Bijlage 1 - Buitengebied (Museumpark VONK)
Tekst van het document
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
49
4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
Het plan omvat een uitbreiding van het bestaand preHistorisch Dorp en een transformatie naar het Museumpark VONK*. Dit levert in totaal 63.090 verkeersbewegingen (auto’s) op de Boutenslaan op jaarbasis. Daarnaast levert het per dag nog 12 verkeersbewegingen op voor zwaar- en middelzwaar vrachtverkeer en 4 bewegingen voor bussen. In totaal komt dit neer op circa 189 verkeersbewegingen per dag, waarvan 10% vrachtverkeer (incl. bussen). Met de zogenaamde NIBM-tool (beschikbaar via Infomil) kan op eenvoudige wijze een berekening worden uitgevoerd om na te gaan of er sprake is van een 'niet in betekenende mate' plan. Het tool berekent een volledig worstcase-bijdrage aan luchtkwaliteit. Uit een berekening met de NIBM-tool (versie 06-04-2021) blijkt dat de totale verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde planontwikkeling “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit betreft een worstcase benadering aangezien normaliter enkel de extra voertuigbewegingen meegenomen hoeven te worden.
Conclusie Aangezien het totale aantal aan verkeersbewegingen afkomstig van het planvoornemen een bijdrage aan de concentraties geeft van ten hoogste 0,22 microgram/m3, is sprake is van een “niet in betekende mate “ project. De realisatie van het plan zal niet leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
50
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord.
4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
4.5.2
Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid
De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.
4.5.3
Inventarisatie risicobronnen
Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen. De risicobronnen worden weergegeven op figuur 4.2. Ook wordt nader ingegaan op de genummerde risicobronnen om de risico’s c.q. de vervolgstappen beknopt in kaart te brengen. 1. Rijksweg A2/A67 Het plangebied is gelegen nabij de A2/A67 (wegvak B72: knooppunt De Hogt – afrit 33 Waalre enbwegvak B104: afrit 33 Waalre – knooppunt Leenderheide). In tabel 4.1 zijn de gegevens vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
51
met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen weergegeven van deze rijksweg. Er geldt tevens een plasbrandaandachtsgebied. De A2/A67 heeft een PR 10-6 van maximaal 43 meter. Het plangebied ligt hier (ruimschoots) buiten. Het plangebied is tevens gelegen op meer dan 200 meter van de transportroute. Conform artikel 8 van het Bevt is het niet noodzakelijk om het groepsrisico te berekenen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de A2/A67 vanwege het vervoer van de stofcategorieën GT4 en GT5 (toxische gassen). Conform artikel 7 van het Bevt dient de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico beperkt te worden verantwoord (aangaande de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). Plasbrandaandachtsgebied Conform artikel 10 van het Bevt is een toelichting vereist indien nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in het plangebied zijn gelegen binnen een plasbrandaandachtsgebied. Een plasbrandaandachtsgebied is het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een zogenaamde plasbrand. Deze plasbrand kan ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een tankwagen of wagon.
In de regeling Basisnet is aangegeven dat een plasbrandgebied reikt tot 30 meter aan weerszijde van het wegvak (gemeten vanaf de buitenste kantstrepen) of de spoorlijn (gemeten vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel). Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Het plasbrandaandachtsgebied vormt daarmee geen belemmering. 2. Nationaal zwemcentrum De Tongelreep Nabij het plangebied is aan de Antoon Coolenlaan 1 het zwemcentrum De Tongelreep gelegen. Het zwemcentrum betreft geen Bevi-inrichting, op de locatie zijn wel twee installaties aanwezig waarin chloorbleekloog is opgeslagen. Het zwemcentrum is gelegen op een afstand van circa 525 meter vanaf het plangebied. Er geldt geen PR-contour 10-6, het zwemcentrum vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 3. IJssportcentrum Eindhoven Nabij het plangebied is aan de Antoon Coolenlaan 3 een ijssportcentrum gelegen. Het ijssportcentrum betreft een Bevi-inrichting. Op het terrein is een machinekamer aanwezig met een ammoniak koelinstallatie en er zijn ammoniakleidingen aanwezig. Voor deze installaties geldt een PR-contour 10-6 van 65 meter. Op het terrein is tevens een LPG-tank aanwezig waarvoor een veiligheidsafstand van 10 meter geldt. Het ijssportcentrum is gelegen op een afstand van circa 620 meter. Het plangebied is op voldoende afstand gelegen.
Het ijssportcentrum vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4. CVM High Tech Campus Eindhoven U.A. Nabij het plangebied is de High Tech Campus Eindhoven gelegen. De Campus betreft een Beviinrichting waar opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er geldt een invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico van 253 meter. De Campus is gelegen op een afstand van circa 1100 meter. Het plangebied is op voldoende afstand gelegen. De Campus vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5.4
Groepsverantwoording
Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A2/A67 in verband met vervoer van de toxische gassen GT4 en GT5. Conform artikel 7 van het Bevt dient het groepsriscio beperkt te worden verantwoord (aangaande de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). In de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Eindhoven zijn de gebieden langs hoofdtransportassen ingedeeld in drie zones. Het plangebied is gelegen in zone III (vanaf 200 meter van de transportas tot einde invloedsgebied). Bij de verantwoording kan volstaan worden met de standaard eisen en een algemene ramp bestrijdingsaanpak. In dit gebied is geen nader advies van de brandweer nodig. 52
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
Toxisch scenario Over de A2/A67 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats die een toxische wolk kunnen veroorzaken. Er kunnen op grote afstand van de bron nog slachtoffers vallen. Bestrijdbaarheid Binnen zone III speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van zone III. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Hoe sneller de brandweer ter plaatse van het ongeluk kan zijn hoe kleiner de vloeistofplas en daarmee de effecten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Zelfredzaamheid Ten aanzien van het toxisch scenario is schuilen de beste vorm van zelfredzaamheid. Dit betekent aanwezigen informeren over eventuele risico’s en hoe te handelen bij een toxische wolk. In dat kader zullen de nieuwe gebouwen worden voorzien van CO2 gestuurde ventilatieroosters en mechanische afzuiging. Dit systeem kan in noodsituaties worden uitgeschakeld. Uitgangspunt is dat de aanwezige personen zelfredzaam zijn. Het plan beoogt niet specifiek een functie voor verminderd zelfredzame personen te realiseren.
De aanwezige personen kunnen worden gealarmeerd door het luchtalarm en NL-alert en hierop zelfstandig reageren.
4.5.5
Conclusie
Het plangebied is gelegen nabij een aantal risicobronnen, namelijk de rijksweg A2/A67, nationaal zwemcentrum De Tongelreep, IJssportcentrum Eindhoven en CVM High Tech Campus Eindhoven U.A.. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de risicovolle inrichtingen. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen 200 meter van een transportroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen, maar wel binnen het invloedsgebied van de A2/A67 vanwege de toxische gassen GT4 en GT5. Conform artikel 7 van het Bevt is het groepsriscio beperkt verantwoord aangaande de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het bovenstaande in acht nemende vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat Eindhoven als stad wil en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2-reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2-emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
53
de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk.
Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2050 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het 54
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen.
Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld.
We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
55
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.6.1
Planbeschrijving
Met de ontwikkeling van Museumpark VONK* wordt beoogd een duurzame kwaliteitsimpuls te geven aan de Genneper parken. Met het planvoornemen wordt de cultuurhistorische waarde van de Genneper Parken versterkt, meer groen toegevoegd, de biodiversiteit een impuls gegeven en een klimaatrobuust gebouw en omgeving gecreëerd. Het museumgebouw wordt een voorbeeld van klimaatadaptief bouwen. Het ontwerp houdt rekening met het verminderen van schadelijke emissies, het onttrekt CO2 aan de atmosfeer, en helpt hittestress, droogte, en wateroverlast tegen te gaan. Ook wordt uitgegaan van biobased bouwen. Dat betekent dat biobased bouwtechnieken toegepast worden en gebruik gemaakt wordt van natuurlijke en hernieuwbare bouwmaterialen zoals hout. Het gebouw wordt afgedekt met een natuurinclusief groen dak. Er wordt duurzaam in de energiebehoefte voorzien door geen aardgas te gebruiken (aardgasvrij) en gebruik te maken van duurzame energieopwekking. In de nadere uitwerking van het ontwerp wordt gezocht naar de meest geschikte verwarmingstechnieken. Natuurinclusief daklandschap Het dikke, groene dakpakket voegt ecologische waarde toe en voegt zich in het omringende landschap. Op het dak groeien lokale struiken, grassen en kruiden. Het biedt ruimte voor lokale flora en fauna, versterkt de biodiversiteit en sluit aan op het ecologisch systeem van de Genneper Parken.
Per seizoen zal het karakter van het museumgebouwen, net als de omgeving waarin ze staat, anders zijn. Het groene daklandschap verbetert de luchtkwaliteit door het invangen van fijnstof van de Boutenslaan en het omzetten van CO2. Het groendak fungeert tevens als extra isolatie en warmtebuffer. Massieve houtbouw Het casco van het museumgebouw wordt van hout gemaakt: houten dakplaten, ondersteund door gelamineerde liggers. De liggers worden ondersteund door gepelde houten stammen. Samen met het groene dak wordt door de toepassing van hout zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de landschappelijke omgeving. Het geeft een tactiele kwaliteit en bevordert een prettig binnenklimaat. Met de toepassing van een massief houten constructie wordt CO2 vastgelegd voor misschien wel enkele honderden jaren. Het daklandschap levert niet alleen buiten, maar ook binnen een geweldige open en flexibele ruimte op. Natuurlijke riet- en wilgenfilter Het hemelwater dat door het dak wordt gecollecteerd wordt gebufferd op het dak en is beschikbaar voor het doorspoelen van de toiletten. De beplanting in de naastgelegen poel wordt gebruikt als biologische waterzuivering voor het sanitair afvalwater, waarna het als 56
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
grijswater weer gebruikt kan worden. Duurzame materialen Bij de ontwikkeling van het Museumpark VONK* wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen. Alle fiets- en wandelpaden worden in hetzelfde materiaal uitgevoerd, zowel binnen als buiten het Museumpark. Deze eenduidige materialisatie versterkt de relatie tussen beide gebieden en het ‘open’ karakter van het Museumpark. De paden worden uitgevoerd met een toplaag van gravel; bijvoorbeeld Greensand. Greensand bestaat uit kleine stukjes olivijn en wordt als gravellaag toegepast op paden. Olivijn is een mineraal dat door verwering CO2 opvangt uit de lucht en deze vast legt in de bodem. Elke kilo olivijn bindt 1 kilo CO2 op natuurlijke wijze dat geen extra energie kost. Daarnaast geeft Olivijn bij het verweringsproces voedingsstoffen als magnesium en silica af. Bovendien bindt olivijn zware metalen zodat deze niet in het grondwater terecht komen (Deltares & Tauw, 2011). Het vlonderpad wordt uitgevoerd in KLP, een materiaal gemaakt van gerecycled kunststof. Het materiaal wordt vaak gebruikt in grond en waterbouw en heeft een verwachte technische levensduur van minimaal 50 jaar, rot en splintert niet, heeft geen onderhoud nodig en bevat geen schadelijke stoffen. Natuur In het plan wordt gebruik gemaakt van jonge aanplant omdat deze tijdens hun groei veel CO2 vastleggen. Volgroeide bomen en struiken doen dit minder.
Door de jonge aanplant ontstaat een jong cultuurlandschap dat zich overtijd kan evolueren tot een volwaardig onderdeel van de Genneper Parken. Zo leveren zowel het landschap als de bebouwing door het gebruik van massieve houtbouw, een bijdrage in de CO2-reductie doelstellingen. Daarmee kan met de bouw van het museum op termijn zelfs een positieve bijdrage worden geleverd aan de reductie-opgave.
4.7
Bodem
Er zijn voor het te ontwikkelen deel plangebied in totaal twee bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor het gedeelte van het depot tussen de Boutenslaan 161B en 161A is door Tritium Advies een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (kenmerk 2109/145/JN-01, d.d. 20 december 2021). Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting toegevoegd. Uit de resultaten van het vooronderzoek, de veldwerkzaamheden en de uitgevoerde analyses wordt het volgende geconcludeerd. Verk ennend bodemonderzoek Zintuiglijk zijn heterogeen verdeeld over de gehele locatie bijmengingen aangetroffen met puin. Plaatselijk zijn bijmengingen met kolengruis, asfalt, afval, plastic en glas waargenomen. De bijmengingen zijn aangetroffen vanaf het maaiveld tot een diepte van globaal 2,00 m-mv. Deellocatie A: openbaar groen (12.000 m2) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond lichte verontreinigingen zijn aangetoond met minerale olie, PAK en verschillende zware metalen (koper, cadmium, kwik, lood en zink). In de ondergrond is ter plaatse van boring A10 een matige verontreiniging met PAK aangetoond, welke nader is onderzocht. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetoonde gehalten in de grond zijn m.u.v.
het gehalte aan PAK nabij boorpunt A10 dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Aanvullend onderzoek Ter plaatse van boring A10 is een matige verontreiniging met PAK in de ondergrond ( 0,70 – 1,00 mmv) aangetoond. De matige verontreiniging is door middel van het aanvullend onderzoek, binnen de onderzoekslocatie, voldoende afgeperkt. De maximale oppervlakte van vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
57
de matige grondverontreiniging op de onderzoekslocatie bedraagt 50 m2. De omvang van de matig verontreinigde grond binnen de onderzoekslocatie wordt derhalve geraamd op 15 m3. De exacte oorzaak van de matige bodemverontreiniging is niet bekend. Mogelijk is deze te relateren aan het aanwezige bodemvreemde materiaal (puin, kolengruis en asfalt) ter plaatse. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Derhalve wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Deellocatie B: voormalig baggerdepot (1.500 m2) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond een sterke verontreiniging met cadmium en zink is aangetoond. In de ondergrond is een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. Aanvullend zijn in de boven- en ondergrond lichte tot matige verontreinigingen aangetoond met PAK en verschillende zware metalen (kobalt, nikkel, kwik, lood, cadmium, koper en zink). Verder is in de bovengrond een lichte verontreiniging met PCB en in de ondergrond een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. Daarnaast wordt opgemerkt dat op basis van de analyseresultaten de originele bodem onder het baggerdepot schoon blijkt te zijn. In het grondwater (gecombineerd met deellocatie A) is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor.
De aangetoonde gehaltes PCB en minerale olie zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. De overige lichte tot sterke verontreinigingen met PAK en verschillende zware metalen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan het toepassen van het baggerdepot in voorgaande jaren. Derhalve wordt geconcludeerd dat de bovengenoemde verontreinigingen heterogeen aanwezig zijn binnen het gehele voormalig baggerdepot. De oppervlakte van het depot binnen de gehele onderzoekslocatie is middels het verkennend bodemonderzoek in voldoende mate in kaart gebracht. Een situatietekening van de verontreinigingssituatie is weergegeven in bijlage 12. Hierbij wordt opgemerkt dat de exacte omvang van de verontreinigingssituatie binnen het voormalig baggerdepot niet bekend is. Derhalve wordt geconcludeerd dat indien grondverzet binnen het voormalig baggerdepot is voorzien, er aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht. PFAS In de meest verdachte bodemlagen is PFAS aangetoond. De landelijke toepassingsnormen voor “landbouw/natuur” worden echter niet overschreden. Verk ennend asbestonderzoek Zintuiglijk is zowel op het maaiveld als in de grond geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Analytisch is plaatselijk wel asbest aangetoond in de grond. Het maximale gewogen asbestgehalte bedraagt 14 mg/kg d.s.
Het aangetoonde asbest betreft met name hechtgebonden chrysotiel. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Onderzoek halfverharding De halfverharding in de noordwestelijke hoek van de onderhavige onderzoekslocatie bestaat overwegend uit puingranulaat. De halfverharding heeft een oppervlakte van circa 90 m2. De gemiddelde dikte is berekend op 0,3m. Het volume wordt derhalve geraamd op 27 m3 (circa 54 ton). Ter plaatse van de halfverharding is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de halfverharding niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Aanvullend zijn de hergebruiksmogelijkheden van de halfverharding bepaald en is de grond onder de halfverharding geanalyseerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond onder de halfverharding geen verontreinigingen zijn aangetoond. Daarnaast wordt opgemerkt dat de halfverharding volledig in aanmerking komt voor hergebruik.
58
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
Resumé Indien graafwerkzaamheden of herontwikkelingsplannen plaatsvinden ter plaatse van het voormalige baggerdepot dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van sterk verontreinigde grond. Het uitvoeren van nader onderzoek en het opstellen van een BUSmelding/ saneringsplan is voor de uitvoering van de herontwikkelingsplannen op dit terreindeel noodzakelijk. De overige onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen uitgifte van de onderzoekslocatie in erfpacht. Grondverzet en hergebruik Indien verhardingen, funderingslagen of grond worden afgegraven (bijvoorbeeld bij reconstructie) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze elders niet zonder meer toepasbaar zijn. Met betrekking tot het elders hergebruiken van deze materialen zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Verk ennend bodem- en verhardingsonderzoek Tevens is door BK ingenieurs een verkennend bodem- en verhardingsonderzoek voor het gedeelte van de Boutenslaan 161A te Eindhoven, te weten het terrein van autorijschool De Leeuw (kenmerk 211075, d.d. 3 mei 2021). Het onderzoek is tevens als bijlage toegevoegd.
Uit de resultaten van het vooronderzoek, de veldwerkzaamheden en de uitgevoerde analyses wordt het volgende geconcludeerd. Bodem Opbouw en zintuiglijke waarnemingen. Uit de boorprofielen blijkt dat de bodem tot circa 2,0 m -mv uit zand bestaat. Hieronder bevindt zich een leemlaag, met daaronder tot minimaal de geboorde diepte van 3,5 m -mv opnieuw een zandlaag. Over vrijwel de ge-hele locatie zijn bijmengingen met baksteen aangetroffen in de toplaag. De grondwaterstand is waargenomen op 1,5 à 2,0 m -mv. In Vak 1 en Vak 3 bevindt zich onder respectievelijk de asfalt- en klinkerverharding een 30 à 35 cm dikke funderingslaag bestaande uit menggranulaat. Grond Over vrijwel de gehele locatie zijn in zowel de boven- als ondergrond licht verhoogde gehalten vastgesteld aan zware metalen en/of PAK. Ons inziens te relateren aan de bodemvreemde bijmengingen, het gebruik van de locatie en/of het reeds aanwezig zijn ervan in de grond en menggranulaat gebruikt bij aanleg van het circuit. De kwaliteit van de ondergrond heeft over het algemeen klasse ‘Wonen’ tot ‘Industrie’ (indicatief resultaat). Dit wijkt enigszins af van wat verwacht kon worden op basis van de bodemkwaliteitskaart, waar wordt uitgegaan van klasse ‘Landbouw/natuur’. Op basis van de resultaten voor PFAS voldoet de bovengrond wel aan klasse ‘Landbouw/natuur’.
Op het maaiveld en in de contactzone is visueel geen asbest aangetroffen. In één mengmonster (GMM01: Vak 4 en 5) is analytisch asbest aangetoond in een gehalte van 0,30 mg/kg ds. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) wordt niet overschreden. Grondwater Plaatselijk zijn zeer licht verhoogde concentraties naftaleen en zware metalen aangetoond. Waarschijnlijk betreffen de zware metalen verhoogde achtergrondconcentraties. De concentratie aan naftaleen in peilbuis 013 overschrijdt net de detectielimiet, de herkomst is onbekend, mogelijk gerelateerd aan de activiteit ter plaatse (gebruik stalling/werkplaats van/voor auto’s). Toetsing hypothese bodem De hypothese ‘onverdacht’ is formeel niet juist gebleken; er zijn licht verhoogde gehalten vastgesteld in zowel grond als grondwater. Hoewel de vooraf gestelde hypothese niet correct vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
59
is, wordt aanvullend onderzoek met een aangepaste hypothese niet noodzakelijk geacht. Asfalt Op basis van de resultaten uit dit onderzoek wordt het asfalt op locatie beoordeeld als nietteerhoudend (<75 mg/kg ds). De hoeveelheid vrijkomend asfalt betreft: Vak 1: 2.500 m² met gemiddelde dikte 16 cm: circa 1.000 ton; Vak 2: 1.800 m² met gemiddelde dikte 12 cm: circa 540 ton. Fundering Het funderingsmateriaal aanwezig onder de verharding in Vak 1 en Vak 3 voldoet aan de samenstelling- en emissiewaarden voor een niet-vormgegeven bouwstof. In Vak 1 is circa 875 m³ en in Vak 3 circa 360 m3 funderingsmateriaal aanwezig. De totale hoeveelheid vrijkomend menggranulaat wordt derhalve geraamd op circa 2.350 ton. In het funderingsmateriaal is visueel geen asbest aangetroffen. In de mengmonsters PMM04 (Vak 1) en PMM01 (Vak 3) is analytisch wel asbest aangetoond. In Vak 1 in een totaal gewogen gehalte van 7,18 mg/kg ds. In Vak 3 in een totaal gewogen gehalte van 0,42 mg/kg ds. De hergebruiksnorm wordt in beide mengmonsters niet overschreden. Aanbevelingen Het uitvoeren van milieuhygiënisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Het vrijkomende asfalt kan worden afgevoerd naar een asfaltcentrale en komt op basis van het onderzoek in aanmerking voor warme verwerking. Het asfalt kan, met de juiste kwaliteitsverklaring, mogelijk ook worden toegepast als funderingsmateriaal (koud hergebruik).
Het funderingsmateriaal is op basis van het indicatieve onderzoek toepasbaar als niet-vormgegeven bouwstof. Overwogen kan worden om vooruitlopend op de voorgenomen herinrichting van de locatie in-situ partijkeuringen conform AP-04 te verrichten op de vrijkomende grond en het funderingsmateriaal. Op deze wijze kan het vrijkomende materiaal direct worden afgevoerd naar een beoogde toepassingslocatie. Er is dan geen tijdelijke opslaglocatie benodigd om de grond en het funderingsmateriaal op te slaan en in depot te keuren. Arbeidsomstandigheden en veiligheid Bij werkzaamheden in verontreinigde bodem kunnen arbeidsrisico’s, waaronder mogelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen, optreden. De CROW-publicatie 400 ‘werken in en met verontreinigde bodem’ is hierbij als leidraad te gebruiken. De richtlijn is gericht op risicogestuurd werken met verontreinigd grond en grondwater, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen het werken met vluchtige en niet-vluchtige stoffen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is de voorlopige beoordeling dat geen veiligheidsklasse van toepassing is en bij de voorgenomen werkzaamheden kan worden volstaan met het treffen van basishygiënische maatregelen. De definitieve veiligheidsklasse en de bijhorende beheersmaatregelen worden door een deskundige vastgesteld en zijn afgestemd op de ocatiespecifieke omstandigheden.
Niet Gesprongen Explosieven Gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge’s (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge’s worden aangetroffen worden deze geruimd.Deze te ontwikkelen gronden vallen buiten deze verdachte gebieden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
60
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
4.8
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2022 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. Er zijn in totaal drie onderzoeken uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Om te beginnen is er door ecologica in 2018 een quickscan beschermde flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied, deze is aan de bijlage toegevoegd. Dit onderzoek heeft als doel de effecten op (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna te toetsen alvorens de werkzaamheden gestart kunnen worden. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten hebben op beschermde soorten, is hiervoor ook een veldbezoek uitgevoerd. Daarbij is beoordeeld of er mogelijk beschermde soorten in de invloedsfeer van het plangebied voorkomen en of de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk in strijd zijn met de Wet natuurbescherming.
Daarnaast is beoordeeld of er nader onderzoek nodig is om de aan- of afwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten en of er een ontheffing nodig is voor de uitvoering van de werkzaamheden. Mogelijke effecten op het Natuur Netwerk Brabant (NNB) zijn ook onderzocht. Daarnaast is er door Eco Assist een nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten) uitgevoerd voor de ontwikkeling van Museumpark VONK*. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten vanuit de quickscan, waaruit blijkt dat in het plangebied nader onderzoek uitgevoerd dient te worden naar vleermuizen, kleine marterachtigen en eekhoorn (Sciurus vulgaris). In de quickscan worden jaarrond beschermde nesten van boomvalk (Falco subbuteo) en ransuil (Asio otus) in oude kraaiennesten niet uitgesloten. Aanvullend is inzicht gegeven in de mogelijke effecten van de bestemmingsplanwijziging op de Alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), wielewaal (Oriolus oriolus), spotvogel (Hippolais icterina) en appelvink (Coccothraustes coccothraustes).
Daarom is er nader onderzoek uitgevoerd naar beschermde functies van het gebied voor vleermuizen, wezel (Mustela nivalis), hermelijn (Mustela erminea), bunzing (Mustela putorius) en eekhoorn om overtreding van deze wetgeving te voorkomen. Voor roofvogels en uilen is een rondgang uitgevoerd in de winter om vast te stellen of mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in te kappen bomen. Deze rapportage geeft de resultaten van dit onderzoek weer. Als laatste is er door Tritium Advies een notitie opgesteld in verband met de mogelijke stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase van het planvoornemen van Museumpark VONK*, die tevens aan de bijlage is toegevoegd. Dit vanwege de mogelijke effecten en vergunningsplicht die een eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg kan hebben. Hierna worden de belangrijkste resultaten van de rapportages weergegeven, onderverdeeld in ‘gebiedsbescherming’, ‘soortenbescherming’ en ‘algemene zorgplicht’.
4.8.1
Gebiedbescherming
Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, gelegen op circa 3 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
61
effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om uit te sluiten dat het project directe negatieve gevolgen voor de natuur heeft in de vorm van stikstofdepositie, is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat de stikstofuitstoot ter plaatse van de nabij gelegen Natura 2000 gebieden als gevolg van het bestemmingsplan maximaal 0,00 mol/ha/jaar betreft. Hiermee wordt voldaan aan het wettelijk kader en is een passende beoordeling op grond van de Wnb niet nodig. Uit de berekening volgt overigens ook dat voor uitvoering van het bestemmingsplan geen Wnbvergunning noodzakelijk is. Aangetoond is dat, als aan de voorwaarden in dit rapport is voldaan, de uitvoering van dit bestemmingsplan, alsook de realisatie in het kader van de omgevingsvergunning, niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten als gevolg van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten. De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast.
Natuur Netwerk Brabant (NNB) Het plangebied is gelegen in de directe nabijheid van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Er worden in het kader van de beoogde ontwikkeling echter geen negatieve effecten op het NNB verwacht, daar de te ontwikkelen delen van het plangebied buiten het NNB zijn gelegen. Er zal geen netto- oppervlaktevermindering,geen vermindering van de samenhang en er geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB plaatsvinden. Eén en ander mede op basis van de opgestelde quickscan beschermde flora en fauna van ecologica.
4.8.2
Soortenbescherming
Er is door ecologica een quickscan beschermde flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. Op basis daarvan is er door Eco Assist een nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten) uitgevoerd voor de ontwikkeling van Museumpark VONK*. Hierna volgen de belangrijkste conclusies en aanbevelingen. Conclusies Het plangebied vormt een foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen, laatvliegers, ruige dwergvleermuizen en rosse vleermuizen. Ook na uitvoering van de ingreep blijft het gebied geschikt als foerageergebied voor deze soorten. Door de aanleg van poelen kan het voedselaanbod zelfs toenemen. Binnen het plangebied is een vaste vliegroute van gewone dwergvleermuizen aanwezig. De voorgenomen ingreep leidt niet tot het vernietigen van deze vliegroute omdat voldoende geleidende structuren behouden blijven. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is binnen het onderzoeksgebied redelijkerwijs uitgesloten. De ingreep leidt niet tot negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen. Binnen het plangebied is een vaste rust- en verblijfplaats van de eekhoorn aanwezig in een zomereik. Deze kan bij de ingreep behouden blijven samen met het omliggende habitat waardoor negatieve effecten voorkomen worden.
Bij de kap van de bomen nabij de verblijfplaats moet rekening gehouden worden met dit nest door de velrichting af te wenden van de boom met het eekhoornnest. Het plangebied maakt onderdeel uit van het functioneel leefgebied van de steenmarter. Mogelijk zijn ook vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig. Ook na uitvoering van de ingreep blijft het gebied geschikt als leefgebied voor deze soort. Wel dient bij de werkzaamheden zorgvuldig gewerkt te worden en moet rekening gehouden te worden met de kwetsbare periode van deze soort om negatieve effecten te voorkomen. Dat kan door te werken conform een goedgekeurde gedragscode. Binnen het plangebied is een jaarrond beschermd nest van de sperwer aanwezig. Daarnaast 62
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
is in een van de populieren een horst aanwezig wat vermoedelijk van de buizerd is. Beide bomen en voldoende functioneel leefgebied kunnen behouden blijven. Wanneer de werkzaamheden binnen de verstoringszone van deze nesten uitgevoerd worden buiten het broedseizoen dan kunnen negatieve effecten en overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Ook moet bij de kap van de omliggende bomen voorkomen worden dat de nestboom beschadigd raakt. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van het landbiotoop van de Alpenwatersalamander en de kleine watersalamander. Doordat optimale voortplantingswater ontbreekt worden geen grote aantallen dieren verwacht. Door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan het doden en verwonden van Alpenwatersalamanders voorkomen worden. Na de ingreep neemt de geschiktheid van het plangebied voor deze soorten toe ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied is momenteel slechts marginaal geschikt als leefgebied voor de wielewaal, appelvink en spotvogel. Van deze soorten zijn van de afgelopen tien jaar geen waarnemingen uit de NDFF bekend uit het plangebied. Door de ingreep kan de aanplant van nieuwe bosschages tijdelijk zorgen voor een toename in geschiktheid van het gebied voor de sportvogel.
De ingreep leidt niet tot een verslechtering van de geschiktheid van het gebied voor deze vogelsoorten ten opzichte van de huidige situatie. Bij het uitvoeren van de ingreep dient bij het aanbrengen van verlichting rekening gehouden te worden met het voorkomen van verstoring van vleermuizen om aantasting van de vliegroute en het foerageergebied te voorkomen. Een deskundige op het gebied van vleermuizen kan het verlichtingsplan beoordelen en randvoorwaarden vaststellen om te voorkomen dat daarmee beschermde functies van het gebied voor vleermuizen worden aangetast en overtreding van de Wet natuurbescherming op kan treden. Omdat het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), het Vleermuisprotocol 2021 van de Gegevensautoriteit Natuur en de ‘Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming’ van de Provincie Noord-Brabant kan gesteld worden dat het plangebied afdoende is geïnventariseerd op de aanwezigheid van vleermuizen, kleine marterachtigen, eekhoorn en Alpenwatersalamanders. Er is geen reden om aan te nemen dat op basis van de aanwezige functies van het gebied voor beschermde soorten de Wet natuurbescherming de wijziging van het bestemmingsplan onmogelijk maakt. Aanbevelingen Probeer bij de inrichting van het gebied bij de aanplant zoveel mogelijk gebruik te maken van autochtoon plantmateriaal.
Dit draagt bij aan het behoud van genetische diversiteit in het gebied en zijn de planten beter bestand tegen ziektes en plagen. Het onderzoek is slechts een momentopname. Soorten als de eekhoorn en sperwer bouwen met regelmaat nieuwe nesten in hun leefgebied. Als er veel tijd zit tussen het onderzoek en de uiteindelijke uitvoering van de ingreep is het aan te raden voorafgaan aan de ingreep een veldbezoek uit te voeren om te beoordelen of zich wijzigingen hebben voorgedaan waar tijdens de ingreep rekening mee gehouden dient te worden.
4.8.3
Algemene zorgplicht
Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
63
64
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan ‘Museumpark VONK’ maakt het mogelijk om als uitbreiding van het bestaande preHistorisch Dorp een museumpark te realiseren, met een daarnaast gelegen openbaar park. Met betrekking tot het aspect water is het doel is om het plan waterneutraal te ontwikkelen. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2
Beleid
5.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
65
5.2.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027 Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP). Dit doen de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gezamenlijk. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de Rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid.
Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat. Het NWP 2022-2027 heeft in de periode maart tot en met september 2021 als ontwerp ter inzage gelegen, maar is nog niet in werking getreden. De belangrijkste thema’s uit het NWP zullen worden doorvertaald naar het provinciaal- en waterschapsbeleid, welke hierna worden behandeld.
5.2.2
Provinciaal beleid
5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd.
Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De 66
vastgesteld Buitengebied (Museumpark VONK) Gemeente Eindhoven
provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water. 5.2.2.2 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Er is gewerkt aan een nieuw plan voor de komende planperiode: het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027.
Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en is op 22 december 2021 in werking treden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.