Bijlage 1 - Ruimtelijke motivering Piscustoren
Tekst van het document
Inrichting gebouw: de Picustoren zelf kan ecologische functies vervullen, met name voor insecten en terrestrische soorten, door inrichting van vegetatierijke daken en gevels, zandige zones en variatie in structuur en vochtigheid. Meer concreet bevat het inrichtingsplan de volgende elementen: Voor amfibieën wordt voorzien in een natuurvriendelijke oever met kale, zonnige delen als voortplantings- en uittreedplaats. Een faunapassage naar de Dommel versterkt de 46
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
leefgebiedconnectiviteit en een verbeterde wateraanvoer vanaf de Parklaan vergroot de geschiktheid van de habitat. Voor zandbijen wordt voorzien in kale, droge en zonnige zandige zones op het gebouw, waartoe wordt voorzien in substraat met de juiste korrelgrootte. De uitgestorven veldparelmoervlinder fungeert als gidssoort voor de dagvlinders. Een combinatie van kale zandige plekken en hogere, bloemrijke vegetatie verhoogt de diversiteit. De gladde slang profiteert van halfopen vegetatie aan de zonnige zijde van het kanaal. Er worden rustplekken en structuren voor opwarming gecreëerd. De faunapassage Dommel-Kanaal biedt hier ook aanvullende waarde. Kruidenrijke graslandstroken gecombineerd met natuurvriendelijke oevers creëren een biodiverse gradiënt voor sprinkhanen en krekels. De zompsprinkhaan heeft baat bij natte, halfopen vegetatie. Ten behoeve van de verhoging van de habitatdiversiteit van terrestrische weekdieren worden plantenbakken aan de kanaalwand bevestigd. Drijvende eilanden dragen al bij aan habitat voor moerassoorten. Diverse soorten vleermuizen gebruiken het kanaal als vliegroute, waarbij met name de ingekorven vleermuis relevant is; de grootoorvleermuis minder. Hiertoe worden vleermuiskasten/geïntegreerde voorzieningen (zoals bij Beatrixkanaal) aangebracht.
De bomenrij aan de Kanaaldijk-Noord blijft behouden en om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Voor de mitigatie van de huismussen wordt een beplantingsplan opgesteld waarmee het groenvolume van de bestaande haag gecompenseerd wordt. Een faunatunnel richting de Dommel verbetert de structurele blauwgroene verbinding, waarvan zoogdieren het meest profiteren.
Inrichting in relatie tot de doelsoorten
Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bouw van de Picustoren kansen biedt voor innovatieve ecologische integratie in zowel gebouw als omgeving. Door het toepassen van slimme combinaties van maatregelen die zijn toegespitst op de doelsoorten van de EVZ, zal de ecologische kwaliteit van het Eindhovensch Kanaal en zijn directe ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
47
omgeving worden versterkt. Middels de concrete invulling van de ecologische verbindingszone als geheel en de te treffen maatregelen is verzekerd dat het functioneren van de ecologische verbindingszone niet wordt aangetast.
Beperkingen grootschalige logistiek Artikel 5.56a (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Stalderingsgebied Binnen het Stalderingsgebied (Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Dit project heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsverordening is bepaald dat bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling moet worden gegeven aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering, en meerwaardecreatie. Van zorgvuldig ruimtegebruik is in dit geval duidelijk sprake. Er is immers sprake van een verantwoorde verdichting binnen bestaand stedelijk gebied op een bestaand bouwperceel dat nog niet permanent is ingevuld. Daarbij worden 132 appartementen gerealiseerd in de sociale huursector. Ook worden de woningen toegevoegd door op een verantwoorde wijze de hoogte in te bouwen, zonder onevenredig afbreuk te doen aan de omgeving.
Bij de lagenbenadering komen de volgende lagen en thema's aan de orde: de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige en archeologische waarden; de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving. Al deze aspecten komen terug in deze motivering. In het kort kan voor al deze aspecten geconcludeerd worden dat het plan voorziet in een duurzame ontwikkeling, waarbij voldoende rekening is gehouden met de verschillende thema's binnen de lagen (zie Hoofdstuk 7 Fysieke leefomgeving en milieu). Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Daaronder wordt in ieder geval verstaan de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren. Ook de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn wordt als meerwaarde gezien.
Ten slotte kan ook de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit (Kwaliteitsverbetering landschap) in het buitengebied deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In dit geval zit de meerwaarde voor de omgeving erin dat de ontwikkeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls op het voormalige NRE-terrein en voor het gebied rond het Eindhovens kanaal. Overige instructieregels 48
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
Overige instructieregels zijn voor dit plan niet relevant. Gelet op het voorgaande past de ontwikkeling binnen de regels van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Conclusie Gelet op het voorgaande past de ontwikkeling binnen de regels van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
6.3
Gemeentelijk beleid
6.3.1
Omgevingsvisie Eindhoven
Eindhoven staat voor grote ambities en opgaven. De regio trekt mensen uit binnen- en buitenland die hier graag komen wonen en werken. Tussen 2022 en 2040 komen er in Eindhoven 40.000 woningen en 36.000 arbeidsplaatsen bij. Een stad die groeit, heeft ruimte nodig voor woningen, voorzieningen, groen, verkeer, klimaatmaatregelen en de energietransitie. De ruimte in Eindhoven is beperkt. Daarom moeten we goede keuzes maken en slim met de ruimte omgaan. Samen met de stad heeft de gemeente Eindhoven de omgevingsvisie Eindhoven opgesteld. De omgevingsvisie Eindhoven helpt te bepalen hoe we de ambities en opgaven een plaats kunnen geven binnen Eindhoven. Het is een integrale visie die de hoofdrichting van de ruimtelijke ontwikkeling van Eindhoven voor de lange termijn bepaalt en die doorwerking krijgt in diverse omgevingsprogramma's en het omgevingsplan. De omgevingsvisie richt zich op het jaar 2040. De omgevingsvisie beschrijft in de ambitie wat we bereikt willen hebben voor 2040. Daarnaast beschrijft de omgevingsvisie in de opgaven aan welke opgaven we moeten werken om de ambitie te bereiken. Als laatste beschrijft de omgevingsvisie door middel van verstedelijkingsprincipes hoe we de ambitie gaan bereiken. Op 26 november 2024 is de omgevingsvisie Eindhoven vastgesteld door de gemeenteraad.
Ambitie In 2040 is Eindhoven, binnen haar stadsgrenzen, gegroeid naar een compacte, gezonde, groene stad met een wereldse uitstraling. Het is plezierig om er te wonen, met veel groen, goede voorzieningen en prettige wijken. De stad is slim ingedeeld, met verdichting rondom (H)OV-knooppunten en omgeven door parken en groene ruimtes voor ontmoeting, beweging en ontspanning. Ondanks de verdichting voelt de stad aangenaam en natuurlijk aan. Eindhoven heeft zich ontwikkeld naar een slimme, gezonde duurzame stad voor iedereen. Stevig verbonden met de Brainportregio en de verdere omgeving. Dit vertaalt zich in de volgende integrale ambitie. Eindhoven is de stad waar de toekomst gemaakt wordt, met een goede balans tussen onze unieke economie, ecologie en welzijn. De integrale ambitie is opgedeeld in vier deelambities, die niet los van elkaar kunnen worden gezien. De vier deelambities zijn in evenwicht en vullen elkaar aan en vormen samen de integrale ambitie. Ze zijn: Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad. Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad. Eindhoven als hart van de Brainportregio: een innovatieve economische wereldspeler waar iedereen mee doet. Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie. ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
49
Hoe werken we aan de ambitie? Eindhoven is in trek om in te wonen en te werken. Het is een prettige, compacte, groene, leefbare en innovatieve stad die steeds in verandering is. De Brainporteconomie zorgt voor een prettig werkklimaat, met een goede samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en overheid. Bedrijven willen zich hier graag vestigen, huidige bewoners willen hier blijven wonen en nieuwe inwoners willen hier graag komen wonen. Door de groei van de stad is er meer behoefte aan woningen, ruimte om je door de stad te verplaatsen, groen, water, voorzieningen, energie en ruimte om te werken. Maar de ruimte in de stad is schaars. Dit zorgt ervoor dat we slim om moeten gaan met de ruimte die we hebben. Het combineren van verschillende functies in één gebied, zoals wonen, werken, groen en voorzieningen heeft veel voordelen. We behalen ruimtewinst en verbeteren de kwaliteit en levendigheid van die gebieden. Dit vraagt om randvoorwaarden voor de verstedelijking. Deze randvoorwaarden zijn uitgewerkt in zes verstedelijkingsprincipes. De verstedelijkingsprincipes zijn integraal en geven inzicht in de wijze waarop de verschillende stedelijke opgaven in samenhang tot elkaar opgepakt worden. Ze zijn noodzakelijk om de ruimtelijke ambities van Eindhoven waar te maken. De verstedelijkingsprincipes zijn: De groene hoofdstructuur is leidend voor de gezonde ontwikkeling van de stad.
Voldoende ruimte voor energievoorziening is noodzakelijk. Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik het uitgangspunt zijn. De mobiliteit zorgt voor een verbonden, ruimte-efficiënte en gezonde stad. De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en nieuwe economische toplocaties. De ruimtelijke structuur van de stad blijft herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe. Welke opgave hebben we om de ambitie te bereiken? De kenmerken van de bestaande stad, de ambitie van Eindhoven en trends en ontwikkelingen leiden samen tot een aantal stedelijke opgaven. Deze opgaven ontstaan uit het verschil tussen de stad van nu en de stad die we in 2040 willen zijn. De opgaven zijn stadsbreed, langjarig en dragen bij aan het realiseren van de ambitie. Ze geven richting aan de ontwikkeling van onze stad. De stedelijke opgaven zijn allemaal even belangrijk en moeten in samenhang met elkaar worden opgepakt. De stedelijke opgaven zijn: Eindhoven wordt klimaatneutraal. Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier. Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra. Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken; Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie. Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon.
Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen. Samen met de stad werken wij aan de stedelijke opgaven. We zoeken de samenwerking op met onze ketenpartners (bijvoorbeeld Waterschap, ODZOB, Veiligheidsregio en GGD), bedrijfsleven, overheden (rijk, provincie, SGE en MRE), inwoners, ondernemers, onderwijsinstellingen, welzijnsorganisaties, woningcorporaties, ontwikkelaars en belangenorganisaties.
Toetsing Dit project draagt voornamelijk bij aan de opgaven 'gezonde groei van de stad', 'leefbare, 50
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
sociale wijken met een sterke identiteit', 'energietransitie van de stad' en 'goede stedelijke bereikbaarheid'.
Gezonde groei van de stad Gezonde groei begint met een belangrijke keuze op het gebied van verstedelijking: de groei zal hoofdzakelijk landen in het centrum binnen de Ring en daarnaast ook nabij voorzieningen als HOV en winkelcentra. Met de keuze voor een compacte stad behouden we het groenstedelijk karakter in de wijken. In dit geval vindt verdichting plaats binnen de Ring (er worden meer woningen gebouwd dan het omgevingsplan nu toestaat) op een onbebouwde locatie.
Leefbare en sociale wijken met een sterke identiteit De transformatie / verdichting borduurt voort op de stedenbouwkundige structuur en identiteit van de buurt en gaat niet ten koste van de openbare leefruimte. Het gebouw sluit morfologisch aan op de naastgelegen nieuwbouw en voegt een nieuwe laag toe in analogie met het historische karakater van het NRE-terrein. Bij het project vindt voldoende compensatie en uitbreiding van groen plaats. Met de ontwikkeling worden betaalbare wooneenheden aan de woningvoorraad toegevoegd, geschikt voor meerdere doelgroepen met een acute behoefte.
Energietransitie in de stad Het compacte ontwerp minimaliseert de footprint en vermindert verharding. Er wordt ingezet op materialen met een lange levensduur en weinig onderhoud. Ecobricks en gerecycled aluminium worden toegepast in de gevel, wat overbodig materiaalgebruik voorkomt en de impact op het milieu vermindert. Het hoogste dak huisvest zonnepanelen en installaties. Bij de ontwikkeling wordt voorzien in duurzame energievoorziening waarbij zorgvuldig het meest passende energieconcept is opgenomen. Dit betreft een collectieve installatie met lucht-water warmtepompen op het dak. Op basis van een 4-pijps systeem met seizoensgebonden koeling. Het systeem verwarmt, koelt en levert warm tapwater middels een centrale water/water-warmtepomp opgesteld in de technische ruimte in combinatie met een afleverset bij de eindgebruiker. De energiecentrale is 100% gasloos en volledig stand-alone.
Goede stedelijke bereikbaarheid De locatie ligt op loop- en fietsafstand van het stadscentrum met al haar voorzieningen. Bovendien ligt de bushalte aan de Tongelresestraat op enkele minuten lopen. Daarnaast wordt op korte afstand van het projectgebied (500 meter) de HOV-as Eindhoven-Geldrop ontwikkeld.
Conclusie Gelet op het voorgaande is het projectvoornemen in lijn met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
6.3.2
Volkshuisvesting
6.3.2.1 Regionaal beleid Het initiatief maakt de bouw van 132 appartementen mogelijk. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Samen met de acht omringende gemeenten (Best, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre) vormt Eindhoven het Stedelijk Gebied Eindhoven. In dit verband werken de gemeenten samen aan regionale opgaven op het gebied van wonen. Het SGE is een subregio van de Metropoolregio Eindhoven, die in totaal 21 gemeenten omvat.
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
51
Afsprakenkader Wonen SGE 2022 Het afsprakenkader geeft aan hoe de negen SGE gemeenten omgaan met de afstemming van woningbouwplannen. Het biedt kwantitatieve en kwalitatieve kaders voor de komende jaren. Onze gezamenlijke opgave is om veel en snel nieuwe woningen te bouwen en deze groei in goede banen te leiden vanuit een scherp kwaliteitsbesef. We maken dus in het Stedelijk Gebied Eindhoven een schaalsprong in de woningbouwopgave. Met dit afsprakenkader waarborgen we daarbij de kwaliteit, betaalbaarheid, innovatie, diversiteit en duurzaamheid. En behouden we onze specifieke woon- en leefkwaliteit in deze regio, de unieke schakering van woonmilieus variërend van hoogstedelijk tot landelijk, tussen prachtige natuurlijke en recreatieve groen-blauwe landschappen oftewel onze 'City of Villages'. We richten ons bij de woningbouwopgave op inbreiding en transformatie. Dit is in lijn met het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Uit de inventarisatie van plancapaciteit en woningbehoefte blijkt dat er, op de eerder afgesproken negen majeure locaties en de twee recent aangewezen locaties De Kemmer (Oirschot) en Castiliëlaan (Eindhoven) na, geen noodzaak is voor en geen behoefte is aan nieuwe grootschalige uitbreidingslocaties. Voor nieuwe uitbreidingslocaties geldt daarom nog steeds het uitgangspunt: 'Nee, tenzij…'.
Uitbreiden kan alleen onder de volgende voorwaarden: 1. Er is sprake van een ontwikkeling die qua aard en schaal past op de locatie; 2. De ontwikkeling zorgt voor een duurzame afronding van het stedelijk gebied; 3. Hierbij is kwalitatieve landschappelijke aansluiting/ inpassing leidend. Daarnaast: 4. Monitoren we de woningmarkt voortdurend. Als veranderende prognoses erop wijzen dat wel grootschalige uitbreidingslocaties nodig zijn om te voorzien in de regionale kwalitatieve of kwantitatieve woningbehoefte (Laddertoets), zal herijking van dit afsprakenkader nodig zijn. 5. Toetsen we woningbouwplannen aan de 7 Brainport Principes om de kwaliteit hoog te houden. Dit zijn: 1. Koesteren van Identiteit; 2. Ruimte voor Innovatie; 3. Invloed voor bewoners; 4. Vraaggericht ontwikkelen; 5. Aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus: de wauw-factor; 6. Benutting regionaal schaalniveau; 7. Gezonde verstedelijking. 6. Laten we ons inspireren door de SGE-woningmarkt aquarel: de aquarel (voorheen 'kwadrantenbenadering') inspireert ons om met woningbouwprojecten aan te sluiten bij het karakter en de unieke kwaliteiten van het gebied. Zo creëren we diversiteit en kwalitatieve samenhang in woonmilieus in plaats van eenheidsworst. Woondeal 2023 Op 9 maart 2023 is de Woondeal Zuidoost- Brabant getekend.
Rijk, Provincie, MRE gemeenten en woningcorporaties starten hiermee een langjarige samenwerking om de woningbouwproductie in onze regio te vergroten. De regio Zuidoost-Brabant staat voor de opgave om minimaal 45.000 woningen toe te voegen in de periode 2022 t/m 2030. Een gigantische opgave waar Rijk, Provincie Noord-Brabant, regiogemeenten en corporaties zich gezamenlijk voor gaan inzetten. In de Woondeal maken we afspraken over ieders rol en bijdrage aan deze opgave. De gemeente Eindhoven staat in de periode van 2022 t/m 2030 voor 19.885 woningen aan de lat. Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen streven we ernaar dat twee derde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Regionaal spreken we af dat nieuwe projecten (gemiddeld) uit minimaal 30% sociale huur, minimaal 16% middenhuur en minimaal 20% betaalbare koopwoningen bestaan. Het minimum van 30% sociale huur en twee derde betaalbaar in de nieuwbouwopgave geldt voor 52
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
elke gemeente, de verdeling tussen middenhuur en betaalbare koop kan per gemeente verschillend zijn. Het lokale woonprogramma van gemeente Eindhoven voldoet aan deze voorwaarde en blijft daarmee leidend. Met de woondeals nemen we samen de regie op de volkshuisvesting
Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven 2019 In de Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven uit april 2019 geven de SGE-gemeenten een kwalitatieve invulling aan het Afsprakenkader 2017. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van twee conceptuele handvatten: de kwadrantenbenadering en de uitgewerkte Brainport Principes. De kwadrantenbenadering bevordert de diversiteit bij nieuwe woningbouwprojecten door in te zetten op de eigenheid en kwaliteiten van alle afzonderlijke plekken binnen het SGE. De Brainport Principes zijn algemene kwaliteitscriteria waaraan ieder woningbouwproject wordt getoetst. Zo houden de regiogemeenten zichzelf scherp in het maken van unieke woongebieden die van toegevoegde waarde zijn op het bestaande palet in de regio.
Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021 In 2020 hebben de gemeenten in het SGE gezamenlijk opdracht gegeven aan Stec Groep voor de uitvoering van een regionaal woningbehoefteonderzoek voor de periode tot 2040.
Kwantitatieve opgave In het in mei 2021 gereedgekomen Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven wordt onderbouwd dat het aantal huishoudens in het SGE tot 2040 naar verwachting met circa 48.700 zal toenemen. Daarnaast is er een opgave om het huidige woningtekort in te lopen. De totale woningbouwopgave voor het SGE komt daarmee uit op 53.900 woningen tot 2040. In de gemeente Eindhoven zouden volgens dit onderzoek tot 2040 ongeveer 35.280 extra woningen moeten worden gerealiseerd. De behoefte aan extra woningen is vooral fors in de periode 2020-2025. In de eerst komende 5 jaar is er regionaal een uitbreidingsbehoefte van circa 16.400 woningen, circa 30% van de woningbehoefte tot 2040. In de MIRT-afspraken met het Rijk is vastgelegd dat de gemeenten in het SGE tot 2040 de bouw van 62.000 woningen faciliteren.
Kwalitatieve opgave Het Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven geeft ook inzicht in de (ontwikkeling van de) kwalitatieve woningbehoefte. De verwachte groei van het aantal huishoudens is volgens dit onderzoek terug te zien in alle leeftijdsgroepen, maar vooral onder 65-plussers. Waar gezinnen nu nog het merendeel van alle huishoudens in het SGE vormen, bestaat in 2040 het grootste gedeelte van de huishoudens uit alleenstaanden en stellen van 65 jaar of ouder.
Specifieke doelgroepen De toename van het aantal 65-plus huishoudens zorgt ook voor een groeiende behoefte aan woningen die geschikt zijn voor zelfstandig wonen met ondersteuning en zorg aan huis. In de periode tot 2040 wordt een sterke toename verwacht van het aantal inwoners met een indicatie voor langdurige zorg. Door het extramuraliseringbeleid van de rijksoverheid zal het aanbod van intramurale verzorgingsplaatsen naar verwachting niet evenredig meegroeien. Een specifieke woningvraag is verder te verwachten van studenten. In de gemeente Eindhoven wordt tot het collegejaar 2027-2028 een groei van 120 tot 660 uitwonende studenten verwacht. In de gemeente Helmond blijft het aantal uitwonende studenten tot het collegejaar 2027-2028 ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
53
naar verwachting stabiel. Voor de andere gemeenten in het SGE is geen informatie beschikbaar over de woningbehoefte van studenten. De vraag van kennismigranten (expats) maakt onderdeel uit van de totale woningvraag in het SGE. Volgens onderzoek van het PON zijn in het Stedelijk Gebied Eindhoven daarnaast bijna 20.500 internationale werknemers werkzaam, die veelal productiewerk verrichten.
Afsprakenkader Huisvesting internationale werknemers Stedelijk Gebied Eindhoven 2020 In november 2020 stelden de SGE-gemeenten het Afsprakenkader Huisvesting internationale werknemers Stedelijk Gebied Eindhoven vast. De regionale ambitie is om in de periode 2021 tot en met 2024 circa 4.000 humane huisvestingsplaatsen voor internationale werknemers te realiseren. Er zijn geen afspraken over specifieke aantallen per gemeente, maar iedere gemeente heeft passend bij de aard en omvang een eigen verantwoordelijkheid. In het afsprakenkader wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen huisvesting: tijdelijke huisvesting (korter dan 2 tot 3 jaar) en permanente huisvesting (internationale werknemers die zich definitief vestigen in Nederland). Hierbij is bekend (op basis van ervaring) dat zo'n 80% van de internationale werknemers in de regio er op tijdelijke basis is en zo'n 20% zich definitief vestigt. De woningbehoefte van internationale werknemers die zich definitief in het SGE willen vestigen, maakt onderdeel uit van de totale regionale woningbehoefte.
6.3.2.2 Lokaal beleid Woonvisie 2015 Op 15 december 2015 heeft de gemeenteraad van Eindhoven de Woonvisie 2015 vastgesteld. De woonvisie geeft inzicht in de gemeentelijke ambities op het gebied van bouwen en wonen en steunt op drie pijlers: Eindhoven als ambitieuze stad, als solidaire stad en als innovatieve stad.
Ambitieuze stad Eindhoven groeit en wil verder verstedelijken, in het bijzonder in het gebied binnen de Rondweg (Ring). Hierbij wordt gestreefd naar een gemengde en gevarieerde woonomgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En die tegelijkertijd ook groen en gemoedelijk blijft.
Solidaire stad De gemeente wil dat Eindhoven een inclusieve en solidaire samenleving is. De meeste inwoners kunnen hierin zelf hun plek vinden. Minder zelfredzame inwoners worden hierbij ondersteund. Door de vergrijzing en de decentralisatie van de langdurige zorg, neemt de vraag naar passende huisvesting voor ouderen en bijzondere doelgroepen toe. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie van bijzondere doelgroepen in bepaalde wijken is ongewenst.
Innovatieve stad De gemeente Eindhoven daagt ontwikkelaars van nieuwe woningen uit om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. Ook in de aanpak van de bestaande woningvoorraad en in de transformatie van kantoren en zorgvastgoed is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen. Voor inwoners die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte, die snel beschikbaar en financieel bereikbaar is, worden in Eindhoven flexwoningen ontwikkeld. Dit biedt tevens kansen voor transformatie van leegstaand vastgoed. Verder wil de gemeente Eindhoven dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door (collectief) particulier 54
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
opdrachtgeverschap. Daarnaast wil de gemeente dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor huishoudens met een hoger inkomen.
Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 Vanwege de hoge dynamiek op de woningmarkt heeft de gemeenteraad op 15 december 2020 het Woonprogramma 2021-2025 vastgesteld. Het Woonprogramma sluit aan bij eerder vastgesteld beleid voor wonen en de fysieke leefomgeving. De ambities uit de Woonvisie 2015 blijven cruciaal voor de ontwikkeling van de stad, maar komen door de snelle prijsstijgingen in de afgelopen jaren in een ander daglicht te staan. Met het oog daarop kiest de gemeente voor een accentverschuiving richting de volgende ambities: forse groei van de woningvoorraad (binnen én buiten de ring) om de grote groei van woningen te kunnen opvangen; een evenwichtig woningaanbod, zodat alle inwoners een betaalbare woning kunnen vinden; voldoende geschikte woningen voor kwetsbare inwoners. Eindhoven streeft ernaar om jaarlijks minimaal 3.000 extra woningen aan de voorraad toe te voegen.
Voor de stad als geheel is voor de periode 2024-2025 de onderstaande differentiatie leidend: Categorie
Prijzen conform Regionale Begrippenlijst Wonen 2025
Aandeel in nieuwbouw-pr ogramma
Doelgroepen die we hiermee bedienen
Sociale huur
< € 879,66
30%
Starters (jongeren), gezinnen met lagere inkomens, doorstromers uit studentenkamers
Middenhuur
€879,66 € 1.184,82
15%
Internationals, doorstromers uit sociale huur (scheefwoners), welgestelde ouderen.
Dure huur
>€ 1.184,82
0%
Internationals, welgestelde ouderen.
Sociale koop
< € 240.000
20%
starters (jongeren) startende gezinnen.
Middeldure koop laag Middeldure koop hoog
€ 240.000 €285.000 € 285.000 – € 405.000
20%
Starters (jongeren), gezinnen (jonge en oudere), doorstromers uit sociale huur/koop, blijvende internationals.
Dure koop
>€405.000
15%
Doorstromers uit de koop, blijvende internationals
TOTAAL
100%
Deze percentages hoeven niet bij elk woningbouwproject gerealiseerd te worden. De exacte invulling op projectniveau is onder meer afhankelijk van het (beoogde) woonmilieu en de bestaande woningvoorraad in het betreffende gebied.
Woon-zorgvisie 2023-2030 De woonzorgvisie richt zich op zelfstandig wonende ouderen en inwoners in een kwetsbare positie. De visie van de gemeente Eindhoven ten aanzien van wonen en zorg is: Inwoners wonen veilig en betaalbaar in Eindhoven. Zij zijn zoveel mogelijk samenredzaam. De woonomgeving stimuleert dit, daagt uit tot een gezonde leefstijl en is toegankelijk en leefbaar voor iedereen.
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
55
Ambities / outcome 1. Er is een betaalbare en geschikte woning beschikbaar. 2. De leefomgeving in Eindhoven sluit aan bij de behoeften. 3. Eerst inzetten op preventie en gezondheid. Zo nodig is de juiste ondersteuning en aanvullende zorg dichtbij beschikbaar. 4. Het woonzorgvastgoed in Eindhoven is CO2-neutraal in 2050 conform Europese afspraken Doelstellingen / output Onderstaand de belangrijkste doelstellingen/ output van de woonzorgvisie: 1. Er is een betaalbare en geschikte woning beschikbaar: Vergroten van kwalitatief hoogwaardig en aantrekkelijk woningaanbod voor ouderen; Bevorderen van doorstroom onder ouderen naar een passende woning; Vergroten van het aantal geclusterde woningen en levensloopbestendige woningen in woonzorgcirkels; Versnelde realisatie van sociale huurwoningen en betere woonruimteverdeling; Woningprogrammering richten op de specifieke woonbehoeften van inwoners in een kwetsbare positie; Meer regie op locaties voor instellingszorg. 2. De leefomgeving in Eindhoven sluit aan bij de behoeften: De leefomgeving in Eindhoven is toegankelijk voor mindervaliden en is dementie- en GGZ vriendelijk; Fysieke woonomgeving bevordert de gezondheid en nodigt uit tot het maken van gezonde keuzes; Sociale basisvoorzieningen zijn beschikbaar in de wijk voor ontmoeting en vrijwillige ondersteuning; Wijken bestaan uit een mix van bewoners en zijn leefbaar. 3.
Eerst inzetten op preventie en gezondheid. Zo nodig is de juiste ondersteuning en aanvullende zorg dichtbij beschikbaar: Inzet meer gericht op preventie en gezondheid, zorg en ondersteuning zijn aanvullend; Versterken van informeel en formeel netwerk van inwoners; Meer herstelgerichte zorg en clustering van zorgvragers 4. Het woonzorgvastgoed in Eindhoven is CO2-neutraal in 2050 conform Europese afspraken: Zelfstandige sociale huurwoningen verduurzamen vanuit het Duurzaamheidspact; Zorgvastgoed verduurzamen met Greendeal Wonen en Zorg Toetsing Het initiatief maakt 132 appartementen mogelijk in het sociale huursegment. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Uit de Woondeal 2023, Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021 en Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 volgt dat er kwantitatief nog ruimschoots behoefte is aan nieuwe woningen. Er is enorm veel vraag naar appartementen in het sociale huursegment. Bij de ontwikkeling worden de appartementen binnen de Ring op korte afstand van het centrum gerealiseerd. De locatie is goed te bereiken zowel met de auto als met openbaar vervoer.
Conclusie 56
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
Het project sluit kwalitatief aan bij de lokale en regionale ambities voor volkshuisvesting. Kwantitatief is er nog ruimschoots behoefte aan de woningen die met dit project aan de woningvoorraad worden toegevoegd.
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
57
58
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 7
Fysieke leefomgeving en milieu
7.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
7.1.1
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.1.2
Toetsing
Stedelijke ontwikkeling Allereerst is hier de vraag aan de orde in hoeverre hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Voor een woningbouwlocatie volgt uit jurisprudentie dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladder is voorts alleen van toepassing op een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Initiatiefnemer is voornemens om 132 appartementen te realiseren. Dit betekent dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bkl. Een beschrijving van de behoefte is in het kader van het Bkl benodigd.
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
59
Beschrijving van de behoefte De druk op de woningmarkt in de gemeente Eindhoven is de afgelopen jaren toegenomen. Het aanbod aan woningen is beperkt, terwijl de groep woningzoekenden aanzienlijk groter is dan een aantal jaar geleden. Daarbij geldt dat het aantal huishoudens groeit en het gedeelte eenpersoonshuishoudens fors toeneemt. Nog steeds zoekt het overgrote deel van de woningzoekenden een permanente, zelfstandige woning. Tegelijkertijd is sprake van een grote mate van vergrijzing. Het programma van de Picustoren is volledig sociaal en richt zich op één- á tweepersoonshuishoudens. Het biedt huisvesting voor diverse doelgroepen, zoals starters en gezinnen tot senioren en middeninkomens. Daarmee wordt volledig aangesloten op de behoefte op de woningmarkt.
7.1.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering voor dit bouwplan.
7.2
M.e.r.-beoordeling
7.2.1
Algemeen
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
7.2.2
Toetsing
De ontwikkeling voorziet in de bouw van één appartementengebouw voor 132 woningen. Het pand heeft een oppervlakte (footprint) van circa 1125 m2. Dit is een activiteit uit de kolom van Bijlage V van het Ob, namelijk activiteit J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd, zie Bijlage 5.
60
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
Uit de aanmeldingsnotitie m.e.r. blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. 7.2.3
Conclusie
Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden.
7.3
Geluid
7.3.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
7.3.1.1 Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente Eindhoven heeft de instructieregels voor gemeente- en waterschapswegen verwerkt in een nota “Geluidbeleid Geluid in geluidaandachtsgebieden”. Deze nota is vastgesteld op 22-02-2024.
Geluidbronsoorten
Standaardwaarde in Grenswaarde in L den (dB) L den (dB) Nieuwe geluidgevoelige gebouwen
Aanleg of aanpassing bron
Rijks- en provinciale wegen
50
60
65
Gemeente- en waterschapswegen
53
70
70
Gemeente- en Waterschapswegen in uitleggebieden voor stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en wijk-/buurtontsluitingswegen
53
58
58
Hoofd- en lokale spoorwegen
55
65
70
Industrieterreinen
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
61
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
7.3.1.2 Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle milieubelastende activiteiten met een functionele binding tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: •
activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen;
•
geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte.
Indien een wijzigingsbesluit de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk maakt, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken en/of er activiteiten worden toegestaan met geluidruimte in de nabijheid van nieuwe geluidgevoelige gebouwen, geldt hierbij dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is zoals hier het geval is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. 07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
70 dB(A)
70 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
65 dB(A)
65 dB(A)
Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
07.00-19.00 uur
62
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
LAr,LT als gevolg van activiteiten
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
55 dB(A)
55 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
45 dB(A)
45 dB(A)
Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 7.3.2
Toetsing
Toetsing geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De nieuw te realiseren appartementen worden aangemerkt als geluidgevoelig gebouwen omdat er sprake is van gebouwen of gedeeltes van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de geluidaandachtsgebieden van het spoortraject ten noorden en de rijksweg ten zuiden van het projectgebied. In het raadsvoorstel Mobiliteit in Balans (vastgesteld op 20 mei 2025) is besloten om op alle wegen binnen de ring van Eindhoven een maximumsnelheid van 30 km/uur in te voeren. Op dit moment is de maximum toegestane snelheid op de Kanaaldijk-Zuid 50 km/uur. In het onderzoek is rekening gehouden met het raadsvoorstel. Zodoende is voor de Kanaaldijk-Zuid uitgegaan van een maximum rijsnelheid van 30 km/uur. Al deze wegen vallen onder de bronsoort gemeentewegen. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai, welke is toegevoegd als bijlage 6.
Uit het onderzoek blijkt dat De standaardwaarde vanwege de geluidbronsoort gemeentewegen niet wordt overschreden; De geluidbelasting op de gevels ten hoogste Lden = 53 dB bedraagt; Er kan worden voldaan aan de beleidsregel Geluid - Geluid in geluidaandachtsgebieden' van de gemeente Eindhoven; Er geen sprake is van indirecte hinder; Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld.
Toetsing geluid door activiteiten Naast wegverkeerslawaai is er sprake van (milieubelastende) activiteiten in de omgeving van het projectgebied. Vanuit de systematiek van de Omgevingswet hebben bestaande bedrijven voor verschillende aspecten een milieugebruiksruimte, vastgelegd in het omgevingsplan of milieuvergunningen. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich functies waarbij activiteiten plaatsvinden welke van invloed kunnen zijn op de optredende geluidbelastingen ter plaatse van de beoogde woningen. Aan de westzijde van de locatie is een gebouw aanwezig met diverse dienstverlenende en maatschappelijke functies. Kleinschalig onder het bedrijf Make Eindhoven workshops gegeven en wordt aan creatieve projecten gewerkt. Ook is er het Erfgoedhuis Eindhoven gevestigd. Van deze functies is geen hinder te verwachten door de geringe omvang van de activiteiten. Aan de noordzijde van het projectgebied bevinden zich daarnaast enkele horecagelegenheden met terrassen. Uit het rapport “Terrasgeluid in bestemmingsplan NRE-terrein” van de Gemeente Eindhoven d.d. mei 2017 volgt dat de minimale afstand tussen terras en woningen minimaal 25 meter moet bedragen.
Tevens blijkt uit de berekeningsresultaten van het rapport dat bij gebruik van de terrassen in de dag- en avondperiode voldaan kan worden aan de standaard geluidgrenswaarden uit het omgevingsplan gemeente Eindhoven voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (i.e. 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
63
avondperiode). Ook de maximale geluidniveaus voldoen aan de eisen (respectievelijk 70 dB(A) en 65 dB(A) uit het omgevingsplan. De terrassen die het dichtstbij de projectlocatie liggen zijn de terrassen van FIFTH NRE ten noorden van de projectlocatie. Aan de minimale afstand van 25 meter tot het woongebouw kan voldaan worden. Gesteld kan worden dat door het waarborgen van die afstand ook op de nieuwe projectlocatie voldaan kan worden aan de eisen uit het omgevingsplan. Hieruit volgt dat er sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie met betrekking tot geluid afkomstig van de toegestane terrassen.
7.3.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit projectvoornemen.
7.4
Luchtkwaliteit
7.4.1
Algemeen
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijn stof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijn stof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijn stof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2.
in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
norm
ingangsdatum
Jaargemiddelde grenswaarde NO2
40 µg/m3
1-1-2015
Jaargemiddelde grenswaarde PM10
40 µg/m
3
1-6-2011
Daggemiddelde grenswaarde PM10
max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3
1-6-2011
Tabel : Jaargemiddelden grenswaarden
De gemeente Eindhoven heeft een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Dit houdt in dat voor iedere ontwikkeling de luchtkwaliteit getoetst dient te worden. Een BOPA voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door 64
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
7.4.2
Toetsing
De gemeente Eindhoven is bij ministeriële regeling aangewezen als een aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Er zal conform artikel 5.51 Bkl moeten worden onderzocht of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. De beoogde activiteit omvat de realisatie van een woongebouw met 132 sociale huurappartementen. De ontwikkeling leidt per saldo tot een toename van het verkeer van 344 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) in de omgeving. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Gelet op het aantal woningen dat mogelijk wordt gemaakt, draagt de ontwikkeling zelf 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Een onderzoek naar de effecten van de transformatie naar wonen is dan ook niet nodig. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen.
Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Eindhoven heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst. In de CIMLK viewer is het dichtstbijzijnde relevante toetspunt, gelegen aan de Vestdijk geraadpleegd.
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
65
Uitsnede CIMLK viewer, projectgebied rood omkaderd (Bron: cimlk.nl/kaart)
In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.
Toetspunt:
Vestdijk,Eindhoven (x: 161852.828115807 y: 382973.591511291)
Monitoringsrond 2023 e: Monitoringsjaar
NO2-concentratie
PM10-concentratie
PM10PM2,5overschrijdingsdage concentratie n
2025
18,9 µg/m³
16,2 µg/m³
6
9,1 µg/m³
2030
14,7 µg/m³
15,0 µg/m³
6
8,1 µg/m³
Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)
40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
35 dagen per kalenderjaar
25 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
Tabel: Omgevingswaarden cimlk.nl/kaart)
meest
relevante
luchtverontreinigende
stoffen
(Bron:
Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, dus ook in Nederland. Uiterlijk in 2030 moeten de jaargemiddelde concentraties PM2,5 en PM10 zijn gedaald naar respectievelijk 10 en 20 µg/m3 (huidige normen zijn 25 en 40 µg/m3). Voor NO2 gaat een nieuwe jaargemiddelde eis gelden van 20 µg/m3 (nu nog 40 µg/m3). Aan deze strengere Europese luchtkwaliteitseisen wordt op basis van het CIMLK voor de wegen rond het projectgebied in de huidige situatie reeds voldaan. Met de beperkte invloed van het plan voldoet de luchtkwaliteit rond het projectgebied nog steeds aan de Europese luchtkwaliteitseisen voor 2030. In en rond het projectgebied is dan ook sprake van een 66
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
aanvaardbare luchtkwaliteit. Het plan is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect aanvullende regels op te nemen in het Omgevingsplan. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het besluitgebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor het besluitgebied, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan het besluitgebied toe te delen.
7.4.3
Conclusie
Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
7.5
Geur
7.5.1
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Eindhoven heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het permanente omgevingsplan.
Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder hanteert de gemeente de Beleidsregel industriële geur als toetsingskader. In de beleidsregel zijn normen opgenomen voor gebiedstypen. In onderstaande tabel zijn de normen weergegeven.
98-percentiel
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
99,9 percentiel
67
Omgevingscategorie Richtwaarde ouE(H)/m3
Grenswaarde ouE(H)/m3
Richtwaarde ouE(H)/m3
Grenswaarde ouE(H)/m3
Wonen
1,0
2,0
4
8
Gemengd
2,0
4,0
8
16
Overig
10
10
40
40
Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
7.5.2
Toetsing
Met deze ontwikkeling wordt geen geurveroorzakende activiteit mogelijk gemaakt. Nieuwe woningen betreffen geurgevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde geurveroorzakende agrarische bedrijf ligt op 3 kilometer. Tussen omliggende bedrijfsbestemmingen en de projectlocatie zijn vele woningen gevestigd. Deze bedrijven zullen daardoor geen geurveroorzakende activiteiten kunnen uitvoeren met impact op omliggende woningen.
7.5.3
Conclusie
Ter plaatse van de projectlocatie vindt geen geurhinder plaats.
7.6
Bodem
7.6.1
Algemeen
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het 68
ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven
Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.