CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Was-wordt-tabel aanpassing verordeningen Omgevingswet

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot technische aanpassing van diverse Eindhovense verordeningen vanwege inwerkingtreding van de Omgevingswet28.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

a. de bescherming van natuur en landschap, of b. de bescherming van een stadsgezicht.

a. de bescherming van natuur en landschap, of b. de bescherming van een stadsgezicht. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:5 (artikel II, onderdeel AC, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Nieuwe tekst Artikel 5:5 Voertuigwrakken

1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk

1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk

26

verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6 (artikel II, onderdeel AD, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

Nieuwe tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

b. langer dan veertien achtereenvolgende dagen op voor publiek toegankelijke parkeerterreinen te plaatsen of te hebben.

b. langer dan veertien achtereenvolgende dagen op voor publiek toegankelijke parkeerterreinen te plaatsen of te hebben.

2. In afwijking van het verbod is het toegestaan om de van een voertuig losgekoppelde aanhangwagen maximaal 24 uur op of aan de weg te plaatsen of te hebben.

2. In afwijking van het verbod is het toegestaan om de van een voertuig losgekoppelde aanhangwagen maximaal 24 uur op of aan de weg te plaatsen of te hebben.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Verordening wegen Noord Brabant 2010.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingsverordening NoordBrabant.

Artikel 5:10 (artikel II, onderdeel AE, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

Nieuwe tekst Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te

27

parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

2.Het verbod geldt niet als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

2.Het verbod geldt niet als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet.

Artikel 5:20 (artikel II, onderdeel AF, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

Nieuwe tekst Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

1.Het verbod van artikel 5:18 is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening wegen Noord Brabant 2010.

1. Het verbod van artikel 5:18 is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de Omgevingsverordening NoordBrabant.

2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:24 (artikel II, onderdeel AG, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Nieuwe tekst Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

28

2. Het eerste lid is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

3. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

3. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Verordening water Noord-Brabant of de Verordening wegen Noord Brabant 2010, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening NoordBrabant of de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2022 of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:25 (artikel II, onderdeel AH, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

Nieuwe tekst Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water.

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water.

29

2. Burgemeester en wethouders kunnen voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met of voor een vaartuig op de niet aangewezen gedeelten van openbaar water:

2. Burgemeester en wethouders kunnen voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met of voor een vaartuig op de niet aangewezen gedeelten van openbaar water:

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Verordening water Noord-Brabant of de Verordening wegen Noord Brabant 2010.

3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening NoordBrabant of de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2022 of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

4. Burgemeester en wethouders kunnen aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

4. Burgemeester en wethouders kunnen aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 5:28 (artikel II, onderdeel AI, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

30

Bestaande tekst Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

Nieuwe tekst Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoei-ingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen, die bij de gemeente in beheer zijn.

1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen, die bij de gemeente in beheer zijn.

2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Verordening water Noord-Brabant.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de Omgevingsverordening NoordBrabant.

Artikel 5:30 (artikel II, onderdeel AJ, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:30 Veiligheid op het water

Nieuwe tekst Artikel 5:30 Veiligheid op het water

1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Verordening water Noord-Brabant.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening NoordBrabant of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:32 (artikel II, onderdeel AK, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:32 Crossterreinen

Nieuwe tekst Artikel 5:32 Crossterreinen

31

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd of, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden of daaraan deel te nemen, of een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd of, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden of daaraan deel te nemen, of een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen onder de door hen gestelde voorwaarden voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen onder de door hen gestelde voorwaarden voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

a. het voorkomen of beperken van overlast;

a. het voorkomen of beperken van overlast;

b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

c. bescherming van het milieu;

c. bescherming van het milieu;

d. de veiligheid van de deelnemers van de bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

d. de veiligheid van de deelnemers van de bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5:33 (artikel II, onderdeel AL, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

Nieuwe tekst Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

1. Het is verboden zich met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of paard te bevinden in door burgemeester en wethouders aangewezen publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen

1. Het is verboden zich met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of paard te bevinden in door burgemeester en wethouders aangewezen publiek toegankelijke natuurgebieden, parken,

32

of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen op door hen aangeduide tijden.

plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen op door hen aangeduide tijden.

2. Het verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen, fietsers of berijders van paarden:

2. Het verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen, fietsers of berijders van paarden:

a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen;

b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen;

e. voor bezoek van en voor de verzorging van de onder d. bedoelde personen.

e. voor bezoek van en voor de verzorging van de onder d. bedoelde personen.

3. Het verbod geldt ook niet: 3. Het verbod geldt ook niet: a. op wegen; a. op wegen; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale milieuverordening NoordBrabant 2010 aangewezen stiltegebieden.

b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening NoordBrabant aangewezen stiltegebieden.

4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen.

4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen.

5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

33

5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht

(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:34 (artikel II, onderdeel AM, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Nieuwe tekst Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1. Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2. Het verbod is niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

2. Het verbod is niet van toepassing op:

b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

c. vuur voor koken, bakken en braden,

b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

mits er geen sprake is van gevaar, overlast, hinder voor of schade aan de omgeving.

c. vuur voor koken, bakken en braden,

3. Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verlenen.

mits er geen sprake is van gevaar, overlast, hinder voor of schade aan de omgeving.

4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor het aanleggen van vuren en het gebruik van verlichting als bedoeld in het lid 2.

3. Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verlenen.

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene

34

4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor het aanleggen van vuren en het gebruik van verlichting als bedoeld in het lid 2. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de

wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Omgevingsverordening NoordBrabant. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Erfgoedverordening gemeente Eindhoven Het opschrift van de verordening (artikel VI, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Erfgoedverordening gemeente Eindhoven

Nieuwe tekst Erfgoedverordening gemeente Eindhoven

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven maakt bekend dat de raad van de gemeente Eindhoven;

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven maakt bekend dat de raad van de gemeente Eindhoven;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2022,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2022,

gelet op de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

gelet op de gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en artikel 5.1 van de Omgevingswet;

op 29 november 2022 heeft besloten vast te stellen de Erfgoedverordening gemeente Eindhoven

op …december 2023 heeft besloten te wijzigen de Erfgoedverordening gemeente Eindhoven

Artikel 1 (artikel VI, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1. Definities

Nieuwe tekst Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

• archeologisch niveau: diepte vanaf waar zich archeologische sporen en

35

structuren (kunnen) bevinden met daarboven een bufferzone van 30 cm (= één standaard ploegdiepte);

• adviescommissie Omgevingskwaliteit: de gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening Adviescommissie Omgevingskwaliteit 2021;

• archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door een daartoe gecertificeerde instantie en werkend volgens de geldende versie van de KNA;

• archeologisch niveau: diepte vanaf waar zich archeologische sporen en structuren (kunnen) bevinden met daarboven een bufferzone van 30 cm (= één standaard ploegdiepte);

• archeologische verwachtingswaarde: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden);

• archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door een daartoe gecertificeerde instantie en werkend volgens de geldende versie van de KNA;

• archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met het in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden);

• archeologische verwachtingswaarde: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden);

• archeologische verwachtingen- en waardenkaart: de kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop archeologische monumenten, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische verwachtingswaarden zijn aangegeven; • archeoregio : gebied waarbinnen sprake is van een globaal verband tussen landschap en bewoningsgeschiedenis

• archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met het in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden); • archeologische verwachtingen- en waardenkaart: de kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop archeologische monumenten, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische verwachtingswaarden zijn aangegeven; • archeoregio : gebied waarbinnen sprake is van een globaal verband tussen landschap en bewoningsgeschiedenis

• behoudenswaardig: in de KNA gehanteerde term om aan te geven dat een terrein zo waardevol is dat dit behouden moet blijven. Dit kan door middel van planaanpassing (behoud in situ) en/of opgraving (behoud ex situ);

• behoudenswaardig: in de KNA gehanteerde term om aan te geven dat een terrein zo waardevol is dat dit behouden moet blijven. Dit kan door middel van planaanpassing

36

(behoud in situ) en/of opgraving (behoud ex situ);

• behoud in situ: behoud van archeologische resten op dezelfde plaats door planaanpassing (behoudsmaatregelen);

• behoud in situ: behoud van archeologische resten op dezelfde plaats door planaanpassing (behoudsmaatregelen);

• behoud ex situ: behoud van archeologische informatie door middel van een opgraving; • bestemmingsplan (na inwerkingtreding van de Omgevingswet omgevingsplan) : door de raad vastgesteld plan waarin ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening of na de inwerkingtreding van de Omgevingswet het omgevingsplan met de regels voor de fysieke leefomgeving; • bodemingreep/-verstoring: aantasting van een gebied met archeologische (verwachtings)waarden. Dit kan zich voordoen bijvoorbeeld door: erosie, afgraving of egalisatie; door (diepe) bewerking van de bovengrond; door zetting als gevolg van ophoging en door ingrepen met geleidelijk negatief effect (verdroging, verzuring, doorworteling);

• behoud ex situ: behoud van archeologische informatie door middel van een opgraving;

• bodemingreep/-verstoring: aantasting van een gebied met archeologische (verwachtings)waarden. Dit kan zich voordoen bijvoorbeeld door: erosie, afgraving of egalisatie; door (diepe) bewerking van de bovengrond; door zetting als gevolg van ophoging en door ingrepen met geleidelijk negatief effect (verdroging, verzuring, doorworteling);

• bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument of object, overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door burgemeester en wethouders te stellen eisen;

• bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument of object, overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door burgemeester en wethouders te stellen eisen;

• commissie ruimtelijke kwaliteit (na inwerkingtreding van de Omgevingswet de adviescommissie Omgevingskwaliteit):de overeenkomstig artikel 15 van de Monumentenwet 1988 ingestelde

37

commissie met als taak burgemeester en wethouders en de raad op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet 2016, de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), deze verordening en het erfgoedbeleid of, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, de gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven; • cultuurhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van een monument, een complex van monumenten, een gebied of een object, overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door burgemeester en wethouders te stellen eisen;

• cultuurhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van een monument, een complex van monumenten, een gebied of een object, overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door burgemeester en wethouders te stellen eisen;

• cultuurhistorische waardenkaart: de waardenkaart historisch cultuurlandschap en de waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed, waarop objecten, structuren en gebieden zijn weergegeven die belangrijk zijn voor de (herkenbaarheid van de) historische ontwikkeling van Eindhoven;

• cultuurhistorische waardenkaart: de waardenkaart historisch cultuurlandschap en de waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed, waarop objecten, structuren en gebieden zijn weergegeven die belangrijk zijn voor de (herkenbaarheid van de) historische ontwikkeling van Eindhoven;

• cultuurhistorisch waardevol object: onroerende zaak die in samenhang met de omgeving door de uiterlijke verschijningsvorm wezenlijk is voor de herkenbaarheid en de belevingswaarde van de historisch stedenbouwkundige of landschappelijke structuur waarvan zij deel uitmaakt of op zichzelf representatief is voor of verwijst naar een belangrijk aspect in de historische ontwikkeling van Eindhoven;

• cultuurhistorisch waardevol object: onroerende zaak die in samenhang met de omgeving door de uiterlijke verschijningsvorm wezenlijk is voor de herkenbaarheid en de belevingswaarde van de historisch stedenbouwkundige of landschappelijke structuur waarvan zij deel uitmaakt of op zichzelf representatief is voor of verwijst naar een belangrijk aspect in de historische ontwikkeling van Eindhoven;

38

• depotrichtlijnen: gemeentelijke bepalingen (in aanvulling op de geldende richtlijnen van de Kwaliteitnorm Nederlandse Archeologie) waaraan, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, de aanlevering van archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie bij het gemeentelijk archeologisch depot voor bodemvondsten minimaal moet voldoen;

• depotrichtlijnen: gemeentelijke bepalingen (in aanvulling op de geldende richtlijnen van de Kwaliteitnorm Nederlandse Archeologie) waaraan, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, de aanlevering van archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie bij het gemeentelijk archeologisch depot voor bodemvondsten minimaal moet voldoen;

• gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed: het geheel van onroerende zaken aangeduid op de cultuurhistorische waardenkaart;

• gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed: het geheel van onroerende zaken aangeduid op de cultuurhistorische waardenkaart;

• gemeentelijk adviseur archeologie: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen aantoonbaar ervaringsdeskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg;

• gemeentelijk adviseur archeologie: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen aantoonbaar ervaringsdeskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg;

• gemeentelijk archeologisch monument: archeologisch monument dat overeenkomstig deze verordening als beschermd monument is aangewezen en is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

• gemeentelijk archeologisch monument: archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat op grond van artikel 3 als zodanig is aangewezen en is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

• gemeentelijk monument: monument dat overeenkomstig deze verordening als beschermd monument is aangewezen en is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

• gemeentelijk monument: monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat op grond van artikel 3 als zodanig is aangewezen en is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

• historisch waardevol kunstwerk: een onroerend kunstwerk in of aan een gebouw, dan wel in de openbare ruimte, dat in samenhang met het betreffende gebouw of op zichzelf representatief is voor of verwijst naar een belangrijk aspect in de historische ontwikkeling van Eindhoven;

• historisch waardevol kunstwerk: een onroerend kunstwerk in of aan een gebouw, dan wel in de openbare ruimte, dat in samenhang met het betreffende gebouw of op zichzelf representatief is voor of verwijst naar een belangrijk aspect in de historische ontwikkeling van Eindhoven;

• KNA-conform archeologisch onderzoek: onderzoek dat is uitgevoerd volgens de geldende versie van de KNA, door een daartoe

• KNA-conform archeologisch onderzoek: onderzoek dat is uitgevoerd volgens de geldende versie van de KNA, door een

39

gecertificeerde instantie en door daartoe geregistreerde actoren;

daartoe gecertificeerde instantie en door daartoe geregistreerde actoren;

• KNA: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie: norm van de Nederlandse archeologische beroepsgroep waar archeologisch onderzoek minimaal aan moet voldoen;

• KNA: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie: norm van de Nederlandse archeologische beroepsgroep waar archeologisch onderzoek minimaal aan moet voldoen;

• maaiveld: aardoppervlak inclusief de bestrating, gemeten in meter ten opzichte van NAP. Deze hoogtemaat wordt afgeleid van een representatieve locatie op het Actueel Hoogtebestand Nederland versie 3 (of hoger);

• maaiveld: aardoppervlak inclusief de bestrating, gemeten in meter ten opzichte van NAP. Deze hoogtemaat wordt afgeleid van een representatieve locatie op het Actueel Hoogtebestand Nederland versie 3 (of hoger);

• omgevingsvergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of na inwerkingtreding Omgevingswet een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de Omgevingswet;

• omgevingsplan: plan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;

• onderzoeksgebied: ruimtelijk afgebakend gebied dat wordt onderzocht om de archeologische of cultuurhistorische waarde van een plangebied naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate te kunnen bepalen;

• onderzoeksgebied: ruimtelijk afgebakend gebied dat wordt onderzocht om de archeologische of cultuurhistorische waarde van een plangebied naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate te kunnen bepalen;

• onderzoeksrichtlijnen : gemeentelijke bepalingen (in aanvulling op de geldende richtlijnen van de KNA waaraan, naar oordeel van burgemeester en wethouders, archeologisch (voor)onderzoek minimaal moet voldoen;

• onderzoeksrichtlijnen : gemeentelijke bepalingen (in aanvulling op de geldende richtlijnen van de KNA waaraan, naar oordeel van burgemeester en wethouders, archeologisch (voor)onderzoek minimaal moet voldoen;

• Plan van Aanpak ( PvA ): inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de werkwijze van prospectief onderzoek wordt omschreven. Het document wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld. Een PvA bij een opgraving geeft weer hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het Programma

• Plan van Aanpak ( PvA ): inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de werkwijze van prospectief onderzoek wordt omschreven. Het document wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld. Een PvA bij een opgraving geeft weer hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het Programma

• omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet;

40

van Eisen denkt te gaan beantwoorden;

van Eisen denkt te gaan beantwoorden;

• plangebied: in ruimte begrensd gebied, waarin een ruimtelijke ontwikkeling is gepland (en waarvoor een ruimtelijke procedure wordt doorlopen);

• plangebied: in ruimte begrensd gebied, waarin een ruimtelijke ontwikkeling is gepland (en waarvoor een ruimtelijke procedure wordt doorlopen);

• Programma van Eisen ( PvE ): inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling, de uitvoeringswijze en randvoorwaarden van een archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan. Het document wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld;

• Programma van Eisen ( PvE ): inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling, de uitvoeringswijze en randvoorwaarden van een archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan. Het document wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld;

• RCE: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort;

• RCE: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort;

• richtlijnen voor bouw-, cultuur- en tuinhistorisch onderzoek: richtlijnen opgesteld i.o.v. de RCE voor bouwhistorisch, cultuurhistorisch en tuinhistorisch onderzoek respectievelijk genaamd: Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek. Lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed; Cultuurhistorisch Onderzoek in de vormgeving van de Ruimtelijke Ordening. Aanwijzingen en aanbevelingen; Richtlijnen Tuinhistorisch Onderzoek. Voor waardestellingen van groen erfgoed;

• richtlijnen voor bouw-, cultuur- en tuinhistorisch onderzoek: richtlijnen opgesteld i.o.v. de RCE voor bouwhistorisch, cultuurhistorisch en tuinhistorisch onderzoek respectievelijk genaamd: Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek. Lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed; Cultuurhistorisch Onderzoek in de vormgeving van de Ruimtelijke Ordening. Aanwijzingen en aanbevelingen; Richtlijnen Tuinhistorisch Onderzoek. Voor waardestellingen van groen erfgoed;

• tuinhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de ontstaans- en ontwerpgeschiedenis en de tuinhistorische kwaliteit van groen erfgoed (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, waardevol aangelegd groen en bomen en zaken op de waardenkaart historisch cultuurlandschap), overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door burgemeester en wethouders te stellen eisen;

• tuinhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de ontstaans- en ontwerpgeschiedenis en de tuinhistorische kwaliteit van groen erfgoed (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, waardevol aangelegd groen en bomen en zaken op de waardenkaart historisch cultuurlandschap), overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door burgemeester en wethouders te stellen eisen;

41

• waardenkaart historisch cultuurlandschap: topografische kaart met daarbij behorende gegevensbestanden van het gemeentelijke grondgebied waarop zijn aangegeven en gewaardeerd de historische landschappelijke gebieden (incl. historische nederzettingslocaties) en elementen (landschapselementen infrastructuur, waterstaat, opgaand groen, religie en funerair erfgoed en reliëf), die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven;

• waardenkaart historisch cultuurlandschap: topografische kaart met daarbij behorende gegevensbestanden van het gemeentelijke grondgebied waarop zijn aangegeven en gewaardeerd de historische landschappelijke gebieden (incl. historische nederzettingslocaties) en elementen (landschapselementen infrastructuur, waterstaat, opgaand groen, religie en funerair erfgoed en reliëf), die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven;

• waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed: topografische kaart met daarbij behorende gegevensbestanden van het gemeentelijke grondgebied waarop zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, historisch waardevolle kunstwerken, historische wegen en waterlopen, historischstedenbouwkundige structuren en waardevol aangelegd groen en bomen, die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven. De dubbelbestemmingen waarde cultuurhistorie en waarde historisch groen, bouwaanduiding karakteristiek en functieaanduiding cultuurhistorische waarden opgenomen in het bestemmingsplan die toezien op cultuurhistorische waarden maken deel uit van deze waardenkaart;

• waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed: topografische kaart met daarbij behorende gegevensbestanden van het gemeentelijke grondgebied waarop zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, historisch waardevolle kunstwerken, historische wegen en waterlopen, historischstedenbouwkundige structuren en waardevol aangelegd groen en bomen, die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven. De dubbelbestemmingen waarde cultuurhistorie en waarde historisch groen, bouwaanduiding karakteristiek en functieaanduiding cultuurhistorische waarden opgenomen in het bestemmingsplan die toezien op cultuurhistorische waarden maken deel uit van deze waardenkaart;

• waarderingscategorie A: de op de waardenkaart historisch cultuurlandschap aangegeven hoog en zeer hoog gewaardeerde gebieden in het buitengebied en de aangegeven hoog en zeer hoog gewaardeerde elementen in het

• waarderingscategorie A: de op de waardenkaart historisch cultuurlandschap aangegeven hoog en zeer hoog gewaardeerde gebieden in het buitengebied en de aangegeven hoog en zeer hoog gewaardeerde elementen in het

42

buitengebied en in het stedelijk gebied;

buitengebied en in het stedelijk gebied;

• waarderingscriteria: criteria voor het waarderen van zaken of terreinen die in aanmerking komen voor een aanwijzing als gemeentelijk monument.

• waarderingscriteria: criteria voor het waarderen van zaken of terreinen die in aanmerking komen voor een aanwijzing als gemeentelijk monument.

Artikel 2 (artikel VI, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 2. Gemeentelijke erfgoedregister

Nieuwe tekst Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister

1.Burgemeester en wethouders houden een door een ieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening aangewezen onroerend cultureel erfgoed (het gemeentelijk erfgoedregister).

1. Burgemeester en wethouders houden een door een ieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.

2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:

2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:

a.gegevens over de inschrijving en ten behoeve van de identificatie van het aangewezen gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed;

a.gegevens over de inschrijving en ten behoeve van de identificatie van het aangewezen gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed;

b.gegevens over door burgemeester en wethouders van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.

b.gegevens over door burgemeester en wethouders van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 3 (artikel VI, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

43

Bestaande tekst Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk monument en gemeentelijk archeologisch monument

Nieuwe tekst Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk monument en gemeentelijk archeologisch monument

1.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een zaak die of een terrein dat van bijzonder belang is voor de gemeente, vanwege zijn architectuur-, bouw- en kunsthistorische, (historisch-) stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden, aan te wijzen als gemeentelijk monument.

1.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een zaak die of een terrein dat van bijzonder belang is voor de gemeente, vanwege zijn architectuur-, bouw- en kunsthistorische, (historisch-) stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden, aan te wijzen als gemeentelijk monument.

2.Voor het bepalen van de waarden van een zaak of terrein als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van daartoe opgestelde waarderingscriteria.

2.Voor het bepalen van de waarden van een zaak of terrein als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van daartoe opgestelde waarderingscriteria.

3.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een terrein dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege hier aantoonbaar aanwezige archeologische waarden aan te wijzen als gemeentelijk archeologisch monument.

3.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een terrein dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege hier aantoonbaar aanwezige archeologische waarden aan te wijzen als gemeentelijk archeologisch monument.

4.Dit artikel is niet van toepassing op:

4. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en

a.rijksmonumenten, en b.monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

Artikel 5 (artikel VI, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5. Voorbescherming

Nieuwe tekst Artikel 5. Voorbescherming

44

1.De bescherming van Hoofdstuk 3 is van overeenkomstige toepassing op de zaak of het terrein ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4 is bekendgemaakt.

1.De bescherming van Hoofdstuk 3 is van overeenkomstige toepassing op de zaak of het terrein ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4 is bekendgemaakt.

2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6 (artikel VI, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 6. Advies gemeentelijke adviescommissie 1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid advies aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.

Nieuwe tekst Artikel 6. Advies gemeentelijke adviescommissie 1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid advies aan de commissie Omgevingskwaliteit.

2.De commissie ruimtelijke kwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

2.De commissie Omgevingskwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

Artikel 8 (artikel VI, onderdeel F en G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 8. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument en voorlopig gemeentelijk archeologisch monument 1.In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument, in afwijking van artikel 6, zonder advies te vragen aan de commissie ruimtelijke kwaliteit, aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument.

Nieuwe tekst Artikel 8. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument en voorlopig gemeentelijk archeologisch monument 1.In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument, in afwijking van artikel 6, zonder advies te vragen aan de commissie Omgevingskwaliteit, aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument.

2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester

2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als

45

en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing als bedoeld in artikel 3.

burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing als bedoeld in artikel 3.

3.Hoofdstuk 3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

3.Hoofdstuk 3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 13 (artikel VI, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 13. Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 12, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken:

Nieuwe tekst vervalt

a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel 14 (artikel VI, onderdeel F en J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 14. Advies gemeentelijke adviescommissie

Nieuwe tekst Artikel 14. Advies gemeentelijke adviescommissie

46

1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 12 en 13 advies aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.

1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 12 advies aan de commissie Omgevingskwaliteit.

2.Het eerste lid is niet van toepassing op gemeentelijk archeologische monumenten.

2.Het eerste lid is niet van toepassing op gemeentelijk archeologische monumenten.

3.De commissie ruimtelijke kwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

3.De commissie Omgevingskwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

Artikel 15 (artikel VI, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 15. Bouwhistorisch, cultuurhistorisch en tuinhistorisch onderzoek 1.Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12, dan wel in het kader van een vooroverleg ter voorbereiding daartoe, bepalen dat een bouwhistorisch, cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt verricht.

Nieuwe tekst Artikel 15. Bouwhistorisch, cultuurhistorisch en tuinhistorisch onderzoek 1.Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12, dan wel in het kader van een vooroverleg ter voorbereiding daartoe, bepalen dat een bouwhistorisch, cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt verricht.

2.Het onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld conform de richtlijnen voor bouw-, cultuur- en tuinhistorisch onderzoek van de RCE.

2.Het onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld conform de richtlijnen voor bouw-, cultuur- en tuinhistorisch onderzoek van de RCE.

3.Het college vraagt voor de beoordeling van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid advies aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.

3.Het college vraagt voor de beoordeling van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid advies aan de commissie Omgevingskwaliteit.

Artikel 17 (artikel VI, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Hoofdstuk 4. Rijksmonumenten Artikel 17. Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Nieuwe tekst vervalt

47

Burgemeester en wethouders zenden onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de commissie ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid en 14, eerste lid. De artikelen 6, tweede lid, en 14, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 20 (artikel VI, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 20. Omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevol object 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een cultuurhistorisch waardevol object geheel of gedeeltelijk te slopen.

Nieuwe tekst Artikel 20. Omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevol object 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een cultuurhistorisch waardevol object geheel of gedeeltelijk te slopen.

2.Op de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 13, 14, 15 en 16 van overeenkomstige toepassing.

2.Op de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 14, 15 en 16 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21 (artikel VI, onderdeel F en N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 21. Cultuurhistorische waardenkaart 1.De raad stelt een cultuurhistorische waardenkaart vast.

Nieuwe tekst Artikel 21. Cultuurhistorische waardenkaart 1.De raad stelt een cultuurhistorische waardenkaart vast.

2.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de cultuurhistorische waardenkaart te wijzigen.

2.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de cultuurhistorische waardenkaart te wijzigen. 3.Voor vaststelling of wijziging van de cultuurhistorische waardenkaart wordt de commissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd.

3.Voor vaststelling of wijziging van de cultuurhistorische waardenkaart

48

wordt de commissie ruimtelijke kwaliteit om advies gevraagd. 4.Bij iedere omgevingsvergunningaanvraag, waarbij zaken zijn betrokken die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, wordt de commissie ruimtelijke kwaliteit om advies gevraagd. 5.Bij iedere procedure als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarbij zaken zijn betrokken die op de waardenkaart historisch landschap en de waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed zijn aangegeven, wordt de commissie ruimtelijke kwaliteit om advies gevraagd. 6.Aan ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan of een projectbesluit (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) nodig is en die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten dan wel zaken, die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, verlenen de raad of burgemeester en wethouders slechts medewerking indien de initiatiefnemer aantoont dat de voorgenomen ontwikkeling met het belang van het gemeentelijk monument dan wel met de waarden die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, in overeenstemming is.

4.Bij iedere omgevingsvergunningaanvraag, waarbij zaken zijn betrokken die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, wordt de commissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd. 5.Bij iedere procedure als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarbij zaken zijn betrokken die op de waardenkaart historisch landschap en de waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed zijn aangegeven, wordt de commissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd. 6.Aan ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan of een projectbesluit (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) nodig is en die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten dan wel zaken, die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, verlenen de raad of burgemeester en wethouders slechts medewerking indien de initiatiefnemer aantoont dat de voorgenomen ontwikkeling met het belang van het gemeentelijk monument dan wel met de waarden die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, in overeenstemming is.

7.Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van aanvraag of procedure als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, dan wel in het kader van een vooroverleg ter voorbereiding daartoe, bepalen dat een bouwhistorisch, cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt verricht.

7.Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van aanvraag of procedure als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, dan wel in het kader van een vooroverleg ter voorbereiding daartoe, bepalen dat een bouwhistorisch, cultuurhistorisch

49

of tuinhistorisch onderzoek wordt verricht.

8.Op het onderzoek, bedoeld in het zevende lid, is artikel 15 van overeenkomstige toepassing.

8.Op het onderzoek, bedoeld in het zevende lid, is artikel 15 van overeenkomstige toepassing. Artikel 22 (artikel VI, onderdeel F en O, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 22. Bouwregels en omgevingsvergunning waardenkaart historisch landschap 1.Voor het bouwen van bouwwerken in gebieden en elementen met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven gelden de volgende regels:

Nieuwe tekst Artikel 22. Bouwregels en omgevingsvergunning waardenkaart historisch landschap 1.Voor het bouwen van bouwwerken in gebieden en elementen met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven gelden de volgende regels:

het bouwen van bouwwerken is mogelijk is krachtens de onderliggende andere bestemming(en), met dien verstande dat:

het bouwen van bouwwerken is mogelijk is krachtens de onderliggende andere bestemming(en), met dien verstande dat:

•advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit waaruit blijkt dat met werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen;

•advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of commissie Omgevingskwaliteit waaruit blijkt dat met werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen;

•als blijkt dat het bouwen van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden.

•als blijkt dat het bouwen van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden.

2.Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het belang van het behoud van de ter plaatse

50

aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede aan de situering ervan. 3.Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op of in de gronden met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: •het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; •het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven;

2.Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het belang van het behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede aan de situering ervan. 3.Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op of in de gronden met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: •het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; •het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13451173/2