Bijlage 1 - Bestemmingsplan Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling)
Tekst van het document
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
29
3.8
Groen
3.8.1
Groenbeleidsplan
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.
Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
30
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.3: Ruimtelijke Strategieënkaart
Onderhavig plangebied is geheel gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend' en is tevens aangeduid als groenarme buurt. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Het plangebied De herinrichting van het openbaar gebied boven de ondergrondse fietsenstalling waar het Stationsplein onderdeel van uitmaakt is door de gemeente in voorbereiding. Een voorlopig ontwerp is als figuur 3.4 in deze toelichting opgenomen.
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
31
Figuur 3.4: Voorlopig ontwerp Stationsplein Zuid
Na de bouw van de ondergrondse fietsenstalling zal de constructie met een aardlaag worden afgedekt en opgeleverd, zodanig dat hier ook succesvol nieuwe bomen in kunnen worden geplant. Omdat het plangebied is gelegen binnen een zogenoemde 'groenarme buurt', is conform het beleid gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Er is dan ook geen sprake van een ontwikkeling die ten koste dreigt te gaan van groen en daarmee geheel in lijn met het Groenbeleidsplan en de Beleidsregels Groencompensatie. Figuur 3.5 geeft nog een 3D impressie van de nieuwe situatie.
32
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
Figuur 3.5: 3D impressie
Beleid bomen Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.
Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (Particuliere) percelen groter dan 250 m2. De informatie op de groene kaart is nodig om: Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
33
Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart regelmatig bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers. Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald. Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'. Wanneer in het plangebied sprake is van activiteiten met betrekking tot kappen en compensatie van bomen, is de bescherming van bomen niet geregeld in het bestemmingsplan. De bomenverordening 2021 is in die gevallen van toepassing.
Uitsnede Groene Kaart plangebied
Bomen Effect Analyse Om in beeld te krijgen wat de invloed van de geplande werkzaamheden op de bomen is, is een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. Onderzocht is het gebied dat grofweg wordt begrensd door: De spoorlijn aan de noordzijde. De Dommel aan de oostzijde. 34
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
De Stationsweg aan de zuidzijde. De Vestdijk aan de westzijde. De resultaten zijn gerapporteerd en als bijlage 16 aan onderhavige toelichting gehecht. Aanleg van de ondergrondse fietsenstalling is met name van invloed op boom 18. Er wordt hier een scala aan werkzaamheden uitgevoerd. De werkzaamheden hebben, zelfs in aangepaste vorm, negatieve effecten op deze boom. De negatieve effecten in combinatie met de matige tot redelijke kwaliteit leiden ertoe dat de boom verder in verval raakt. Deze boom is niet duurzaam te behouden en zal daarom worden gerooid. Tegen de tijd dat er werkzaamheden verricht gaan worden, zal een omgevingsvergunning voor het vellen van deze boom worden aangevraagd. In het kader van deze vergunning zal een compensatieplicht worden opgenomen.
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
35
36
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieuparagraaf
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is met name 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. De vormvrije m.e.r.-beoordeling / aanmeldingsnotitie is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.
De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
37
gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Ten zuiden van het Station vinden zes ruimtelijke ontwikkelingen plaats. In de cumulatienota Stationslocatie Zuid-Oost Eindhoven, dat als bijlage 1 bij de aanmeldingsnotitie is gevoegd, is ingezoomd op de cumulatieve milieu- en leefomgevingseffecten van deze ontwikkelingen samen. De cumulatienotitie is een aanvulling op de m.e.r.-beoordelingen die eerder zijn uitgevoerd voor elk van de zes ontwikkelingen afzonderlijk, waaronder die voor de ondergrondse fietsenstalling. Geconcludeerd wordt dat ook door de combinatie van de zes ontwikkelingen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden als aan verschillende voorwaarden wordt voldaan voor de verschillende ontwikkelingen. Als het gaat om de ondergrondse fietsenstalling is voor dit bestemmingsplan alleen de volgende voorwaarde relevant: het grondwater mag met niet meer dan 0.05 meter opgestuwd worden. Dit is geregeld in artikel 10.2 van de regels. 4.1.2
Conclusie
Voor de verdere planvorming ten behoeve het dit bestemmingsplan is geen milieueffectrapportage vereist. Dit blijkt uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r-beoordeling en de Cumulatienotitie Stationslocatie Zuid-Oost Eindhoven. In de regels is geborgd, dat het grondwater met niet meer dan 0.05 meter opgestuwd mag worden.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1
Staat van bedrijfsactiviteiten
De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. 38
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Voor dit bestemmingsplan is de staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG aangepast. Bedrijven die in het algemeen vanwege de aard van de activiteiten niet passend zijn op een bedrijventerrein, zijn niet in de staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen (denk bijvoorbeeld aan bioscopen, dierentuinen, sporthallen, kantoren, etc.). Daarnaast worden bedrijven die gezien hun aard en activiteiten niet in onderhavig plangebied thuishoren en/of voor kunnen komen, uitgesloten (bijvoorbeeld visserij- en visteeltbedrijven, aardolie- en gaswinning, etc.).
Vervolgens is een selectie gemaakt van de bedrijven behorende tot de voor het plangebied, al dan niet met ontheffing, toegelaten milieucategorie (categorieën 1 t/m 4.2). 4.2.2
Relatie met plan
Met dit initiatief wordt geen nieuwe milieugevoelige functie mogelijk gemaakt. Daarnaast worden ondergrondse fietsenstallingen niet als een bedrijf gezien in de VNG-brochure met richtafstanden. Hier zijn slechts parkeergarages voor motorvoertuigen opgenomen. In dit bestemmingsplan wordt een ondergrondse fietsenstalling mogelijk gemaakt, die niet bedoeld is voor motorvoertuigen, maar ook niet voor brommers, scooters, etc. met een benzinemotor. In het kader van bedrijven en milieuzonering is de ondergrondse fietsenstalling dan ook niet van belang. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
39
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.
Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. 4.3.2
Relatie met plan
Dit plan voorziet niet in een geluidsgevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder. De onderdelen weg-, rail- en industrielawaai zijn daarom niet van belang. Ook luchtverkeerslawaai vanwege Eindhoven Airport is niet aan de orde.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.
40
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
41
4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5
Relatie met plan
Het plan zorgt niet voor extra autoverkeer. Het plan wordt daarmee op voorhand gezien als een plan dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarnaast wordt geen milieugevoelig object gerealiseerd, waardoor ook de achtergrondwaarden omtrent luchtkwaliteit niet van belang zijn bij dit project. Voor het onderdeel stikstof wordt verwezen naar paragraaf 4.8.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. 4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
42
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
4.5.2
Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid
De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. 4.5.3
Groepsverantwoording
Bij het vaststellen van het bestemmingsplan door de gemeenteraad dient normaal gesproken het groepsrisico te worden verantwoord. Echter de nieuwe ondergrondse fietsenstalling is geen beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object en kan worden beschouwd als een onderdeel van het station. Daarom kan een verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Advies Veiligheidsregio Een advies van de Veiligheidsregio is gevraagd in het kader van het vooroverleg. Dit advies is ontvangen en opgenomen in bijlage 22. 4.5.4
Conclusie
De nieuwe ondergrondse fietsenstalling is geen beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object en wordt beschouwd als een onderdeel van het station. Een aparte verantwoording in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk.
4.6
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
43
ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn.
Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben.
In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, 44
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften.
We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
45
MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.1
Planbeschrijving
De hoge duurzaamheidsambities komen terug in het voorlopig ontwerp van de ondergrondse fietsenstalling, dat op dit moment in ontwikkeling is. De belangrijkste kenmerken daarvan zijn: Stimuleren gebruik van de fiets in voor-en natransport naar en van het OV-knooppunt door een aantrekkelijke fietsenstalling te maken met een directe aansluiting aan de hoofdfietsroute en aan het stationsgebouw. Faciliteren huurfietsen/deelfietsen zoals OV-fiets om dubbel ruimtegebruik te bevorderen en minder fietsen te gebruiken. Hergebruiken en opwaarderen van de bestaande stalling met koppeling naar de nieuwe stalling. Terugbrengen van voetgangersentree tussen fietsenstalling en hal, ongeveer op de plek waar deze oorspronkelijk ook zat. Constructief rekening houden met groene inrichting Stationsplein, daarmee indirect bijdragend aan beperken van hittestress. Faciliteren van watergang Gender, als bijdrage in de waterhuishouding van de directe omgeving (wadi), door de entreezone van de fietsenstalling onder de Gender te leggen en bruggen over de Gender constructief te ondersteunen. Beperken m3 grondtransport door een compacte vorm en geen lager aanlegniveau dan strikt noodzakelijk. Rekening houden met eventuele waterbuffering op het dek van het nieuwbouwgedeelte van de fietsenstalling. Toepassen duurzame constructie, bijvoorbeeld door toepassing betongranulaat.
De ambitie om circulaire materialen te gebruiken en detailleringen van het inbouwpakket en primaire constructies (m.n. in het entreegebied) zichtbaar te houden, indien dit constructief, onderhouds- en belevingstechnisch mogelijk is. Toepassen duurzame en vandalismebestendige materialen met lange levensduur. Toepassen van uitsluitend comfortabele etage-fietsenrekken met lange levensduur die bovendien efficiënt ruimtegebruik mogelijk maken. Om energie te besparen wordt de fietsenstalling uitsluitend uitgerust met ledverlichting, die bovendien dynamisch wordt afgesteld (afhankelijk van benodigde lichtsterkte en aan/afwezigheid van mensen). De fietsersentree wordt voorzien van een vaste luie trap met fietsgoten, mede om rolbanen (tapis roulants) met hoog energiegebruik te voorkomen. Er wordt gestreefd naar natuurlijke in plaats van mechanische ventilatie. Toepassen van kunst om ruimtelijke kwaliteit, beleving en sociale veiligheid van de ondergrondse ruimte te waarborgen. Duurzaamheidseisen als EMVI-criteria meegeven in de aanbesteding. Daglichttoetreding via het monumentale stationsgebouw op een of meer trappen in de fietsenstalling is in de vorm van het openmaken van de kopgevel van het stationsgebouw uitgewerkt. Naast deze kenmerken is er ook een aantal zaken in onderzoek, waarvan de uitkomsten op dit moment nog niet bekend zijn.
In het bijzonder gaat het dan om: Onderzoeken haalbaarheid gebruik zonne-energie door bestaande of uit te breiden zonnepanelen op de daken van het stationsgebouw t.b.v. energievoorziening fietsenstalling. Voorbereiden op slim bouwen: slimme bouwfasering, prefabricage waar mogelijk, korte 46
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
bouwtijd, beperking van trilling-, geluid- en andere bouwhinder. Onderzoeken mogelijkheden hergebruik uitkomende grond voor gronddekking, in nabijheid bouwlocatie op te slaan en daarmee transport beperkend.
4.7
Bodem
Er zijn voor dit plan meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd, namelijk: 1. een asfalt- en constructieonderzoek gecombineerd met een verkennend bodem- en asbestonderzoek door SWECO, d.d.15 mei 2019; 2. een aanvullend bodem - en afperkend grondwateronderzoek door Stantec, d.d. 22 januari 2021 Deze onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen 5 en 6. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Asfalt- en constructieonderzoek Doel van het onderzoek is tweeledig, namelijk het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van het vrijkomende asfalt, funderingsmateriaal en grond, zodat deze hergebruikt dan wel elders afgezet kan worden. En daarnaast ten behoeve van het bepalen van de veiligheidsklasse van de bodem (Arbo-maatregelen) voor tijdens de uitvoering. De bodem is onderzocht tot 6,0 m-mv in verband met de geplande fietskelder. Het onderzoek geeft aan dat de onderzochte asfaltconstructie deels teerhoudend en deels teervrij is. In totaal kan er uit het onderzochte wegvak circa 90 ton teervrij en circa 190 ton teerhoudend asfalt vrijkomen. Het Nederlandse beleid is erop gericht teerhoudend asfalt thermisch te reinigen. Verkennend bodem- en asfaltonderzoek Bodem Tijdens het onderzoek zijn diverse boringen gestaakt vanwege een massieve laag in de bodem en/of aanwezige kabels en leidingen. Zintuiglijk zijn bijmengingen met baksteen en beton aangetroffen.
Van de aangetroffen (bijna hele) bakstenen is niet de milieuhygiënische kwaliteit bepaald. Wel is de grond onderzocht met matige bijmengingen. De massieve laag in de bodem wijst mogelijk op een voormalige klinkerverharding. Ter plaatse van boring 03 is menggranulaat (fundering) in de bovengrond aangetroffen, welke doorloopt in de onderliggende bodem. In de ondergrond van 0,7 tot 1,0 m-mv is een sterke olie-waterreactie waargenomen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de ligging van de boorpunten zijn een aantal (meng)monsters geanalyseerd. Op basis hiervan zijn in de zintuiglijk schone bovengrond (MM01, MM02) licht verhoogde gehalten (ten opzichte van de achtergrondwaarde) aangetoond aan verschillende zware metalen. Ter plaatse van de diepe ondergrond (MM07) is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. In de overige zintuiglijk schone grondmonsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het zintuiglijk matig baksteenhoudende ondergrondmonster (B04-6) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het zintuiglijk matig baksteen-/betonhoudende bovengrondmonster (B07-2) zijn licht verhoogde gehalten aan zink, PCB en PAK aangetoond. In boring B03 is in de laag 0,80 - 1,00 een sterke olie-water reactie waargenomen. In deze laag overschrijdt het minerale oliegehalte de interventiewaarde.
De overschrijding is verticaal afgeperkt middels een boven- en onderliggende laag. In deze lagen zijn licht verhoogde gehalten aangetoond aan minerale olie. In de bovenliggende laag is tevens een matig verhoogd gehalte met zink aangetoond, vermoedelijk te relateren aan de aangetroffen bijmengingen met menggranulaat. Horizontaal is de overschrijding afgeperkt middels de boringen B12 en B13 en A02*. Enkel in zuidelijke richting (buiten het plangebied) is de overschrijding niet afgeperkt.
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
47
Indicatief is de grond getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. De grond is grotendeels altijd toepasbaar/klasse wonen. Ter plaatse van de licht verhoogde gehalte aan minerale olie voldoet de grond indicatief aan klasse industrie/niet toepasbaar > industrie. Ter plaatse van de sterk verhoogde gehalten is de grond niet toepasbaar > interventiewaarde. In het grondwater zijn diverse licht verhoogde gehalten (ten opzichte van de streefwaarde) aangetoond. De overschreden parameters betreffen: barium, benzeen, xylenen, naftaleen, cis_trans-1,2-dichlooretheen, minerale olie en vinylchloride. Asbest De fundering onder het asfalt bevat bijmengingen met baksteen en beton. Van deze laag zijn twee asbestmengmonsters samengesteld. In de geanalyseerde monsters is geen asbest aangetoond boven detectiegrens. De resultaten komen overeen met voorgaande onderzoeken, waarbij eveneens geen asbest is aangetoond in eenzelfde bijmenging. Advies De milieuhygienische kwaliteit van de onderzoekslocatie vormt grotendeels geen belemmering voor de voorgenomen reconstructiewerkzaamheden. De asfaltconstructie binnen het onderzoekgebied is deels teerhoudend (circa 190 ton) en deels teervrij (circa 90 ton). De aangetoonde interventiewaarde overschrijding met minerale olie in grond is op basis van onderhavig onderzoek kleinschalig binnen het plangebied.
Hierbij wordt opgemerkt dat de exacte omvang van de verontreiniging in zuidelijke richting (buiten het plangebied) niet is afgeperkt. Aanvullend bodem - en afperkend grondwateronderzoek Conclusies diepere ondergrond In de diepe zandige (4,0 – 5,0 m-mv) en venige (3,0 – 3,5 m-mv) ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Ook de zandlaag van 5,0 tot 6,0 m-mv is op basis van de waarnemingen (het betreft dezelfde laag) schoon. De grond valt in de klasse Achtergrondwaarde en is derhalve bij verwerking multifunctioneel toepasbaar. In de diepe venige ondergrond (4,5 – 5,2 m-mv) is plaatselijk een licht verhoogd gehalte kobalt gemeten. Deze grond valt in de klasse Wonen. Conclusies afperking grondwaterverontreiniging en gevalsdefinitie Het grondwater ter plaatse van peilbuis A07 is sterk verontreinigd met minerale olie en naftaleen. Deze concentraties zijn in vergelijkbare concentraties aangetroffen als in de vorige meetronde. Het grondwater ter plaatse van peilbuis NPB01, die is geplaatst ter verticale afperking van de minerale olie verontreiniging in peilbuis A07, is licht verontreinigd met xylenen en naftaleen. De verontreiniging is hiermee verticaal afgeperkt tot onder de tussenwaarde.
Het grondwater ter plaatse van peilbuizen NPB02 tot en met NPB08, die zijn geplaatst ten behoeve van de horizontale afperking van de minerale olie en naftaleen verontreiniging in peilbuis A07, is maximaal licht verontreinigd met xylenen, naftaleen en minerale olie gemeten. De verontreiniging is hiermee horizontaal afgeperkt. De verontreiniging heeft een oppervlakte van circa 475 m2 en een diepte van circa 2,2 m. De omvang van de verontreiniging is daarmee 1.045 m3. Het betreft derhalve een geval van ernstige bodemverontreiniging in het grondwater, die nog niet administratief is vastgelegd. Op basis van de gemeten oliefracties en het chromatogram is het een verontreiniging met huisbrandolie/gasolie/diesel, waarvan de ouderdom en herkomst onbekend is.
48
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
Aangezien het een verweerde oliesoort betreft en er geen recente bronlocaties bekend zijn, wordt verondersteld dat hier sprake is van een historische verontreiniging (ouder dan 1987). Het betreft een niet-spoedeisend geval op basis van de omvang, aanwezige verhardingen en de ligging buiten de Ecologische HoofdStructuur. Aanbevelingen Tijdens eventuele graafwerkzaamheden zijn conform de CROW 400 geen veiligheidsklassen van toepassing. Daarbij dient in ieder geval de basishygiëne in acht genomen te worden. Uitzondering is ter plaatse van de minerale olie verontreiniging ter hoogte van peilbuis A07, waar gewerkt dient te worden met veiligheidsmaatregelen conform Rood/Zwart, Vluchtig. Het indienen van een melding in het kader van de Wbb wordt noodzakelijk geacht voor werkzaamheden in het grondwater ter plaatse van peilbuis A07. Hierbij is een saneringsplan noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met een behandelingstermijn van minimaal acht weken. Saneringsplan Er is een saneringsplan opgesteld. Deze is als bijlage 17 bij de toelichting gevoegd. De volledige verontreiniging in het grondwater zal ontgraven worden of geïsoleerd worden met een verharding. Conclusie De aanwezige grondwaterverontreiniging zal worden gesaneerd. Na graafwerkzaamheden en de aanleg van een bemalingssysteem zal het grondwater bemaald worden om droog te kunnen graven tijdens de sanering.
Na de sanering zijn er - als het gaat om de kwaliteit van bodem en grondwater - geen belemmeringen meer om de ondergrondse fietsenstalling aan te leggen.
4.8
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.8.1
Wet natuurbescherming
De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. Onderzoek flora en fauna Er heeft een onderzoek naar flora en fauna plaatsgevonden. Deze is opgenomen in de bijlage vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
49
7. Hieronder worden de resultaten en conclusies beschreven. Grondgebonden zoogdieren Zelfs voor de minst kritische soorten is het onderzoeksgebied niet of nauwelijks geschikt aangezien beschutting vrijwel geheel ontbreekt. Voor deze soorten geldt daarnaast een vrijstelling in het kader van de werkzaamheden. Nader onderzoek naar deze soorten of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Uit de Wet natuurbescherming en de Verordening Wet natuurbescherming van de provincie Noord- Brabant volgt dat de bescherming van een aantal grondgebonden zoogdieren is veranderd. De kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) worden in de provincie strenger beschermd doordat deze niet meer algemeen worden vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen (onder de Ffw gold nog wel een al-gemene vrijstelling voor deze soorten). Vanaf 1 oktober 2017 is wel een ontheffing nodig voor kleine marterachtigen als er niet wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode. Gezien het onbe-schutte en sterk urbane karakter, het geringe oppervlak en de ligging zijn kleine marterachtigen niet te verwachten binnen het onderzoeksgebied en is een nader onderzoek of ontheffing niet nodig.
Vleermuizen Essentiële foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming als deze noodzakelijk zijn voor het functioneren van voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is echter relatief klein en grotendeels verhard, hogere begroeiing ontbreekt, buiten een beperkt aantal solitaire bomen, vrijwel geheel en het plangebied is grotendeels verlicht. De noodzakelijk structuren en kenmerken ontbreken om van wezenlijk belang te zijn als foe-rageergebied. Het maakt hoogstens een marginaal onderdeel uit van een veel groter geheel. Ook zijn er geen lijnvormige elementen aanwezig binnen het plangebied. Essentiele vliegroutes zijn dan ook niet te verwachten binnen de grenzen van het plangebied. De aanwezige bomen bevatten geen voor vleermuizen geschikte holte of scheuren. Ook de beperkt aanwezige bebouwing is geheel ongeschikt voor vleermuizen als verblijfplaats. Nader onderzoek of ontheffing is dan ook niet nodig. Vogels Binnen het onderzoeksgebied zijn vrijwel geen geschikte broedlocaties aanwezig. Het onderzoeksgebied is voor vrijwel alle vogelsoorten ongeschikt als broedlocatie aangezien beschutting vrijwel geheel ontbreekt. Alleen de minst kritische soorten kunnen mogelijk binnen de grenzen van het plangebied tot broeden komen.
Om elk mogelijk effect te voorkomen dient het rooien van bomen buiten de broedperiode te worden uitgevoerd. Daarnaast dient men alert te zijn op eventuele aanwezige broedgevallen buiten de reguliere broedperiode (medio maart tot en met medio juli). Jaarrond beschermde nesten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Planten, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden Het plangebied, en overigens ook de directe omgeving daarvan, is in zijn geheel niet geschikt voor beschermde planten, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater, het geringe en vrijwel geheel verharde oppervlak en het ontbreken van geschikt habitat en beschutting in het plangebied is de aanwezigheid van deze soorten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit te sluiten. Ook in de directe omgeving is geen potentieel voortplantingswater aanwezig. Een overtreding van verbodsbepalingen is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit te sluiten. Derhalve is aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag niet nodig. Conclusie en aanbevelingen Nader onderzoek is niet nodig aangezien geschikt habitat voor deze soorten binnen en in de omgeving van het plangebied ontbreekt of effecten niet te verwachten zijn.
50
vastgesteld Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling) Gemeente Eindhoven
Gebiedsbescherming De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnet-werk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect op Natura 2000, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling van een fietsenkelder betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. De gebruiksfase zorgt niet voor depositie aangezien er geen sprake is van autoverkeer o.i.d. en er wordt niet op gas gestookt in de kelder. De kelder is geheel elektrisch verlicht. De aanlegfase zorgt wel voor een emissie. Deze is berekend middels de Aerius calculator. Deze berekening is opgenomen in bijlage 8.
Geconcludeerd wordt dat de aanlegfase van het plan geen depositie kent die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar bij Natura 2000. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De berekeningen zijn voorgelegd aan de Omgevingsdienst. Deze komt tot de volgende conclusies: Overige effecten naast stikstof (akkoord): Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (4,7 km) zijn andere dan stikstof vast te stellen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden (zoals lichtverstoring, geluidsverstoring, verdroging etc.) uit te sluiten. Deze hoeven daarom ook niet bij de plan-vorming te worden meegenomen. Indieningsvereisten berekening (akkoord): De berekening zijn gemaakt in de meest recente versie van Aerius Calculator (versie 2020) conform de regeling natuurbescherming. Enkel van de aanlegfase is een berekening aangeleverd. Dit is akkoord aangezien het project niet voorziet in emissies tijdens de gebruiksfase. Fietsen produceren geen stikstofuitstoot. Uitgangspunten aanlegfase (akkoord): De uitgangspunten van de aanlegfase zijn akkoord. Alle mobiele bronnen van alle voor het project van belang zijnde werkzaamheden zijn gemotiveerd en ingevuld in AERIUS-Calculator. Er is geen reden te twijfelen aan de aangevraagde emissiebronnen.