CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg)

Raadsvergadering 23 februari 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan V Kerkdorp Acht 2007 (woonwagenlocatie Alblasstraat)31.158 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Interimstructuurvisie 2009

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit. Het bestemmingsplangebied ligt buiten een transformatiegebied.

3.4.1.1 Ruimtelijke hoofdstructuur De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur. Met andere woorden de kaart geeft de ontwikkelingen aan binnen de hoofdstructuur.

Figuur 13: Visiekaart van de interimstructuurvisie. De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik.

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

33

Figuur 44: Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven. Het plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'werken'. Hieronder vallen werkgerelateerde functies: industrie, research en ontwikkeling, handel, kantoren, grootschalige en perifere detailhandel, transport, bouwnijverheid, dienstverlening. Tevens alle productieactiviteiten van kunst en design en ook alle voorzieningen die bij een functioneel en modern bedrijventerrein horen (o.a. parkmanagement). De voorziene nieuwbouw past binnen deze functies.

3.5

Archeologische en cultuurhistorische waarden

3.5.1

Archeologie

Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is door vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet. Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012' , dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld.

De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise. De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens 34

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Plangebied Volgens de Archeologische Waardenkaart kent onderhavig plangebied geen archeologisch waardevolle gebieden of archeologische verwachtingsgebieden. Binnen het bestemmingsplan hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met archeologische waarden of verwachtingen.

3.5.2

Cultuurhistorie

Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Plangebied In 2017 is door RAAP een onderzoek gedaan naar de cultuurhistorische waarden in het buitengebied van Eindhoven, evenals enkele groene delen van de bebouwde kom. Uit dit onderzoek blijkt dat er verschillende cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn toebedeeld aan het plangebied en de directe omgeving. Het voorontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied 2019' heeft de conclusies van het onderzoek van RAAP overgenomen en verwerkt in dubbelbestemmingen. Voor delen van het plangebied geldt in het voorontwerpbestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2'. In het onderzoek van RAAP zijn de volgende waarden aan het plangebied toebedeeld: Bosgebieden met een hoge cultuurhistorische waarde (hoge ouderdom en gave context).

Enkele paden met een zeer hoge cultuurhistorische waarde. Hoog gewaardeerd reliëf (hoge ouderdom en goede herkenbaarheid). Dit betreft rabatten in het oostelijk deel van het meest oostelijke hoog gewaardeerde bos. Twee gemeentelijke monumenten: de watertoren en de machinekamer.

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

35

Bosgebied en paden Het plangebied ligt in het gebied aangeduid als de Eikenburg. Rond de Eikenburg liggen vroege heide- of beekdalbebossing met landgoedkenmerken. Omstreeks 1900 ging het afwisselend om loof- en naaldbospercelen, maar loofbos overheerste in het geheel. Het vormde samen een brede rand rondom de kern van de Heihoef, de toenmalige naam van de buitenplaats van Van der Beken Pasteel. De structuur van dit bos was betrekkelijk onregelmatig van aard; kriskras lijken er wegen doorheen te hebben gelopen. Door de sterk veranderde omgeving ontkwam ook dit terrein niet aan transities. Door bebouwing en aanleg van infrastructuur verdween het bos wat verder van de buitenplaatskern vandaan; daar staat tegenover dat een deel van de percelen in de kern nu ook werd bebost. Het bos kwam als het ware als een strakkere band om de buitenplaats te zitten. Het bos van de Eikenburg liep naar het westen door tot aan de Tongelreep, het beekdal in (figuur 18). Nog in de vroege 20e eeuw is dit gebied een gesloten landschap met overwegend loofhout, en hier en daar percelen naaldhout. Langs de Tongelreep waren hier en daar percelen grasland te vinden.

Pas op de topografische kaart van 1929 is een forse transformatie van het gebied te zien: veel bos was gekapt, percelen waren groter geworden en aan de Aalsterweg was het waterpompstation (de huidige waterwinning in het plangebied) verrezen, waarvan een deel nu een monumentenstatus heeft. Dat pompstation, met watertoren uit 1904, vormde de opmaat naar een verdere invulling van het gebied, waarvan we de eerste tekenen op een topografische kaart uit 1953 zien. Ten westen van het pompstation ligt er dan ook een ijsbaan. Daarnaast had de gemeente Eindhoven in 1934 een sportterrein laten aanleggen onder architectuur van D.F. Tersteeg,19 waarop FC Eindhoven mocht gaan spelen. Dit sportterrein ontwikkelde zich tot het huidige Jan Louwers Stadion. Tussen ijsbaan en sportterrein lagen enige tennisbanen. Verder werden aan de Aalsterweg in de jaren 1930 enige villa's gebouwd (Aalsterweg 294 - 306 aan de oostzijde van het plangebied) en verrees iets zuidelijker, op Aalsterweg 310, in 1913 een tuinmanswoning. In de jaren 1960 en vroege jaren 1970 werd de oude ijsbaan verplaatst naar de overzijde van de Tongelreep, naar de plek van het huidige IJssportcentrum. Op de oude locatie werd ruimte gemaakt voor de bouw van een zwembad, terwijl het tennispark verder naar het zuiden werd uitgebreid.

De Antoon Coolenlaan werd door het gebied aangelegd, waarna ook noordelijk daarvan bebouwing werd gerealiseerd. Daarnaast, aan de Aalsterweg, verrees vóór 1984 een tweede gebouw. Beide gebouwen, vanouds verpleeghuis De Weerde en verzorgingshuis Kortonjo, zijn nu in gebruik bij Vitalis, een zorginstelling. In de tweede helft van de jaren 1980 36

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

werd het zwembad De Tongelreep verder uitgebouwd. In het zuidelijk deel, aan de A2, verrees een motel van Van der Valk. Door deze ontwikkelingen tot 'sport- en zorgcentrum' is van de oude landschapsstructuur weinig meer overgebleven.

Figuur 19: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. De locatiekeuze voor de nieuwbouw voor de zuivering en spelwaterterugwinning heeft geleid tot de noodzaak van bomenkap ter plaatse van een stuk bos wat is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol met zeer waardevolle cultuurhistorische paden. Het was echter niet mogelijk het nieuwe bedrijfsgebouw op een andere locatie te positioneren en daarmee het bos te behouden. De nut en noodzaak van de positionering van het gebouw op deze locatie in het plangebied is uitgebreid toegelicht in paragraaf 2.2 van deze toelichting. Dit heeft onder andere te maken met de aanwezigheid van reinwaterkelders, ondergrondse infrastructuur en de noodzaak om de huidige bebouwing in bedrijf te laten tot het nieuwe gebouw is gerealiseerd. In dit bosgebied liggen momenteel geen actieve functies. Nieuwbouw kan derhalve ook hier worden gerealiseerd, zonder dat de drinkwaterproductie en -distributie tijdens het bouwproces in gevaar komt. Tevens ligt deze zone centraal ten opzichte van de andere functies in het gebied en wordt de zone relatief weinig doorsneden door ondergrondse kabels en leidingen. Daarnaast ligt het gebied relatief ver van omwonenden, zodat overlast tijdens de bouw- en gebruiksfase geminimaliseerd wordt.

Dit gedeelte van het bos is ook een stuk jonger dan het zuidoostelijke gedeelte bos en heeft daardoor de laagste cultuurhistorische waarden. Vanwege de noodzakelijke kap heeft dit plan dus een negatief effect op cultuurhistorische waarden maar er is gezocht naar met meest gunstigste scenario: de kap van dit gedeelte van het bos en de instandhouding het oudste gedeelte bos. In het zuidelijke gedeelte wordt een nieuw bosgebied aangeplant en wandelpaden aangelegd. De negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden van het bosgebied worden hierdoor zo goed als mogelijk gecompenseerd.

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

37

Daar het bosgebied in het westelijke gedeelte van het plangebied (ter plaatse van de beoogde nieuwbouw) reeds is gekapt, zijn de cultuurhistorische waarden in dat gedeelte van het plangebied (het bos en de paden) daarmee verdwenen. Tijdens het uitontwerpen van de exacte terreininrichting worden de in het verleden aanwezige (cultuurhistorische) oude structuren gebruikt als input en inspiratie. De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2' is op deze plaats dan ook niet overgenomen in dit bestemmingsplan. Voor de overige gedeeltes in het plangebied is deze dubbelbestemming wel overgenomen. Ter plaatse van deze dubbelbestemming worden de aanwezige cultuurhistorische waarden dan ook juridisch-planologisch beschermd. Gemeentelijke monumenten In het plangebied zijn twee gemeentelijke monumenten aanwezig: de watertoren en het machinekamer. Deze zijn op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan aangeduid als monument en daarmee planologisch beschermd. Dit bestemmingsplan maakt tevens geen activiteiten mogelijk die van negatieve invloed zijn op de gemeentelijke monumenten. Waardevol reliëf Ter plaatse van het waardevolle hoge reliëf maakt dit bestemmingsplan geen directe ingrepen mogelijk. Deze waarden blijven dan ook aanwezig en in stand gehouden in het plangebied.

3.6

Verkeer en parkeren

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het gebied "Buitengebied Brabant Water Aalsterweg" beschreven. De wegencategorisering is in Eindhoven op Weg geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'. Het plangebied is verboden voor onbevoegden. In het plangebied geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. De wegen in het plangebied zijn bedoeld voor bestemmingsverkeer binnen het plangebied. Hier dient men zich wel aan de voor Nederland geldende verkeersregels te houden. Met een extra ingang aan de Willem Elsschotlaan ontstaat met de ingang aan de Anton Coolenlaan een logische transportlus, die -doordat vrachtverkeer hiermee wordt gescheiden van auto- en fietsverkeer, zorgt voor een veiligere situatie. Tevens worden met de herinrichting van het terrein de interne routes logischer en korter. Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat drie soorten fietsroutes.

In volgorde van belangrijkheid; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Fietsverkeer en autoverkeer zijn niet gescheiden in het plangebied. Openbaar vervoer Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig 38

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Het plangebied wordt ontsloten door een tweetal bushaltes. Aan de Aalsterweg, ten noorden van het plangebied, ligt de bushalte Fontys Theo Koomenlaan en aan de Antoon Coolenlaan, ten oosten van het plangebied, bevindt zich de halte Zwemcentrum Tongelreep. Beide haltes liggen op ca. 100 meter van het plangebied. Het treinstation van Eindhoven bevindt zich in het centrum op ca. 3 kilometer van het plangebied. Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een plan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. Deze nota is inmiddels geactualiseerd door de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019. De Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 is vanaf 4 oktober 2019 van kracht en past in de ontwikkeling naar een groenere, bereikbare en duurzame stad. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moeten we het centrum van Eindhoven goed bereikbaar houden. Er is straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum.

Daarom streven we nu naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en we zetten zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen: lopen, fietsen en openbaar vervoer. In de nota is dat uitgewerkt in de zogenaamde verplichte "HOV-reductie" (minder parkeerplaatsen bij stations en Hoogwaardig openbaar vervoer-haltes) en het stimuleren van gebruik van deelauto's voor bewoners. Als tweede aanpassing willen we de bestaande (privé) parkeercapaciteit beter en efficiënter gaan benutten ten opzichte van realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. De derde belangrijke aanpassing is dat ontwikkelaars een bijdrage in het mobiliteitsfonds moeten storten, bij gebruik van reeds aanwezige openbare parkeerplaatsen. Met dat geld willen we onder andere de opbouw van een stadsbreed deelmobiliteit netwerk op weg helpen. In de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 hebben we eveneens de fietsparkeernormen geactualiseerd en gaan daar uitgebreider op toetsen en handhaven. In het plangebied wordt op eigen terrein geparkeerd. Er is feitelijk geen sprake van een functiewijziging en dus neemt de parkeerdruk niet toe ten opzichte van de huidige situatie. In de parkeerbehoefte kan op eigen terrein worden voorzien. Vrachtverkeer Zoals in paragraaf 2.4 beschreven is het voornemen het vrachtverkeer te scheiden van het andere verkeer.

Het gaat hierbij om vrachtverkeer voor de aan- en afvoer van hulp- en reststoffen, enkele tientallen vrachtwagens per jaar. Momenteel vindt dit plaats via de hoofdingang aan de Anton Coolenlaan, maar het heeft de voorkeur om deze logistiek via de Willem Elsschotlaan te laten verlopen. Op deze wijze wordt bevoorradingsverkeer gescheiden van ander verkeer (bijvoorbeeld bezoekers, cursisten voor de opleidingen en medewerkers van Brabant Water). Bevoorrading van het naastgelegen zwemcentrum gebeurt momenteel ook via deze weg, zodat de vrachtwagenstromen maximaal kunnen worden gebundeld.

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

39

3.7

Groen

3.7.1

Groenbeleidsplan

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.

Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

Figuur 20: Ruimtelijke Strategieënkaart

40

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als stad, groen beeldbepalend. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie(en) aangehouden: Strategie 2: Stad, groen beeldbepalend. Het betreft gebieden met een bijzonder groen imago, vaak gelegen aan de periferie van de stad. Uitgangspunt voor deze gebieden is het behouden en ontwikkelen van het bijzondere groene karakter. Deze gebieden maken ook onderdeel uit van de groene kaart (onderdeel verordening bomen en nadere regels). Voor de kap van bomen (met een omtrek van 45 centimeter op een stam hoogte van 130 centimeter) in deze gebieden is een vergunning verplicht. Uitzondering hierop vormt de taxus welke vanaf een omtrek van 30 centimeter een vergunningplicht kent. Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. De Beleidsregel geldt niet voor bomen, want voor bomen is de Bomenverordening bedoeld.

Tevens is de beleidsregel niet van toepassing op locaties buiten bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven op de plankaart behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Omdat het plangebied is gelegen binnen landelijk gebied (dus buiten bestaand stedelijk gebied), is de Beleidsregel groencompensatie niet van toepassing op het voorliggende bestemmingsplan.

3.7.2

Beleid Bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: - bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen, en; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are, en/of; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2015. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord-Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop.

Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

41

preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie. Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m² of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart.

Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden. Het plangebied Volgens De Groene Kaart zijn er in het zuidoosten van het plangebied 18 waardevolle particuliere bomen aanwezig. Deze blijven gehandhaafd. Daarnaast is het gehele plangebied aangemerkt als 'stad groenbeeldbepalend'. Tevens betreft het plangebied een kadastraal perceel groter dan 500 m². Conform de Verordening en Nadere regels Bomen, is de voorgenomen kap van een deel van het bosgebied ter plekke van de nieuwbouw omgevingsvergunningsplichtig. Uit de verordening en nadere regels volgt, dat deze kap gecompenseerd moet worden, bij voorkeur fysiek. Hiertoe dient minimaal de monetaire waarde van de te kappen bomen teruggebracht worden. Om te bepalen wat de monetaire waarde van de te kappen bomen is, is een boomwaardetaxatie uitgevoerd (zie bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting). Uit de taxatie blijkt, dat de totale monetaire waarde van de te kappen bomen maximaal € 49.900,- bedraagt (dit is het geval als alle geïnventariseerde bomen gekapt worden). Deze monetaire waarde wordt terug gebracht in het plangebied, door de ontwikkeling van het landschapspark in het zuiden van het plangebied.

In de nadere uitwerking, ten behoeve van de 42

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

aanvraag van de omgevingsvergunning voor het kappen, wordt dit geconcretiseerd in een nog op te stellen compensatieplan. Ten behoeve van de ontwikkeling dienen bomen gekapt te worden. In totaal gaat het om maximaal 350 bomen die gekapt worden, waarvan er ca. 15 tot 20 wellicht behouden kunnen blijven. Ook wordt ca. 1.000 m² struweel verwijderd te worden. Ten behoeve van de compensatieplicht is berekend dat deze te kappen bomen en struweel in totaal een monetaire waarde vertegenwoordigen van ca. € 225.000. Dit is nader uitgewerkt in een kap- en compensatieplan, op basis waarvan op 28 januari 2020 een kapvergunning is verleend. De nieuwe landschapsinrichting inclusief compensatie is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.

3.8

Bedrijvigheid

Op 15 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Bedrijventerreinennota met de titel 'Aan de slag voor waardevolle locaties' vastgesteld. Deze is gepubliceerd op 2 november 2016. Met deze nota wordt richting gegeven aan het beleid voor en de ontwikkelingsrichting van de bedrijventerreinen. De nota heeft betrekking op de 16 grootste (>5 ha) bedrijventerreinen van Eindhoven, inclusief campussen. De helft van de werkgelegenheid in Eindhoven en de regio hangt samen met deze 16 bedrijventerreinen. Daarmee zijn de terreinen een heel belangrijke pijler onder Brainport, de tweede economische motor van Nederland en een van de meest prominente hightech centra van Europa. Veel Brainport (gerelateerde) bedrijvigheid en economische clusters zijn op deze bedrijventerreinen - en die in de regio - gevestigd. Doel van de nota is de grote waarde die de terreinen hebben naar de toekomst toe te borgen en verder te vergroten. Dit in het belang van het functioneren van de bedrijven en de welvaart en het welzijn van de inwoners in Eindhoven en Brainport. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het brede palet aan economische activiteiten en daarmee samenhangende wensen en eisen die aan de bedrijventerreinen in Eindhoven worden gesteld. Het plangebied In de nota worden de bedrijventerreinen van Eindhoven verdeeld in vier typen terreinen.

Onderhavig plangebied is aangewezen als bedrijfslocatie bedoeld voor waterwinning en valt daarmee niet in een van deze vier typen terreinen. Deze specifieke vorm van bedrijfslocatie kenmerkt zich door de mix van verschillende soorten gebouwen met verschillende functies (kantoorruimten, magazijnen, opleidingscentrum voor monteurs, pompstations etc). Ook kenmerkt het gebied zich door relatief open graslanden. Onder deze grasvelden liggen reinwaterkelders. Deze zijn ten behoeve van de opslag van drinkwater. Ook de bovengrondse en (zeer uitgebreide) ondergrondse infrastructuur is van essentieel belang voor de werking van de waterwinning en daarmee voor het plangebied. Het plangebied kan door deze relatief bijzondere functie niet gezien worden als een standaard terrein.

3.9

Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn diverse kabels en leidingen van Brabant Water aanwezig. Deze zijn allen ten behoeve van het functioneren van de drinkwaterwinning en het zuiverings- en distributieproces ter plaatse. Er zijn geen kabels en leidingen van derden aanwezig binnen het plangebied, anders dan 'reguliere' aansluitingen.

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

43

44

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

4.1.2

Uitwerking

De betreffende inrichting in het plangebied is onderdeel van het grondwateronttrekkingsproces van Brabant Water. Het onttrekken van grondwater is in het Besluit m.e.r. als activiteit opgenomen en verdeeld onder categorie C15.1 en D 15.2, zie hieronder. Als de voorziening betrekking heeft op een hoeveelheid water van 10 miljoen m3 of meer per jaar is categorie C 15.1 van toepassing en als de voorziening betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar is categorie D 15.2 van toepassing. Onder deze hoeveelheden is de vormvrije-m.e.r. van toepassing. Daarnaast betreft de de voorgenomen activiteit de wijziging van een bedrijfsperceel. Dit kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject, welke is vermeld onder categorie D 11.2. De m.e.r plicht van C15.1 en D 15.2 geldt specifiek voor: de infiltratie van water in de bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem alsmede de wijziging of uitbreiding van bestaande infiltraties en onttrekkingen. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld om de bouwmogelijkheden voor de waterzuivering te actualiseren, zodat de geplande nieuwbouw gerealiseerd kan worden. Het bestemmingsplan voorziet dus in aanpassing van de bouwmogelijkheden en niet van de gebruiksmogelijkheden; de feitelijke planologische functie vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

45

van het terrein wijzigt niet. De voorgenomen veranderingen op het terrein hebben betrekking op het vernieuwen van gebouwen en installaties voor de zuivering van water tot drinkwater. Feitelijk staat dit zuiveringsproces los van de (m.e.r.-(beoordelings)plichtige) grondwateronttrekkingen. Echter, in het plangebied wordt ook grondwater gewonnen. Indien dit bestemmingsplan geen nadere regels hierover zou stellen, dan zou het bestemmingsplan als mogelijk kaderstellend voor nieuwe of aangepaste grondwaterontrekkingen kunnen worden gezien en zou er sprake zijn van een plan-m.e.r.-plicht. Dit is niet het geval als vast staat dat dit bestemmingsplan niet mogelijkerwijs kan toezien op aanpassingen, ofwel dit is niet het geval als er sprake is van een één-op-één inpassing van de bestaande situatie en de bestaande m.e.r.-plichtige besluiten, te weten de onttrekkingsvergunningen. Daarom is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen dat bij het gebruik van de gronden en opstallen in het terrein binnen de kaders (hoeveelheden) van de vigerende onttrekkingsvergunningen gebleven dient te worden. De ontwikkeling valt wel onder de m.e.r-plichtige activiteit D 11.2 stedelijk ontwikkelingsproject.

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het bedrijfsvloeroppervlakte niet groter is dan 200.000 m2, is er geen m.e.r.-beoordeling nodig. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Derhalve is een vormvrije m.e.r-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Hierin wordt geconcludeerd dat het plan geen relevante milieugevolgen kent. Er wordt geadviseerd een gemeentelijk besluit voor te bereiden, waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan "Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg)" geen milieueffectrapportage wordt vereist.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

46

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.

bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

4.2.2

Milieuzonering in het bestemmingsplan

Op het terrein vinden diverse activiteiten plaats. Als wordt gekeken naar de indeling in bedrijfsactiviteiten in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', dan zijn de activiteiten in te delen in de volgende categorieën: De activiteiten voor drinkwaterzuivering en spoelwaterterugwinning vallen in de categorie 'waterwinning/bereiding bedrijven', bereiding met chloorbleekloog e.d. en/of straling (SBI-2008 code 36-A2) met een milieucategorie 3.1; De pompen in het (huidige en nieuwe) pompgebouw en de pompen in de reinwaterkelders vallen in de categorie 'waterdistributie(bedrijven) met een pompvermogen < 1 MW' (SBI-2008 code 36-B1) met een milieucategorie 2, of in de categorie 'waterdistributie(bedrijven) met een pompvermogen 1-15 MW' (SBI-2008 code 36-B2) met een milieucategorie 3.2. Pompen met een vermogen > 15 MW (milieucategorie 4.2) komen niet voor; De kantoor- en opleidingsactiviteiten op het terrein vallen in de categorie overige zakelijke dienstverlening: kantoren, met een milieucategorie 1. De omgeving van het terrein is het omgevingstype 'gemengd gebied': direct rondom het plangebied liggen meerdere drukke wegen (Aalsterweg, Anton Coolenlaan) en diverse functies (zwembad, sportcentrum, hogeschool, politiebureau, restaurant, woon-zorgcomplex).

Daarom kunnen de milieuafstanden voor de aanwezige milieucategorieën met één afstandsstap worden verkleind voor het aspect geluid. Dit leidt tot de volgende milieuafstanden: vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

47

Activiteit

Categorie

Geluid

Geur

Stof

Gevaar

Drinkw aterzuivering etc.

3.1

30 m

10 m

0m

30 m

Pompen < 1MW

2

10 m

0m

0m

10 m

Pompen 1-15 MW

3.2

50 m

0m

0m

10 m

Kantoor en opleiding

1

0m

0m

0m

0m

Er is in beeld gebracht welke milieugevoelige bestemmingen in de nabijheid (< 100 m) van het plangebied liggen. Dit zijn enkele woningen tussen het terrein en de Aalsterweg, de woonwijk ten oosten van de Aalsterweg en een woon-zorgcomplex ten noorden van de Anton Coolenlaan. Voor deze gevoelige locaties is in beeld gebracht welke milieuhindercontouren op basis van 'inwaartse zonering' in het plangebied liggen: er is gekeken naar de hinderafstanden zoals hierboven genoemd en welke 'impact' deze hebben op het terrein. In de navolgende figuur is dit weergegeven. Hierbij zijn tevens de toekomstige functies in het plangebied weergegeven.

Figuur 21: Milieuzonering voor het plangebied o.b.v. inwaartse zonering vanuit omliggende gevoelige functies. Uit de bovenstaande figuur blijkt, dat voor de milieubelastende activiteiten op het terrein enige beperkingen zijn aan de noord- en oostzijde van het plangebied als gevolg van de aanwezigheid van gevoelige functies: Rondom de woningen aan de Aalsterweg gelden beperkingen voor het zuiveringsgebouw, deze dient buiten de 30 m contour te blijven. Voor aanwezige en toekomstige pompen 48

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

geldt dat deze buiten de 50 m contour dienen te blijven als de pomp 1-15 MW vermogen heeft. Voor kleinere pompen (< 1 MW) geldt de 10 m contour; Langs de noordgrens geldt een beperking voor de aanwezigheid van grotere pompen (1-15 MW), deze dienen hier buiten de 50 m contour te blijven. In dit bestemmingsplan zijn de toegestane maximale milieucategorieën geborgd, doordat de relevante milieucontouren op de verbeelding zijn aangegeven. Deze milieucontouren zijn vertaald in een zonering, waarbij: In de eerste 10 m rondom de woningen (de rode zone op bovenstaande figuur) alleen categorie 1 bedrijvigheid is toegestaan; In de zone tussen 10 en 30 m vanaf de woningen alleen categorie 1 en 2 bedrijvigheid is toegestaan; In de zone tussen 30 en 50 m vanaf de woningen alleen categorie 1, 2 en 3.1 bedrijvigheid is toegestaan; In het resterende plangebied bedrijvigheid tot en met categorie 3.2 is toegestaan. Deze voorwaarden zijn in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Tevens verwijzen de regels naar de staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de regels is gevoegd; in deze staat worden de relevante (toegestane) bedrijfsactiviteiten opgesomd. Het nieuwe gebouw voor zuivering en spoelwaterterugwinning (milieucategorie 3.1) wordt beoogd aan de westzijde van het gebied.

De toegestane milieucategorie is hier 3.2, daardoor past het initiatief voor het nieuwe gebouw binnen de milieuzonering. Door het gebouw aan de westzijde te positioneren, wordt daarnaast zoveel mogelijk overlast (ook als deze binnen de toegestane normen valt) voorkomen. Het totale opgestelde vermogen van alle pompen in het plangebied (de pompen in het huidige en nieuwe pompgebouw, én pompen die in de reinwaterkelders aanwezig zijn), bedraagt ca. 2 MW. Deze pompen zijn echter niet allemaal gelijktijdig in bedrijf, omdat er meerdere back-upvoorzieningen zijn waar de pompen deel van uit maken. Het totale vermogen van alle pompen, die bij een normale bedrijfsvoering gezamenlijk in bedrijf zijn, bedraagt ca. 1 MW. Deze zijn dan op diverse plekken (in het huidige en nieuwe pompgebouw én in de reinwaterkelders) in gebruik, waardoor er sprake is van een verspreide productie van het geluid. Vanuit de milieuzonering dient rekening te worden gehouden met het plaatsen van de pompen buiten de 10 m contour (en buiten de 50 m contour als het opgestelde pompvermogen bij normale bedrijfsvoering meer dan 1 MW bedraagt). Hier wordt aan voldaan; de zuidoostelijke reinwaterkelder ligt voor een klein stuk binnen de 10 m contour, maar de hier opgestelde pomp ligt buiten de contour. De kantoorzone grenst aan de woonbestemmingen langs de Aalsterweg.

Echter, omdat de kantoorzone geen feitelijke milieuhindercontour heeft in een gemengd gebied (de hinderafstand is 0 m), is dit passend binnen de milieuzonering.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken.

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

49

De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

4.3.2

Uitwerking

Het voorliggend bestemmingsplan bevat geen mogelijkheden voor de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, die conform de Wet geluidhinder getoetst moeten worden. Er worden geen nieuwe wegen aangelegd en er is geen sprake van dusdanige verkeersgeneratie, dat mogelijk sprake kan zijn van reconstructie van bestaande wegen conform de Wet geluidhinder. De nieuwe bebouwing (nieuwbouw voor de zuivering en spoelwaterterugwinning) en in de toekomst het nieuwe pompgebouw kunnen wel mogelijk zorgen voor een toename van de geluidsbelasting in de omgeving; in de vorige paragraaf is echter reeds aangegeven dat er op dit aspect geen belemmeringen zijn. Immers, geen van de hindercontouren die kunnen worden verwacht van de activiteiten heeft een overlap met de woonbestemming in de omgeving.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m³, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

50

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse "Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

51

ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Het plan omvat de herstructurering van de productielocatie van Brabant Water. Het plan voorziet niet in nieuwe gevoelige bestemmingen/ontwikkelingen langs drukke wegen en/of woningbouw nabij snelwegen. Voor het buitengebied van Eindhoven is de achtergrondconcentratie van fijn stof berekend en gebleken is dat overal binnen de plangrenzen wordt voldaan aan de normen de luchtkwaliteit. Dit past binnen de getalsmatige begrenzing voor 'niet in betekende mate' projecten. De huidige en toekomstige productieactiviteiten leiden niet tot een in betekenende mate verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een significante verkeerstoename in de toekomst, die mogelijk kan leiden tot een in betekenende mate verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Aangezien het plan niet voorziet in de bouw van nieuwe woningen of kantoorruimte zijn er geen extra verkeersbewegingen en daarmee een toename van concentraties in het gebied. Er kan worden gesteld dat er geen sprake is van een 'in betekende mate' project zodat de realisatie van het plan niet zal leiden tot een overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 52

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.

Inrichtingen Risicovolle inrichtingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan. Naast het plangebied ligt het Nationaal Zwemcentrum De Tongelreep. Hier is een opslag van maximaal 6.000 liter chloorbleekloog aanwezig. Deze heeft geen plaatsgebonden risicocontour. Wel is er een veiligheidszone (invloedsgebied) gedefinieerd die deels over het plangebied ligt. Deze is opgenomen in de regels en de verbeelding. Binnen dit invloedsgebied zijn geen gebouwen toegestaan voor het verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen. Deze gebouwen worden in onderhavig plan niet gerealiseerd en toegestaan. De inrichting van het plangebied ziet niet op activiteiten die een risicocontour met zich meebrengen; vanuit het plangebied is dan ook geen sprake van risicovolle inrichtingen met een mogelijk effect op de omgeving. Transport Transportroutes waarover risicovolle stoffen vervoerd worden vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan. Buisleidingen Buisleidingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan.

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

53

4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

4.5.3

Conclusie

Vanuit het plangebied zijn er op het aspect externe veiligheid geen belemmeringen richting de omgeving. Tevens zijn er vanuit de omgeving op het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de toegestane functies in het plangebied.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1.

CO2 reductie

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers - woningen, winkels, kantoren - mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.

Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

54

vastgesteld Buitengebied (Brabant Water Aalsterweg) Gemeente Eindhoven

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11742630/1