CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Was-wordt-tabel aanpassing verordeningen Omgevingswet

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot technische aanpassing van diverse Eindhovense verordeningen vanwege inwerkingtreding van de Omgevingswet28.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

•het diepwoelen of diepploegen; •het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden; •het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;

•het diepwoelen of diepploegen;

•het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting;

•het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;

•het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden;

•het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.

•het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting; •het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.

4.Het verbod als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud betreffen:

51

4.Het verbod als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het

normale beheer en onderhoud betreffen: •die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en niet strijdig waren met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan; •waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;

•die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en niet strijdig waren met het ter plaatse vigerende omgevingsplan; •waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;

•indien de werkzaamheden plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;

•indien de werkzaamheden plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;

•indien op grond van een door de commissie ruimtelijke kwaliteit goedgekeurd cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt aangetoond dat er geen cultuurhistorische waarden verloren gaan.

•indien op grond van een door de commissie Omgevingskwaliteit goedgekeurd cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt aangetoond dat er geen cultuurhistorische waarden verloren gaan.

5.De in het derde lid genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting van de gebieden en elementen met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is wordt

5.De in het derde lid genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting van de gebieden en elementen met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is wordt

•advies ingewonnen bij de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of

•advies ingewonnen bij de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of

•getoetst of op grond van een cultuurhistorisch onderzoek is vastgesteld dat het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheden de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen niet onevenredige verstoren.

•getoetst of op grond van een cultuurhistorisch onderzoek is vastgesteld dat het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheden de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen niet onevenredige verstoren.

52

6.Als blijkt dat het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, kan aan de omgevingsvergunning de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen van het gebied kunnen worden behouden.

6.Als blijkt dat het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, kan aan de omgevingsvergunning de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen van het gebied kunnen worden behouden.

Artikel 23 (artikel VI, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 23. Strijdigheid met regels in het bestemmingsplan Bij strijdigheid met regels ten aanzien van historisch landschap in een bestemmingsplan dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze verordening, gaan de regels uit artikel 22 voor.

Nieuwe tekst Artikel 23. Strijdigheid met het omgevingsplan Als het omgevingsplan regels bevat ten aanzien van historisch landschap die in strijd zijn met deze verordening, gaan de regels uit artikel 22 voor, tenzij de regels in het omgevingsplan na inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld.

1. Artikel 25 (artikel VI, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 25. Archeologie 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:

Nieuwe tekst Artikel 25. Archeologie 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

a.In een archeologisch monument, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische verwachtingswaarden, zoals opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en zoals bedoeld in artikel 1, de bodem

a.In een archeologisch monument, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische verwachtingswaarden, zoals opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en zoals bedoeld in artikel 1, de bodem

53

onder het maaiveld te verstoren. Hiervoor geldt:

onder het maaiveld te verstoren. Hiervoor geldt:

•Categorie 1: gemeentelijk archeologisch monument. Onderzoeksplicht bij alle bodemingrepen;

•Categorie 1: gemeentelijk archeologisch monument. Onderzoeksplicht bij alle bodemingrepen;

•Categorie 2: terrein van hoge archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 10 m2;

•Categorie 2: terrein van hoge archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 10 m2;

•Categorie 3: terrein van archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 50 m2;

•Categorie 3: terrein van archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 50 m2;

•Categorie 4: gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 100 m2;

•Categorie 4: gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 100 m2;

•Categorie 5: gebied met een hoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 250 m2;

•Categorie 5: gebied met een hoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 250 m2;

•Categorie 6: gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 2500 m2;

•Categorie 6: gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 2500 m2;

•Categorie 7: gebied met een lage archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 25000 m2;

•Categorie 7: gebied met een lage archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 25000 m2;

•Categorie 8: gebied zonder archeologische verwachting. Geen onderzoeksplicht.

•Categorie 8: gebied zonder archeologische verwachting. Geen onderzoeksplicht.

b.In een archeologisch monument, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische

b.In een archeologisch monument, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische

54

verwachtingswaarden, zoals opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en zoals bedoeld in artikel 1, de bodem te ontgronden en hierbij het maaiveld permanent te verlagen.

verwachtingswaarden, zoals opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en zoals bedoeld in artikel 1, de bodem te ontgronden en hierbij het maaiveld permanent te verlagen.

2.Indien het eerste lid, onder a niet van toepassing is, geldt de wettelijke meldingsplicht als bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 bij een archeologische toevalsvondst.

2.Indien het eerste lid, onder a niet van toepassing is, geldt de wettelijke meldingsplicht als bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 bij een archeologische toevalsvondst.

3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien:

3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien:

a.De vrijstellingsgrenzen in het eerste lid, onder a. niet worden overschreden;

a.De vrijstellingsgrenzen in het eerste lid, onder a. niet worden overschreden;

b.Er sprake is van een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en er voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

b.Er sprake is van een activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet en er voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

c.Een rapport conform de meest recente versie van de KNA is overgelegd waarin ten aanzien van de (te verwachten) archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

c.Een rapport conform de meest recente versie van de KNA is overgelegd waarin ten aanzien van de (te verwachten) archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

•Het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); of

•Het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); of

•De (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden geschaad; of

•De (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden geschaad; of

•Naar oordeel van burgemeester en wethouders geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

•Naar oordeel van burgemeester en wethouders geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

55

4.De omgevingsvergunning kan, onverlet dat er sprake is van een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, worden geweigerd indien de archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders ter plaatse behouden dienen te blijven (behoud in situ).

4.De omgevingsvergunning kan, onverlet dat er sprake is van een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, worden geweigerd indien de archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders ter plaatse behouden dienen te blijven (behoud in situ).

Artikel 26 (artikel VI, onderdeel R, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 26. Archeologische verwachtingen- en waardenkaart

Nieuwe tekst Artikel 26. Archeologische verwachtingen- en waardenkaart

1.Burgemeester en wethouders stellen de archeologische verwachtingen- en waardenkaart vast en zijn bevoegd deze te wijzigen.

3.Aan ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan of een projectbesluit (artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 Wabo) nodig is en die betrekking hebben op gebieden die op de archeologische verwachtingenen waardenkaart zijn aangegeven, verleent de raad of burgemeester en wethouders slechts medewerking indien de initiatiefnemer aantoont dat de bodemverstorende werkzaamheden niet tot onevenredige aantasting van archeologische waarden leiden.

1. Burgemeester en wethouders stellen de archeologische verwachtingen- en waardenkaart vast en zijn bevoegd deze te wijzigen. 2. De archeologische verwachtingen- en waardenkaart wordt, uiterlijk vijf jaar na vaststelling, geactualiseerd en vastgesteld en geldt dan als onderlegger voor de Erfgoedverordening en het omgevingsplan. 3. Aan ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is en die betrekking hebben op gebieden die op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn aangegeven, verleent de raad of burgemeester en wethouders slechts medewerking indien de initiatiefnemer aantoont dat de bodemverstorende werkzaamheden niet tot onevenredige aantasting van archeologische waarden leiden.

4.Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van aanvraag of procedure als bedoeld in het derde lid, dan wel in het kader van een vooroverleg ter voorbereiding daartoe, bepalen dat een archeologisch onderzoek volgens de

4. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van aanvraag of procedure als bedoeld in het derde lid, dan wel in het kader van een vooroverleg ter voorbereiding daartoe, bepalen dat een archeologisch onderzoek volgens de

2.De archeologische verwachtingenen waardenkaart wordt, uiterlijk vijf jaar na vaststelling, geactualiseerd en vastgesteld en geldt dan als onderlegger voor de Erfgoedverordening en het bestemmingsplan.

56

meest recente versie van de KNA wordt verricht.

meest recente versie van de KNA wordt verricht.

Artikel 27 (artikel VI, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 27. Voorwaarden Bij de beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning en/of een bestemmingsplanprocedure worden de volgende voorwaarden gehanteerd:

Nieuwe tekst Artikel 27. Voorwaarden Bij de beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning en/of een omgevingsplanprocedure worden de volgende voorwaarden gehanteerd:

De vrijstellingsgrenzen in de vastgestelde archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn leidend. Bij het bepalen of wordt voldaan aan de vrijstellingsgrenzen, worden de afmetingen in oppervlakte én diepte van het totaal aan verwachte bodemingrepen (voor alle relevante activiteiten, zoals: bouwen, ondergronds slopen, het uitvoeren van werken of werkzaamheden) in het plangebied bij elkaar opgeteld. Ook wanneer deze activiteiten apart van elkaar worden aangevraagd (anti opknip regeling);

De vrijstellingsgrenzen in de vastgestelde archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn leidend. Bij het bepalen of wordt voldaan aan de vrijstellingsgrenzen, worden de afmetingen in oppervlakte én diepte van het totaal aan verwachte bodemingrepen (voor alle relevante activiteiten, zoals: bouwen, ondergronds slopen, het uitvoeren van werken of werkzaamheden) in het plangebied bij elkaar opgeteld. Ook wanneer deze activiteiten apart van elkaar worden aangevraagd (anti opknip regeling);

De vrijstellingscategorie in de archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de zone met de hoogste waarde of hoogste verwachtingswaarde (en dus met de laagste ondergrenzen) is dus leidend voor alle ingrepen in het plangebied. Dit is ook het geval wanneer sprake is van bodemingrepen in verschillende zones met een waarde of verwachtingswaarde die verdeeld zijn over het plangebied en ook wanneer deze zones niet aan elkaar grenzen. Slechts als de hoogste waarde of verwachtingswaarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10%), kan na afweging door burgemeester en wethouders worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied;

De vrijstellingscategorie in de archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de zone met de hoogste waarde of hoogste verwachtingswaarde (en dus met de laagste ondergrenzen) is dus leidend voor alle ingrepen in het plangebied. Dit is ook het geval wanneer sprake is van bodemingrepen in verschillende zones met een waarde of verwachtingswaarde die verdeeld zijn over het plangebied en ook wanneer deze zones niet aan elkaar grenzen. Slechts als de hoogste waarde of verwachtingswaarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10%), kan na afweging door burgemeester en wethouders worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied;

57

Archeologisch (voor)onderzoek (bureauen/of booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek) vindt plaats in het gehele plangebied, tenzij hier naar oordeel van burgemeester en wethouders van afgeweken mag worden;

Archeologisch (voor)onderzoek (bureau- en/of booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek) vindt plaats in het gehele plangebied, tenzij hier naar oordeel van burgemeester en wethouders van afgeweken mag worden;

De grootte van een onderzoeksgebied dient, naar oordeel van burgemeester en wethouders, in verhouding te staan tot de grootte van het plangebied;

De grootte van een onderzoeksgebied dient, naar oordeel van burgemeester en wethouders, in verhouding te staan tot de grootte van het plangebied;

Wanneer een KNA-conform archeologisch (voor)onderzoek is gedaan en de verspreiding en de diepteligging van het archeologisch niveau, naar oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is bepaald, dan zijn deze dimensies leidend (voortschrijdend inzicht). Wanneer deze resten naar oordeel van burgemeester en wethouders behoudenswaardig zijn dan dienen ze te worden behouden door middel van planaanpassing (behoud in situ) en/of door opgraving (behoud ex situ);

Wanneer een KNA-conform archeologisch (voor)onderzoek is gedaan en de verspreiding en de diepteligging van het archeologisch niveau, naar oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is bepaald, dan zijn deze dimensies leidend (voortschrijdend inzicht). Wanneer deze resten naar oordeel van burgemeester en wethouders behoudenswaardig zijn dan dienen ze te worden behouden door middel van planaanpassing (behoud in situ) en/of door opgraving (behoud ex situ);

Bij behoud door middel van een opgraving (behoud ex situ) gelden de volgende bepalingen: alle naar oordeel van burgemeester en wethouders behoudenswaardige archeologische waarden binnen het plangebied moeten worden opgegraven. Dit betekent concreet: archeologische resten die dieper zijn gelegen dan de voor de ontwikkeling te plegen bodemverstoring en de delen van het plangebied die niet direct bedreigd zijn, maar door hun geringe omvang bij toekomstige bodemingrepen niet meer vergunningplichtig zijn, moeten worden opgegraven;

Bij behoud door middel van een opgraving (behoud ex situ) gelden de volgende bepalingen: alle naar oordeel van burgemeester en wethouders behoudenswaardige archeologische waarden binnen het plangebied moeten worden opgegraven. Dit betekent concreet: archeologische resten die dieper zijn gelegen dan de voor de ontwikkeling te plegen bodemverstoring en de delen van het plangebied die niet direct bedreigd zijn, maar door hun geringe omvang bij toekomstige bodemingrepen niet meer vergunningplichtig zijn, moeten worden opgegraven;

In gebieden waar ingrepen gepland worden met een geleidelijk negatief effect, dient eerst vastgesteld te worden wat het effect van de ingreep (op termijn) kan zijn op het behoud van

In gebieden waar ingrepen gepland worden met een geleidelijk negatief effect, dient eerst vastgesteld te worden wat het effect van de ingreep (op termijn) kan zijn op het behoud van

58

eventueel aanwezige archeologische waarden;

eventueel aanwezige archeologische waarden;

Archeologie-sparende maatregelen die in het kader van een bouwinitiatief of andere (potentieel) bodemverstorende activiteit worden genomen om behoud in situ in de bodem te realiseren, dienen garant te staan voor een duurzaam in situbehoud. Versnippering van het archeologische bodemarchief ter plaatse mag niet aan de orde zijn. De initiatiefnemer overlegt hiervoor ter goedkeuring een uitgewerkt Plan van Aanpak (PvA) al dan niet op basis van een (gemeentelijk) Programma van Eisen (PvE).

Archeologie-sparende maatregelen die in het kader van een bouwinitiatief of andere (potentieel) bodemverstorende activiteit worden genomen om behoud in situ in de bodem te realiseren, dienen garant te staan voor een duurzaam in situbehoud. Versnippering van het archeologische bodemarchief ter plaatse mag niet aan de orde zijn. De initiatiefnemer overlegt hiervoor ter goedkeuring een uitgewerkt Plan van Aanpak (PvA) al dan niet op basis van een (gemeentelijk) Programma van Eisen (PvE).

Artikel 30 (artikel VI, onderdeel T, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 30. Strijdigheid met regels in het bestemmingsplan Bij strijdigheid met regels ten aanzien van archeologie in een bestemmingsplan dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze verordening, gaan de regels uit artikel 25, 26, 27, 28 en 29 voor.

Nieuwe tekst vervalt

Artikel 37 (artikel VI, onderdeel U, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 37. Invoering omgevingswet Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de begrippen en regels uit de Omgevingswet op deze verordening van toepassing.

Nieuwe tekst vervalt

Procedureverordening voor advisering inzake tegemoetkoming in planschade gemeente Eindhoven 2011 Artikel 1 (artikel IX, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

59

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;

a. aanvrager : degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in afdeling 15.1 van de Omgevingswet indient;

b. adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1onder c van het Besluit ruimtelijke ordening;

b. adviseur: een persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking;

c. adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van deze verordening; d. besluit: Besluit ruimtelijke ordening; e. college: het college van burgemeester en wethouders;

c. adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van deze verordening; d. college: het college van burgemeester en wethouders;

f. gemeente: gemeente Eindhoven; e. gemeente: gemeente Eindhoven; g. planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;

f. planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in afdeling 15.1 van de Omgevingswet;

h. planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;

g. planschade: schade als bedoeld in afdeling 15.1 Omgevingswet;

i. wet: Wet ruimtelijke ordening.

h. wet: Omgevingswet.

Artikel 2 (artikel IX, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 2. Opdrachtverstrekking

Nieuwe tekst Artikel 2. Opdrachtverstrekking

Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit of aan artikel

Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan

60

4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5 (artikel IX, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie

Nieuwe tekst Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie

1. Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:

1.Voordat het college de opdracht tot advisering als bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c van de wet en 4:126 Algemene wet bestuursrecht schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:

a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of

a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of

b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.

b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.

2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.

2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld artikel 13.3c van de wet en 4:126 Algemene wet bestuursrecht, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.

3. Het college beslist binnen vier weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.

3. Het college beslist binnen vier weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.

Artikel 6 (artikel IX, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

61

Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie

Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie

1.Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.

1.Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.

2.Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat.

2.Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat.

3.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.

3.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c van de wet worden door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.

4.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.

4.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.

5.Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de

5.Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de

62

adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt.

adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt.

6.Het uit te brengen (concept) advies dient een weergave te bevatten van de bevindingen van de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging.

6.Het uit te brengen (concept) advies dient een weergave te bevatten van de bevindingen van de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging.

7.Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn van ten hoogste vier weken verlengen.

7.Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn van ten hoogste vier weken verlengen.

8.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren.

8.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren.

9.In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. Het advies wordt ook gelijktijdig toegezonden aan de aanvrager, de eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn

9.In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. Het advies wordt ook gelijktijdig toegezonden aan de aanvrager, de eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een

63

van ten hoogste vier weken verlengen.

daarbij aan te geven termijn van ten hoogste vier weken verlengen.

10.In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

10.In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

Na artikel 6 wordt een nieuw artikel 6a ingevoegd (artikel IX, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) dat komt te luiden: Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 6a. Overgangsrecht De bepalingen van deze verordening, zoals deze luidden vóór 1 januari 2024 blijven van toepassing op aanvragen om tegemoetkoming in planschade waarop artikel 4.19 (nadeelcompensatie artikel 6.1, tweede lid, onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening) of artikel 4.20 (nadeelcompensatie artikel 6.1, tweede lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening) van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing is.

Verordening Bodemsanering gemeente Eindhoven 2009 Artikel 1 (artikel X, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 1 Begripsbepalingen

Nieuwe tekst Artikel 1 Begripsbepalingen

1. het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, zijnde het bevoegd gezag Wet bodembescherming ingevolge artikel 88, eerste lid, Wet bodembescherming in samenhang met het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming

64

1. het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, zijnde het bevoegd gezag Wet bodembescherming ingevolge artikel 88 van de Wet in samenhang met het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, zoals dit besluit luidde direct voorafgaand aan de

2. melding: -

-

-

de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, eventueel in combinatie met de indiening van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

de indiening van een saneringsplan als bedoeld in artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming; de indiening van een saneringsverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming;

-

de indiening van een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, eerste en derde lid, van de Wet bodembescherming;

-

2. melding:

de indiening van een gefaseerd saneringsplan als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming;

-

-

inwerkingtreding van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet.

de indiening van een deelsaneringsplan als bedoeld in artikel 40, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming; de indiening van een saneringsverslag Besluit uniforme saneringen als bedoeld in artikel 13, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 14, eerste lid, van het Besluit uniforme saneringen;

3. wijziging saneringsplan: een wijziging als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de Wet

65

-

de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet, eventueel in combinatie met de indiening van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet;

-

de indiening van een gefaseerd saneringsplan als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet;

-

de indiening van een saneringsplan als bedoeld in artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet;

-

de indiening van een saneringsverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste en tweede lid, van de Wet;

-

de indiening van een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, eerste en derde lid, van de Wet;

-

de indiening van een deelsaneringsplan als bedoeld in artikel 40, eerste en tweede lid, van de Wet;

-

de indiening van een saneringsverslag Besluit uniforme saneringen als bedoeld in artikel 13, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 14, eerste lid, van het Besluit uniforme saneringen zoals dit besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet;

3. wijziging saneringsplan:

bodembescherming, dan wel een wijziging als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming;

een wijziging als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de Wet, dan wel een wijziging als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet;

4. de saneerder: de adressant van de goedkeuringsbeschikking op een saneringsplan als bedoeld in artikel 39, eerste en tweede lid, Wet bodembescherming; 5. terugvalscenario: een beschrijving van een andere methode van saneren om de beoogde effecten, beschreven in het saneringsplan, te behalen voor het geval de in het saneringsplan beschreven methode niet tot die effecten zou leiden; 6. de wet: Wet bodembescherming.

4. de saneerder: de adressant van de goedkeuringsbeschikking op een saneringsplan als bedoeld in artikel 39, eerste en tweede lid van de Wet; 5. terugvalscenario: een beschrijving van een andere methode van saneren om de beoogde effecten, beschreven in het saneringsplan, te behalen voor het geval de in het saneringsplan beschreven methode niet tot die effecten zou leiden; 6. de wet: Wet bodembescherming, zoals deze wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.

Artikel 12 (artikel X, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 12 Overgangsbepalingen

Nieuwe tekst Artikel 12 Overgangsbepalingen

1.Op saneringsplannen, saneringsverslagen en nazorgplannen, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft de Verordening bodemsanering Eindhoven 2003 van toepassing. 2.Op een sanering, een fase of een gedeelte van een sanering zoals is bedoeld in artikel 38 derde lid, respectievelijk artikel 40 van de

1.Op saneringsplannen, saneringsverslagen en nazorgplannen, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft de Verordening bodemsanering Eindhoven 2003 van toepassing. 2.Op een sanering, een fase of een gedeelte van een sanering zoals is bedoeld in artikel 38 derde lid, respectievelijk artikel 40 van de

66

wet die is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft de Verordening bodemsanering Eindhoven 2003 van toepassing. 3.Op saneringsverslagen en nazorgplannen, die zijn ingediend na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening èn waarvan het saneringsplan is goedgekeurd dan wel waarvan de sanering, een fase of een gedeelte van een sanering is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft de Verordening bodemsanering Eindhoven 2003 van toepassing.

wet die is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft de Verordening bodemsanering Eindhoven 2003 van toepassing. 3.Op saneringsverslagen en nazorgplannen, die zijn ingediend na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening èn waarvan het saneringsplan is goedgekeurd dan wel waarvan de sanering, een fase of een gedeelte van een sanering is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft de Verordening bodemsanering Eindhoven 2003 van toepassing. 4.Deze verordening geldt niet voor situaties waarop het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving of het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is.

Verordening Bomen 2021 Artikel 1 (artikel XI, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd

Bestaande tekst Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt (mede) verstaan onder:

Nieuwe tekst Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt (mede) verstaan onder:

boom: a. Een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een omtrek van de stam van minimaal 45 centimeter (ca. 15 centimeter in diameter) gemeten op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld;

boom: a. Een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een omtrek van de stam van minimaal 45 centimeter (ca. 15 centimeter in diameter) gemeten op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld;

b. In geval van 'meerstammigheid' geldt de stamomtrek van de dikste stam;

b. In geval van 'meerstammigheid' geldt de stamomtrek van de dikste stam;

groene kaart:

groene kaart:

67

de informatieve kaart met daarop aangegeven de groenstructuur, groenarme gebieden, centrumgebied, bebouwde komgrens Wet natuurbescherming, (Particuliere) percelen groter dan 250 m2;

de informatieve kaart met daarop aangegeven de groenstructuur, groenarme gebieden, centrumgebied, bebouwde komgrens Wet natuurbescherming, zoals deze wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, (Particuliere) percelen groter dan 250 m2;

houtopstand: een of meer bomen of boomvormers of andere houtachtige gewassen; Wet Natuurbescherming: de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos regelt.

houtopstand: houtopstand als bedoeld in artikel 1.1. van de Omgevingswet; kappen: vellen als bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet.

kappen: rooien of verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van een eerste keer kandelaberen.

Artikel 2 (artikel XI, onderdeel B, C en D van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 2 Omgevingsvergunning

Nieuwe tekst Artikel 2 Omgevingsvergunning

1.Voor het kappen van een houtopstand is in de volgende gevallen een omgevingsvergunning vereist: a.bomen vanaf 45 cm. stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; b.een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; c.een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college.

1.Voor het kappen van een boom of houtopstand is in de volgende gevallen een omgevingsvergunning vereist: a.bomen vanaf 45 cm. stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; b.een boom of houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; c.een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college.

2.Voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is

68

2.Voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het

een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. 3.In afwijking van het eerste lid is een vergunning niet nodig voor: a.een houtopstand die wordt gekapt op basis van de Plantenziektewet b.een aanschrijving van het college; c.het uitvoeren van de volgende beheer- en onderhoudshoudsmaatregelen: •het periodiek oogsten van hakhout voor regulier onderhoud; •het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een houtopstand met achterstallig onderhoud; •het dunnen van de houtopstand; •het periodiek scheren, knotten, kandelaberen (met uitzondering van de eerste keer kandelaberen) als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen voor regulier onderhoud; d.een houtopstand beschermd op basis paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb); e.een houtopstand met een levensverwachting kleiner dan 5 jaar aangetoond door middel van een boomonderzoek door een boomdeskundige. 4.De burgemeester kan als een beschermde houtopstand direct gevaar oplevert of bij een vergelijkbaar of ander spoedeisend belang besluiten tot noodkap, zowel van houtopstanden in particulier eigendom als in gemeentelijk eigendom. Dit besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt aan belanghebbenden. Na de noodkap is alsnog een vergunning vereist, waaraan een compensatieplicht kan worden verbonden.

5.Een beschermde houtopstand als bedoeld in het derde lid is een gemeentelijke of particuliere boom

69

vervoeren van een gekapte boom of houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. 3.In afwijking van het eerste lid is een vergunning niet nodig voor: a.een boom of houtopstand die wordt gekapt op basis van de Plantenziektewet b.een aanschrijving van het college; c.het uitvoeren van de volgende beheer- en onderhoudshoudsmaatregelen: •het periodiek oogsten van hakhout voor regulier onderhoud; •het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een boom of houtopstand met achterstallig onderhoud; •het dunnen van de boom of houtopstand; •het periodiek scheren, knotten, kandelaberen (met uitzondering van de eerste keer kandelaberen) als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen voor regulier onderhoud; d.een boom of houtopstand beschermd op basis paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming, zoals deze wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet; e.een boom of houtopstand met een levensverwachting kleiner dan 5 jaar aangetoond door middel van een boomonderzoek door een boomdeskundige. 4.De burgemeester kan als een beschermde boom of houtopstand direct gevaar oplevert of bij een vergelijkbaar of ander spoedeisend belang besluiten tot noodkap, zowel van bomen of houtopstanden in particulier eigendom als in

of houtopstand met een stamomtrek van 45 cm of meer, gemeten op een hoogte van 1.30 meter boven maaiveld met een levensverwachting die groter is dan 5 jaar op een perceel groter dan 250 m2.

gemeentelijk eigendom. Dit besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt aan belanghebbenden. Na de noodkap is alsnog een vergunning vereist, waaraan een compensatieplicht kan worden verbonden.

6.Het college stelt nadere regels voor compensatie vast over het opleggen van compensatie.

5.Een beschermde boom of houtopstand als bedoeld in het derde lid is een gemeentelijke of particuliere boom of houtopstand met een stamomtrek van 45 cm of meer, gemeten op een hoogte van 1.30 meter boven maaiveld met een levensverwachting die groter is dan 5 jaar op een perceel groter dan 250 m2. 6.Het college stelt nadere regels voor compensatie vast over het opleggen van compensatie.

Artikel 3 (artikel XI, onderdeel B van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 3 Groene kaart

Nieuwe tekst Artikel 3 Groene kaart

1. Er is een groene kaart, die hier te vinden is waarop ter formatie het volgende is aangegeven: a. groenstructuur; b. groenarme gebieden; c. centrumgebied; d. gebouwde komgrens Wet natuurbescherming (Wnb); e. (particuliere) percelen groter dan 250 m2.

1. Er is een groene kaart, die hier te vinden is waarop ter formatie het volgende is aangegeven: a. groenstructuur; b. groenarme gebieden; c. centrumgebied; d. gebouwde komgrens Wet natuurbescherming, zoals deze wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet; e. (particuliere) percelen groter dan 250 m2.

Artikel 4 (artikel XI, onderdeel C van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

70

Artikel 4 Plantenziekte

Artikel 4 Plantenziekte

1. Als zich op een terrein een houtopstand bevindt, die naar het oordeel van het college het gevaar oplevert voor verspreiding van een plantenziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende na een aanschrijving daartoe van het college, verplicht binnen de bij aanschrijving gestelde termijn: a. de houtopstand te kappen; b. conform de aangegeven richtlijnen de gekapte houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de plantenziekte wordt voorkomen conform de instructie in de aanschrijving.

1. Als zich op een terrein een boom of houtopstand bevindt, die naar het oordeel van het college het gevaar oplevert voor verspreiding van een plantenziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende na een aanschrijving daartoe van het college, verplicht binnen de bij aanschrijving gestelde termijn: a. de boom of houtopstand te kappen; b. conform de aangegeven richtlijnen de gekapte boom of houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de plantenziekte wordt voorkomen conform de instructie in de aanschrijving.

Artikel 5 (artikel XI, onderdeel C, D en E van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 5 Beoordelingsregels

Nieuwe tekst Artikel 5 Beoordelingsregels

1. Het college kan aan een omgevingsvergunning ten behoeve van kap, vergunningvoorschriften en beperkingen verbinden. Hiertoe kunnen behoren: a. een compensatieplicht inclusief zorgplicht als bedoeld in de nadere regels voor compensatie bij deze verordening; b. een voorschrift, dat pas gekapt mag worden indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke procedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende zijn gewaarborgd; c. een voorschrift in het kader van de Wet natuurbescherming

1. Het college kan aan een omgevingsvergunning ten behoeve van kap, vergunningvoorschriften en beperkingen verbinden. Hiertoe kunnen behoren: a. een compensatieplicht inclusief zorgplicht als bedoeld in de nadere regels voor compensatie bij deze verordening; b. een voorschrift, dat pas gekapt mag worden indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke procedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende zijn gewaarborgd;

71

(bebouwde komgrens Wet natuurbescherming).

c. een voorschrift in het kader van natuurbescherming als bedoeld in de Omgevingswet.

2. Een vergunning wordt geweigerd als de belangen van verwijdering van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende intrinsieke waarden: a. Natuurwaarde; b. Landschappelijke waarde; c. Cultuurhistorische waarde; d. Waarde van stads- en dorpsschoon; e. Waarde voor de leefbaarheid; f. Beeldbepalende waarde; g. Dendrologische waarde.

2. Een vergunning wordt geweigerd als de belangen van verwijdering van de boom of houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de boom of houtopstand op basis van één of meer van de volgende intrinsieke waarden: a. Natuurwaarde; b. Landschappelijke waarde; c. Cultuurhistorische waarde; d. Waarde van stads- en dorpsschoon; e. Waarde voor de leefbaarheid; f. Beeldbepalende waarde; g. Dendrologische waarde.

3. Een vergunning voor het kappen van een monumentale bomen kan worden geweigerd indien een zwaarwegend maatschappelijk belang niet zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de monumentale bomen en geen alternatief voorhanden is. 4. Een vergunning voor het kappen van waardevolle bomen kan worden geweigerd indien het maatschappelijk belang niet zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de waardevolle bomen en geen alternatief voorhanden is. 5. Een vergunning voor het kappen of snoeien van houtopstanden voor het plaatsen of de belichting van zonnepanelen, zonnecollectoren en kleine windmolens, die worden toegestaan in de bebouwde omgeving, wordt geweigerd.

3. Een vergunning voor het kappen van een monumentale bomen kan worden geweigerd indien een zwaarwegend maatschappelijk belang niet zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de monumentale bomen en geen alternatief voorhanden is. 4. Een vergunning voor het kappen van waardevolle bomen kan worden geweigerd indien het maatschappelijk belang niet zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de waardevolle bomen en geen alternatief voorhanden is. 5. Een vergunning voor het kappen of snoeien van bomen of houtopstanden voor het plaatsen of de belichting van zonnepanelen, zonnecollectoren en kleine windmolens, die worden toegestaan in de bebouwde omgeving, wordt geweigerd.

Artikel 6 (artikel XI, onderdeel C van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 6 Aanvraag omgevingsvergunning

Nieuwe tekst Artikel 6 Aanvraag omgevingsvergunning

72

1. Bij de aanvraag van een vergunning voor het kappen van een houtopstand moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. oude en nieuwe situatietekening (incl. compensatieplan) aangevuld met foto’s; b. redenen en/of argumentatie waarom kappen gewenst of noodzakelijk is en alternatieven voor behoud van de houtopstand niet voorhanden zijn. 2. In geval van compensatie dienen naast de gegevens en bescheiden als genoemd in het eerste lid, ook te worden verstrekt: a. een Boomonderzoek inclusief bepaalde boomwaarde bepaald door een boomdeskundige; b. een Boom Effect Analyse (BEA) opgesteld door een boomdeskundige in geval de gewenste kap het gevolg is van een voorgenomen bouw van een opstal, infrastructureel werk, werkzaamheden kabels en leidingen of vergelijkbare activiteiten; c. een tekening van de bouwplaats inrichting in geval van een infrastructureel werk; d. een overzicht van de overige (aangevraagde) vergunningen onderdelen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project; e. compensatieplan inclusief eventueel benodigde groeiplaatsverbetering, inzicht in zowel de fysieke als financiële compensatie van de te kappen houtopstand op basis van de waarde van de houtopstand, waarbij in geval van financiële compensatie is aangetoond, dat fysieke compensatie niet mogelijk is op locatie.

Fysieke compensatie aantoonbaar niet haalbaar dan pas financiële compensatie.

73

1. Bij de aanvraag van een vergunning voor het kappen van een boom of houtopstand moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. oude en nieuwe situatietekening (incl. compensatieplan) aangevuld met foto’s; b. redenen en/of argumentatie waarom kappen gewenst of noodzakelijk is en alternatieven voor behoud van de boom of houtopstand niet voorhanden zijn. 2. In geval van compensatie dienen naast de gegevens en bescheiden als genoemd in het eerste lid, ook te worden verstrekt: a. een Boomonderzoek inclusief bepaalde boomwaarde bepaald door een boomdeskundige; b. een Boom Effect Analyse (BEA) opgesteld door een boomdeskundige in geval de gewenste kap het gevolg is van een voorgenomen bouw van een opstal, infrastructureel werk, werkzaamheden kabels en leidingen of vergelijkbare activiteiten; c. een tekening van de bouwplaats inrichting in geval van een infrastructureel werk; d. een overzicht van de overige (aangevraagde) vergunningen onderdelen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project; e. compensatieplan inclusief eventueel benodigde groeiplaatsverbetering, inzicht in zowel de fysieke als financiële compensatie van de te kappen boom of houtopstand op basis van de waarde van de boom of houtopstand, waarbij in geval van financiële compensatie is aangetoond, dat fysieke compensatie niet mogelijk is op

2. Bij verwijdering van een monumentale boom of een waardevolle houtopstand moet bij de aanvraag ook worden verstrekt: a. een motivatie waarom er sprake van een zwaarwegend maatschappelijk respectievelijk maatschappelijk belang; b. een onderbouwing van het ontbreken van alternatieven, waarmee het verwijderen van de houtopstand zou kunnen worden voorkomen.

locatie. Fysieke compensatie aantoonbaar niet haalbaar dan pas financiële compensatie. 2. Bij verwijdering van een monumentale boom of een waardevolle boom of houtopstand moet bij de aanvraag ook worden verstrekt: a. een motivatie waarom er sprake van een zwaarwegend maatschappelijk respectievelijk maatschappelijk belang; b. een onderbouwing van het ontbreken van alternatieven, waarmee het verwijderen van de boom of houtopstand zou kunnen worden voorkomen.

Artikel 8 (artikel XI, onderdeel D van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 8 Bescherming van houtsopstanden

Nieuwe tekst Artikel 8 Bescherming van bomen of houtsopstanden

1. Het is verboden om houtopstanden in eigendom van de gemeente: a. te beschadigen, te bekladden, te beplakken of te behangen met voorwerpen. b. te snoeien, met uitzondering van door de gemeente opgedragen of toegestane boomverzorgende taken.

1. Het is verboden om bomen of houtopstanden in eigendom van de gemeente: a. te beschadigen, te bekladden, te beplakken of te behangen met voorwerpen. b. te snoeien, met uitzondering van door de gemeente opgedragen of toegestane boomverzorgende taken.

2. Het verbod als bedoel in het eerste lid geldt niet voor voorwerpen en sfeer verhogende objecten voor zover deze worden aangebracht op grond van schriftelijke toestemming en bijbehorende voorwaarden van het college.

2. Het verbod als bedoel in het eerste lid geldt niet voor voorwerpen en sfeer verhogende objecten voor zover deze worden aangebracht op grond van schriftelijke toestemming en bijbehorende voorwaarden van het college.

Artikel 10 (artikel XI, onderdeel C van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 10 Handhaving

Nieuwe tekst Artikel 10 Handhaving

74

1. Als de houtopstand waarvoor op basis van deze verordening een omgevingsvergunning is vereist zonder vergunning is gekapt, dan wel op andere wijze teniet is gedaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond, dan wel aan degene die uit anderen hoofde voor het treffen van voorzieningen bevoegd is: a. een verplichting tot herplant inclusief zorg- en instandhoudingsplicht opleggen overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een daarbij te bepalen termijn. Bij de verplichting geldt de waarde van de houtopstand conform artikel 6, tweede lid als uitgangspunt; b. in aanvulling op of ter vervanging van de verplichting tot herplant als genoemd onder a, een financiële bijdrage bepalen aan het Bomencompensatiefonds van de gemeente Eindhoven. De hoogte van het compensatiebedrag is gelijk aan de waarde van de houtopstand conform deze verordening vermenigvuldigd met de compensatiefactor conform de nadere regels voor compensatie; c. een verplichting onder dwangsom opleggen tot herplanten overeenkomstig zijn aanwijzingen en te stellen termijn 2.

Als een houtopstand waarop het verbod tot kappen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt, dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om, overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn, voorzieningen te treffen

75

1. Als de boom of houtopstand waarvoor op basis van deze verordening een omgevingsvergunning is vereist zonder vergunning is gekapt, dan wel op andere wijze teniet is gedaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de boom of houtopstand zich bevond, dan wel aan degene die uit anderen hoofde voor het treffen van voorzieningen bevoegd is: a. een verplichting tot herplant inclusief zorg- en instandhoudingsplicht opleggen overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een daarbij te bepalen termijn. Bij de verplichting geldt de waarde van de boom of houtopstand conform artikel 6, tweede lid als uitgangspunt; b. in aanvulling op of ter vervanging van de verplichting tot herplant als genoemd onder a, een financiële bijdrage bepalen aan het Bomencompensatiefonds van de gemeente Eindhoven. De hoogte van het compensatiebedrag is gelijk aan de waarde van de boom of houtopstand conform deze verordening vermenigvuldigd met de compensatiefactor conform de nadere regels voor compensatie; c. een verplichting onder dwangsom opleggen tot herplanten overeenkomstig zijn aanwijzingen en te stellen termijn 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13451173/2