CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven)

Raadsvergadering 26 januari 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling bestemmingsplan XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven)33.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Transport over het spoor Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de op circa 40 m1 afstand van het plangebied aanwezige spoorlijn Boxtel-Eindhoven. Voor dit traject geldt ter hoogte van het plangebied een plaatsgebonden risicocontour van maximaal 5 meter. Binnen deze contour zijn geen (beperkt) kwetsbare gebouwen bestemd. Het plangebied is niet gelegen binnen voormelde contour. Daarnaast geldt er voor het spoortraject een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter vanaf het spoor. Het plangebied is niet gelegen binnen voormeld gebied. Onderstaande tabel toont de hoogte van het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 3.1 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico meer dan drie keer groter is dan de oriëntatiewaarde.

82

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de oriëntatiewaarde in zowel de huidige als toekomstige situatie wordt overschreden. Door de ontwikkeling van Hartje Eindhoven neemt het groepsrisico toe. Omdat er sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico te worden verantwoord.

Hoogspanningsleidingen Hoogspanningsleidingen gaan gepaard met magnetische velden. Met het oog op gezondheidsrisico's wordt uit voorzorg geadviseerd om bij bovengrondse hoogspanningsleidingen geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de 0,4 micro-teslazone toe te staan. Binnen het plangebied bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied ontbreken dergelijke leidingen.

Vliegveld Het plangebied is gelegen op circa 4,5 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Het plangebied is buiten de 10-6 contour van het vliegveld gelegen. Het plangebied ondervindt dan ook geen belemmeringen als gevolg van de externe veiligheid van luchthaven Eindhoven

4.5.3

Verantwoording Groepsrisico

Als het groepsrisico door een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een transportroute meer dan 10% toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico te worden verantwoord. Het groepsrisico wordt bepaald per kilometer route en vergeleken met de oriëntatiewaarde. Deze waarde helpt het bevoegd gezag bij de afweging of de kans op een ramp opweegt tegen het maatschappelijk voordeel van het voorgenomen besluit. Het begrip oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag gemotiveerd kan besluiten een hogere kans op een ramp te accepteren. Doordat het plangebied binnen 200 meter van het spoor is gelegen dient conform artikel 8 van het Bevt het groepsrisico volledig te worden verantwoord. Daarnaast dient op basis van artikel 7 van het Bevt advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant.

In de motivering bij het betrokken besluit moeten ten minste de volgende gegevens worden opgenomen: De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

83

die vergunning betrekking heeft; Het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; De maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en De mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor-en nadelen daarvan. Als basismotivering is het navolgende als uitgangspunt genomen:

Maatregelen aan de bron Voor het traject Boxtel-Eindhoven is met de vervoerder afgesproken dat er warme-BLEVE-vrij wordt gereden. Dit wil zeggen dat de kans op een warme-BLEVE zeer klein is. Daarnaast is een 2,5 meter hoge wand op de spoordijk aangebracht en een wal langs het spoor, zodat uitstroming van vloeistoffen wordt tegengehouden (namelijk: opvangen in het spoorbed) en de hittestraling wordt gedempt. Een koude-BLEVE is wel een scenario dat als realistisch moet worden beschouwd. De afstand van een koude-BLEVE waarop de warmtestraling nog 35 kW/m2 bedraagt is 80 meter vanaf het spoor. In geval van een calamiteit op het spoor geldt dat voornamelijk de gevel aan de bronzijde de effecten van een calamiteit opvangt. De BLEVE is een extreem gevaarlijke en bijzondere soort van explosie waarbij een houder met vloeistof onder druk bezwijkt, dit een plotselinge "kook" van de vloeistof veroorzaakt, hierdoor in zeer korte tijd zeer veel vloeistof verdampt en als gevolg hiervan een grote overdruk ontstaat die de houder volledig "opblaast". Onderscheid kan gemaakt worden tussen koude BLEVE's en warme BLEVE's. Een warme BLEVE kan ontstaan wanneer een drukvat wordt opgewarmd, waardoor de dampdruk boven de vloeistof in het drukvat toeneemt. Door de verhoogde temperatuur kan de sterkte van het drukvat afnemen.

Wanneer de dampdruk de bezwijkdruk van het drukvat overschrijdt, zal de tank openscheuren, waarna het plotselinge kookproces zoals hierboven beschreven zal optreden. Van een koude BLEVE is sprake wanneer het drukvat bezwijkt door een andere oorzaak dan verhoogde temperatuur (bijvoorbeeld mechanische impact). Binnen het invloedsgebied van het spoor c.q. spoorcomplex kunnen alle soorten risico's voorkomen. Er zijn drie soorten ongevalscenario's te onderscheiden, te weten: explosie (druk), brand en het vrijkomen van toxische stoffen (door brand of het vrijkomen van een toxisch gas). Voor alle drie de scenario's gelden specifieke maatregelen.

Explosie: Bij een explosie komen hoge drukken tot stand. Dicht bij de bron zijn de drukken zo hoog dat maatregelen bijna niet mogelijk zijn. Ondanks dat bij de milieuvergunning de BBT zijn toegepast voor de risicovolle activiteiten op het emplacement, kunnen drukken bij de bron zo hoog zijn dat maatregelen niet mogelijk zijn en/of dermate hoge kosten met zich meebrengen dat het niet redelijk is deze maatregelen toe te passen.

Brand: Bij een brand komt veel hitte vrij. Bij een brand met vloeistoffen bedraagt op een afstand van 20 meter van de bron de warmtestraling ongeveer 20 kW/m2, hierna neemt de warmtestraling geleidelijk af. Bij transport over het spoor wordt deze zone gerekend tot het PAG. De breedte van een PAG-zone bedraagt 30 meter, gemeten vanaf het midden van 84

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

het buitenste spoor. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze PAG's gelden strengere eisen voor de gebouwen. Het plangebied is echter gelegen buiten het PAG.

Toxisch: Afhankelijk van de toxiciteit van de vrijkomende (verbrandings)gassen kunnen op grote afstand van de bron nog slachtoffers vallen. De enige maatregel die hiertegen getroffen kan worden is ervoor te zorgen dat de toxische stoffen niet in de gebouwen kunnen komen. Hierbij geldt o.a. dat de ventilatiesystemen moeten kunnen worden uitgezet. Deze maatregel kan relatief gemakkelijk worden toegepast en geldt voor alle nieuwbouw binnen het gehele plangebied waar meerdere personen gedurende een langere periode van de dag in verblijven.

Motivering wenselijkheid ontwikkeling De gemeente Eindhoven heeft de Spoorzone aangemerkt als met prioriteit te ontwikkelen gebied. Het gebied omvat circa 300 meter aan weerszijden van het spoor en loopt vanaf de campus van de TU/e, via het Stationsdistrict, het Stadionkwartier, Strijp-S, tot en met Strijp-T. Veel gebouwen en functies worden de komende jaren herijkt en herontwikkeld. Beide projecten Hartje Eindhoven en Eurostaete zijn er op gericht om te komen tot een afronding van de ter plaatse gerealiseerde woonomgeving “Hartje Eindhoven”. Bedoeling is om aldaar te komen tot een hoogstedelijk woonmilieu direct aansluitend aan de binnenstad van Eindhoven, dat tevens een brugfunctie heeft tussen de binnenstad en de nieuwe stadswijk Strijp S. De woonfunctie ter plaatse wordt tevens uitermate wenselijk geacht juist vanwege de directe nabijheid tot het station, zodat concreet invulling kan worden gegeven aan de wens c.q. noodzaak tot alternatieve mobiliteit van bewoners van Eindhoven. Vanwege de afspraak om te komen tot woningen binnen bepaalde prijscategorieën is op deze locatie een bepaald volume noodzakelijk om tot een haalbare ontwikkeling te kunnen komen. Dat geeft aanleiding om te denken aan een hogere wooncomplexen, die ook stedenbouwkundig als wenselijk wordt gezien.

Maatregelen ter beperking groepsrisico In de rapportage van Adviesgroep AVIV BV d.d. 5 juni 2020 (bijlage 9) wordt aangegeven dat er twee soorten maatregelen zijn waarmee het risico beperkt kan worden: 1. Maatregelen die de kans kleiner maken op een ongeval (bronmaatregelen). 2. Maatregelen die de gevolgen beperken van een ongeval (ruimtelijke maatregelen). Het groepsrisico kan effectief gereduceerd worden door het treffen van bronmaatregelen, dat wil zeggen maatregelen die het vervoer en de infrastructuur betreffen. Deze bronmaatregelen zijn niet expliciet onderzocht. De reden hiervoor is dat het treffen van bronmaatregelen een landelijke afweging vergt en deze afweging heeft plaatsgevonden in het kader van het Basisnet. In dit rapport wordt derhalve ingegaan op getroffen en (eventueel) te treffen ruimtelijke maatregelen. Een overzicht van (mogelijk te treffen) maatregelen is opgenomen in tabel 4 op pagina 11 van voormelde rapportage van AVIV BV met hierbij aangegeven op welke stofcategorie de betreffende maatregel effect heeft en een beoordeling van de maatregel toegepast op onderhavige situatie. De relevante aspecten worden in deze paragaaf nader besproken.

Bestrijdbaarheid / Hulpverlening / Bluswatervoorziening De mogelijkheden van de voorbereiding op, de bestrijding en de beperking van de omvang van vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

85

een ramp berusten op de ongevalsscenario's die als representatief worden beschouwd. Binnen het hele spectrum van mogelijke ongevallen (calamiteiten) en de daarbij behorende ontwikkelingsscenario's zijn er situaties waarin brandweer en hulpdiensten mogelijkheden heeft om kansrijk op te treden in de beperking van de gevolgen en vlotte hulpverlening van gewonden. Er zijn ook situaties waarin dat niet mogelijk zal zijn omdat de hoeveelheid gevaarlijke stof die vrijkomt te groot is. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten via meerdere wegen.

In de directe nabijheid van Hartje Eindhoven 2.0. zijn diverse brandkranen. Volgens de veiligheidsregio ZOB zijn de openbare voorzieningen op dit moment voldoende. De gebouwen van Hartje Eindhoven 2.0. wordt voorzien van een droge blusleiding.

Zelfredzaamheid Bij incidenten met een brandbare vloeistof is vluchten de insteek omdat schuilen niet effectief is. In het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn voldoende vluchtmogelijkheden van het spoor af, zodat de vluchttijd bijzonder kort is Bij incidenten met een toxische vloeistof is schuilen de insteek. Bij calamiteiten met toxische wolken, waarvan omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing mede afhankelijk is van de weersgesteldheid, is het van belang dat personen veilig inpandig kunnen verblijven. Hiertoe is het van belang dat eventuele centrale mechanische ventilatie kan worden uitgezet. Naast voldoende mogelijkheden voor vluchten (bij brand) of schuilen (bij toxische stoffen) is het tevens van belang dat de beoogde functies erop gericht zijn alleen functies voor doelgroepen van personen met een normale zelfredzaamheid mogelijk te maken.

Bouwkundige maatregelen, vluchtroutes, trappenhuis, warmtestraling. Verder kunnen er bij de bouw van de gebouwen maatregelen genomen worden om de effecten van een incident te verkleinen. Conform voormelde uitgangspunten zoals geformuleerd in het 86

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

externe veiligheidsonderzoek zal in het bouwplan worden gezorgd voor brandcompartimentering, een sprinklersysteem, afsluitmogelijkheden lucht en beheersing luchtcirculatie, ontruimingsinstallatie en ontruimingsplan. Wat betreft de indeling van het plangebied zijn goede vluchtroutes zinvol. Uiteraard worden de nooduitgangen en vluchtwegen gesitueerd dat van de risicobron af kan worden gevlucht en kennen deze routes een voldoende capaciteit. Een mogelijk ongevalsscenario is het vrijkomen en ontsteken van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een wagon op het spoor resulterend in een plasbrand. Het blijkt dat uitgaande van de overheersende windrichting, dus van de gebouwen af, de warmtebelasting op de gevel kleiner is dan 10 kW/m2 zodat brandoverslag niet waarschijnlijk is (bijlage 10).

Overleg en pre-advies Veiligheidsregio Op 16 april 2019 heeft een overleg plaatsgevonden met de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost, waarna het College op 25 juni 2019 aan de Veiligheidsregio een pre-advies heeft gevraagd. Dit leidde tot het preadvies d.d. 9 juli 2019, hier opgenomen als onderdeel van bijlage 11. De belangrijkste punten van dit advies betreffen: Wij adviseren de gemeente om bij de verantwoording van het groepsrisico de volgende aspecten worden meegenomen: 1. Een beschrijving dat door deze planvaststelling er veel meer mensen slachtoffer kunnen worden door een calamiteit op het spoor. De kans op zo'n calamiteit is klein. Door deze planontwikkeling zijn er meer mensen in de nabijheid van het spoor aanwezig. Daarnaast moeten ze vluchten uit een hoogbouw, waardoor het langer duurt om op tijd, als dat lukt, uit het gebouw te vluchten. Als een calamiteit plaatsvindt moeten deze mensen zichzelf in veiligheid brengen en de hulpdiensten moeten meer mensen uit een hoog gebouw(en) helpen met evacueren. 2. Een beschrijving dat wellicht de mogelijkheden om op te kunnen treden beperkt is in het plangebied omdat het te onveilig is om dicht bij het rampgebied te komen. 3. Een beschrijving dat ondanks dat er maatregelen worden getroffen het risico om een groot aantal slachtoffers toeneemt met deze ontwikkeling. Ook al is de kans klein. 4.

Een uitgebreidere beschrijving van de risicocommunicatie zodanig dat hieruit blijkt dat de bewoners bekend worden met de risico's en weten hoe ze moeten handelen als het mis gaat. In reactie op dit advies kan worden vastgesteld, dat de in juni / juli 2019 voorliggende rapportage “VGr / Gebiedsontwikkeling PSV-laan in Eindhoven, bijdragen aan de paragraaf externe veiligheid” van Adviesgroep AVIV BV mede naar aanleiding van dit advies is verfijnd en is gebracht tot het document van 29 augustus 2019, dat als bijlage 9 bij deze toelichting is opgenomen. In lijn met en in aanvulling op het in bijlage 8 gestelde en hetgeen reeds is verwoord in deze paragraaf 4.5 kan worden vastgesteld, dat in het kader van de verantwoording groepsrisico een aantal aspecten van belang zijn. Aan de hand hiervan wordt de gemeentelijke reactie op het pre-advies van de Veiligheidsregio hieronder vormgegeven:

•

Afstand tot de risico's vergroot de veiligheid

Vanuit veiligheidsoogpunt is een grotere afstand van het plangebied tot het spoor beter. Echter het vergroten van de afstand tot het spoor maakt de ontwikkeling zoals deze in het plangebied wordt voorgestaan onmogelijk. Bij de keuze om medewerking aan deze ontwikkeling te geven is het voor de gemeente Eindhoven van belang dat wordt gekomen tot verdere verdichting van het (hoog)stedelijke woonmilieu. Hiermee kan worden voldaan aan de woningbouw-opgave die de gemeente heeft gesteld op basis van het (Brainport) groeiscenario.

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

87

Juist door bebouwing in de nabijheid van het spoor toe te staan ontstaat de mogelijkheid om te komen tot een meer hoogwaardige afwikkeling van verkeersstromen via openbaar vervoer, zodat de automobiliteit in Eindhoven wordt beperkt c.q. de (ongewenste) toename van auto's de (gewenste) toename van woningen niet onmogelijk maakt. De voorgestane invulling van de locatie zorgt bovendien voor een verbinding van het gebied Strijp S met de Eindhovense binnenstad, waarmee een voor bewoners en publiek aangename hoogstedelijke zone ontstaat. Het zijn deze belangen, die ertoe leiden dat de toename van het risico aanvaardbaar wordt geacht, ondanks dat deze toename door het nemen van maatregelen als beschreven in deze paragraaf 4.5. Externe Veiligheid en in de als bijlage bij deze toelichting opgenomen documenten betreffende het aspect Externe Veiligheid niet volledig wordt gecompenseerd. Bij onderhavige ontwikkeling is tenslotte rekening gehouden het minimaliseren van eventuele risico's door de bebouwing buiten de plaatsgebonden risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject te situeren.

• De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpverleningsdiensten mogelijk In de visie 'Externe Veiligheid, risico's de maat genomen' zijn de mogelijkheden voor hulpverleningsdiensten ten aanzien van het spoor en emplacement uitgewerkt. Hierin is ook het maatrampniveau beschreven van wat de Veiligheidsregio aan kan. Voor te ontwikkelen gebieden/ruimtelijke plannen zijn kaders vastgelegd ten aanzien van het te realiseren niveau van beheersbaarheid (bereikbaarheid, bluswater en zelfredzaamheid). Zowel de aanwezige beheersmiddelen als de zelfredzaamheid zijn voldoende meegenomen bij de voorzieningen en voldoen aan de voorwaarden gesteld in de 'Beleidsregel bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid' en zijn voldoende voor de hulpverlening. Een aantal voorzieningen worden in de omgevingsvergunning uitgewerkt. Uitgangspunt is dat de bereikbaarheid van de locatie niet wijzigt door de gebiedsontwikkeling. De mogelijkheden voor de hulpdiensten om de gevolgen van een ongeval te bestrijden worden door de planvaststeliing niet negatief beïnvloed. Wel is het zo dat zich meer mensen in het plangebied gaan bevinden en dus kunnen er meer mensen slachtoffer worden door een calamiteit op het spoor. De kans op zo'n calamiteit is echter klein. Feit is verder dat de mensen zullen moeten vluchten uit een hoogbouw.

Als een calamiteit plaatsvindt moeten deze mensen zichzelf in veiligheid brengen en de hulpdiensten moeten meer mensen uit een hoog gebouw(en) helpen met evacueren.

• Gebouwen en gebieden bieden bescherming en zijn snel en voldoende veilig te verlaten Mocht de situatie zich voordoen dat hulpdiensten niet kunnen optreden in het plangebied om dat het te onveilig is om dicht bij het rampgebied te komen dan is zelfredzaamheid van het grootste belang. De vluchtwegen en de bouwkundige schil van de gebouwen vormen in dit geval de primaire bron van personenveiligheid. Het is belangrijk dat is nagegaan of de gebouwen bestand zijn tegen warmtestraling en druk. Dit aspect is hiervoor beschreven. Vluchtroutes in de gebouwen en buiten de gebouwen worden zodanig uitgevoerd dat ze zoveel als mogelijk leiden van het spoor af. In de gebouwen zullen geen groepen verminderd zelfredzame personen verblijven. De aanvullende bron van personenveiligheid betreft de risico- en crisiscommunicatie, waardoor bewoners en bezoekers bekend zijn met de wijze waarop men zich in veiligheid kan brengen. Deze communicatie zal worden vormgegeven door het op te nemen in de te verstrekken koop- en huurdersinformatie alsmede door diverse aanduidingen in de 88

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

gebouwen.

Conclusie EV onderzoek Als conclusie wordt in de rapportage van Adviesgroep AVIV BV d.d. 5 juni 2020 (bijlage 9) aangegeven : Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico is hoger dan de oriëntatiewaarde en neemt toe door de ontwikkeling. Het bevoegd gezag heeft geen mogelijkheden om maatregelen te treffen aangaande het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorroute door Eindhoven het groepsrisico te beperken. De bereikbaarheid van de locatie wijzigt niet door de gebiedsontwikkeling. De bluswatervoorzieningen langs het spoor zijn in voldoende mate aanwezig. Voor zover mogelijk zijn vluchtwegen binnen de panden zo gesitueerd dat van de risicobron af kan worden gevlucht. De gebouwen zullen geen plaats bieden aan verminderd zelfredzame personen. Beide gebouwen worden voorzien van afsluitbare ventilatie. Uitgaande van de overheersende windrichting is de warmtebelasting op de gevel van beide gebouwen kleiner dan 10 kW/m2. De constructie van Eurostaete is zodanig uitgevoerd dat de achterzijde en het trappenhuis van de toren niet bezwijken door belastingen ten gevolge van drukgolf. Door de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal personen in de nabijheid van het spoor toe. In geval van een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het spoor kunnen daardoor meer mensen slachtoffer worden.

De kans op een dergelijke calamiteit is erg klein. Met de voorziene te treffen maatregelen zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid geoptimaliseerd. Gelet op het vorenstaande en met inachtneming van de opgesomde maatregelen wordt het groepsrisico aanvaardbaar geacht. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.6

Duurzaamheid

4.6.1

gemeentelijke ambities

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

89

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2. Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

90

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3. Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

91

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

4.6.2

Planbeschrijving en duurzaamheid

Hartje Eindhoven 2.0 draagt bij aan de ambitie van Eindhoven om in een voortvarend tempo te verduurzamen. De woningen worden 'all-electric' (gasloos) en energiezuinig gebouwd, het bouwplan zal middels een warmtepomp worden aangesloten op een WKO-systeem. Hierbij wordt warmte en koeling uit het, in de bodem aanwezige, grondwater als energiebron gebruikt. Daarnaast zal een aansluiting met het stadswarmtenet van Ennatuurlijk het warmtapwater verzorgen en de piekvoorziening in de ruimteverwarming op te vangen. Door te voorzien in een royale fietsenstallingen – met direct inpandige toegang tot het gebouw 92

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

- wordt fietsgebruik gestimuleerd. Het auto parkeren wordt opgelost in reeds bestaande parkeervoorziening. De gebouwen worden allen voorzien van groendaken om de waterbergingsopgave op te vangen en tevens zal er een collectieve daktuin tussen de gebouwen worden aangelegd. Dit draagt mede bij om hittestress te voorkomen.

4.7

Bodem

Het (industriële) verleden van Eindhoven heeft zijn sporen in de bodem nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Eindhoven om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van bouwvergunningen of in het kader van de aan- of verkoop van locaties. Uit al deze onderzoeken blijkt dat diverse locaties in Eindhoven de bodem verontreinigd is of verontreinigd is geweest. In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn al deze gegevens geregistreerd. Het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico's voor de gezondheid van mensen. Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen en in de directe omgeving van het plangebied dan ook niet bekend.

4.7.1

Gesteldheid bodem en grondwater

Overal waar werkzaamheden plaatsvinden op of in een geval van bodemverontreiniging zijn in beginsel saneringsmaatregelen nodig. In sommige gevallen kan sprake zijn van beperkingen in het gebruik of extra kosten die gemaakt moeten worden als grond moet worden afgevoerd. Of en hoe gesaneerd moet worden, moet per geval van bodemverontreiniging vooraf worden bepaald in overleg met het bevoegd gezag. Het verdient sterk aanbeveling om bij bouwactiviteiten of grondverzet vooraf het bodeminformatiesysteem van de gemeente te raadplegen. In sommige gevallen zal het uitvoeren van een aanvullend of actualiserend bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een sanering of het afvoeren van vrijkomende partijen grond. Door Aveco de Bondt is een onderzoek naar puin en bodem uitgevoerd op de locatie gelegen aan de PSV-laan te Eindhoven. De uitkomsten van dit onderzoek zijn opgenomen in de als bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen rapportage d.d. 17 juni 2019 “Onderzoek puin en bodem PSV-laan te Eindhoven”, projectnr. 181529. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de bodem ter plaatse van de voorgenomen bebouwing geheel verhard is met puin. De opdrachtgever is voornemens op de puinlaag te bouwen. In overleg met de gemeente Eindhoven is besloten de puinlaag derhalve op asbest te onderzoeken.

Op het terreindeel waar geen woningen zijn voorzien, maar wel grondwerk voorzien is, bleek de puinlaag niet aanwezig. Ter plaatse is de bodemkwaliteit indicatief bepaald. Het doel van het onderzoek is het bepalen of werkzaamheden in het puin milieuhygiënische risico's met zich meebrengen vanwege eventuele aanwezigheid van asbest. Het grondonderzoek is eveneens gericht op mogelijke risico's, maar ook op mogelijke hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond. Uit diverse vooronderzoek is verder niet gebleken dat op de onderzoekslocatie of in de directe omgeving ervan, in het verleden voorzieningen aanwezig zijn geweest of activiteiten hebben plaatsgevonden, die de milieuhygiënische kwaliteit van de vaste bodem en/of het ondiepe grondwater nadelig kunnen hebben beïnvloed. Op basis van de beoordeelde informatie wordt verwacht dat de bodem van de onderzoekslocatie licht verontreinigd is. Gezien de dikte van de op de locatie aanwezige puinlaag (1,3 m1) is besloten niet uit te gaan van een standaard onderzoeksopzet. Gekozen is - in overleg met de gemeente – voor het vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

93

uitvoeren van een onderzoek op asbest in puin op basis van de NEN5897 verkennend onderzoek voor halfverhardingslagen. Daar waar geen puinlaag aanwezig is, onderzoek naar de bodem uitgevoerd. Ter plaatse van de voorgenomen toegang tot de parkeerkelder is een boring uitgevoerd tot 4,5 m-mv waarvan de grond wordt onderzocht op het standaardpakket grond. Omdat onder grondwaterniveau gewerkt wordt is het grondwater uit de, op 6 februari 2019 geplaatste peilbuis, bemonsterd en geanalyseerd op het standaardpakket grondwater. In de mengmonsters van de puinlaag en van de puinhoudende bovengrond is geen asbest is aangetoond. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie en PCB aangetoond, op basis waarvan deze grond indicatief te beschouwen is als klasse 'industrie'. In de zandlaag in het traject 1,0-2,5 m-mv (MM2) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de daaronder liggende leemlaag (MM3, 2,5-3,5 m-mv) is nikkel verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten. De overige parameters zijn niet verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten, op basis waarvan deze grond indicatief te beschouwen is als deze grond indicatief te beschouwen is als klasse 'altijd toepasbaar'.

In het grondwater van peilbuis B1 zijn licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium en kobalt en een sterk verhoogde concentratie (vermoedelijk van nature voorkomende verhoogde waarden) aan nikkel gemeten. Overige parameters zijn niet in verhoogde concentraties aangetoond. Als conclusie wordt door Aveco de Bondt aangegeven: Gezien de vastgestelde bodemk waliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen in grond en puin wordt de interventiewaarde overschreden. Gegeven de in dit rapport beschreven onderzoeksresultaten, wordt de grond en puin vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor de voorgenomen nieuwbouw. Indien bij de aanleg van de toegang tot de parkeergarage een bemaling wordt toegepast dient rekening te worden gehouden met de verhoogde nikkelconcentratie in het grondwater.

4.7.2

Conclusie

Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor ontwikkeling van het plangebied.

4.8

Natuur

4.8.1

Natuurbeschermingsbeleid en - wetgeving

Het natuurbeschermingsbeleid en de wet- en regelgeving op het gebied van flora en fauna kennen twee sporen, namelijk een gebiedsgericht en een soortgericht spoor. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot voormelde actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden.

4.8.2

Soortenbescherming

In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Als gevolg hiervan zijn 94

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

veel soorten niet meer beschermd. Echter een aantal andere vlinder- en libellesoorten en florasoorten zijn nu wel beschermd. Tevens blijft de algemene zorgplicht gelden. Daarnaast geldt in bepaalde provincies voor een aantal van de Tabel 1-soorten uit de Flora- en faunawet wet geen vrijstelling meer. Dit zijn voor de provincie Noord-Brabant de bunzing, hermelijn en wezel. Voor de strikt beschermde soorten in de nieuwe Wet Natuurbescherming, namelijk de soorten die zijn beschermd in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn, geldt dat deze in de Flora- en faunawet gelijkwaardige bescherming genieten. De conclusies ten aanzien van deze soorten zullen dan ook niet veranderen met het van kracht worden van de nieuwe wet. Een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing: 1. in het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) mogen de vegetatie, bosjes en opstallen niet worden verwijderd. Werkzaamheden tijdens deze periode zouden leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd. Er is geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Flora- en faunawet voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen zou kunnen verstoren. 2.

op basis van de zorgplicht volgens volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Door Aveco de Bondt / Tuitert Natuuronderzoek is gekomen tot een onderzoek genaamd “Verkennend natuuronderzoek locatie Hartje Eindhoven, Onderzoek naar het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming” d.d. 12-06-2019 (Rapportnummer: AT/2019/14.02), hier opgenomen als bijlage 13. Op 6 februari 2019 heeft een verkennend veldbezoek plaatsgevonden. In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn geen waarnemingen van beschermde soorten aanwezig uit het plangebied zelf. In de omgeving zijn wel enkele beschermde soorten van stedelijk gebied waargenomen, zoals de gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw. Er zijn geen verspreidingsgegevens van beschermde plantensoorten bekend uit het plangebied. Het plangebied bestaat uit een voedselrijk braakliggend intensief beheerd terrein in het stedelijk gebied van Eindhoven en bevat geen voor beschermde plantensoorten geschikt biotoop. Aanwezigheid van beschermde plantensoort in het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied is één boom aanwezig. Het betreft een monumentale plataan aan de rand van het plangebied. Deze boom blijft behouden.

In de boom zijn geen nesten van roofvogels of andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats aangetroffen tijdens het veldbezoek. Elders is het plangebied is geen grotere opgaande begroeiing of bebouwing aanwezig waarin vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats zouden kunnen broeden. Wel dient rekening gehouden te worden met mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in ruigtes in het plangebied. Dergelijke locaties dienen buiten het broedseizoen te worden verwijderd. Wat betreft vleermuizen kan worden vastgesteld dat geen bebouwing in het plangebied aanwezig is. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. De enige boom die in het plangebied staat blijft behouden. Deze bevat geen zichtbare holtes waarin boombewonende vleermuizen zouden kunnen verblijven. Vanwege het ontbreken van verdere grotere opgaande begroeiing kan worden uitgesloten dat het plangebied een functie als essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute heeft voor vleermuizen. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor overige zwaarder beschermde soorten zoogdieren zoals das, boommarter en eekhoorn vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied in de vorm van opgaande begroeiing.

In het plangebied is geen geschikte biotoop aanwezig voor beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen vanwege het ontbreken van oppervlaktewater en geschikt landbiotoop. Aanwezigheid van beschermde soorten amfibieën, reptielen en vissen in het plangebied kan vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

95

derhalve op voorhand worden uitgesloten. Tijdens het verkennend veldbezoek zijn geen beschermde soorten ongewervelden in het plangebied aangetroffen. Het plangebied bevat ook geen geschikt biotoop voor beschermde soorten libellen, dagvlinders of andere soorten ongewervelden. De aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden in het plangebied kan derhalve worden uitgesloten.

4.8.3

Gebied bescherming

In voormeld “Verkennend natuuronderzoek locatie Hartje Eindhoven” (bijlage 13) wordt ook ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming. Het plangebied maakt geen deel uit van een gebied dat beschermd is in het kader van de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Dommel op ca. 1,5 km afstand van het plangebied is het dichtst bijgelegen NNN-gebied. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van Eindhoven en is niet direct zichtbaar vanuit omliggende NNN-gebieden. Van optische verstoring van soorten in NNN-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Eindhoven en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten en andere ecologische functies in het NNN op voorhand worden uitgesloten. Van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN is geen sprake.

Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Strabrechtse heide & Beuven op ruim 5 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied. In onderstaande afbeelding is de ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied weergegeven.

96

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

Het plangebied is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Eindhoven en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Eindhoven en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Stikstofeffecten worden gelet op de beperkte omvang van de werkzaamheden en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden eveneens niet verwacht.

4.8.4

Aerius berekening

Om voormelde verwachting te kunnen onderbouwen is een aanvullende Aerius berekening uitgevoerd, betreffende zowel de realisatiefase alsook de gebruiksfase van project Hartje Eindhoven, neergelegd in de rapportage van Aveco de Bondt d.d. 30 maart 2020 met als kenmerk NBD/007/181529. Deze berekening (opgenomen als bijkage 14 bij deze toelichting) leidt tot de conclusie dat in realisatiefase noch in gebruiksfase sprake is van een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden en bevestigt aldus de conclusie uit voormelde Quick scan, dat een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is. In haar uitspraak van 4 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:683) overweegt de Afdeling over de cumulatie van stikstof, dat geen rechtsregel ertoe dwingt om de stikstofdepositie van activiteiten die het voorliggende plan niet mogelijk maakt te betrekken bij de gevolgen van het ter beoordeling staande plan. Aldus is formeel op het onderdeel stikstofdepositie een (gezamenlijke) beoordeling van andere ontwikkelingen die in andere bestemmingsplannen dan het bestemmingsplan XI Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven 2.0) mogelijk zijn of worden gemaakt niet aan de orde.

In aanvulling op voormelde solitaire berekening is echter toch een Aerius-berekening gemaakt betreffende de gezamenlijke effecten in realisatiefase en gebruiksfase van project Hartje Eindhoven 2.0. alsmede project Eurostaete, neergelegd in de rapportage van Aveco de Bondt vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

97

d.d. 30 maart 2020 met als kenmerk NBD/008/181529. Deze berekening (opgenomen als bijlage 15 bij deze toelichting) leidt tot de conclusie dat in de realisatiefase noch in de gebruiksfase sprake is van een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden en bevestigt aldus ook de conclusie uit voormelde Quick scan dat een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is.

4.8.5

Conclusie

De planlocatie is momenteel - behoudens een in- en uitritconstructie tbv de aanwezige ondergrondse parkeervoorziening - een volledig onbebouwd terrein met een beschermenswaardige boom in het centrum van Eindhoven. De voorgenomen ingreep leidt niet tot: Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten. Aanvullend veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Noord-Brabant ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde.

4.9

Trillingshinder

Vanwege de ligging nabij de spoorlijn Eindhoven – Boxtel is gekomen tot een onderzoek verricht inzake te verwachten trillingsniveau vanwege met name railverkeer in geprojecteerde woningen van het nieuwbouwplan "Hartje Eindhoven 2.0". De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van bureau Peutz d.d. 26 mei 2020, welk onderzoek hier als bijlage 16 is opgenomen. Voor de beoordeling van te verwachten trillingen is, uitgegaan van de streefwaarden voor de maximaal optredende trillingssnelheden zoals opgenomen in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006. Deze systematiek sluit aan bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van mei 2019 van het Ministerie van I & W. Voor woningen geldt een zogenaamde onderste streefwaarde A1 van 0,1. Deze waarde wordt, gezien de worst case maximale trillingsterkte tot 0,8 in de geprojecteerde woningen, ruim overschreden. Deze trillingen worden verwacht als gevolg van passerende treinen. Als gevolg van de passerende voertuigen wordt een maximale trillingsterkte verwacht tot 0,2. Deze waarde overschrijdt ook de streefwaarde A1 van 0,1. Bij overschrijding van de onderste streefwaarde wordt in eerste instantie toetsing aan de bovenste streefwaarde A2 relevant.

Omdat ook in de nacht sprake is van passerende treinen en voertuigen geldt een maatgevende A2 van 0,2. Deze waarde wordt voor treinen ook ruim overschreden. Voor de voertuigen wordt juist voldaan aan deze waarde. Door bureau Peutz worden diverse oplossingsmogelijkheden beschreven, waarna wordt geconcludeerd dat de exacte maatregelen moeten worden gedimensioneerd op basis van aanvullende dynamische berekeningen. Middels deze maatregelen kan een acceptabel woonklimaat worden gewaarborgd zodat qua trillingen geen belemmeringen bestaan om het bestemmingsplan vast te stellen.

98

vastgesteld XII Strijp binnen de Ring 2007 (Hartje Eindhoven) Gemeente Eindhoven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11741823/1