CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke motivering Piscustoren

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies ten behoeve van aanvraag omgevingsvergunning Picustoren28.008 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

7.6.2

Toetsing

Op de projectlocatie wordt een woongebouw ontwikkeld. Dit is een bodemgevoelig gebouw, omdat personen er meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Voor het NRE-terrein zijn in het verleden twee bodemonderzoeken uitgevoerd, waarin ook wordt ingegaan op het projectgebied. Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor deze verblijfsfunctie, zijn een verkennend bodem- en asbestonderzoek en een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7 en bijlage 8.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd. Aangenomen wordt dat bodem verdacht is op verontreinigingen met NEN-parameters en asbest. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt (per terreindeel) het volgende. Zuidelijk terreindeel (+/- 19 m+NAP) In de grond worden sporen tot sterke bijmengingen met puin en sporen glas en ijzer waargenomen. Op het zuidwestelijke gedeelte is de gradatie aan puinbijmengingen het hoogste en hier zijn de sterke puinbijmengingen aanwezig tot minimaal 2,0 m-mv. Bij voorgaand onderzoek werd op dit terreindeel puin aangetroffen tot 2,8 m-mv. Op één locatie is in de bovengrond asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Het materiaal betreft golfplaat en bevat 10-15% hechtgebonden chrysotiel asbest. De maximale gewogen asbestconcentratie ter plaatse bedraagt 37 mg/kg d.s. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In de fijne fractie wordt in de meeste mengmonsters wel een beperkte hoeveelheid asbest aangetoond, maar de detectiegrens van 2 mg/kg d.s wordt in geen enkel monster overschreden. Dit komt nagenoeg overeen met de resultaten van voorgaand onderzoek.

Op basis van de resultaten van onderhavig en voorgaand onderzoek kan worden gesteld dat, de fijne fractie van de puinhoudende boven- en ondergrond weliswaar asbest bevat, maar voldoende is aangetoond dat waarschijnlijk geen sprake is van een asbestverontreiniging. De grond is verder licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie. Er zijn geen sterke verontreinigingen aangetoond. De indicatieve bodemklasse varieert van “landbouw/natuur” tot “matig verontreinigd”. Dat laatste geldt voor de sterk puinhoudende ondergrond op basis van de parameter minerale olie. Noordelijk terreindeel (+/- 17 m+NAP) ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

69

Op het noordelijke terreindeel worden in de grond onder de klinkers overwegend sporen tot plaatselijk zwakke bijmengingen met puin aangetroffen. In de noordoosthoek is een volledige puinlaag aangetroffen, vermoedelijk aangebracht puin van een bouwweg. Zintuiglijk is geen asbest aangetoond. In de puinhoudende bovengrond en de puinlaag wordt geen asbest aangetoond in gehalten boven de detectiegrens. Aangenomen mag worden dat de grond en het puin niet verontreinigd zijn met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In de puinhoudende ondergrond is geen asbest aangetoond. Derhalve mag deze bodemlaag als onverdacht worden beschouwd op asbest. Het puin voldoet indicatief aan de normen voor “N-bouwstof”. In de grond zijn lichte verontreinigingen met kwik, lood, PAK en minerale olie aangetoond. Er zijn geen sterke verontreinigingen aangetoond. De indicatieve bodemklasse varieert van “landbouw/natuur” tot “industrie”. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering wordt niet overschreden. Toetsing hypothese De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

De onderzoeksresultaten vormen daarmee geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie.

Nader bodemonderzoek In het kader van de voorgenomen herinrichting is ter plaatse nader bodemonderzoek verricht om enkele onduidelijkheden weg te nemen ten aanzien van de bodemkwaliteit, samenstelling van de bodem en de aanwezigheid van ondergrondse objecten. Met de uitvoering van het nader bodemonderzoek is de bodemopbouw rondom enkele boringen uit het verkennend bodemonderzoek nader in beeld gebracht. Ter plaatse van de eerder onderzochte groenstrook zijn een drietal sleuven gegraven waaruit blijkt dat, in lijn met de bevindingen van eerder verricht onderzoek, de bodem tot een diepte van 2,0 m-mv sterk geroerd is en veel bodemvreemde bijmenging bevat. Het bodemvreemd materiaal is aangetroffen in de vorm van baksteen en/of beton/basalt. Vermoedelijk zijn de boringen tijdens eerder verricht onderzoek gestaakt op deze bijmengingen. Er zijn ter plaatse geen stukken kademuur, ankerstangen of andere ondergrondse objecten waargenomen. De bodemkwaliteit ter plaatse van de strook langs het kanaal waar in de toekomst mogelijk kabels en leidingen naar toe verplaatst worden, is vastgelegd tijdens het nader onderzoek. Uit de resultaten blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte boven- en ondergrond minimaal voldoet aan klasse Industrie. Uit de resultaten blijkt dat de onderzochte grond onder het trottoir maximaal licht verhoogde gehaltes PFAS bevat.

Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de kwaliteit van de bovengrond, op basis van de gehaltes van de aangetoonde PFAS-verbindingen, voldoet aan de klasse Landbouw/Natuur. Bij toekomstige graafwerkzaamheden dient men rekening te houden met het voorkomen van sterk baksteenhoudende bodemlagen. In de bermstrook nabij de vetput zijn geen verhoogde concentraties in de bodem aangetroffen. Hier voldoet de kwaliteit van de bodem aan klasse landbouw/ natuur. Er zijn binnen het projectgebied ten opzichte van de detectiegrens maximaal licht verhoogde concentraties PFAS aangetroffen. De concentraties zijn dermate laag dat er met betrekking tot PFAS geen beperkingen gelden (voldoet aan klasse landbouw/natuur). De aanwezigheid van de vetput heeft niet geresulteerd in een negatieve beïnvloeding van de grondwaterkwaliteit.

70

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

7.6.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

7.7

Omgevingsveiligheid

7.7.1

Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

71

Aandachtsgebieden (Bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).

Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het afwijken van het omgevingsplan.

7.7.2

Toetsing

Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Het projectvoornemen betreft de realisatie van 132 appartementen. Met behulp van de kaart 'Veilige omgeving' kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

72

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

Uitsnede kaart Milieubelastende atlasleefomgeving.nl/kaarten)

activiteiten

met

veiligheidsrisico

(Bron:

Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het projectgebied is op een afstand van circa 55 meter een risicovolle inrichting aanwezig in de vorm van een aardgassstation. Het projectgebied is ruim buiten de plaatsgebonden risicocontouren gelegen. Er geldt daarnaast geen aandachtsgebied.

Buisleidingen Het projectgebied is niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren brandaandachtsgebieden van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

of

Transport gevaarlijke stoffen over land Het projectgebied ligt op 620 meter van het spoor, het ligt daarmee niet binnen de risicocontouren of aandachtsgebieden van het spoor.

7.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende logiesfunctie aan de projectlocatie toe te delen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

73

7.8

Trilling

7.8.1

Algemeen

Zwaar verkeer, heiwerkzaamheden, machines, enzovoort kunnen aanleiding geven tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen op hun beurt leiden tot hinder voor personen en schade of storingen aan apparatuur. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en het milieu instructieregels opgenomen ter voorkomen en beperking van trillingshinder. Het toepassingsbereik van de instructieregels is gekoppeld aan een combinatie van trillingsgevoelige gebouwen én aan op locatie toegelaten activiteiten. Dit houdt in dat in het omgevingsplan dient te worden gewaarborgd dat activiteiten die daarin worden toegestaan niet leiden tot onaanvaardbare trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Hz in een trillingsgevoelige ruimte, in een trillingsgevoelig gebouw. De instructieregels voor trillingen uit het Bkl zijn echter niet van toepassing op doorgaand verkeer, spoorwegen en vaarwegen.

7.8.2

Toetsing

Met deze ontwikkeling worden geen trillingen veroorzaakt in de gebruiksfase. In de aanlegfase zal zwaar verkeer de bouwplaats bevoorraden en zal de fundering worden geplaatst. Hierbij zal voldaan worden aan de in ht Bbl opgenomen regels, bedoeld om de leefomgeving te beschermen tegen trillingen door bouw- en sloopwerkzaamheden. In de omgeving van het projectgebied zijn geen bedrijven gevestigd die trillingen kunnen veroorzaken. Ook ligt het projectgebied niet aan een weg waarop zwaar verkeer zal rijden.

7.8.3

Conclusie

Het aspect trillingen veroorzaakt geen belemmeringen voor het projectvoornemen.

7.9

Verkeer en parkeren

7.9.1

Algemeen

Het Masterplan Mobiliteit 2050 'Wij gaan vooruit' is in maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2050) vastgelegd. Met een concrete uitwerking voor de komende jaren (t/m 2026) en een doorkijk naar 2030. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeersen mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het projectgebied beschreven. Masterplan Mobiliteit 2050 Het Masterplan Mobiliteit streeft naar een toekomst waarin wij in verbinding zijn met elkaar, waarin er vrijheid is voor iedereen om te gaan en staan waar ze willen en op welke manier ze dat willen, waarin we ruimte maken voor elkaar en de veelzijdigheid van de stad, waar het veilig is voor jong en oud. Een stad waar de lucht schoon is en waar we gezond oud kunnen worden. Een stad waar het fijn is om te zijn en waar we kunnen ontspannen.

74

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

Voetgangersverkeer De gemeente Eindhoven wil meer aandacht schenken aan de voetganger in de stad. Daarvoor zijn een tweetal routenetwerken voor de voetgangers benoemd in het 'Masterplan Mobiliteit 2050'. Routes om actief te verplaatsen en routes om ontspannen te bewegen. Het projectgebied ligt op loopafstand van routes om actief te verplaatsen en een route om ontspannen te bewegen.

Uitsnede kaart Voetgangersnetwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In het 'Masterplan Mobiliteit 2050' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat twee soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid: doorfietsroutes en stadroutes. Deze fietsroutes zijn weergegeven in onderstaande afbeelding. Rondom het projectgebied zijn meerdere stadsroutes en doorfietsroutes aanwezig.

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

75

Uitsnede kaart Fietsnetwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) Openbaar vervoer Het vervoer per spoor en het netwerk van hoogwaardige busverbindingen vormt volgens het Masterplan Mobiliteit 2050 het kernnetwerk voor het openbaar vervoer. Voor het busnetwerk wordt vervolgens uitgegaan van twee netwerken: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Nabij het projectgebied wordt een HOV-lijn ontwikkeld aan de Vestdijk/Geldropseweg, welke op korte afstand ook een halte heeft.

Uitsnede kaart HOV-netwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) Autoverkeer Het wegennetwerk is in Masterplan Mobiliteit 2050 geactualiseerd. Dit bestaat uit de volgend indeling in hoofdwegen: Randweg A2/N2, Ring en regionale bundelroute, Radialen buiten de ring, Radialen binnen de ring. Daarmee is een robuust wegennetwerk gedefinieerd voor de hoofdontsluiting voor autoverkeer. Dit zijn ook de wegen waar een maximum snelheid van 76

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

tenminste 50 km/u gehandhaafd zal blijven in de toekomst. Een onderliggend netwerk van gebiedsontsluitingswegen zorgt voor de verder ontsluiting van de diverse stadsdelen en wijken. Op enkele uitzonderingen na zullen deze uit oogpunt van leefbaarheid en veiligheid in de toekomst allemaal een maximum snelheid van 30 km/u kennen. Het projectgebied ontsluit via de Ring en de radiaal binnen de ring richting Kanaaldijk-Zuid aan de zuidzijde of de Fuutlaan aan de noordzijde.

Uitsnede kaart Auto-netwerk, projectgebied rood geblokt (Bron: Masterplan Mobiliteit 2050) Hubs Hubs vormen de verbindende schakels in de verplaatsingen. Het zijn de plekken waar verschillende vervoerwijzen samenkomen en mensen kunnen overstappen. Voor de mobiliteitstransitie zijn verplaatsingen met een of meer overstappen essentieel. Mobiliteitshubs in Eindhoven hebben vooral drie functies; het aanbieden van deelmobiliteit, het faciliteren van de overstap van de ene op de andere vervoerwijze en tot slot het (op afstand) parkeren van de (eigen) auto. Hubs hebben in Eindhoven verschillende verschijningsvormen op allerlei schaalniveaus. Het STOMP principe In en om het centrum van Eindhoven spelen diverse (grote) verdichtingsopgaven die ieder hun eigen mobiliteitsbehoefte meebrengen. Om het centrum nu en in de toekomst bereikbaar, leefbaar en veilig te houden moet op een andere manier naar de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte gekeken moeten worden. Hierbij wordt uitgegaan van het STOMP principe. STOMP staat voor hoe we verplaatsingen onderscheiden: Stappen; Trappen; Openbaar Vervoer; Mobility as a Service; Privé-auto. Bij het STOMP-ontwerpprincipe wordt eerst naar de voetganger gekeken (Stappen), vervolgens naar de fietser (Trappen), OV en MaaS en pas daarna wordt naar de privéauto gekeken. Deze aanpak sluit ook aan op de doelstellingen/ambities uit het Masterplan

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

77

Mobiliteit 2050 dat specifiek inzet op lopen, fietsen en openbaar vervoer, vooral binnen de Ring, terwijl de automobiliteit meer wordt gebundeld en naar de Ring. Navolgend wordt het STOMP principe ten aanzien van het onderhavige plan uitgewerkt. Verkeersgeneratie Aan de hand van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie in de huidige en toekomstige situatie bepaald. De verkeersgeneratie betreft de optelsom van de aankomende en vertrekkende ritten. Binnen de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en ligging van de ontwikkeling. Verkeersafwikkeling Aan de hand van de cijfers die volgen uit de berekening van de verkeersgeneratie moet worden bekeken welke consequenties dit heeft op de verkeersafwikkeling op het huidige en eventueel aangepaste wegennet. Hieruit blijkt dat het plan wel/niet past binnen de bestaande infrastructuur. Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom wordt er ingezet op ruimte-efficiënt en omgevingsvriendelijk vervoer. Meer lopen, fietsen, openbaar vervoer en gebruik van deelmobiliteit en minder gebruik van de auto. Deze mobiliteitstransitie is in het belang van een bereikbare en leefbare stad. De Nota Parkeernormen 2024 is opgesteld om de door de gemeente Eindhoven gewenste mobiliteitstransitie te kunnen sturen.

We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk het centrum van Eindhoven goed bereikbaar blijven. De parkeernormen die aan bouwplannen gesteld worden, dragen bij aan de doelstellingen voor een autoluw centrum en aan de verdichtingsopgave in de hele stad en maken het daarom ook mogelijk om plannen te realiseren met minder of zelfs (in het centrum) zonder de aanleg van parkeerplaatsen (nulnorm). De parkeernormering heeft betrekking op het parkeren van auto's en fietsen. In de systematiek wordt echter ook ingezet op duurzame alternatieve vervoerswijzen. Dit is onder meer uitgewerkt in de vorm de verplichte reductie bij HOV en het stimuleren van deelmobiliteit en mobiliteitshubs (minder parkeerplaatsen bij stations en HOV-haltes en bij gebruik van deelvervoer voor bewoners. Daarnaast willen we bestaande parkeercapaciteit beter gaan benutten in plaats van het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen. Voor het gedeelte van de parkeeropgave waar een plan niet in voorziet, bestaat het mobiliteitsfonds waarin de afkoopbedragen terecht komen ten behoeve van stadsbrede duurzame mobiliteitsvoorzieningen. Elk nieuw of bestaand adres waar na 2016 een omgevingsvergunning voor is afgegeven, komt op het AUP-overzicht (Adressenlijst Uitsluiting Parkeervergunningen).

Adressen op deze lijst komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden. Fietsparkeren In de Nota Parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen. Naast voldoende in omvang hangt het succes van een fietsenstalling sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden ooki vastgelegd: het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.171) regelt dat een woonfunctie over een afsluitbare bergruimte moet beschikken voor het stallen van fietsen en bij collectieve fietsenstallingen gelden de kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen die Eindhoven als gelijkwaardig 78

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

beschouwt mits de benodigde aantallen fietsparkeerplekken conform de normen worden ingepast.

7.9.2

Toetsing STOMP-principe

Stappen Het projectgebied is gelegen langs het Eindhovens Kanaal. In en nabij het projectgebied zijn diverse looppaden gelegen. Met name langs het Eindhvoens Kanaal. Het gebouw is goed toegankelijk voor voetgangers. Trappen Bewoners plaatsen hun fiets in de fietsenstalling in het gebouw. Bezoekers kunnen hun fiets parkeren op twee plaatsen aan de buitenzijde van het woongebouw. Vanaf het projectgebied kan gebruik worden gemaakt van de fietspaden langs het Eindhovens Kanaal en bijvoorbeeld de Tongelresestraat. OV De projectlocatie ligt 170 meter van de bushalte aan de Tongelresestraat, waarna met de bus het Centraal Station in 10 minuten is te bereiken. MaaS Buiten het gebouw worden opstelplaatsen voor deelauto's gerealiseerd op een goed zichtbare en toegankelijke locatie. Privéauto Autoparkeerplaatsen worden niet binnen het project gerealiseerd; bewoners en bezoekers worden gestimuleerd gebruik te maken van deelmobiliteit.

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

79

Ontsluiting projectgebied (Bron: Burobol)

7.9.3

Toetsing verkeersgeneratie

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt zoveel mogelijk ingezet op duurzame vervoersoplossingen. De ontwikkeling kent een beperkte parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Voor bewoners geldt een lage parkeernorm, mede dankzij de goede bereikbaarheid per HOV. De nadruk ligt op het minimaliseren van de parkeervoorzieningen voor privévoertuigen en het stimuleren van gedeeld en actief vervoer. Binnen het projectgebied worden geen autoparkeerplaatsen gerealiseerd. Bezoekers parkeren in het openbare gebied of in nabijgelegen parkeergarages. Hun aandeel is beperkt en niet exact te herleiden. De extra verkeersbewegingen als gevolg van het plan blijven naar verwachting onder de autonome groei van het verkeer in het gebied die normaliter in de verkeersmodellen zit. De invloed op het omliggende wegennet is daardoor verwaarloosbaar.

7.9.4

Toetsing parkeren

Autoparkeren Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt zoveel mogelijk ingezet op duurzame vervoersoplossingen. De ontwikkeling kent een beperkte parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Voor bewoners geldt een lage parkeernorm, mede dankzij de goede bereikbaarheid per HOV. De nadruk ligt op het minimaliseren van de parkeervoorzieningen voor privévoertuigen en het stimuleren van gedeeld en actief vervoer. Binnen het projectgebied worden geen autoparkeerplaatsen gerealiseerd. Bezoekers parkeren in het openbare gebied of 80

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

in nabijgelegen parkeergarages. Aangezien binnen het projectgebied niet wordt voorzien in autoparkeerplaatsen, is de oplossing van de parkeerbehoefte onderzocht. De rapportage hiervan, waarin tevens de uitkomsten van de gemeentelijke rekentool zijn opgenomen, is als Bijlage 9 aan deze motivering gehecht. Hieruit volgt dat op basis van het gemeentelijk beleid in de nieuwe situatie per saldo (HOV-reductie en dubbelgebruik) sprake is van een parkeerbehoefte van 30 parkeerplaatsen. Bewoners en bezoekers worden gestimuleerd gebruik te maken van deelmobiliteit. Daartoe worden 3 deelauto's ingezet, waarvoor direct aansluitend aan het projectgebied 3 parkeerplaatsen worden aangelegd. Conform de gemeentelijke parkeerrekentool betekent dit een reductie van 21 bewonersparkeerplaatsen. Door het plaatsen van drie deelauto's is de resterende parkeerbehoefte (30 – 21 + 3 deelauto's) 12 parkeerplaatsen. Om de parkeerbehoefte op te lossen kan gebruik worden gemaakt van private parkeerplaatsen of parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Ten aanzien van parkeerplaatsen in het openbaar gebied biedt het gemeentelijk beleid de mogelijkheid om de parkeerbehoefte van bezoekers (tot een maximum van 25 parkeerplaatsen) hier op te lossen mits de parkeerbezetting lager is dan 90% na planontwikkeling.

Mits een parkeerdrukmeting aantoont dat er genoeg restcapaciteit beschikbaar is, is het mogelijk om de volledige parkeerbehoefte van bezoekers (6 parkeerplaatsen) te reduceren. Hierdoor is de resterende parkeerbehoefte (12 – 6) 6 parkeerplaatsen. Tot slot biedt het gemeentelijk beleid de mogelijkheid om de parkeerbehoefte af te kopen. Hiermee mag gebruik worden gemaakt van maximaal 10 parkeerplaatsen in de openbare ruimte tegen een bijdrage in het mobiliteitsfonds. De resterende parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen wordt volledig afgekocht door storting in het Mobiliteitsfonds. Daarbij komt dat het project tot gevolg heeft dat 27 openbare parkeerplekken als gevolg van ruimtebeslag komen te vervallen. Ingevolge het gemeentelijk beleid is de opheffing van deze parkeerplekken aanvaardbaar, mits dit niet tot gevolg heeft dat de parkeerdruk in de omgeving op maatgevende momenten wordt overschreden tot een niveau van boven de 90%. Deze grens, en of die behaald wordt, kan worden bepaald door de ophef en toevoeging van nieuwe parkeerdruk op te tellen en te kijken hoeveel ruimte er nog over blijft. Er is een marge van 33 (27 + 6) plekken nodig om te kunnen onderbouwen dat het opheffen niet leidt tot een overschrijding van de parkeerdruk van 90%. Er zijn diverse parkeerdrukmetingen gedaan om aan te tonen of dit passend te maken is.

Er is gemeten op 10, 12, 13 en 14 december 2024 en op 9, 12, 13 en 18 september 2025 om 09:00, 13:00, 18:00 en 23:00. De rapportages en visualisaties van deze metingen zijn als Bijlage 10 tot en met 13 aan deze motivering gehecht. Op de dinsdagmiddag om 13:00 was daarbij sprake van de hoogst gemeten parkeerdruk in beide meetperiodes. Dit suggereert dat voornamelijk bezoekers/werknemers van omliggende kantoren in de buurt parkeren. De parkeerdruk was op die dagen respectievelijk 71% (341/477) en 76% (364/477). In beide gevallen blijft de parkeerdruk ónder de 90%. De parkeerdruk zou in theorie in het nieuwe geval 347/450 = 77% en 370/450 = 82% zijn. Hiermee zal met de toevoeging van de woningtoren op het te verdwijnen parkeerterrein per saldo geen sprake van een overmatig hoge parkeerdruk. De resultaten van de parkeerdrukmetingen rondom de Picustoren tonen aan dat er voldoende ruimte en daarmee voldoende alternatieven voor de op te heffen openbare parkeerplekken zijn. Bovendien is de ParkingYou garage bij DLL op 390 meter afstand van het projectgebied gelegen, waarmee binnen de marge van 400 meter een inpandig alternatief beschikbaar is voor bezoekers. Het bebouwen van openbare parkeergelegenheid is niet uniek. Bij het vaststellen van het ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

81

Masterplan mobiliteit 2050 is besloten dat alle bezoekersparkeerplekken op het maaiveld in het centrum van de stad opgeheven zullen worden. Ook het Fensterrein, een groot maaiveld parkeerterrein in de oksel van de Kleine Berg, met ongeveer 50 parkeerplekken, staat eveneens op het punt om opgeheven te worden om aldaar een urban sportspark te realiseren. Dit kan, omdat er voldoende alternatieve parkeerplekken in de omgeving zijn om het opheffen van dit terrein mee op te vangen, waaronder: Q-Park Hooghuis, Q-Park de Admirant en Q-Park de Witte Dame.

Fietsparkeren In de nieuwe situatie is ingevolge de parkeerrekentool voorts sprake van een fietsparkeerbehoefte van 327 fietsenstallingen. Deze opgave wordt geheel op eigen terrein ingevuld. De inpandige fietsenstalling biedt plaats aan een totaal van 297 fietsen (256 standaardfietsen, 32 fietsen van buitenformaat, en 9 fietsen van XXL-formaat) en is uiterst efficiënt ingericht door gebruik te maken van dubbellaagse fietsenrekken voor zowel standaard- als buitenformaat fietsen, waardoor de beschikbare ruimte optimaal wordt benut. De toegang voor fietsers bevindt zich aan de okselzijde van het gebouw, via een entreeportaal dat tevens de postkasten herbergt. Vanuit het portaal wordt de gebruiker op een natuurlijke en intuïtieve wijze geleid naar de collectieve fietsenstalling door rechts aan te houden. Binnen de stalling is een circulatieroute ingericht die gebruikers in een lus leidt en die uiteindelijk weer uitkomt bij de lifthal of de lobby. Deze opzet waarborgt een logische en gebruiksvriendelijke doorstroming. Voor de apparatementen kleiner dan 50 m2 zijn tevens bergingen (59 in totaal) in de plint aanwezig, welke ook gebruikt zullen worden voor de stalling van fietsen. Voor bezoekers wordt voorzien in fietsnietjes ten behoeve van 32 fietsen, welke verdeeld worden geplaatst aan de noordzijde van beide delen van het gebouw.

Situatieschets fietsenstalling in gebouw (Bron: Diederendirrix)

82

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

Overzicht parkeren (Bron: Burobol)

7.9.5

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met parkeren, de verkeersgeneratie en -veiligheid. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt verkeer en parkeren is het aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.

7.10

Groen

7.10.1

Algemeen

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

83

van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Beleidsregel Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig.

Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

Uitsnede Ruimtelijke Strategieënkaart, projectgebied rood omkaderd (Bron: Groenbeleidsplan 2017)

Het projectgebied is in het Groenbeleidsplan 2017 deels aangeduid als 'Structureel stadsgroen' en deels als 'Stad, rood bepalend'. In deze gebieden wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:

Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. De ondersteunende functie van het groen is van groot belang, vooral vanwege de betekenis voor 84

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.

Strategie 4: Structureel stadsgroen In deze gebieden gaat het om het netwerk van de binnenstedelijke groenstructuur. Het groen is bedoeld voor groene dooradering van de stad, voor intensieve recreatie en ontspanning (parken), natuur en waterberging. Als uitgangspunt wordt ingezet op een robuust groen netwerk. Het beleid is gericht op het versterken van de functionaliteit van deze gebieden en het verbinden tot robuuste structuren. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur.

7.10.2

Beleidsregel Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven

Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen. Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit. Groennorm In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen. Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan.

Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave.

Groencompensatie In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen.

7.10.3

Verordening bomen 2024

In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

85

Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig voor: het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt; het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte; het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht; het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand, of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur.

De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op: boom of houtopstand met minimaal 45 centimeter stamomtrek gemeten op 130 centimeter hoogte, buiten erven of in tuinen; houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de uitwerking daarvan in de nadere regels.

Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024 Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand. Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het projectgebied mogelijk. Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.

7.10.4

Groene kaart

Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: 1. Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); 2. Groenarme gebieden; 86

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

3. Centrumgebied; 4. Bebouwde komgrens; 5. (Particuliere) percelen groter dan 250 m². De informatie op de groene kaart is nodig om: 1. 2. 3. 4.

Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

Uitsnede Groene kaart, projectgebied rood omkaderd (Bron: Verordening bomen 2024)

7.10.5

Toetsing

Groennorm en groenplan Beoordeling: Met de ontwikkeling wordt een niet-groene voorziening toegevoegd in de vorm van een woongebouw, deels binnen Structureel stadsgroen. De ontwikkeling heeft grote maatschappelijke meerwaarde gezien de hoge woningnood. Zeker in het sociale segment. Daarbij was in eerdere visie en in het vigerende bestemmingsplan wel al beoogd op deze locatie (in de vorm van een uitwerkingsplicht in het bestemmingsplan) een woongebouw te realiseren. Bij het ontwerp is rekening gehouden met de omliggende groenstructuren. De bomen langs het Eindhovens Kanaal worden allen behouden. Voldoende afstand wordt tot deze bomen aangehouden voor de realisatie van het woongebouw. Binnen het projectgebied wordt op diverse manieren invulling gegeven aan de groenopgave. Het hooggelegen dak wordt met ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

87

name gebruikt voor duurzame energieopwekking en waterberging. Het middelhoge gebruiksdak wordt ingericht als intensief groendak. Een prominente boom, zichtbaar vanaf het maaiveld, vormt hier een belangrijk element. Deze boom wordt geplaatst in een groeiplaats met voldoende substraat, dat niet alleen zorgt voor een stabiele basis maar ook voor waterberging en bevoorrading van de beplanting. Het dakgroen en de bomen leveren nectar voor insecten, schuil- en foerageermogelijkheden voor kleine zangvogels, en een seizoensgebonden beleving voor de bewoners. Het laagste dak wordt betrokken bij de openbare ruimte en ook ingericht als intensief groendak. Het laagste dak, gelegen boven de fietsenstalling, fungeert als een verlengstuk van de parkzone. Op dit dak en op maaiveld rondom de gebouwen wordt zichtgroen gecombineerd met heesters die de privacy van de laagste appartementen waarborgen. De heesters dragen bij aan de biodiversiteit en maken het habitat compleet voor kleine zangvogels, die ook nestgelegenheid vinden in de gevels. Net als de andere daken wordt ook het lage dak voorzien van substraat voor beplanting en een waterbergingslaag. Op basis van de ingevulde klimaattool (bijlage 14) bedraagt de groenopgave 1.395,7 m2. In de klimaattool is uitgewerkt hoe invulling wordt gegeven aan de groenopgave.

In onderstaande afbeelding is een overzicht gegeven van de te realiseren oppervlaktes groen.

Beoogde situatie verharding en groen (Bron: Burobol)

Bomen Binnen en rondom het projectgebied zijn verschillende bomen gesitueerd. In onderstaande afbeelding zijn de in de omgeving van het projectgebied gelegen waardevolle bomen gelegen. De groenstructuur ten zuidwesten van het projectgebied is hier niet specifiek in opgenomen.

88

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

Uitsnede Bomen kaart (Bron: Eindhoven Open Data)

Om de bestaande bomen (binnen en rondom het projectgebied) goed in het toekomstig ontwerp te kunnen implementeren en om de kwaliteit van het huidige bomenbestand te onderzoeken is een bomen effect analyse (BEA) uitgevoerd. De rapportage van deze beoordeling is als bijlage 15 bij deze motivering gevoegd.

Kwaliteit van het bomenbestand In totaal zijn tien bomen geïnventariseerd. Alle bomen hebben een goede conditie en kwaliteit, maar op basis van de plantjaren is de groei van de platanen aan de kade gestagneerd. Behalve laaghangende takken in twee bomen zijn er geen noemenswaardige gebreken aangetroffen. Deze bomen hebben een tijdelijk verhoogd risico wat kan worden weggenomen met snoei.

Effect van geplande werkzaamheden Alle onderzochte bomen kunnen duurzaam behouden blijven, uitgaande van een rechte afgraving bij de platanen aan de kade en geen afgraving onder talud. Wel moeten een aantal bomen gesnoeid worden.

7.10.6

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met groen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

89

7.11

Natuur

7.11.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale 3. of economische aard; en 4.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. 90

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

7.11.2

Toetsing

Gebiedsbescherming Het projectgebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is het gebied 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux' en ligt op ongeveer 3,8 km ten zuidoosten van het projectgebied. Het projectgebied overlapt deels met het Natuur Netwerk Nederland (in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant). Dit betreft de ecologische verbindingszone het Eindhovensch Kanaal. Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied. Directe negatieve effecten van dit plan op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat gelet op de afstand van directe effecten geen sprake is. Hoewel de voet van de toren deels binnen het NNB (de ecologische verbindingszone) valt, wordt de ruimtelijke ingreep gecombineerd met een herinrichting van de kanaaloever, waarbij de bestaande harde betonnen kade wordt vervangen door een natuurlijke, ecologisch ingerichte oeverzone. Het bouwplan gaat daarmee gepaard met nadrukkelijke aandacht voor het landschap rondom de toren, waarbij de verbinding van het groene kanaalgebied met de erfkwaliteiten van het NRE-terrein centraal staat.

De bouw van de Picustoren biedt kansen voor innovatieve ecologische integratie in zowel gebouw als omgeving. Door het toepassen van slimme combinaties van maatregelen die zijn toegespitst op de doelsoorten van de EVZ, zal de ecologische kwaliteit van het Eindhovensch Kanaal en zijn directe omgeving worden versterkt. Middels de concrete invulling van de ecologische verbindingszone als geheel en de te treffen maatregelen is verzekerd dat het functioneren van de ecologische verbindingszone niet wordt aangetast. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat effecten op natuurgebieden door stikstofdepositie nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit plan een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn als bijlage 16 en 17 bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Belangrijke negatieve effecten kunnen uitgesloten worden.

Soortenbescherming Quickscan flora en fauna Aangezien voorgenomen werkzaamheden mogelijk kunnen leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, heeft een quickscan flora en fauna plaatsgevonden. Dit onderzoek is als bijlage 18 bij deze motivering gevoegd.

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

91

Algemene vogels In de opgaande vegetatie in het projectgebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Na afronding van de quickscan is geconstateerd dat (een deel van) het projectgebied mogelijk fungeert als leefgebied van huismussen. Hiertoe is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Tijdens twee veldbezoeken zijn in het midden van het projectgebied huismussen waargenomen. De waarnemingen vonden plaats in en rondom een haagbeuk, waarin de vogels actief foerageerden.

Naast voedsel zoekend gedrag vertoonden de huismussen ook sociaal gedrag, zoals het maken van contactgeluiden en groepsinteracties, wat erop wijst dat de locatie mogelijk een belangrijk onderdeel vormt van hun leefgebied. In de directe omgeving van het besluitgebied is weinig vegetatie aanwezig die kan dienen als vervangende leefomgeving voor de huidige populatie huismussen. Enkel de wandbegroeiing tegen Gasfabriek 22 aan kan gelden als geschikte foerageer en schuillocatie. Echter beschikt deze wandbegroeiing niet over genoeg draagkracht om de aanwezige kolonie huismussen te ondersteunen. De aanwezige haagbeuk is daardoor een essentieel onderdeel van de leefomgeving van de aanwezige huismussen.

Haagbeuk - essentieel onderdeel leefomgeving huismussen

Als gevolg van de geplande werkzaamheden wordt de desbetreffende haag verwijderd om 92

ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

ruimte te maken voor nieuwbouwwoningen. Het verwijderen van essentiële leefgebiedselementen van de huismus is een schadelijke handling volgens de Omgevingswet. Een vergunningstraject met bijbehorende vervolgstappen voor de huismus zijn derhalve benodigd om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Voor de mitigatie van de huismussen wordt een beplantingsplan opgesteld waarmee het groenvolume van de bestaande haag gecompenseerd wordt. Vleermuizen: verstoring vliegroutes en foerageergebied De bomenrij aan de Kanaaldijk-Noord fungeert mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Deze bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het projectgebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.

Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (tabel 3.82 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; Provincie Noord-Brabant, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het projectgebied worden verplaatst.

7.11.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met gebieds- en soortenbescherming. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

7.12

Water

7.12.1

Algemeen

Er moet worden voldaan aan de beoordelingsregels die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan (www.vng.nl). Daarnaast moet worden voldaan aan de instructieregels van de provincie (Omgevingsverordening) en in het geval van water aan de Waterschapsverordening van het waterschap (nu: Keur). In het Omgevingsplan van rechtswege wordt wel het paraplubestemmingsplan met de rekentool klimaatadaptieve opgave voorgeschreven. Het voldoen aan deze rekentool blijft daarmee vanaf 1 januari 2024 van kracht. Hetzelfde geldt voor de overgenomen bruidsschatregels.

Algemeen (wettelijk kader /gemeentelijk beleid) Rijk ontwerp BOPA Picustoren Gemeente Eindhoven

93

Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw.

Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.

Provincie De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang: In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk. Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan.

Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16754327/1