Bijlage 1 - Bestemmingsplan XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven)
Tekst van het document
Park eren bezoekers Bezoekers van bewoners en de commerciële ruimtes kunnen gebruik maken van de Philips Parking Stadion, de aanwezige parkeerplaatsen op straat in de omgeving van Hartje Eindhoven en de aanwezige parkeervoorzieningen in de omgeving. De resterende – en derhalve beschikbare – capaciteit maken van de Philips Parking Stadion is behoudens incidenteel gebruik tijdens voetbalwedstrijden ruim voldoende om de parkeervraag van bezoekersparkeren te faciliteren. Aanvullend kunnen bezoekers (en bewoners tijdens voetbalwedstrijden) gebruik maken van de beschikbare capaciteit op straat in de omgeving van Hartje Eindhoven. Het gros van de straten in Philipsdorp is of wordt de komende maanden gereguleerd. Dit betekent dat bezoekers tegen betaling hier kunnen parkeren. Een drietal straten (de zogenaamde Philipsstraten) zijn niet gereguleerd. Hier kan vrij geparkeerd worden. Indien een meerderheid van de bestaande bewoners dit wenst kan door de gemeente tot regulering worden overgegaan. Tot slot zijn bestaande (parkeergarage Mathildelaan, parkeerterrein P4 Kastanjelaan) en in ontwikkeling zijnde parkeervoorzieningen (parkeergarage Spoorzone 2) in de omgeving van Hartje Eindhoven aanwezig, waar op piekmomenten gebruik van gemaakt kan worden door bezoekers. Op onderstaand kaartje zijn deze ingetekend.
Een loopafstand van 250 à 300 meter (3 à 4 minuten) wordt als acceptabel aanvaard. Op P4 Kastanjelaan zijn 300 parkeerplaatsen aanwezig, parkeergarage Mathildelaan telt afgerond 1.200 parkeerplaatsen. In parkeergarage Spoorzone 2 worden ruim 700 parkeerplaatsen gerealiseerd. Derhalve beschikken deze drie parkeervoorzieningen gezamenlijk over 2.200 parkeerplaatsen. Binnen acceptabele loopafstand zijn afgerond 1.000 parkeerplaatsen 58
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
aanwezig.
Regeling in bestemmingsplan De parkeerbehoefte dient binnen het plangebied opgevangen te worden met inachtneming van het vigerende gemeentelijk parkeerbeleid. Deze normen in de regels geborgd. De uiteindelijke parkeertoets zal plaatsvinden bij de aanvraag omgevingsvergunning. In het kader van dit bestemmingsplan dient voldoende aannemelijk te zijn dat op eigen terrein voldoende in de parkeerbehoefte kan worden voorzien.
Fietsparkeren Fietsparkeren voor bewoners wordt eveneens berekend via voormelde rekentool. Net als bij het autoparkeren is deze gebaseerd op de Nota parkeernormen 2019. Uit onderstaande berekening kan worden afgeleid dat in totaliteit 772 fietsparkeerplaatsen vereist zijn. In het bouwplan zal hierin worden voorzien in collectieve en individuele ruimten.
3.8
Groen
3.8.1
Groenbeleidsplan 2017
In januari 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is, welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. De doelen van het Groenbeleidsplan 2017 zijn: richting geven aan ontwikkelingen en ambities formuleren; faciliteren van de ontwikkeling van Eindhoven als gezonde, klimaatadaptieve en groene stad om zo de vitaliteit en het welzijn van haar bewoners naar een hoger plan te kunnen brengen; aanknopingspunten bieden voor beheer en inrichting; groen en groenontwikkelingsmogelijkheden voor Eindhoven duurzaam veiligstellen waar het moet en flexibiliteit bieden waar het kan; partners in de stad inspireren en stimuleren: inwoners, bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en overheid. Het Groenbeleidsplan 2017 blijft van kracht tot de gemeenteraad anders beslist; het streven is een geldigheid van 10 jaar of langer. Het plan heeft in principe betrekking op al het groen van vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
59
Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatie-fonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Dit bestemmingsplan is gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend'. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Binnen de aangeduide groenarme buurten - zoals het plangebied - wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.
Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.
Trefpunt groen
60
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
Met Trefpunt Groen Eindhoven heeft op 6 mei 2019 en 11 februari 2020 overleg plaats gevonden. In deze bespreking is het plangebied en de hierin voorziene ontwikkeling in detail besproken. Door Trefpunt Groen Eindhoven is aangeven dat zij akkoord zijn met het plan gezien het feit dat het om een inbreidingslocatie gaat. Bij de verdere planontwikkeling zal, daar waar mogelijk, met de adviezen van Trefpunt groen rekening worden gehouden c.q. deze adviezen worden geïmplementeerd.
3.8.2
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: - bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of of de Verordening Bomen 2015. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop.
Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie. Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m2 of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden.
De beleidsregels geven inzicht in vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
61
de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden.
3.8.3
Groen in het plangebied
Binnen het plangebied staat een grote solitaire plataan die bij Gemeente Eindhoven als monumentaal staat geregistreerd. De boom is in het ontwerp ingepast en dient daarin duurzaam behouden te worden. Het is hierom dat is gekomen tot een Boom Effecten Analyse (BEA) met een opname op 12 februari 2019, neergelegd in de rapportage “Bomeneffectanalyse t.b.v. bouwproject Hartje Eindhoven nabij een monumentale plataan” d.d. 30 maart 2019 (ref. BO/RA/2019.008a) van bureau Boomontzorging.com uit Herveld, welke als bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen. Middels deze BEA is beoordeeld welke negatieve effecten er tijdens de bouw en aanleg van het beoogde ontwerp op het duurzame voortbestaan van de plataan kunnen ontstaan en welke maatregelen getroffen dienen te worden om schade aan de boom en zijn (ondergrondse) groeiplaats tijdens het bouwproces te voorkomen.
62
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
De BEA geeft aan dat de boom een goede conditie heeft en een levensverwachting van minimaal 15 jaar. De belangrijkste conclusie van de BEA dat de boom binnen de bouwplannen duurzaam behouden kan worden mits er tijdens de bouw/ aanleg geen grote beschadigingen aan de boom en zijn ondergrondse groeiplaats ontstaan. Hiertoe geeft de BEA diverse specifiek benoemde randvoorwaarden. In de regels is opgenomen de bestemming “groen”, waarbij voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van diverse werkzaamheden een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) voorgeschreven is. Deze regeling is bedoeld om te komen tot een aanvullende (planologische) bescherming van de betreffende boom. Buiten het plangebied staan op aan de PSV-laan diverse bomen. Voor deze bomen moet voorkomen worden dat eventuele bemalingsactiviteiten een negatieve invloed hebben op het wortelstelsel van de aanwezige boom (bomen).
Het tijdelijk verlagen van de waterstanden kan wortelgroei stimuleren. Na beëindiging van de vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
63
werkzaamheden komen haarwortels onder het grondwaterniveau. De aangroei van wortels is gestimuleerd in de droge periode. Grondwater (hangwater) uit de capillaire zone kan niet langer door het wortelstelsel worden opgenomen (te diep doorgeschoten) met alle gevolgen van dien. Om toch tijdelijke grondwaterstanden te kunnen verlagen, zonder nadelige beïnvloeding nabij de boom (bomen), kan bevloeiing of bewatering worden toegepast. Bij solitaire bomen in het groeiseizoen is er vaak sprake van een behoorlijke verdamping en is bevloeiing van de bodem vaak niet afdoende. Indien een voedingsdrain ontbreekt kan een verticale bewateringsfilter aangebracht worden ter hoogte van het wortelstelsel. Het verticaal filter wordt aangesloten op een netvat of waterbak welke verhoogd is opgesteld. Het netvat kan worden voorzien van een regelbare afsluiter zodat de hoeveelheid te infiltreren water ingeregeld kan worden. Visuele controle op het waterniveau van het netvat geeft aan wanneer deze wederom gevuld dient te worden. In de regel eens per 2 à 3 dagen. Voorafgaand aan de realisatie van de bebouwing zal door ontwikkelaar een plan opgesteld worden de invloed van eventuele bouwwerkzaamheden op de omliggende bomen te minimaliseren. In overleg met de eigenaar van de bomen zal dit plan ten uitvoer worden gebracht.
3.9
Detailhandel
Leegstaande winkelpanden en borden met 'opheffingsuitverkoop' en 'leegverkoop' sieren de Nederlandse winkelstraten. Door onder meer de economische crisis en de toenemende invloed van internetverkopen heeft de Retail-sector het erg moeilijk. Tegelijkertijd bieden de veranderingen in de sector ook nieuwe uitdagingen en mogelijkheden voor innovatieve concepten. Duidelijk is in ieder geval dat regionale afstemming steeds meer noodzakelijk wordt. Bovendien vraagt de provincie in de Verordening Ruimte om regionale afstemming en zijn regionale afspraken van belang voor de Ladder voor duurzame verstedelijking. Naar aanleiding hiervan heeft de Metropoolregio Eindhoven een detailhandelsvisie opgesteld. Hierin zijn de verschillende trends en ontwikkelingen en de gevolgen daarvan beschreven. Vervolgens is er een visie opgesteld, op basis waarvan concrete afspraken geformuleerd zijn. In de subregio's is vervolgens gewerkt aan subregionale detailhandelsvisies. Deze visies bieden een kader, maar vragen wel nog om lokale verankering. Dat is gebeurd in de gemeentelijke Detailhandelsnota. Op 15 december 2015 is de Eindhovense detailhandelsnota “Wie kiest, wordt gekozen” vastgesteld. De detailhandelssector heeft te maken met veel veranderingen. In de detailhandelsnota worden duidelijke keuzes gemaakt over waar welke vormen van detailhandel zijn toegestaan en waar niet.
In de nota wordt eerst ingegaan op verschillende onderdelen. Vervolgens wordt per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven. In de nieuwe detailhandelsnota is per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven. Voor stadsdeel Centrum waar het plangebied is gelegen is het navolgende opgenomen: Het centrum van Eindhoven wordt gezien als één winkelconcentratie, met daarbinnen verschillende delen zoals het kernwinkelgebied en De Bergen als bijzonder aanloopmilieu. Ook in de toekomst moeten deze gebieden elkaar blijven aanvullen en ieder een eigen taak vervullen (het geheel is meer dan de som der delen). Om dat te kunnen doen, moeten ze blijven beschikken over eigen kenmerken en kwaliteiten. Dit is duidelijk voor de consument, biedt aanknopingspunten voor strategie en investeringen van ondernemingen en biedt mogelijk heden voor elkaar versterkende effecten (doelgroepen, combinatiebezoeken, e.d.). … Compacte binnensteden qua winkelaanbod hebben toekomst. Consumenten hebben 64
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
behoefte aan meer functies op een kleiner oppervlak. Qua winkelaanbod is dus waakzaamheid gevraagd voor de randgebieden in het centrum. Waar dit onder druk komt, kan functiemenging een oplossing bieden. De toename van het aantal inwoners, de herontwikkeling van randen van/ bij het centrum (zoals het terrein van Philips Lichting, Marienhage, Van Der Meulen Ansems, NRE), bieden kansen om de aantrekkelijkheid, verblijfskwaliteit, diversiteit van het totale centrumgebied van Eindhoven te verbeteren. Hoewel voor deze gebieden geen substantiële toevoegingen van detailhandel zijn gewenst, wordt het volledig uitsluiten van detailhandel te beperkend geacht. … Voor zowel het kernwinkelgebied, het aanloopmilieu en de randgebieden geldt dat er ruimte moet zijn voor een zekere functiemenging (aanwezigheid detailhandel, horeca, dienstverlening, cultuur, vermaak, etc.) en flexibiliteit. Dit verhoogt de aantrekkingskracht, verblijfsduur en herhalingsbezoek. De aard en mate van de menging is afhankelijk van het thema en functioneel concept. Ook initiatieven die gericht zijn op tijdelijkheid kunnen de aantrekkingskracht verhogen. Pop-ups (kunnen) verrassen en bieden (meer) beleving. Naast ingrepen in de openbare ruimte kunnen pop-ups ook bijdragen aan de ervaring van technologie, design en kennis in het centrum. Kansen liggen er ook in de dagelijkse artikelensector.
We zien dat de binnenstad in verhouding tot de referentiesteden een beperkt aanbod heeft. Dit gecombineerd met de groei van de bevolking (die niet alleen uit jonge internationale kenniswerkers zal bestaan maar ook oudere die de nabijheid van voorzieningen waarderen) in het centrum is een motief om het aanbod aan dagelijkse voorzieningen te versterken. Het centrum huisvest twee supermarkten (Tramstraat en Vestdijk). De inwoner van het centrum is verder met name aangewezen op het aanbod in de radialen. De focus ligt niet op inpassing van een nieuwe grootschalige supermarkt in het centrum, maar op (een) extra steunpunt(en) en food-speciaalzaken (bijv. duurzaam en biologisch). Tot slot kan de ontwikkeling van het centrum niet los worden gezien van andere concentraties in de Eindhovense detailhandelsstructuur. In dit verband is met name van belang om het onderscheid met Strijp-S en WoensXL te benadrukken. Het onderscheid met het stadsdeelcentrum WoensXL is met name het bezoekmotief (recreatief versus boodschappen doen) en met Strijp-S in de aard van het aanbod en de uitstraling/mentaliteit van het gebied (grootschaligheid en bekende concepten versus relatieve kleinschaligheid en experimenteren). Het plangebied van Hartje Eindhoven is gelegen in het aanloopgebied tussen Strijp S en het centrum. Hierbij geldt dat er sprake mag zijn voor functiemenging.
In dit plan is daarom ruimte voor een levendige plint van maximaal 499 m² waar detailhandel kan plaatsvinden. Dit past binnen het detailhandelsbeleid. Aldus kan worden geconcludeerd dat een eventuele plintinvulling met enige detailhandel in Hartje Eindhoven in overeenstemming is met het detailhandelsbeleid.
3.10
Kabels, leidingen
Planologisch relevante leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. Tevens moeten relevante zones worden aangegeven, waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
65
met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Daarnaast moeten optisch vrije paden in het bestemmingsplan worden opgenomen. Binnen het plangebied liggen geen hoofdtransportleidingen en straalpaden die vanuit ruimtelijk oogpunt relevant zijn voor verwerking in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied ontbreken dergelijke leidingen.
3.11
Hoogbouwvisie
Hoogbouwbeleid In de notitie 'De derde dimensie van een laagbouwstad, Hoogbouwvisie Eindhoven' (Gemeente Eindhoven, vastgesteld door de Raad in haar vergadering van 16 december 2008) is het hoogbouwbeleid van de gemeente Eindhoven vastgelegd. Het doel van de notitie is het vormen van een afwegingskader voor nieuwe hoogbouwprojecten. Het hoogbouwbeleid levert een bijdrage aan de doelstellingen van het raadsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit. Het beleid is bindend voor besluitvorming en visieontwikkeling, maar heeft geen juridische status (dat ligt vast in bestemmingsplannen). Het is allereerst een toetsingskader waarmee de wenselijkheid van hoogbouw kan worden bepaald. Hoogbouw is een vorm van intensief ruimtegebruik en levert een belangrijke bijdrage aan de manier hoe de stad omgaat met de verstedelijkingsdruk. Eindhoven wil het beste van twee werelden zijn. Aan de ene kant is Eindhoven een dynamische stad, die prikkelt en stimuleert; aan de andere kant is Eindhoven een stad waar het goed en rustig wonen is, met volop groenvoorzieningen. Het is daarom belangrijk dat gebieden in de stad zich sterk van elkaar onderscheiden om daarmee die diversiteit te waarborgen. Vanuit die visie bezien moeten duidelijke keuzes worden gemaakt over de gebieden waar hoogbouw wel of niet wordt toegestaan.
Dit is sterk afhankelijk van externe factoren en de bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer speelt een bepalende rol. Een belangrijke functie wordt toegedicht aan de HOV-lijnen. In de Hoogbouwnota wordt Eindhoven verdeeld in gebieden waar hoogbouw mogelijk is en laagbouwmilieu 's. De locatie is niet gelegen in een als laagbouwmilieu aangeduid gebied:
66
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
Qua hoogbouw wordt in de Hoogbouwnota wordt onderscheid gemaakt tussen hoogbouw in de S-categorie (buurtaccenten tot vijf lagen hoog), de M-categorie (structuurdragende hoogbouw tot 45 meter), de L-categorie (stedelijke oriëntatiepunten tot ongeveer 75 meter), de XL-categorie (regionale landmarks, torengebouwen zichtbaar van buiten de stad tot 105 meter) en de XXL-categorie (gebouwen hoger dan 105 meter). Ten aanzien van het centrumgebied is in de Hoogbouwnota het navolgende te lezen: “In het centrum staan vier van de vijf XL-categorie torengebouwen van de stad. Het gebied wordt daarnaast met de doorontwikkeling van de HOV-lijnen steeds beter bereikbaar. Hierbij valt met name het stationsgebied op in meervoudige bereikbaarheid. Dit biedt mogelijkheden voor verdere intensivering. Hoge gebouwen versterken de stedelijkheid van het centrum en kondigen het centrum van de stad in de wijde omgeving aan. De Binnenring vormt daarbij het 'parelsnoer' voor hoogbouw in de binnenstad, waarbij continu aansluiting wordt gezocht bij de bestaande omliggende hoogtes. Het Emmasingelkwadrant biedt op basis van de ontwikkelingsvisie voor dat gebied ruimte voor hoogbouw tot en met de L-categorie. Het Stationsgebied leent zich door de bijzondere ligging in de radiaal concentrische structuur van de stad en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied voor superhoogbouw (XXL-categorie).
Het plangebied c.q. bouwplan Het ontwerp bestaat uit drie gebouwen met een hoogte van respectievelijk 39 m1, 30 m1 en 30 m1. Onderstaande afbeelding geeft een goed inzicht in de bouwhoogte van dit bouwplan ten opzichte van de omgeving:
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
67
Conclusie is dat gezien de bouwhoogte van maximaal 40 m1 de ontwikkeling valt onder de M-categorie. Een dergelijke bouwhoogte is passend op de radiaal tussen Strijp S en centrum naast het spoor en aan de PSV-laan. Hiermee wordt gekomen tot een overgang naar het achterliggende Philipsdorp waar sprake is van laagbouw. Aldus voldoet het bouwplan aan het beleid.
3.12
Windhinder, privacy en bezonning
3.12.1
Windhinder
In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD-onderzoek. Daarnaast wordt een beoordelingsmethodiek van windhinder en windgevaar. Hierbij wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). Daarnaast is een toetsingskader ten aanzien van windgevaar uitgewerkt. Door ONE Simulations BV is voor het plan op basis van voormelde NEN 8100 een theoretische beschouwing van het windklimaat opgesteld, welke als bijlage 3 bij de toelichting is opgenomen. Het windklimaat is inzichtelijk gemaakt met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) simulaties aan de hand van de methodiek die omschreven staat in de 68
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
NEN8100. Een CFD-simulatie geeft inzicht in de te verwachten luchtstromingen, rekening houdend met verschillende fysische verschijnselen. Hierbij is in dit onderzoek uitgegaan van zowel de ontwikkeling Hartje Eindhoven alsook de naastgelegen ontwikkeling Eurostaete. Het lokale windklimaat voor de nieuwe situatie wordt vergeleken met de huidige situatie en beoordeeld volgens de methode omschreven in de NEN 8100. Het gebied rond Eurostaete en Hartje Eindhoven moet minimaal voldoen aan de kwalificatie matig bij doorlopen (klasse D). Er zijn in overleg met de opdrachtgever strengere eisen vastgesteld voor de twee binnenplaatsen. Deze moeten minimaal kwaliteitsklasse B halen (matig bij langdurig zitten). In de rapportage wordt aangetoond dat voor wat betreft het aspect windhinder wordt voldaan aan de gestelde kwaliteitsklasse. Voor wat betreft het aspect windgevaar blijkt uit de rapportage in bijlage 3 dat hiervan geen sprake is. Conclusie is dat het aspect windhinder de totstandkoming van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.
3.12.2
Privacy en bezonning
Privacy en uitzicht In een hoogstedelijk gebied als waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt is een beperking van privacy en vrij uitzicht als gevolg van nieuwe ontwikkelingen inherent aan verdichting. In het vigerende bestemmingsplan Strijp binnen de Ring 2007 was de mogelijkheid opgenomen tot kantoorbebouwing met een maximale bouwhoogte van 40m1. Deze hoogte wordt in het voorliggende woningbouwplan niet overschreden, waarbij een woongebouw deze hoogte zal krijgen en twee andere woongebouwen 30 m1 hoog worden. Een dergelijke bouwhoogte past in de woonomgeving ter plaatse.
Door toevoeging van de drie woongebouwen - waarmee de ontwikkeling van woongebied Hartje Eindhoven wordt afgerond - is voor bepaalde bestaande woonappartementen sprake van minder privacy en minder uitkijk. De afronding van dit gedeelte van de PSV-laan met woningen in plaats van kantoren sluit goed aan op het bestaande woongebied zowel qua functie alsook qua gebouwvolumes. Van privaatrechtelijke belemmeringen is geen sprake en afrondende woonbebouwing ten opzichte van hetgeen ter plaatse is gerealiseerd is evenmin een onverwachte ontwikkeling. Gelet op de afstanden tussen nieuwbouw en bestaande bebouwing en gezien de aard van de centrum stedelijke omgeving zal geen sprake zijn van een onaanvaardbare aantasting van de vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
69
privacy.
Bezonning In het kader van de planontwikkeling is onderzoek gedaan inzake de bezonning. In het bezonningsonderzoek van Levs Architecten, zoals hier opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting wordt uitgegaan van de gemeentelijke “beleidsregels voor bezonning woningen” zoals vastgesteld door het College van B&W op 10 januari 2017.
Gemeentelijk beleid is dat bij omliggende woningen minimaal 2 uur zonneschijn per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober aanwezig dient te zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. Per woning mag de bezonning op voor-, achter- en zijgevels worden opgeteld. Dit komt overeen met de zogenaamde 'lichte' TNO norm. Het woon- en leefklimaat van de bestaande woningen in de omgeving van Hartje Eindhoven 2.0. wordt in het kader van bezonning niet of nauwelijks beïnvloed. De woningen hebben minimaal 2 uur bezonning en voldoen daarmee aan het beleid van de gemeente. Wat het bouwplan Hartje Eindhoven 2.0. zelf betreft voldoen de noordgevels van de blokken buiten de zomerperiode niet volledig aan de bezonningseis. Dit is inherent aan de zonnestand en geveloriëntatie en daarmee onvermijdelijk. Alle andere gevels voldoen aan de gestelde bezonningseisen. Geconcludeerd wordt dat het aspect bezonning geen belemmering vormt voor de realisatie Hartje Eindhoven 2.0.
3.13
Explosieven
Aan de hand van uitgebreid historisch archiefonderzoek is voor Eindhoven geïnventariseerd welke locaties mogelijk kans hebben op de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (zogenaamde blindgangers). Voor de gebieden die 'explosieven-verdacht' zijn wordt een nader onderzoek gewenst geacht. Uit zo'n nader onderzoek moet dan blijken of een feitelijk explosieven onderzoek nodig is. Doordat de geallieerden dwars door Eindhoven zijn getrokken naar Son en erover en weer is 70
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
geschoten met artillerie, is het nooit helemaal uit te sluiten dat er explosieven worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden. In overleg tussen gemeente en ontwikkelaar is – gezien de eerdere bouwwerkzaamheden op de locatie (ondergrondse parkeergarage) en nabij de locatie – besloten dat specifiek CE-onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie is dat het aspect CE de totstandkoming van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
71
72
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
4.1
Milieuparagraaf
M.e.r.-beoordeling
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Voor dit bestemmingsplan is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Uit de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 volgt dat de omvang van een project voor een gemeente niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.
Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r.-richtlijn' in werking getreden. Met deze wet wordt de herziene Europese m.e.r.-richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Op basis van deze wetgeving worden voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling enkele procedurele vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m.e.r. blijven. Waar tot de wetswijziging het voor activiteiten die onder de drempelwaarde uit de D-lijst bleven geen besluit nodig was voor de m.e.r. (vormvrij), moet nu voor elke activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gemaakt, en er moet daarop worden besloten. Hierdoor is een aparte beoordeling nodig die voorafgaand aan de behandeling moet plaatsvinden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan uiteindelijk tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: Er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: Er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. De in het kader van dit bestemmingsplan aan de orde zijnde planinvulling valt onder een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Het aantal woningen ligt echter ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. De voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied past aldus ruimschoots binnen de genoemde drempelwaarden. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r wordt benoemd wat onder een gevoelig vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
73
gebied wordt verstaan: gebieden die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is niet in een dergelijk gebied gelegen en is dusdanig ver verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied dat van externe werking geen sprake is. Uit deze - hier als bijlage 5 opgenomen - beoordeling volgt dat negatieve effecten voor het milieu zijn uit te sluiten. Een MER is niet noodzakelijk. De beslissing op de vormvrije m.e.r.-beoordeling is voorafgaand aan het vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan genomen.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In de omgeving van het plangebied is een bedrijf gelegen die een mogelijke beperking met zich mee kunnen brengen ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de woonbestemming, zijnde het PSV-voetbalstadion. Het hierbij relevante aspect betreft het geluidsaspect, hetgeen in paragraaf 4.3. wordt besproken.
4.3
Geluid
4.3.1
Normstelling
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Als de geluidbelasting ten gevolge van meer dan één bron hoger is dan de voorkeurswaarde dient conform de Wet geluidhinder en het gemeentelijke geluidbeleid de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk te worden gemaakt. In de Wet geluidhinder (en in het gemeentelijk geluidsbeleid) is bepaald dat een hogere grenswaarde alleen kan worden verleend indien toepassing van (bron- of overdrachts-) maatregelen onvoldoende doeltreffend is of overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In dat geval dienen bouwkundige maatregelen te worden getroffen in combinatie met vaststelling van hogere waarden.
De gemeente Eindhoven heeft haar geluidbeleid (Hogere Waarden Beleid Geluid, kenmerk svs/LD10002448, d.d. maart 2010) vastgesteld met een aanvullende uitleg voor de voorwaarde 'geluidluwe zijde' (Raadsinformatiebrief, nummer 10.R3666.001). De voorwaarden voor het toestaan van een hogere waarde zijn navolgende: bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB vanwege wegverkeerslawaai en/of 55 dB 74
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
vanwege spoorweglawaai geldt een verplichting van tenminste één geluidluwe zijde waaraan verblijfsruimte is gesitueerd; wanneer de bestemming binnen de zone van meerdere bronnen ligt dan geldt dat de gecumuleerde geluidbelasting de maximaal toelaatbare grenswaarde niet mag overschrijden. Als sprake is van overschrijding van de maximaal toelaatbare grenswaarde kan toepassing van een dove gevel een oplossing brengen. Onder een “dove gevel” wordt verstaan een bouwkundige constructie zonder te openen delen. Bij het gebruik van een “dove gevel” vindt geen toetsing plaats aan de grenswaarden bij wegverkeer- en spoorweglawaai. Met het gebruik wordt in Eindhoven zeer terughoudend omgegaan.
4.3.2
Geluidsbronnen
Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidzone van een weg moet de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen voldoen. Het plan ligt in de zone van de PSV-laan en dus moet het aspect wegverkeerslawaai worden onderzocht. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Wordt deze voorkeursgrenswaarde overschreden dan kan door de gemeente een hogere waarde worden vastgesteld, indien de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, indien maatregelen gericht op terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn dan wel op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. De overige wegen in en nabij het plangebied zijn 30 km per uur wegen. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat hiervoor geen hogere waarden kunnen worden aangevraagd of verleend. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wel te worden beoordeeld of de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen nabij wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur voldoet aan de voorkeursgrenswaarden van 48 dB.
Railverkeerslawaai Het plan ligt in de zone van de spoorlijn Eindhoven-Boxtel, met een zonebreedte aan weerszijden daarvan van 600 meter en dus moet het aspect railverkeerslawaai worden onderzocht.
Luchtvaartlawaai Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 5,5 km van de luchthaven Eindhoven. Het plangebied ligt niet binnen de vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren. Luchtvaartlawaai werkt derhalve niet belemmerend voor onderhavig plangebied en is onderzoek op dit onderdeel niet aan de orde.
Industrielawaai Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het plan ligt wel in de nabijheid van het PSV-stadion. Bij de ontwikkeling van Hartje Eindhoven 2.0. wordt op voorhand uitgegaan van een nieuwe milieuvergunning voor het PSV stadion met vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
75
hierin hogere geluidniveaus voor wedstrijden. De representatieve geluidsituatie van het PSV stadion wordt ook in deze nieuwe situatie gekenmerkt door overwegend een zeer geluidarme dagelijkse bedrijfssituatie, met tijdelijke hogere geluidsuitstraling gedurende een relatief beperkte (avond)periode tijdens gemiddeld 20 tot 30 wedstrijddagen per jaar. Vanwege het beperkt aantal (muziek)evenementen zijn deze niet maatgevend. Gezien de grote hoeveelheid bestaande woningen rondom het PSV stadion kan ervan worden uitgegaan dat bij een gewijzigde vergunning voor PSV rekenschap wordt gegeven aan de omliggende woonfunctie en dat – tegen de achtergrond van de binnenstedelijke locatie, de evidente aanwezigheid en het belang van het stadion alsmede de beperkte periode van geluidproductie – wordt geoordeeld dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tijdelijke hoge geluidbelastingen bij de betreffende bestaande woningen worden dus – zoals ook thans het geval onder de vigerende vergunning van PSV - aanvaardbaar geacht. Hierdoor is ook bij nieuwe woningen van Hartje Eindhoven 2.0. - mede gezien de afstand tot het PSV stadion en de toekomstige aanwezigheid van het project Eurostaete – sprake van een aanvaardbaar binnenstedelijk woon- en leefklimaat.
4.3.3
Toetsing bouwplan aan regelgeving en beleid, hogere waarde
In het voorliggend plan zijn de diverse woningen als geluidgevoelige bestemmingen opgenomen. Aldus is door Ingenieursbureau Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek wegen railverkeerslawaai uitgevoerd. Ook is gekeken naar de geluidsaspecten van het nabijgelegen PSV-stadion. De uitkomsten van en aanbeveling uit dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage “Akoestisch onderzoek nieuwbouw Hartje Eindhoven te Eindhoven” d.d. 10 maart 2020, welke als bijlage 6 bij deze toelichting is opgenomen. Als conclusie is in deze rapportage opgenomen: Voor Hartje Eindhoven is aangetoond dat kan worden voldaan aan de regels in de Wet geluidhinder en de voorwaarden uit het geluidbeleid. Uit de resultaten volgt dat: De geluidbelasting bij de nieuwe woningen als gevolg van de PSV-laan ten hoogste 62 dB bedraagt. Hiermee is de geluidbelasting hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Het toepassen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen stuit op overwegende bezwaren. De geluidbelasting bij de nieuwe woningen als gevolg van de overige wegen (Glaslaan, Gerard Philipslaan en Anton Philipslaan) niet hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Er worden geen aanvullende eisen gesteld vanwege deze wegen. De geluidbelasting bij de nieuwe woningen als gevolg van de spoorweg ten hoogste 70 dB bedraagt.
Hiermee is de geluidbelasting hoger dan de voorkeurswaarde van 55 dB en hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Het toepassen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen stuit op overwegende bezwaren. De gevels van de woningen met een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde moeten als een dove gevel worden uitgevoerd. De gecumuleerde geluidbelasting (PSV-laan en spoorweg), omgerekend naar gelijke hinder vanwege wegverkeerslawaai, bedraagt ten hoogste 69 dB. Hierbij is voor wegverkeerslawaai gerekend zonder de aftrek art. 110g Wgh. Hiermee wordt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB (zonder aftrek art. 110g Wgh (63 + 5 dB)) vanwege wegverkeerslawaai met 1 dB overschreden. Deze gecumuleerde geluidbelastingen treden echter op bij dove gevels. Dit betekent dat er geen andere dove gevels hoeven te worden gerealiseerd. Het verzoek is om voor de nieuwe woningen een hogere waarde vaststellen voor de PSV-laan en spoorweg. Voor het aantal vast te stellen hogere waarden is in onderstaande tabel uitgegaan van een flexibele invulling van het plan aangezien de bouwkundige oplossing in de gevel nog nader moet worden uitgewerkt. Ook is het mogelijk dat de indeling en/of het 76
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
ontwerp nog (licht) wijzigt waardoor eventuele verschuivingen in de hoogte en aantal vast te stellen hogere waarden kunnen worden 'opgevangen'.
Op basis van 'Tussenstand DO', d.d. 24-09-2019 en de plattegrondindelingen is in de rapportage van Aveco de Bondt inzichtelijk gemaakt dat geluidluwe zijdes aannemelijk en technisch haalbaar zijn. Bij loggia's kan dat bijvoorbeeld bestaan uit het deels dichtzetten van de opening. Bij eenzijdig georiënteerde woningen, zonder loggia, dient daar waar nodig een bouwkundige oplossing in de gevel te worden verwerkt voor het realiseren van een geluidluwe zijde. Ook die oplossingen zijn inzichtelijk gemaakt en technisch haalbaar. Bij wijzigingen in de indeling of het ontwerp dient bij de aanvraag Omgevingsvergunning (aspect bouwen) te worden aangetoond dat elke woning een geluidluwe zijde heeft. Bij die aanvraag Omgevingsvergunning dient tevens te worden aangetoond dat de geluidwering van de gevels voldoende is om de binnenwaarde van 33 dB te waarborgen.
4.3.4
Conclusie
Op grond van het vorenstaande zal een procedure hogere grenswaarde worden doorlopen, waarvan het ontwerp besluit hogere waarde samen met het bestemmingsplan ter inzage ligt. Tevens zullen een aantal gevels van de woningen als dove gevel worden uitgevoerd. Het aspect geluid vormt aldus geen belemmering voor de voorgestane invulling van het plangebied c.q. totstandkoming van het onderhavige bestemmingsplan.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
77
4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg.
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient op basis van artikel 3.1. Wro altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
Het programma dat in het plangebied zal worden gerealiseerd omvat de realisatie van 264 woonappartementen en maximaal 499 m2 plintfuncties. Wat betreft het aspect luchtkwaliteit kan verwezen worden naar de als bijlage 7 opgenomen notitie van Aveco de Bondt d.d. 31 maart 2020, projectnummer 181529. 78
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
Aveco de Bondt concludeert, dat gezien de aard (woningen en commerciële ruimten) en omvang van de ontwikkeling (inclusief verkeersbewegingen) het project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool, de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN). Aveco de Bondt geeft aan dat op basis van de GCN blijkt, dat de achtergrondconcentraties fijn stof en stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zitten. In 2016 bedroeg de achtergrondbelasting respectievelijk circa 20 ìg/m³ en circa 26 ìg/m³. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 ìg/m³. Het bouwplan binnen het plangebied voorziet niet in gevoelige bestemmingen, noch is het plangebied gelegen in de nabijheid van een provinciale of rijksweg. Om die reden vindt het Besluit gevoelige bestemmingen in dit gebied geen toepassing.
4.4.6
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Externe veiligheid
Het externe veiligheid beleid is gericht op het beheersen van risico´s en de effecten van calamiteiten en het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. Ten aanzien van het aspect Externe veiligheid is door Adviesgroep AVIV BV uit Enschede een rapportage opgesteld d.d. 26 maart 2019 (projectnummer 183621) (bijlage 8), alsmede een aanvullende rapportage opgesteld d.d. 29 augustus 2019 (projectnummer 193859), (bijlage 9). Hierbij zijn zowel het project Hartje Eindhoven alsook het naastgelegen project Eurostaete beoordeeld. Deze paragraaf 4.5 is mede gebaseerd op deze rapportages.
4.5.1
Wettelijk kader
Rijksbeleid Het Rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het: gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); gebruik van luchthavens. Dat gebeurt o.a. door te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
79
Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico:
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de k ans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Het eindbeeld van het Basisnet spoor was medio 2012 reeds beschikbaar. Het laat ten aanzien van Eindhoven zien dat, ondanks in voorbereiding zijnde plannen tot verdichting in de spoorzone en toenemend vervoer van gevaarlijke stoffen, de risico's ten opzichte van de bestaande situatie zullen afnemen. Het rijk accepteert het dan nog bestaande groepsrisico (3,2 x de oriënterende waarde) in Eindhoven. Thans wordt een actualisering van het Eindhovens beleid inzake het Groepsrisico (inclusief bijhorende instrumenten) voorbereid voor de gehele spoorzone.
Gemeentelijke Visie externe veiligheid De gemeenteraad van Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid ('Risico's de maat genomen'). Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant Veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. Het plangebied ligt binnen gebiedsgericht risicoprofiel D 'woongebied nabij hoofdtransport-assen'. Aan dit gebied stelt de visie vanuit het oogpunt van externe veiligheid de volgende voorwaarden: 80
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
Geen risicovolle bedrijven toegestaan; Gebieden met grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen van woningen en kantoren; Kwetsbare objecten > 30 m uit de transportas; Functies voor beperkt zelfredzame groepen > 200 m uit transportas; Evenementen > 200 m uit transportas (met uitzondering van daartoe bestemde gebouwen/ruimtes); Zelfredzaamheid en beheersbaarheid worden op peil gebracht en restrisico's worden door het college van B&W acceptabel bevonden. Omgevingswet Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen, zodat het bijvoorbeeld makkelijker is om bouwprojecten te starten. Met de omgevingswet worden de regels omtrent veiligheid anders. De beoordeling van het plaatsgebonden risico vindt in het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) op dezelfde wijze plaats als nu. In tegenstelling tot de huidige risicobenadering worden in het Bkl aandachtsgebieden gehanteerd in plaats van invloedsgebieden. Aandachtgebieden zijn gedefinieerd voor een drietal scenario's waarvoor afstanden zijn vastgesteld. Deze aandachtsgebieden zijn: brand-aandachtsgebied (BAG), explosie-aandachtsgebied (EAG) en toxisch-aandachtsgebied (TAG). Binnen deze aandachtsgebieden dienen maatregelen aan objecten genomen te worden afhankelijk van het soort scenario waarbinnen een ontwikkeling plaatsvindt.
Op deze wijze wordt er een effectgericht beleid in stand gebracht. Daarnaast is in de omgevingswet een nieuw soort kwetsbaar gebouw geïntroduceerd, een zeer kwetsbaar gebouw. Dit zijn onder andere ziekenhuizen, kinderdagverblijven, verzorgingstehuizen, etc. Deze gebouwen mogen niet binnen aandachtsgebieden worden gesitueerd. In de Omgevingswet en het daarbij behorende Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn voorwaarden gesteld voor ontwikkelingen nabij het spoor. In artikel 5.4 van het Bkl in samenhang met bijlage VII, is het spoor aangewezen als een activiteit met externe veiligheidsrisico's. Voor dit traject geldt een brandaandachtsgebied en een explosie aandachtsgebied. De afstanden behorende bij deze aandachtsgebieden zijn nog niet bekend. De verwachting is dat het aandachtsgebied wat geldt voor brand 30 meter bedraagt (zelfde als het nu al geldende plasbrandaandachtsgebied). Bouwwerken binnen dit gebied moeten brandwerend worden uitgevoerd. Voor het explosie aandachtsgebied zijn de afstanden eveneens nog niet bekend. De verwachting is dat het explosie aandachtsgebied 200 meter bedraagt in verband met een warme-BLEVE. De warmtestraling op 200 meter bedraagt circa 35 kW/m2.
4.5.2
Risicobronnen
Op onderstaande weergave is het plangebied aangegeven:
vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven
81
Spoorwegemplacement Eindhoven Centrum Op circa 750 meter van het plangebied is het spoorwegemplacement Eindhoven Centrum gelegen. Uit een in 2016 uitgevoerde analyse bleek dat een aanzienlijk dichterbij gelegen ontwikkeling op ca. 30 m tot het buitenste spoor geen wijziging van het groepsrisico tot gevolg had. Naar verwachting heeft de ontwikkeling van Eurostate en Hartje Eindhoven daarom evenmin een wijziging van het groepsrisico tot gevolg. In de Checklist milieu DRGL 2016 wordt bovendien vermeld dat op emplacement Eindhoven volgens de vigerende vergunning niet met gevaarlijke stoffen mag worden gerangeerd (samenstellen/splitsen). Dat sluit andere handelingen zoals locwissel niet uit. Blijkens informatie van Omgevingsdienst Zuidoost Brabant zijn handelingen met gevaarlijke stoffen op emplacement Eindhoven niet meer vergund. Het emplacement is nog wel opgenomen in de Revi. Gelet op bovenstaande wordt emplacement Eindhoven verder niet beschouwd.