Bijlage 1a - Bestemmingsplan Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg)
Tekst van het document
Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2.
Circulaire Economie
Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit.
In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
55
benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3.
Natuur
Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4.
Sociale basisbehoeften
The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater.
Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame 56
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.6.1
Planbeschrijving
Met de geplande nieuwbouw van de zuiverings- en spoelwaterterugwinningsinstallatie krijgt duurzaamheid ook een impuls in het gebied. Door een optimale indeling van procesinstallaties worden interne transportstromen geminimaliseerd en wordt het gebruik van energie zoveel mogelijk gereduceerd. Doordat de productieprocessen volledig worden vernieuwd, kan het productieproces volledig volgens de BBT (best beschikbare technieken) worden ingevuld. Dit leidt ertoe, dat de drinkwaterproductie efficiënter, energiezuiniger en met minder afvalstoffen gedaan kan worden. Met name de hoeveelheid afval wordt fors verminderd doordat de spoelwaterterugwinning wordt verbeterd. Afvalstoffen worden in de toekomst per vrachtauto afgevoerd, daar waar er in de huidige situatie nog sprake is van een forse afvalwaterstroom richting RWZI. Door situering van de productielocatie nabij de reinwaterkelders wordt de interne transportlengte verminderd, waardoor ook hiervoor minder energie nodig is. De bestaande duurzame energieopwekking middels zonnepanelen wordt uitgebreid, waardoor nog meer dan nu duurzame energie wordt benut. Door het realiseren van retentiegebied binnen de planlocatie wordt het hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld van het rioolsysteem en geïnfiltreerd binnen het plangebied. Dit verbetert de grondwaterkwantiteit en -kwaliteit en vermindert de afvaldruk op het riool.
Het plangebied wordt hiermee (fors) klimaatadaptiever. Met het verplaatsen van de activiteiten voor zuivering en spoelwaterterugwinning, wordt het gebruik van de locatie zo compact mogelijk ingezet, waardoor er sprake is van zuinig en duurzaam ruimtegebruik. De vrijkomende gronden in het zuiden worden ingezet voor natuur- en landschapsontwikkeling. Samen met de meer natuurlijke inrichting van het buitengebied (met name op de reinwaterkelders) leidt dit tot een verbetering van de ecologische kwaliteiten en de biodiversiteit in het plangebied. Dit heeft ook positieve effecten op de omgeving. De landschappelijke en maatschappelijke duurzaamheid verbeteren doordat het gebied (visueel) minder ontoegankelijk en aantrekkelijker wordt.
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
57
Tot slot zullen ook de nodige duurzaamheidsmaatregelen op gebouwniveau genomen worden: een duurzaam gebouw voor de nieuwe zuivering en spoelwaterterugwinning, in de toekomst een duurzaam nieuw pompgebouw en in de verre toekomst zal ook het bestaande kantoorgebouw verduurzaamd worden. Dit alles past binnen de strategie van Brabant Water om van de productielocatie een 'Green Flagship' te maken: een plek waar wordt gedemonstreerd en waar beleefbaar is hoe duurzaamheid een logische en centrale plek in het totale drinkwaterproductieproces heeft.
4.7
Bodem
Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek naar de bodemkwaliteit verricht (zie bijlage bij deze toelichting). Uit de resultaten blijkt dat de grond en het grondwater hooguit licht verontreinigd zijn. De indicatieve gehaltes van PFAS zijn zodanig dat er een beperking is voor het toepassen van de grond in grondwaterbeschermingsgebieden. Ter plaatse van bodembedreigende activiteiten worden vloeistofwerende vloeren of bodembeschermende voorzieningen aangebracht. De bodembeschermende voorzieningen die worden getroffen zijn voldoende om het risico tot bodemverontreiniging tot een minimum te beperken.
4.8
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2022 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.
4.8.1
Wet natuurbescherming
De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingsprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd.
Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van 58
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag. Houtopstanden De regeling zoals die was vervat in de voormalige Boswet is grotendeels ongewijzigd overgenomen in de Wnb en is gericht op het behoud van het bosareaal en is van toepassing op alle bossen en houtopstanden buiten de door de gemeenteraad in dat kader vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, die een grotere oppervlakte beslaan dan 1000 m² en op rijbeplantingen van meer dan 20 bomen. Doordat het plangebied binnen de bebouwde kom is gelegen, is het bepaalde in de Wnb ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing op onderhavig plangebied. Voor het plangebied gelden t.a.v. houtopstanden de regels zoals gesteld in de gemeentelijke Verordening Bomen (zie paragraaf 3.8.2). Wnb en gebiedsbescherming De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland, bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen.
De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. De verschillende Wnb gebiedssoorten kennen verschillende beschermingsregimes. Deze lopen via de Wnb (Natura 2000-gebieden) of via de Wro (overige natuurgebieden). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen eventuele consequenties voor beschermde natuurgebieden in beeld te worden gebracht. Wnb en soortbescherming Naast gebiedsbescherming kent de Wnb ook soortenbescherming: de bescherming van verschillende soorten flora en fauna. Naast de mogelijke effecten op natuurgebieden, dienen voor ruimtelijke ontwikkelingen ook de mogelijke effecten voor beschermde soorten in beeld te worden gebracht.
4.8.2
Plantoetsing
Om inzicht te geven in de mogelijke consequenties van de voorgenomen ontwikkelingen op beschermde soorten, is een ecologisch onderzoek gedaan. Verderop in deze paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast zijn navolgend de mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden in beeld gebracht. Gebiedsbescherming Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn twee soorten beschermde natuurgebieden mogelijk relevant voor het plan: Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Brabant. Natura 2000-gebieden Op circa 1,8 kilometer afstand ligt het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Tussen dit gebied en het plangebied is stedelijk gebied en een snelweg gelegen. Gezien de afstand kunnen effecten als oppervlakteverlies, verdroging, versnippering en hinder door onder meer geluid, licht, trillingen worden uitgesloten. Een effect dat op grotere afstand kan plaats vinden, is verzuring of vermesting als gevolg van stikstofdepositie. De stikstofdepositie zal als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen echter niet toenemen. Het vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
59
aantal verkeersbewegingen neemt niet significant toe waardoor ook stikstofuitstoot niet significant toeneemt. Stikstofuitstoot vanuit de bedrijfsactiviteiten neemt zelfs af doordat de nieuwe zuivering en spoelwaterterugwinning efficiënter en energiezuiniger zijn. Om dit in beeld te brengen is een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage bij deze toelichting). In deze berekening is onderzocht welke effecten er mogelijk als gevolg van stikstofdepositie kunnen zijn door wijziging van het bestemmingsplan. Doordat de planologische functie van het terrein niet wijzigt en er geen significante grotere bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, is de toekomstige situatie vergelijkbaar met de huidige situatie en is er geen sprake van veranderingen in stikstofemissies (en daarmee stikstofdepositie). Wordt gekeken naar de concrete verwachte toekomstige situatie (dus niet: wat is er planologisch mogelijk maar: wat gaat er komen), dan kan worden gesteld dat de stikstofemissies (en daarmee de stikstofdepositie) die feitelijk kunnen worden verwacht vele malen lager zijn dan de 'planologische situatie'. Al met al is er hiermee geen sprake van een significante stikstofdepositie (zijnde > 0,00 mol/ha/jr) op Natura2000 gebieden en vindt hiermee geen verslechtering van de natuur plaats als gevolg van dit bestemmingsplan.
Natuurnetwerk Brabant Delen van het stroomdal van de Tongelreep zijn, net als delen van het stroomdal van de Dommel, aangewezen als Natuurnetwerk Brabant (Natuurnetwerk Nederland). Het NNB ligt op minimaal 150 meter afstand van het plangebied. Verstoring van het NNB is alleen aan de orde als er directe effecten binnen het NNB gebied zijn. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in de nabijheid van het plangebied kunnen door de afstand en aard van de planologisch mogelijk gemaakte ontwikkelmogelijkheden worden uitgesloten, mede doordat stedelijke bebouwing aanwezig is tussen plangebied en NNB. De ontwikkeling in het plangebied heeft een niet wezenlijk tot beperkt effect op de directe omgeving van het plangebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor het NNB geen belemmeringen. Soortenbescherming Om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op beschermde soorten, is het in eerste instantie nodig om inzicht te krijgen in de eventuele aanwezigheid van beschermde soorten. Om dit inzicht te verkrijgen, is een ecologische quickscan uitgevoerd op het terrein (zie bijlage bij dit bestemmingsplan). Vervolgens zijn enkele nadere onderzoeken uitgevoerd. Navolgend zijn de resultaten van deze onderzoeken weergegeven.
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van konijnnesten en eekhoornnesten waargenomen. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat er in de afgelopen 10 jaar, naast konijn en eekhoorn, de soorten bever en bunzing in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen. Voor konijn geldt een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen werkzaamheden. Andere algemene soorten zoals muizen en egel worden ook verwacht in het plangebied, maar hiervoor geldt ook een provinciale vrijstelling. Bever, bunzing en eekhoorn zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Waarnemingen van bever situeren zich alleen langs de Tongelreep en de Dommel. Er bevindt zich geen leefgebied van bever in het plangebied waardoor negatieve effecten niet te verwachten zijn. Waarnemingen van bunzing situeren zich ook voornamelijk langs de Tongelreep en de Dommel. Niet geheel onlogisch, want bunzings houden van kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Dit is allemaal aanwezig in Gennep, het gebied tussen de Dommel en de Tongelreep net ten noordwesten en westen van het plangebied. Het plangebied zelf maakt mogelijk deel uit van het leefgebied van de bunzing, maar dit betreft slechts een marginaal deel. In de ruime omgeving is veel geschikter leefgebied aanwezig.
Door de kap van het bos worden geen negatieve effecten 60
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
verwacht. Verder zijn er volgens de quickscan flora en fauna 3 eekhoornnesten aangetroffen in het plangebied. Deze bevonden zich allen in grove den. Verse sporen van eekhoorn (zoals aangevreten kegels) zijn niet waargenomen. Door de kap van een deel van het bos (ter plekke van de geplande nieuwbouw) gaan deze nesten verloren. Eekhoornnesten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor het vernielen hiervan is een ontheffing nodig. Verder aanvullend onderzoek voor deze soortgroep is niet nodig. Deze nesten zouden zich bevinden in een gedeelte van het bos wat reeds is gekapt. De bomenkap is ecologisch begeleid. Hierbij zijn géén eekhoornnesten aangetroffen. Daar de bomen reeds zijn gekapt en er geen eekhoornnesten zijn aangetroffen hebben de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt geen negatieve effecten op het leefgebied van eekhoorns. Tevens is, in het kader van de renovatiewerkzaamheden van Brabant Water buiten het terrein aan de Aalsterweg, ook een nader onderzoek gedaan naar kleine marterachtigen (zie bijlage). Het plangebied maakt deel uit van het onderzoeksgebied van dit onderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen kleine marterachtigen aanwezig zijn in het plangebied.
Vleermuizen Uit gegevens van de NDFF van de afgelopen 10 jaar blijkt dat de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn uitsluitend gebouwbewonende soorten. Ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis gebruiken zowel gebouwen als bomen als verblijfplaats. Watervleermuis gebruikt voornamelijk in de zomer bomen als verblijfplaats, terwijl rosse vleermuis uitsluitend een boombewonende soort is. In het plangebied zijn mogelijke verblijfplaatsen aanwezig van zowel gebouw- als boombewonende vleermuizen, zo blijkt uit de quickscan. In het huisje is mogelijk ruimte aan de bovenzijde van de deuren. In het bos stonden meerdere (oude) bomen met holtes die mogelijk gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. Verder maakt het plangebied mogelijk deel uit van het foerageergebied van verschillende soorten vleermuizen. Vliegroutes zijn mogelijk aanwezig, maar dit betreft waarschijnlijk geen essentiële vliegroutes aangezien in de directe omgeving voldoende andere opgaande structuren aanwezig zijn. Om nader inzicht te krijgen, is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd.
Omdat dit onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het vleermuisprotocol 2017 kan geconcludeerd worden dat het plangebied voldoende onderzocht is op de aanwezigheid van vleermuizen om de aan- dan wel afwezigheid van beschermde functies van het gebied voor vleermuizen aan te tonen. Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied drie kleine zomerverblijfplaatsen (<10 dieren) aanwezig zijn van gewone dwergvleermuizen, waarvan twee in een van de te slopen gebouwen. Ook zijn vijf paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig, waarvan twee in te slopen gebouwen en twee in te kappen bomen. In het plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van grote zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen of winterverblijfplaatsen van grote aantallen vleermuizen (massawinterverblijfplaatsen). Verblijfplaatsen van andere soorten vleermuizen dan gewone dwergvleermuizen zijn redelijkerwijs uitgesloten. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Door de grote oppervlakte van het plangebied en het aantal gewone dwergvleermuizen dat hier gelijktijdig foerageert moet het plangebied als geheel gezien worden als een essentieel foerageergebied voor deze soort.
Op basis van het laag aantal dieren dat hier aanwezig was om te jagen is het uitgesloten dat het een essentieel foerageergebied betreft voor ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Na uitvoering van de ingreep resteert er ook zonder aanvullende maatregelen voldoende foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen in het plangebied zelf en in de directe omgeving daarvan voor de aangetroffen gewone dwergvleermuizen om te kunnen jagen. Gedurende het onderzoek werden geen essentiële vliegroutes van vleermuizen waargenomen. In het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes aanwezig. vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
61
Met de uitvoering van de voorgenomen ingrepen wordt mogelijk de Wet natuurbescherming overtreden met betrekking tot de aantasting van beschermde functies van het gebied (verblijfplaatsen) voor de gewone dwergvleermuis. Daarnaast kan de ingreep leiden tot het doden en verwonden van vleermuizen als tijdens de sloop en kapwerkzaamheden niet voldoende rekening gehouden wordt met hun aanwezigheid in de bomen en gebouwen. Om mogelijke aantasting van de verblijfplaatsen en het doden en verwonden van vleermuizen te voorkomen, is een mitigatieplan opgesteld (zie bijlage). Door conform dit mitigatieplan te werken, worden negatieve effecten voorkomen. Vogels In het plangebied kunnen vogelsoorten, waarvan het nest niet jaarrond beschermd is, broeden in het bos. Het zodanig verstoren van broedende vogels dat deze het nest verlaten, is verboden. Het vellen van bomen of verwijderen van vegetatie dient dan ook buiten het broedseizoen te gebeuren. Het broedseizoen loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Uit gegevens van de NDFF van de afgelopen 10 jaar blijkt dat de soorten buizerd, gierzwaluw en huismus in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen. Huismus en gierzwaluw nesten beiden in gebouwen, maar het aanwezige gebouw is ontoegankelijk voor beide soorten door o.a.
te kleine ruimtes en te gladde gevelbetimmering. Buizerd nest in bomen en bouwt meestal jaarlijks een nieuw nest, maar soms knappen ze oudere nesten terug op. In de NDFF is zelfs één waarneming (uit 2017) van een buizerd met nest-indicerend gedrag binnen het te kappen bos, maar tijdens het veldbezoek zijn geen roofvogelhorsten aangetroffen. Hiermee is er geen jaarrond in gebruik zijnde horst aanwezig van de buizerd, waardoor er strikt genomen geen sprake is van een jaarrond beschermd nest. Aanvullend onderzoek of ontheffingsaanvraag is voor deze soortgroep niet nodig. Reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden Het plangebied is ongeschikt voor beschermde reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden. Beschermde soorten van deze soortgroepen zijn binnen het plangebied niet te verwachten, aangezien het plangebied niet voldoet aan de eisen die deze soorten stellen aan hun leefomgeving. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor deze soortgroepen niet nodig. Planten Er zijn geen beschermde planten aangetroffen in het plangebied en deze worden ook niet verwacht. Het plangebied biedt geen geschikte standplaatsen voor beschermde plantensoorten. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor deze soortgroep niet nodig.
Conclusies Er is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van foerageergebieden en verblijfplaatsen van zowel gebouw- als boombewonende vleermuizen conform het meest recente vleermuisprotocol. Op basis van dit aanvullende onderzoek blijkt wel/geen Wnb ontheffing nodig is. Deze wordt (samen met een mitigatie- en compensatieplan) aangevraagd. Een ontheffing voor eekhoornnesten is niet nodig omdat deze bij de kap van de bomen niet zijn aangetroffen. Dit staat de ruimtelijke uitvoerbaarheid niet op voorhand in de weg.
62
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2
Beleid
5.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).
5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
63
5.2.2
Provinciaal beleid
5.2.2.1
Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021
Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten.
De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht.
De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.
64
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
5.2.3
Beleid Waterschap
5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water' Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan "Waardevol Water" vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen. Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitengebied. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu.
Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld. Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt. Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan. 5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding.
Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.
5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
65
oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits "vasthouden-bergen-afvoeren". Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron.
Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
5.2.4
Gemeentelijk beleid
5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken.
Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.
5.2.4.2 Klimaatadaptatiebeleid In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: 66
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm.
5.2.4.3 Waterbergingsnormen Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is. Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing.
Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/. Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.
In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
67
waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief handelen. De datum van indiening van de omgevingsvergunning is leidend. De uitzonderingsregel is geregeld in artikel 32.2.2 van de regels. Stimulans klimaatadaptatiebeleid De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel. Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd.
5.2.4.4 Toelichting rekentool De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend. Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden.
Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is.
68
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag. De resultaten van de rekentool zijn in de notitie waterhuishouding als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
5.2.5
Waterplan
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.
5.3
Beschrijving watersysteem plangebied
Het plangebied heeft betrekking op het eigen terrein van Brabant Water. Uiteraard is water een belangrijk thema op deze locatie, maar dit betreft primair drinkwater. In dit hoofdstuk wordt primair ingegaan op het waterhuishoudkundig systeem; drinkwater maakt hier geen onderdeel van uit.
5.3.1
Checklist watersysteem
Checklist Watersysteem Hoofdw atergang c.q. open w ater
nee
zijw atergang
nee
Keurgebied binnen plangebied?
nee
Binnen 25-100 jaarszone?
nee
Binnen boringsvrije zone?
ja
Ecologische verbindingszone?
nee
Binnen reserveringsgebied w aterberging 2050?
nee
Attentiegebied EHS
nee
Rioolw atertransportleiding
nee
Waterschap gemaal
nee
Landelijke afvoernorm binnen plangebied
nee
Verdachte/verontreinigde locaties?
nee
Infiltratie praktisch mogelijk?
beperkt
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
69
Uitw erkingsplicht / w ijzigingsbevoegdheid
5.3.2
nee
Oppervlaktewater
De 'Dommel' en de 'Tongelreep' zijn voor het waterschap wezenlijk belangrijke A-watergangen die in de nabijheid van het plangebied liggen. Ook rondom deze waterlopen zijn verschillende ruimtelijke beschermingsvlakken van toepassing waarop het beleid van de provincie en het waterschap ziet, waaronder het Natuurnetwerk Brabant, boringvrije zones, grondwater beschermingsgebieden, Keur attentiegebieden en Keur beschermingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging 2050. Alle activiteiten die van invloed (positief dan wel negatief) kunnen zijn op de waterkwaliteit en het (hydraulisch) functioneren in/van het stromingsgebied zijn aan regels onderhevig en vrijwel altijd vergunningsplichtig. Ook bevinden zich in deze zone B-watergangen met de daarbij horende onderhoudsstroken. Binnen de reserveringsgebieden waterberging 2050 (dit zijn waterbergingszones bij hoogwateroverlast) geldt dat het afgeraden wordt kapitaalintensieve investeringen te doen. Binnen het plangebied zijn in de huidige situatie geen oppervlaktewateren aanwezig.
5.3.3
Verharding
Het verharde oppervlak binnen de planlocatie bestaat uit bestaande gebouwen en verhardingen. Ook de reinwaterkelders kunnen gezien worden als verhard gebied, omdat hemelwater hier niet direct in de ondergrond kan infiltreren. In de huidige situatie is ca. 21.400 m² van het terrein verhard (ca. 12.500 m² bebouwing inclusief reinwaterkelders en ca. 8.900 m² aan bestratingen). De gebouwen zijn aangesloten op het gemengde rioolstelsel, evenals een deel van de terreinverharding (het overige deel watert af in de berm van de verharding).
5.3.4
Bodemopbouw
Er is geen sprake geweest van stedelijke ontwikkelingen die gepaard zijn gegaan met een ingrijpende roering van de toplaag. In dit deel van Eindhoven bestaat de bodemopbouw uit (lemige) beekdalen en dekzandruggen. Doorlatendheid varieert daarom ook van slecht tot vrij goed (in het zuidoosten). Infiltratie van hemelwater in de bodem zonder het treffen van bodem verbeterende maatregelen niet reëel geacht. Informatie over bekende bodemverontreinigingen zijn toegelicht in de bodemparagraaf van dit bestemmingsplan. Verdere verspreiding van eventuele verontreinigingen door toekomstige ontwikkelingen dient voorkomen te worden.
5.3.5
Grondwater
Vanwege de variatie in grondsoorten en de aanwezigheid van de Dommel en de Tongelreep is er binnen Zone 3 (Zuid) een grote, seizoensonafhankelijke, variatie aan grondwaterstanden. Die verlopen van direct onder maaiveld (in de beekdalen nabij de beken) tot dieper dan 1.5 meter onder maaiveld (in het zuidoosten). Bovendien fluctueert de grondwaterstand ook nog in de loop van het jaar. Binnen Zone 3 bevinden zich twee waterwingebieden van Brabant Water, namelijk nabij de Aalsterweg en de Klotputten. Rondom deze gebieden geldt een boringsvrije zone ter bescherming van de grondwaterkwaliteit. Binnen deze grondwaterbeschermingsgebieden geldt een vergunningsplicht voor activiteiten die van invloed (zowel positief als negatief) kunnen zijn op de grondwaterkwaliteit. Infiltratie en diepte ontgravingen zijn niet zonder meer toegestaan. Gedeputeerde staten van Noord-Brabant zijn bevoegd gezag in deze. De grondwaterbeschermingszones van de provincie Noord-Brabant komen grotendeels overeen met de Keur beschermingsgebieden en Keur attentiegebieden van het waterschap de Dommel. 70
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
5.3.6
Regenwater
Het regenwater dat binnen Zone 3 (Zuid) op daken en wegen valt stroomt overwegend af naar open water of de gemengde riolering. Enkele buiten Zone 3 gelegen afgekoppelde woonwijken (zoals Ooievaarsnest, Hanevoet, Bloemenbuurt en Kruidenbuurt) lozen via bestaande hemelwaterstructuren hun regenwater op de Dommel of de Tongelreep. Overtollig regenwater infiltreert afhankelijk van de doorlatendheid in de bodem of wordt afgevoerd via open water (via A- en B-watergangen die lozen op de Dommel of Tongelreep). De terreinverhardingen en gebouwen op het terrein zijn aangesloten op een gemengd rioolstelsel, dat is aangesloten op het gemeenteriool. Zowel vuil- als schoonwaterstromen voeren op het gemengde stelsel af.
5.3.7
Afvalwater
Alle panden in Zone 3 (Zuid) zijn aangesloten op het gemengd riool dan wel het vuilwaterriool. Beide stelsels voeren af naar de RWZI aan de Van Oldenbarneveltlaan. Binnen Zone 3 ligt ook een belangrijke riooltransportleiding van het waterschap de Dommel welke afvalwater transporteert van randgemeenten zoals Waalre en Aalst naar de RWZI aan de Van Oldenbarneveltlaan. Deze leiding geniet een beschermende bufferstrook van 4 meter gemeten vanuit de as van de leiding waarboven geen (bouw)activiteiten zijn toegestaan. Deze is weergegeven op de verbeelding. Het gemaal dat het vuilwater verpompt bevindt zich in Zone 3 en is weergegeven op de verbeelding. Binnen Zone 3 bevinden zich vier gemengde overstorten (ten behoeve van de wijk Bennekel en het gebied Gennep) die bij zware neerslag overtollig ongezuiverd afvalwater lozen op de Dommel. De terreinverhardingen en gebouwen op het terrein zijn aangesloten op een gemengd rioolstelsel, dat is aangesloten op het gemeenteriool. Zowel vuil- als schoonwaterstromen voeren op het gemengde stelsel af.
5.3.8
Boringsvrije zone
Het plangebied is tevens gelegen in een 'boringsvrije zone'. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een 'boringsvrije zone' strekt mede tot het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Het is niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijke spoor op te nemen omdat in de Interim Omgevingsverordening van de provincie al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten. Van opname in het bestemmingsplan van de boringsvrije zone gaat dan ook vooral een signalerende functie uit.
5.4
Toekomstige situatie van het watersysteem
Weeromstandigheden worden extremer. Periodes van hevige regenval en droogte wisselen mekaar steeds vaker af. Overvloedige neerslag levert problemen op om water tijdig af te voeren. Bij droogte kan de stad juist voordeel halen uit het hergebruik van opgeslagen water. Het is daarom van belang dat steden in staat zijn om water tijdelijk vast te houden. Daarbij is het essentieel dat oppervlaktewater wordt afgescheiden wan afvalwater. Groenzones kunnen daarin een belangrijke rol spelen Door de renovatie- en nieuwbouwwerkzaamheden zal de waterhuishouding in het plangebied wijzigen. Naast de aanpassingen aan de bestaande installaties zal het lozen van water en vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
71
ijzerslib op het riool geminimaliseerd worden. Tevens wordt het terrein landschappelijk heringericht waarbij waterpartijen onderdeel uit zullen maken van de definitieve situatie. Brabant Water heeft in een memo de nieuwe waterhuishoudkundige situatie in het plangebied uitgewerkt. Deze memo is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen, in navolgende paragraaf worden de belangrijkste zaken uiteengezet. Daarnaast is de Eindhovense rekentool ingevuld en toegepast om klimaatrobuuste maatregelen in het plangebied te nemen. De rekentool is tevens als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.
5.4.1
Verharding
In hoofdlijnen zullen de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd in het plangebied: Het realiseren van een nieuw zuiveringsgebouw waarbij het bestaande zuiveringsgebouw wordt verlaten en geamoveerd; Het realiseren van een nieuw Pompengebouw; Het renoveren of amoveren van het bestaande pompengebouw (nog onderwerp van studie). Het renoveren van de Reinwaterkelders. Het verwijderen van de spoelwaterbuffer en spoelwatergebouw; Het aanpassen van de ondergrondse infrastructuur (procesleidingen, kabels, riolering) Het verwijderen van een aantal kleinere objecten; Het herinrichten van het terrein, waarbij meer aansluiting met Genneper Parken wordt gezocht: 1. i.v.m. gewijzigde Functionaliteit; 2. herzien landschappelijke inrichting; 3. Het realiseren van (water)bergingen; 4. Het realiseren van waterpartijen Het afkoppelen van diverse schoon waterstromen waarbij zoveel mogelijk schoon water wordt opgevangen of geïnfiltreerd op het terrein. (overgang van gemengd riool stelsel naar gescheiden rioolstelsel) De te realiseren voorzieningen dienen ter vervanging van de bestaande. Er worden nieuwe gebouwen gerealiseerd en hieromheen wordt nieuwe terreinverharding aangelegd. Echter, aan de zuidzijde wordt de bebouwing en terreinverharding verwijderd en worden groendaken gerealiseerd. Per saldo zal het verhard oppervlak ongeveer gelijk blijven of kan beperkt toenemen.
Verhardingen worden in de toekomstige situatie afgekoppeld van het gemengde stelsel. Het hemelwater wordt opgevangen door middel van bijvoorbeeld goten en afgevoerd naar een bergingslocatie elders op het terrein. Lokaal zal een deel van de verhardingen direct afwateren op het naastliggende maaiveld.
5.4.2
Berging en infiltratie
De totale bergingsopgave bedraagt 1.386,4 m3. Door de aanleg van zaksloten en een infiltratievijver in het landschapspark aan de zuidzijde zal de eventuele beperkte toename in verhard oppervlak binnen het plangebied worden gecompenseerd. Op basis van uitgevoerde infiltratieproeven en uitgevoerde vervolgberekeningen kan geconcludeerd worden dat infiltratie op grote schaal niet mogelijk is en dat als uitgangspunt het opvangen van hemelwater in een waterbergingsvoorziening wordt gehanteerd waarbij nog beperkt kan worden geïnfiltreerd, e.e.a. afhankelijk van de nog beschikbare ruimte op het terrein. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van groendaken. Uit de resultaten van de rekentool blijkt echter nog een theoretische waterbergingsopgave van nog 21,5 m3. Op aangeven van het Waterschap hoeft deze niet extra in het plangebied 72
vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
gerealiseerd te worden: de vijver met een bergend vermogen van 1.386,4 m3 is ruim voldoende om invulling te geven aan de 21,5 m3 resterende rekenwatertoolberging. De verwerking van het water is weggelegd in een ontwerp van de terreininrichting. Het ontwerp gaat uit van 3 zones, een noordelijke, centrale en zuidelijke zone. In deze zones worden voorzieningen opgenomen voor het opvangen en afvoeren van schoonwaterstromen. In figuur 23 is de terreininrichting weergegeven.
Figuur 22: Weergave uitwerking waterbergingssysteem. Noordelijke zone Aan de noordzijde van het terrein wordt een bergingsvoorziening ten behoeve van de opvang van een deel van de schoonwaterstromen van het noordelijke deel van het terrein gerealiseerd. Deze berging wordt tevens gebruikt voor de opvang van de noodoverstort uit Reinwaterkelder 11. De berging wordt uitgevoerd met een afvoer naar de vijverpartijen in het centrale deel. Centrale zone vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven
73
In dit deel worden vijverpartijen gerealiseerd als landschappelijke element. De vijvers dienen als centrale opvang van diverse schoonwaterstromen uit het centrale deel. De vijvers worden tevens gebruikt voor de opvang van de noodoverstorten uit Reinwaterkelders 6, 7 en 8. De vijvers hebben een "vast" waterpeil dat gereguleerd wordt d.m.v. een overstort naar de vijverpartij in de zuidelijke zone. Er is sprake van vertraagde afwatering richting de grote vijverpartij in de zuidelijke zone. Naast de vijverpartijen is een berging gesitueerd ten behoeve van de opvang van de noodoverstort van vuilspoelwater.
Figuur 23: Terreininrichting, principedoorsnede centrale vijver Zuidelijke zone In de zuidelijke zone wordt een grote vijverpartij gerealiseerd die fungeert als landschappelijke element en tevens dient als waterberging met wisselend waterpeil. Het laagste deel van de vijver wordt uitgevoerd met een "gesloten" bodem waardoor tot dit niveau een regulier waterpeil wordt nagestreefd. Het maximale waterpeil wordt bepaald door een te realiseren (nood)overstort naar de Tongelreep. Het maximale niveauverschil tussen regulier waterniveau en het overstortpeil naar de Tongelreep bedraagt 1 meter. Deze zone van 1 meter is beschikbaar als waterberging en wordt de vijver tevens "open" uitgevoerd waardoor tevens (beperkte) infiltratie mogelijk is. Afhankelijk van de schoonwaterafvoeren vanaf de vijvers in de centrale zone en evt. neerslag zal het waterpeil in de vijverpartij fluctueren. De leegloop termijn/voorziening van de retentievijver wordt gesteld op 72 uur. Eventueel aanbod daarboven mag via de noodoverlaat overlopen in het RWA riool. 74