CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Buitengebied (Bokt ongenummerd)

Raadsvergadering 1 juni 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Buitengebied (Bokt ongenummerd)24.740 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie 38

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

Figuur 17. Ruimtelijke Strategieënkaart

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als multifunctioneel groen. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:

Strategie 5: Multifunctioneel groen Het betreft voornamelijk aan de stadsrand gelegen gebieden met uiteenlopende groenfuncties, gericht op relatief intensieve benutting van het landschap. Het beleid is gericht op het versterken van het contact tussen de stedelingen en het landschap, derhalve met een relatief intensieve benutting van het landschap. Uitgangspunt daarbij is het behouden van de aanwezige natuur- en landschapskwaliteiten en waar mogelijk deze verder te ontwikkelen. Gebruiksfuncties zijn veelal volkstuinen, golfbanen, bos, natuureducatie, kleinschalige sportgebieden, maneges, wandelen, fietsen, maar ook landbouw.

Gebieden met deze aanduiding liggen voor een belangrijk deel in het Natuur Netwerk Brabant. Verdere verstedelijking (toevoeging van niet aan het groen gebonden functies of gebouwen) is vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

39

in deze categorie derhalve niet aan de orde tenzij in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie. De aanleg van nieuwe sportcomplexen wordt uitgesloten (wel eventueel verplaatsing van sportterreinen naar minder kwetsbare locaties). Uitbreiding van sportcomplexen kan echter niet worden uitgesloten. Versterking van multifunctioneel groen als element van de ruimtelijke hoofdstructuur is in het bijzonder gewenst langs de Oirschotsedijk (verbinding met groengebied Groene Woud).

Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Deze beleidsregel geldt echter niet buiten het bestaand stedelijk gebied, zoals is aangegeven op de verbeelding behorende bij de Verordening ruimte 2014 en later in Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant

Figuur 18. Groenwaardenkaart

Conclusie Compensatie is niet noodzakelijk. Er is wel een landschappelijke inpassing opgesteld die er in ieder geval voor moet zorgen dat de ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast. Daarnaast wordt in de gemeente Son en Breugel een meerwaarde gecreëerd ten aanzien van natuur en 40

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

landschap, vanwege de sloop en sanering van agrarische bedrijfsbebouwing en het opheffen van het bouwvlak.

3.7.2

Beleid bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: Bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; Alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; Bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2015. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Ook is er een herplantplicht van toepassing.

Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie.

Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m2 of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

41

Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden.

Conclusie Er worden geen bomen gekapt ten behoeve van de ontwikkeling.

3.8

Bedrijvigheid

Op 15 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Bedrijventerreinennota met de titel 'Aan de slag voor waardevolle locaties' vastgesteld. Deze is gepubliceerd op 2 november 2016. Met deze nota wordt richting gegeven aan het beleid voor en de ontwikkelingsrichting van de bedrijventerreinen. De nota heeft betrekking op de 16 grootste (>5 ha) bedrijventerreinen van Eindhoven, inclusief campussen. De helft van de werkgelegenheid in Eindhoven en de regio hangt samen met deze 16 bedrijventerreinen. Daarmee zijn de terreinen een heel belangrijke pijler onder Brainport, de tweede economische motor van Nederland en een van de meest prominente hightech centra van Europa. Veel Brainport (gerelateerde) bedrijvigheid en economische clusters zijn op deze bedrijventerreinen - en die in de regio - gevestigd.

Doel van de nota is de grote waarde die de terreinen hebben naar de toekomst toe te borgen en verder te vergroten. Dit in het belang van het functioneren van de bedrijven en de welvaart en het welzijn van de inwoners in Eindhoven en Brainport. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het brede palet aan economische activiteiten en daarmee samenhangende wensen en eisen die aan de bedrijventerreinen in Eindhoven worden gesteld.

Conclusie Het beleid richt zich niet op agrarische bedrijven. De herschikking van de agrarische bouwvlakken aan Bokt (in combinatie met de agrarische bouwvlakken in Son en Breugel) zorgt niet voor een belemmering of verstoring van regulier bedrijventerreinen. Het beleid is daardoor niet relevant.

3.9

Kabels, leidingen en straalpaden

Uit het bestemmingsplan en de risicokaart komt naar voren dat er geen kabels of leidingen binnen het plangebied zijn gelegen die een beschermingszone vereisen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In de directe omgeving is wel een hoogspanningsleiding gelegen. Deze hoogspanningsleiding ligt op een afstand van ruim 120 meter. In het bestemmingsplan is een beschermingszone van 40 meter opgenomen. Het plangebied ligt ruim buiten deze beschermingszone, waardoor ook 42

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

hoogspanningsleidingen geen belemmering vormen voor de voorgestane ontwikkeling.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

43

44

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.

Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.

De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf; Kolom 2: drempelwaarden activiteit; Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan); Kolom 4: de besluiten. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

In dit kader is 9 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang. Het gaat daarbij om een landinrichtingsproject, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of; 2°. vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. In dit geval is sprake van een functiewijziging die betrekking heeft op landbouw. Een stuk grond dat in gebruik is als agrarische productiegrond wordt voorzien van een bouwvlak, waardoor het mogelijk is om bebouwing op te richten. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van maximaal 2.000 m². Vanwege bestaand recht (de aanwezige bebouwing is vergund), dient sprake te zijn van een agrarisch bouwvlak. In Son wordt in ruil daarvoor 9.250 m² aan bouwvlak opgeheven (verdeeld over twee bouwvlakken). De oppervlakte blijft ruim onder de 125 hectare, waardoor een m.e.r. beoordelingsplicht niet van toepassing is.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

45

beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. De kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. De locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. De mogelijke gevolgen van de activiteit. Ad 1) Er is sprake van een bestaand pand, maar er wordt ook de mogelijkheid geboden om (beperkte) nieuwbouw toe te staan binnen het bouwvlak. In totaal is sprake van een bouwvlak met een omvang van maximaal 2.000 m². Op een andere plek (in de gemeente Son en Breugel) wordt 9.250 m² aan bouwvlak opgeheven. De bestaande bebouwing ter plaatse wordt gesloopt. Ad 2) De locatie ligt in het buitengebied, dat conform het beleid (zie hoofdstuk 3), ook bedoeld is voor agrarische bedrijven en activiteiten. De ontwikkeling behelst in feite een herschikking van agrarische bedrijvigheid rondom de Bokt. In het gevoelige deel (ten oosten van de Bokt) wordt 9.250 m² aan agrarisch bouwvlak opgeheven. De activiteiten, maar vooral de bebouwingsmogelijkheden worden ter plaatse van het Dommeldal opgeheven en (beperkt) verplaatst naar het minder gevoelige gebied ten westen van de Bokt. Niet alleen geeft dit een meerwaarde voor de initiatiefnemer, maar ook voor natuuren landschapswaarden en de beleving daarvan.

Ad 3) Uit de onderzochte milieuaspecten blijkt dat er geen sprake is van aanzienlijke milieugevolgen. Sterker de effecten van de ontwikkeling hebben een positieve bijdrage aan de omgeving. het agrarisch bedrijf betreft een vollegrondsteeltbedrijf dat weinig effecten op de omgeving heeft (veel minder dan bijvoorbeeld een veehouderijbedrijf). Met name het visuele effect en het effect op landschap en natuur is positief gezien de sloop en sanering van 9.250 m² aan agrarisch bouwvlak in het Dommeldal, levert een flinke meerwaarde op voor de omgeving van Bokt. Conclusie De onderzochte en onderbouwde aspecten (bodem, luchtkwaliteit, archeologie en cultuurhistorie, externe veiligheid) tonen aan dat de realisatie van de herontwikkeling voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en dat een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige 46

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. In dit geval is geconcludeerd dat het plangebied in een 'Gemengd gebied' is gelegen.

4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard BedrijfsIndeling (SBI-codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden.

Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; De richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. Categorie 1: grootste afstand 10 meter; Categorie 2: grootste afstand 30 meter; Categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; Categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; Categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; Categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; Categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; Categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; Categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; Categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. In de directe omgeving zijn een aantal bedrijven gelegen, deze zijn in onderstaande tabel weergegeven:

Tabel 1. Bedrijven in de omgeving (zie ook kaartje in figuur 21) Nummer

1

Adres

Type bedrijf

Milieu-categor Grootste ie afstand rustige w oonw ijk

Grootste afstand gemengd gebied

Werkelijke afstand

Bokt 2b

Agrarisch bedrijf (vollegrondsteelt)

2

10

22

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

30

47

2 3

Bokt 1

Aardappelopslag

3.1

50

30

200

Bokt 3

Agrarisch bedrijf (vollegrondsteelt)

2

30

10

10

4

Eindhovense-w e Hovenier – g 27 tuincentrum

3.1

50

30

280

Eindhovense-w e Agrarisch bedrijf g 29 (grondgebonden veehouderij)

3.1

50

30

190

5 6

Bokt 7a

-

-

-

163

Volkstuinen

Figuur 19. Luchtfoto met ligging functies

De omgeving heeft een gemengd karakter. In de directe omgeving zijn een aantal woningen, maar ook een aantal bedrijven, gelegen. Daarnaast is de Eindhovenseweg, die parallel aan Bokt loopt ten westen van het plangebied, van oudsher de doorgaande weg van Eindhoven naar Nijmegen (voormalige Rijksweg N265). Hierdoor is een gemengde omgeving ontstaan die tot verstedelijking richting het zuiden en noorden van de Eindhovenseweg (Bedrijvenpark Esp in Eindhoven en Bedrijvenpark Ekkersrijt in Son en Breugel). Om deze reden kan geconcludeerd worden dat sprake is van een gemengd gebied, waardoor de afstanden met één stap verkleind kunnen worden. Zoals uit tabel 1 blijkt, wordt aan alle afstanden voldaan. 48

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

De ontwikkeling leidt niet tot een belemmering van omliggende functies.

4.2.2

Geurhinder en veehouderij

Voor wat betreft het aspect geur in relatie tot veehouderijbedrijven is afwijkende wetgeving van toepassing (de Wet geurhinder en veehouderij). Daarin zijn onder andere afstanden opgenomen en geurnormen waaraan veehouderijen moeten voldoen ten opzichte van geurgevoelige objecten. In dit geval is sprake van een geurgevoelig object (gebouw waarin menselijk verblijf is toegestaan). Er is zelfs al een bestaand gebouw vergund, waardoor de nieuwe situatie niet eens zo heel veel veranderd ten opzichte van de omgeving. echter wordt er een bouwvlak van 2.000 m² gecreëerd, waardoor de plaatsing van de bebouwing flexibeler is dan de huidige situatie. In feite wordt het gebied dat in theorie als gevoelig kan worden aangemerkt vergroot ten opzichte van de huidige situatie. Zolang de bebouwing op een grotere afstand dan 50 meter vanaf een veehouderij wordt gesitueerd, is een belemmering ven omliggende veehouderijen niet aan de orde. Daarnaast geldt voor de meeste veehouderijen dat naast de aan te houden vaste afstand ook sprake is van dieren meteen geuremissie (OU/E). Deze veehouderijen moeten voldoen aan in de Wet geurhinder en veehouderij vastgestelde geurnormen. Wanneer ze daar niet aan kunnen voldoen, kan een vergunning voor deze veehouderijen worden geweigerd. In dit geval is, zo blijkt uit de tabel uit paragraaf 3.4.1, is sprake van één veehouderijbedrijf.

Ter plaatse zijn uitsluiten afstandsdieren aanwezig en is voor dat bedrijf geen sprake van geurnormen. Gezien de afstand (190 meter) wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden afstand (50 meter). Hierdoor kan gesteld worden dat in het kader van geurhinder en veehouderij, de ontwikkeling niet zorgt voor een belemmering van omliggende veehouderijbedrijven.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken.

De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderde beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.

Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

49

In dit geval wordt een agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt met bedrijfswoning. Voor de woning is het van belang dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat, ook met betrekking tot het aspect geluid.

4.3.2

Wegverkeerslawaai

Het plan ligt in de zone van de Bokt, een weg gelegen in het buitengebied met een maximumsnelheid van meer dan 30 km per uur, bestaande uit één rijstrook. De onderzoekszone van de genoemde weg is 250 meter (wegen in buitenstedelijk gebied) aan weerszijde van de weg. De Wet geluidhinder maakt onderscheid tussen zogenaamde bestaande situaties en nieuwe situaties. Ingevolge hoofdstuk VI, afdeling 3 ("bestaande situaties") van de Wet geluidhinder hoeft voor de reeds aanwezige geluidgevoelige bebouwing geen nieuw akoestisch onderzoek te worden ingesteld.

Aan Bokt In dit geval wordt er een geluidsgevoelig object (bedrijfswoning) gerealiseerd en dient aangetoond te worden of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Aangezien Bokt een wegvak is waar uitsluitend bestemmingsverkeer is toegestaan, zijn er geen veranderingen in verkeersaantallen voorstelbaar in de toekomst. Aan Driehoek (iets verderop in Son en Breugel) is recent (2015) nog een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de realisatie van twee woningen. Uitgangspunt van dat onderzoek is de verkeerskundige situatie aan Bokt. Aangezien er geen veranderingen zijn in de verkeerssituatie kan gesteld worden dat het akoestisch effect van de weg ook onveranderd is gebleven. De woningen van dat plan worden op een gelijkwaardige afstand van het wegvak Bokt gerealiseerd, waardoor de conclusies ook gelden voor de ontwikkeling die in onderliggend rapport is beschreven.

Ter plaatse van het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen niet overschreden.

4.3.3

Industrielawaai

Het plan ligt niet in een geluidszone van een industrieterrein of andere bedrijven (zie paragraaf 4.2). Het aspect industrielawaai vormt dan ook geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en is niet relevant in dit kader.

4.3.4

Luchtvaartlawaai

Het plangebied ligt op enige afstand (circa 8,4 km) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militaire luchthaven met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld.

De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen 50

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

(art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen.

De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. In bijlage 7 is de 35 Ke contour voor het militaire luchtverkeer aangewezen en in bijlage 8 de contour van het commercieel burgerluchtverkeer. De cumulatieve Ke contouren staan in bijlage 3. De 35 Ke contour is tevens in het Barro en Rarro verwerkt. Hierbinnen zijn geen geluidsgevoelige objecten (woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen en ligplaatsen) toegestaan. Het plangebied ligt niet deze geluidszone. Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.

Figuur 20. Cumulatieve Ke-contouren luchthaven Eindhoven (binnen de gemeente Eindhoven) zoals opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

51

Figuur 21 . Ke contouren Eindhoven Airport

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 52

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: Woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en; Kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

53

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

In dit geval is sprake van het opheffen van een agrarisch bouwvlak in de gemeente Son (op een afstand van circa 25 meter) en het regelen van een zelfstandig functionerend agrarisch bouwvlak op basis van bestaand recht. Hierdoor zal het aantal verkeersbewegingen afnemen (de verkeersbewegingen tussen beide locaties komen te vervallen), waardoor gesteld kan worden dat de ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteit van de lucht. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in samenwerking met Kenniscentrum Info Mil de NIBM-tool ontwikkeld. Voor het gebruik van de NIBM-tool is maar een beperkt aantal invoergegevens nodig. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Met deze beperkte invoergegevens wordt vastgesteld of een plan NIBM is. Voor onderliggend plan is de NIBM-tool ingevuld en hieronder weergegeven. Uitgangspunt zijn de algemene verkeersgeneratie van een agrarisch bedrijf opgenomen (11 motorvoertuigbewegingen per etmaal). Daaruit blijkt dat het plan als NIBM kan worden aangemerkt.

54

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Er is geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming. Tevens vindt de ontwikkeling niet plaats in de nabijheid van een gevoelige bestemming.

Conclusie Aangezien het plan zorgt voor een afname van verkeersbewegingen tussen de beide bouwvlakken, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een negatief effect op de luchtkwaliteit en daardoor “niet in betekende mate“ project betreft. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan. de NIBM-tool bevestigd deze conclusie.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid.

4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

55

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.

Inrichtingen Er zijn geen risicovolle inrichting in of nabij het plangebied gelegen. Risicovolle inrichtingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan.

Transport Er zijn geen transportroutes in de directe omgeving van het plangebied waarover risicovolle stoffen worden vervoerd. Transportroutes waarover risicovolle stoffen vervoerd worden vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan.

Buisleidingen Op een afstand van ruim 180 meter (zie figuur 24) is een buisleiding (aardgas, A-521-07) gelegen met de kenmerken 12 inch, 66 bar. Het plangebied valt hiermee voor een zeer klein gedeelte binnen het invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied wordt geen bebouwing gerealiseerd. Het plan heeft daarmee geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Verder ligt het plan niet binnen de plaatsgebonden risicocontour of de belemmeringenstrook van 5 meter. Externe veiligheid levert geen problemen op.

56

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Figuur 22 Uitsnede risicokaart externe veiligheid

4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200 m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. Het plangebied wordt niet behandeld in de visie en is daardoor niet relevant voor onderhavige ontwikkeling.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen, enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

57

zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten.

In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen, smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken, enz.

1D) Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur, binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2. Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van 58

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de Rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) Geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval, maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) Deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten.

Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte, enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen, enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3. Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) Oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

59

4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) Gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte.

4C) Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

60

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

4.6.1

Planbeschrijving

Met het plan wordt een bouwvlak en een gedeelte van een ander bouwvlak opgeheven, waardoor eer een efficiëntere situatie ontstaat die bijdraagt aan landschap, natuur, biodiversiteit, beleving, de hydrologische situatie (afname van verharding). Uiteraard wordt bij de bouw van nieuwe bebouwing voldaan een de EPC eisen.

4.7

Bodem

In de huidige situatie is sprake van bestaand recht, waardoor reeds sprake is van verblijfsduur van > 2 uur. Die situatie wijzigt niet/ er wordt niet een gevoeligere situatie gerealiseerd. De bodemkwaliteit vormt in het planologisch spoor daarom geen belemmering. Bij de omgevingsvergunning voor bouwen dient echter door middel van een bodemonderzoek te worden aangetoond of de bodem schoon genoeg is om die te kunnen afvoeren en elders te hergebruiken, wanneer dat nodig is.

Op 3 juni 2020 heeft Bodeminzicht een onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem. Het bodemonderzoek is in een aparte rapportage beschreven welke als bijlage 3 aan dit rapport is toegevoegd. in deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen.

Resultaten en Conclusie In het mengmonster van de visueel schone bovengrond van het oostelijk deel van de onderzoekslocatie (BG1) zijn gehaltes aan minerale olie en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De marginaal verhoogde gehaltes vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het mengmonster van de visueel schone bovengrond van het westelijk deel van de onderzoekslocatie (BG3) zijn geen gehaltes aan onderzochte parameters gemeten boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de bodem ter plaatse van de opslag van olieproducten (BG2 olieopslag) zijn geen gehaltes aan componenten minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de visueel schone ondergrond (OG1) zijn geen gehaltes aan onderzochte parameters gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 02c is een gehalte aan barium gedetecteerd boven de streefwaarde. De verhoging is toe te schrijven aan een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde en behoeft geen nader onderzoek.

De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de hypothese (onverdachte locatie). De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde aanvraag van een omgevingsvergunning. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

61

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

4.8.1

Wet natuurbescherming

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingsprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid.

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn, geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag.

Houtopstanden De regeling zoals die was vervat in de voormalige Boswet is grotendeels ongewijzigd overgenomen in de Wnb en is gericht op het behoud van het bosareaal en is van toepassing op alle bossen en houtopstanden buiten de door de gemeenteraad in dat kader vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, die een grotere oppervlakte beslaan dan 1000 m2 en op rijbeplantingen van meer dan 20 bomen. De begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1 Wnb hoeft niet samen te vallen met de bebouwde kom in het kader van de wegenverkeerswet. De op grond van de Boswet vastgestelde bebouwde kom grens blijft ook onder de nieuwe Wnb gelden totdat deze opnieuw wordt vastgesteld.

62

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Figuur 23. Grens bebouwde k om als bedoeld in de (toenmalige) Boswet

De Wnb (artikel 4.1) vindt geen toepassing als het gaat om onder andere: Houtopstanden op erven en tuinen; Windschermen langs boomgaarden; Wegbeplantingen en eenrijige beplanting van populier of wilg op of langs landbouwgronden en waterwegen; Fruitbomen; Naaldbomen (bedoeld als kerstbomen niet ouder dan 20 jaar); Kweekgoed. Voor het (doen) vellen van een houtopstand (geheel of gedeeltelijk) die onder de Nb wet valt, moet eerst een melding bij gedeputeerde staten worden ingediend. Verder moet de eigenaar (of degene die een beperkt genotsrecht heeft op de grond) er voor zorgdragen dat binnen drie jaar nadat tot velling is overgegaan het betreffende perceel opnieuw en op bosbouwkundig verantwoorde wijze is herplant. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen teneinde de herplantplicht uit te voeren op een ander perceel dan het perceel waar de velling heeft plaatsgevonden.

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

63

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de Nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van het verwijderen en realiseren van een bouwvlak, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn in een memo weergegeven, welke als bijlage 2 is toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie en de voorwaarden weergegeven.

Conclusie Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soort-groepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Wel dient met het volgende rekening te worden gehouden. Ten aanzien van broedvogels dienen werkzaamheden ter plaatse van potentiele nestlocaties buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

4.8.2

Natura2000 gebieden

In het kader van de Wet Natuurbescherming zijn de Natura2000 gebieden van belang. In de Wet Natuurbescherming is aangegeven dat een plan geen significant negatief effect mag hebben op Natura2000 gebieden. Op verschillende vlakken dient dat onderzocht te worden of een plan een significant negatief effect kan hebben. Dit is afhankelijk van de doelsoorten in dat Natura2000 gebieden. Sommige doelsoorten zijn gevoelig voor geluid, andere weer voor licht of stikstofdepositie. Met name dat laatste is een belangrijk element. Aangezien er op veel plaatsen reeds sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde ter plaatse (de grens waarboven behoud en ontwikkeling van de doelsoorten nagenoeg onmogelijk is), is elke toevoeging van stikstofdepositie een significant negatief effect. In eerste instantie is van belang op welke afstand het plangebied van de Natura2000 gebieden zijn gelegen.

Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied ligt op een afstand van iets meer dan 10 kilometer ten zuiden van het plangebied, namelijk Leenderbos, Grote heide en Plateau. De Strabrechtse Heide ligt op bijna 11 kilometer afstand van het plangebied. Conform de effectenindicator zijn de doelsoorten in deze gebieden gevoelig voor een aantal aspecten (zie figuur 26 en 27).

Gezien de afstand van het plangebied tot de Natura2000 gebieden is er geen negatief effect te verwachten van het plan. Ten aanzien van woningbouw is in de effectenindicator niet naar voren gekomen dat de doelsoorten niet gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Desondanks is wel een Aerius berekening uitgevoerd om te kijken of er sprake is van stikstofdepositie op Natura2000 door uitvoering van het plan. Uit de resultaten blijkt dat er geen negatief effect is te verwachten. Daarom kan geconcludeerd worden dat het plan geen significant negatief effect heeft op natura2000 gebieden (zie onderstaand resultaat van de berekening, uitgevoerd via Aerius.

64

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Figuur 24 Resultaten uit berekening Aerius

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

65

66

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Figuur 25. Effectenindicator woningbouw, Leenderbos, Groote Heide en de Plateux

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

67

68

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Figuur 26. Effectenindicator Strabrechtse Heide Beuven

Figuur27. Invoer Huidige situatie (hierboven, nieuwe situatie (hieronder) en resultaat (onderaan) vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

69

70

vastgesteld Buitengebied (Bokt ongenummerd) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11743877/1