windafschermende effect van de terrein-inrichting kan worden gewaarborgd en worden versterkt door met name in de gebieden met een beoordeling matig, goed vertakte en volwassen begroeiing te plaatsen in de vorm van bladhoudende meerstammige heesters en wind bestendige bomen.

•

Ter plaatse van horeca kan afscherming worden ondervonden van terrasschermen. Hiermee is zelfs met het strengste criterium sprake van een beoordeling goed.

Toren 1 De situering van de toren op de laagbouw en een verkleining van het plein zijn gunstig voor het windklimaat. Toren 2 Ten opzichte van de uitgangssituatie is de toren enkele meters verschoven richting laagbouw, dit heeft een beperkt maar positief effect. De toevoeging van een luifel van 7 meter hoogte heeft eveneens een beperkt maar positief effect. Toren 3 Er zijn 2 hoogtes van het overstek en de aangrenzende luifel onderzocht. De lage variant, met een hoogte van 6,9 meter, pakt het gunstigst uit. De luifel aan de zuidzijde van de toren doorzetten naar de IJsfabriek heeft een beperkt positief effect. Een luifel rondom de toren geeft geen verbetering. Toren 4 In de uitgangssituatie is zowel in de straat links als rechts van de toren sprake van een slecht windklimaat. Rechts (zijde

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11744117/1