Bijlage 1 - Bestemmingsplan Kempenbaan-Oost
Tekst van het document
29
lager dan de ad hoc interventiewaarde. Daarnaast zijn de gehaltes PFAS lager dan de maximale waarde voor bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De bepalingsgrens wordt wel voor enkele individuele PFAS overschreden. Op basis van de uitgevoerde SGC-zeefkrommes wordt verwacht dat het zand dat vrijkomt zal voldoen aan de eisen voor ‘zand in zandbed’ en ‘zand in aanvulling of ophoging’, met uitzondering van De Run 2100 en De Run 1100. Het zand dat ter plaatse van deze locaties vrijkomt zal naar verwachting enkel voldoen voor ‘zand in aanvulling of ophoging’. Op basis van het samenstellings- en uitloogonderzoek wordt verwacht dat de funderingslagen, met uitzondering van de asfaltfundering ter plaatse van de Meerveldhovenseweg, zullen voldoen aan de eisen van een niet-vormgegeven bouwstof. De asfaltfundering is teerhoudend en komt niet in aanmerking voor hergebruik. De onderzoeksresultaten zijn indicatief en uitsluitend bruikbaar voor de afvoer van de materialen naar een erkend verwerker of acceptant. Verkennend asbestonderzoek in puin Tijdens de monsterneming is in het grootste gedeelte van de gegraven asbestgaten een volledige puinlaag aangetroffen.
Al het ontgraven materiaal uit de proefgaten is gezeefd en geïnspecteerd, waarbij in de proefgaten A025, A027, A037, A047, A050 en A052, aan de Kempenbaan, en in de proefgaten A085 en A086, aan De Run 1100, asbestverdachte plaatmaterialen zijn aangetroffen. Ter plaatse de Meerveldhovenseweg en Karel de Grotelaan, Rijksweg N2, De Run 2100, De Run 4200 en de Provincialeweg is geen asbest aangetoond boven de norm voor nader onderzoek. Ter plaatse van de Kempenbaan is in proefgaten A025, A047, A050 en A052 asbest aangetroffen boven de norm voor nader asbestonderzoek. Ook aan De Run 1100 is in proefgat A086 een gehalte aan asbest aangetoond boven de norm voor nader onderzoek. Op basis van de onderzoekresultaten is de Kempenbaan en proefgat A086 verontreinigd met asbest. De overige straten en proefgaten zijn niet verontreinigd met asbest. Conclusies en aanbevelingen Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit binnen de onderzoekslocatie. Daarnaast is met het onderzoek voldoende inzicht verkregen in de verwachte civieltechnische kwaliteit van de grond, de verwachte hergebruiksmogelijkheden van de funderingslagen en de aanwezigheid van verontreinigingen met asbest in de puinfundering.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende aanvullende onderzoeken geadviseerd: Nader bodemonderzoek NTA 5755: Onderzoek naar de oorzaak, ernst en omvang van de sterk verhoogde concentratie vinylchloride in het grondwater van peilbuis 128; Verkennend onderzoek asbest in grond NEN 5707: Onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond ter plaatse van de volgende deellocaties: Bermen op- en afritten Rijksweg N2 (puin op maaiveld); Onverharde terreindeel ter hoogte van de rotonde De Run 4200 en westelijk van Rijksweg N2 (puin op maaiveld); Westzijde Kempenbaan, ter hoogte van het verwijderde fietspad (puin op maaiveld); Omgeving Meerveldhovenseweg en Karel de Grotelaan (ongedefineerd puin in de grond). Nader onderzoek asbest in puin NEN 5897: Onderzoek naar het gehalte asbest in de puinfundering ter plaatse van de volgende deellocaties: Kempenbaan; De Run 1100 (proefgat A086). Indien werkzaamheden uitgevoerd gaan worden ter hoogte van kruispunt Kempenbaan/De Run 3100 wordt geadviseerd een nader asbestonderzoek NEN 5707 uit te voeren naar de omvang van de eerder aangetroffen bodemverontreiniging met asbest. 30
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
De aanbevolen nadere onderzoeken worden verricht voordat wordt gestart met de werkzaamheden.
4.4
Water
4.4.1
Waterrelevant beleid en regelgeving
Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het PMWP zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat voor: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Waterbeheerplan 2016 - 2021 Waterschap de Dommel 'Waardevol Water' Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.
Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's: Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven.
Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode? voldoende water voor landbouw en natuur; wateroverlast en hittestress; kringloop-denken; steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; vergroten waterbewustzijn. Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
31
wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. De Keur van het waterschap is enkel van toepassing wanneer direct wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam in beheer en eigendom van het waterschap De Dommel Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.
Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan 2015 - 2019 gemeente Veldhoven Het waterbeleid van de gemeente Veldhoven is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (2015-2019). De term Verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Volgens de wetgeving heeft de gemeente Veldhoven drie zorgplichten op het gebied van stedelijk waterbeheer: zorgplicht stedelijk afvalwater; zorgplicht hemelwater; zorgplicht grondwater. Dit komt er op neer dat de gemeente vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid zorg draagt voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen.
Wanneer wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel van de gemeente Veldhoven zijn de volgende regels van toepassing: vuilwater en schoon hemelwater worden separaat aangeboden op de perceelgrens; de gemeente hanteert voor een toename van het verhard oppervlak van 250 m2 tot 2000 m2 een compensatie van 42 mm/m2 berging binnen het te ontwikkelen plangebied. Boven de 2000 m2 gelden de regels van de Keur van Waterschap de Dommel; voorkeur voor een bovengrondse berging; leegloop van de bergingsvoorziening (infiltratie, geknepen afvoer en dergelijke) dient per locatie te worden aangegeven. Bij infiltratie dient te worden aangetoond dat infiltratie mogelijk is; wanneer wordt afgevoerd naar het gemengde stelsel dient een terugslag te worden toegepast zodat vuilwater niet de voorziening in kan stromen; bij het indienen van een omgevingsvergunningaanvraag dient een gedetailleerd ontwerp te worden ingediend van de bergingsvoorziening en de leegloopconstructie. Ambitie gemeente Veldhoven voor afvoer van hemelwater Als het regent in de gemeente Veldhoven verdwijnt het meeste hemelwater in de riolering. Door verandering van het klimaat wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe.
Om droge voeten te houden, wordt ruimte gecreëerd in het groen en/of wordt oppervlaktewater aangelegd. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde 32
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en - als het niet anders kan - dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater en in de aanpassing van waterpartijen. De perceelseigenaar draagt een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave. Gemeentelijk Rioleringsplan (2019 - 2022) gemeente Eindhoven Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt.
Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave. Beleidsregel klimaatrobuust handelen gemeente Eindhoven Vanwege de urgentie heeft de gemeente Eindhoven vorig jaar een beleidsregel opgesteld om de ambitie waar te maken om in 2020 volledig klimaat robuust te handelen en dat de stad in 2050 volledig klimaat robuust is. In december 2018 is de beleidsregel aangepast. In het beleid is een toetsingskader opgenomen met concrete ontwerp normen voor de openbare ruimte gekeken naar klimaat robuustheid.
In de eerste beleidsregel (tweede punt) is opgenomen: “We hanteren de norm dat iedere op de gemeentelijke riolering afwaterende m2 verharding binnen het plangebied van nieuwbouw en/of herontwikkeling gecompenseerd moet worden met een voorzieningen boven, op of onder maaiveld, die tot 60 mm water kan bergen en vertraagd laat leeglopen in minimaal 10 en maximaal 24 uur. Waterbergingsvoorzieningen zijn bij voorkeur groene maatregelen (groende daken, verlaagd uitgevoerde boom en/of beplantingsvakken) of, indien het niet anders kan, civiel technische maatregelen met vertraagde leegloop. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm.” Er mag bij hoge uitzondering worden afgeweken van de beleidsregel indien er ander maatschappelijke belang spelen óf dat er eventueel schade kan ontstaan door de maatregelen. In de geüpdatete versie van december 2018 wordt er onderscheid gemaakt tussen ruimtelijke ontwikkeling op de private- en openbare ruimte. Waarbij voor private gronden nog het vigerend beleid wordt gehanteerd, waarbij vrijblijvend klimaatadvies wordt gegeven. 4.4.2
Watertoets
Onderdeel van het integraal wegontwerp is het ontwerp van een waterhuishoudkundig systeem. Voor het ontwerp zijn op basis van het beleid van Waterschap De Dommel en de gemeenten Veldhoven en Eindhoven de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden bepaald: De maatgevende bui is een bui die één keer in de 100 jaar valt (T=100 bui). Bij deze bui vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
33
valt er 60 mm in één uur. Het hemelwater dat in het projectgebied valt, wordt lokaal (in het projectgebied) vastgehouden, geborgen en afgevoerd. Het wordt een klimaatadaptief en toekomstrobuust project, hierdoor wordt berging voor het gehele oppervlak gecreëerd voor de maatgevende bui en niet alleen voor het extra (nieuw) verhard oppervlak. De wateraanvoer naar de bergingsvoorzieningen komt van het verhard oppervlak, het onverhard oppervlak wordt hierin niet meegenomen. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is binnen het gehele projectgebied met de beschikbare meetreeks bepaald op een gemiddelde GHG van 18,00 m+NAP. Dit betekent dat de GHG circa 1,00 meter onder het maaiveld is. Alle bergings- en infiltratievoorzieningen moeten binnen 10 uur tot 72 uur na de bui weer beschikbaar zijn, met als voorkeur binnen 10 uur tot 24 uur Alle bergings- en infiltratiesystemen worden robuust ontworpen met een overloop of bypass-systeem. De k-waarde in de berekeningen wordt op 0,00 m/dag aangehouden, dit is een worst-case scenario waarbij er geen infiltratie plaats kan vinden. In de berekeningen wordt geen rekening gehouden met afstroomverliezen of verdamping. Dit houdt in dat elke druppel die in het projectgebied valt geborgen en verwerkt moet worden volgens de berekeningen. Het hemelwater in het projectgebied mag niet worden afgevoerd middels het bestaande GWA/DWA stamriool.
De afvoer uit een voorziening naar het oppervlaktewater mag maximaal 2 l/s/ha zijn. De doorstroom van de Gender mag niet worden verstoord. De hydraulische werking van de Gender mag niet negatief worden beïnvloed. Huidige situatie In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van de beek de Gender, een aantal afwateringssloten aan weerszijden van de beek en langs de Rijksweg, en een drietal poelen. Twee van deze poelen liggen ten noorden van de Kempenbaan, aan weerzijden van de Rijksweg. De derde poel ligt ten zuiden van de Kempenbaan, tussen de afrit 32 Veldhoven-Zuid en de Rijksweg. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap De Dommel. Het maaiveld in het projectgebied is overwegend vlak met een gemiddelde hoogte van 19,00 m+NAP. Belangrijk gegeven in het ontwerp is dat de noordelijke en zuidelijke rijbaan van de Kempenbaan Oost variëren in hoogte van 0,10 tot 0,40 meter. In het projectgebied zijn hoofdzakelijk twee typen bodemtypen aanwezig: zwak lemig fijn zand en fijn zand. De infiltratiesnelheid in het plangebied is over het algemeen laag, zodat voor de berekeningen wordt uitgegaan van een k-waarde van 0,00 meter/dag. De GHG en GLG in het projectgebied zijn ingeschat op basis van een aantal peilbuizen.
Ontwerpkeuzes Voor het ontwerp van het waterhuishoudkundig systeem is het volgende ontwerpkader aangehouden: Open water wordt gecreëerd waar mogelijk. Berging op het maaiveld is de tweede keuze, waarbij een wadi of greppel de meest gunstige opties zijn. Ondergrondse berging (berging onder het maaiveld), hierbij wordt alleen gekeken naar een waterbergende fundering en riolering. In het integraal wegontwerp zijn de uitgangspunten en voorwaarden voor de realisering van open water, wadi's, greppels, waterbergende fundering en hemelwaterriolering uitgewerkt. Waterhuishoudkundig ontwerp Voor de waterbalans en de voorzieningen is het projectgebied ingedeeld in verschillende deelgebieden. Deze deelgebieden zijn gekozen vanwege de afstroming van het oppervlak naar de verschillende voorzieningen (afstroomgebieden). Het projectgebied is onderverdeeld in 14 34
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
verschillende afstroomgebieden.
Figuur 4.1: Deelgebieden Kempenbaan-Oost (Tauw, 2020) Voor ieder deelgebied is in het integraal wegontwerp bepaald hoe groot het oppervlak is, welk deel van dit oppervlak verhard is en hoe groot de oppervlakte van de waterhuishoudkundige voorziening binnen het deelgebied is. Vervolgens is per deelgebied onderzocht hoe het waterhuishoudkundig ontwerp eruitziet en wat de waterbalans is. Het waterhuishoudkundig systeem bestaat uit een aantal verschillende oplossingen: aanbrengen van waterbergende fundering onder de rijbaan; afvoer van water naar (bestaande en nieuwe) bermen, greppels, wadi's en poelen; afvoer van water via (waterbergende) HWA-riolering; afvoer van water vanuit de ondergrondse langzaam verkeersverbinding via een pompkelder naar HWA-riolering. In sommige deelgebieden wordt voorzien in een bergingsoverschot, terwijl in andere deelgebieden sprake is van een bergingstekort. Door water af te voeren naar deelgebieden met een bergingsoverschot is per saldo sprake van een hydrologisch neutraal ontwerp, waarbij al het hemelwater binnen het projectgebied wordt geborgen. De verdere uitwerking van het waterhuishoudkundig systeem is onderdeel van de uitwerking van het integraal wegontwerp. Bij de uitwerking van het watersysteem wordt, in overleg met Waterschap De Dommel, bepaald welke maatregelen in de verschillende deelgebieden worden getroffen.
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
35
A-watergangen in het plangebied In het plangebied ligt een aantal A-watergangen die zijn opgenomen op de legger van het Waterschap. De Gender kruist zowel de Kempenbaan-Oost als de nieuwe ontsluitingsweg voor De Run 2000. Verder oostelijk kruist de Gender via een duiker ook de Karel de Grotelaan. De A-watergangen GE14 (parallel aan de Kempenbaan), GE13 (parallel aan de A2/N2 ter hoogte van De Run 1000) en GE12 (parallel aan de A2/N2 ter hoogte van De Run 4000) wateren af op de Gender en liggen deels ook binnen het plangebied. De A-watergangen zijn bestemd als 'Water'. De beschermingszone van 5 meter aan weerszijden van de watergangen is bestemd als 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie'.
Figuur 4.2: A-watergangen in het plangebied (Legger Waterschap De Dommel) Conclusie Doordat voldoende waterberging gerealiseerd wordt, is sprake van een hydrologisch neutraal ontwerp, waardoor het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. De A-watergangen die in het plangebied liggen, blijven behouden zodat het oppervlaktewatersysteem niet wijzigt. Deze watergangen zijn in het bestemmingsplan bestemd als 'Water'.
36
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
4.5
Geluid
Binnen het project Kempenbaan-Oost vinden fysieke aanpassingen plaats aan de Kempenbaan, de Karel de Grotelaan, de Meerveldhovenseweg (onderdoorgang A2/N2), De Run 1100, de Provincialeweg, de Oranje Nassaulaan, De Run 4200 en afrit 32 van de N2. Daarnaast worden twee nieuwe wegen aangelegd: de bypass op De Run 1000 en een nieuwe ontsluitingsweg voor De Run 2000, die aansluit op De Run 4200. Ten gevolge van de afsluiting van de Provincialeweg zal daarnaast de verkeersintensiteit op De Run 3100 en op De Run 5300 toenemen. In een akoestisch onderzoek (Veldhoven, Kempenbaan Oost, Akoestisch onderzoek (reconstructie en goede ruimtelijke ordening), Antea Group, 22 maart 2021) zijn de akoestische effecten ten gevolge van de aanpassing van de infrastructuur onderzocht. Het akoestisch onderzoek is als bijage 5 bij deze toelichting opgenomen. Het akoestisch onderzoek is deels een reconstructieonderzoek (voor zover fysieke aanpassingen aan wegen plaatsvinden), deels een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege nieuwe wegen (bypass en ontsluiting De Run 2000) en deels een onderzoek naar het uitstralingseffect (vanwege de verkeerstoename op De Run 3100 en De Run 5300). De Wet geluidhinder is uitsluitend van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zones van wegen.
Wegen met een 30 km/uur-regime vallen buiten het wettelijk kader van de Wet geluidhinder en hebben geen wettelijke geluidzone. Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zijn deze wegen toch meegenomen in het akoestisch onderzoek. Onderzochte situaties Om het effect van de wijzigingen ter plaatse van geluidgevoelige objecten in kaart te brengen, is de geluidbelasting berekend in diverse situaties en jaren. Op grond van de Wet geluidhinder dient het reconstructie-effect te worden bepaald door een vergelijking te maken tussen de geluidbelasting in het jaar voordat een aanvang wordt gemaakt met de reconstructie en de geluidbelasting na reconstructie in het maatgevende toekomstige jaar, zonder geluidmaatregelen. Voor het project is daarom uitgegaan van de onderstaande jaren en situaties. 2020 – huidige situatie; 2032 – toekomstige projectsituatie. De verkeersgegevens die in het akoestisch onderzoek zijn gehanteerd, zijn gebaseerd op het verkeerskundig onderzoek (BonoTraffics, 2020). Resultaten In het akoestisch onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken.
Reconstructie Uit het onderzoek naar reconstructie van bestaande wegen waarop de Wet geluidhinder van toepassing is (50 km/uur of meer) blijkt dat de fysieke aanpassingen aan de Kempenbaan/Karel de Grotelaan/Meerveldhovenseweg, afrit 32 van de N2 en de Provincialeweg niet zorgen voor een verhoging van de geluidbelasting van 2 dB of meer. Hierdoor is er geen sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Aangezien er geen reconstructie-effect plaatsvindt, hoeft er geen onderzoek plaats te vinden naar eventuele maatregelen. De maximumsnelheid van De Run 1100 wordt verlaagd van 50 km/uur naar 30 km/uur. Hierdoor valt deze weg buiten het toepassingsgebied van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting van deze weg wel onderzocht. Hieruit is gebleken dat, ondanks dat die formeel niet van toepassing is, de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder niet wordt overschreden. Nieuwe wegen De bypass heeft gedeeltelijk een maximum snelheid van 50 km/uur en valt daardoor gedeeltelijk onder de Wet geluidhinder. De woningen die zijn gelegen in de zone van dit vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
37
wegdeel hebben een geluidbelasting, ten gevolge van het verkeer op de bypass, die lager is dan de voorkeursgrenswaarde. Hierdoor is er geen aanleiding voor het treffen van maatregelen of het aanvragen van hogere waarden. De nieuwe 30 km/uur wegen (nieuwe ontsluiting De Run 2000 en het gedeelte van de bypass met een maximum snelheid van 30 km/uur) vallen niet onder de Wet geluidhinder. Deze wegen leiden tot een geluidbelasting die onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder ligt. Dit betreft de geluidbelasting inclusief correctie voor stillere voertuigen. Hierdoor kan worden gesteld dat vanwege het geluid van deze wegen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uitstralingseffect Op De Run 5300 is sprake van een beperkte toename van verkeer, die leidt tot een toename van de geluidbelasting van circa 0,7 dB. De verhoging van de geluidbelasting bedraagt minder dan 2 dB, waardoor geen sprake is van een uitstralingseffect. Op de Kempenbaan (tussen De Run 5300 en 6100) en de Provincialeweg is sprake van een afname van de verkeersintensiteit en dus ook van een afname van de geluidbelasting. De geluidbelasting op geluidgevoelige objecten in de geluidzone van De Run 3100 is berekend. Uit de berekeningen blijkt dat op geen van de geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone sprake is van een toename van de geluidbelasting van 2 dB of meer.
Er is dus geen sprake van een uitstralingseffect. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder of van een uitstralingseffect. Vanwege de aanleg van nieuwe wegen wordt op alle geluidgevoelige objecten voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Er is daarom geen noodzaak voor het overwegen van maatregelen of het verlenen van hogere waarden.
4.6
Natuur
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het wettelijke stelsel voor natuurbescherming en heeft drie tot dan bestaande wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. 4.6.1
Natuurtoets
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd (Natuurtoets Kempenbaan Oost, Antea Group, 22 mei 2019). Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Soortenbescherming Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Vogels (algemene broedvogels); Zoogdieren (marterachtigen, vleermuizen en eekhoorn); Amfibieën (alpenwatersalamander); Insecten (iepenpage). Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (soortbescherming). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening gehouden worden door werkzaamheden die invloed hebben op het broedbiotoop niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming (soortbescherming) aan de orde. De volgende maatregelen worden aanbevolen: 38
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
1. Werken buiten broedseizoen. 2. Vooraf ongeschikt maken. 3. Check ecoloog en vrijgave. Marterachtigen In het plangebied is geschikt leefgebied aanwezig van marterachtigen (kleine marters en steenmarter). Marterachtigen zijn beschermd volgens Artikel 3.10, onderdeel A in de Wet natuurbescherming. In de provincie Noord-Brabant zijn de kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) met ingang van 1 januari 2017 niet langer vrijgesteld. Indien verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van marterachtigen wordt aangetast is dit in overtreding met de wet. Het gebruik van het plangebied wordt inzichtelijk gemaakt middels nader onderzoek. De potentiële aanwezigheid vormt niet noodzakelijk een belemmering om de uitvoerbaarheid van het voornemen aan te tonen. Het voornemen is uitvoerbaar indien aangetoond kan worden dat aannemelijk is dat een eventuele ontheffing verleend kan worden. Om het plangebied functioneel te houden voor marterachtigen is de verbindende functie van opgaande vegetatie en de hoeveelheid functioneel leefgebied van belang. Indien voldoende alternatief leefgebied wordt gerealiseerd, is de verwachting dat een ontheffing zal worden verleend. Vleermuizen Essentiële vliegroutes en foerageergebieden zijn evenals verblijfplaatsen beschermd in de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5).
Voor een dergelijk essentieel element geldt dat deze pas als essentieel mogen worden beschouwd, indien geen alternatieve foerageergebieden en/of vliegroutes aanwezig zijn in de directe omgeving van de huidige vliegroute en/of foerageergebied. In eerder onderzoek (Tauw, 2017) is in beeld gebracht welke gronden in en in de omgeving van het plangebied belangrijk gebied zijn voor vleermuizen.
Figuur 4.3: Resultaten van het vleermuisonderzoek van Tauw (2017) ten opzichte van het plangebied (Antea Group, 2019) In het zuidwestelijke deel wordt het belangrijke vleermuisgebied slechts aan de oostzijde geraakt door het voornemen. Echter, de bestemming van deze locatie is 'Groen'. Van aantasting op belangrijke vleermuisgebieden is geen sprake. Ten noordoosten van het plangebied raakt het voornemen een klein deel van het belangrijke leefgebied aan de zuidkant (langs de weg). Echter, de vliegroute wordt onderbroken en er blijft voldoende alternatief leefgebied over. (Significant) negatieve effecten op belangrijk leefgebied van vleermuizen is vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
39
uitgesloten. Eek hoorn De eekhoorn is beschermd onder Artikel 3.10, onderdeel A van de wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten van de eekhoorn mogen niet zonder ontheffing worden aangetast. De eekhoorn komt zeer waarschijnlijk voor in en om het plangebied. De eekhoorn kan in het gehele plangebied voorkomen. Met de eekhoorn kan echter relatief gemakkelijk rekening worden gehouden door te werken met een goedgekeurde gedragscode (Gedragscode RWS, 2018). Dit betekent dat buiten de kwetsbare periodes van de eekhoorn gewerkt mag worden zonder ontheffing. Indien binnen de kwetsbare periode van de eekhoorn gewerkt wordt, is een controle op in gebruik zijnde nesten van de eekhoorn aan de orde. De potentiële aanwezigheid van de eekhoorn vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander is beschermd onder Artikel 3.10, onderdeel A van de Wet natuurbescherming. De alpenwatersalamander is in voorgaand nader onderzoek (Tauw, 2017) aangetoond in watergangen.
Dit betekent dat volgens de gedragscode RWS, 2018 de volgende maatregelen worden opgelegd: het beschadigen of vernielen van (vaste) voortplantings- of rustplaatsen en het opzettelijk vernielen van eieren wordt voorkomen of beperkt door: P1 de voorplantingslocaties en rustplaatsen (voortplantingswateren, overwinteringslocaties, zomerverblijven, broedhopen en dergelijke) te sparen. De voortplantings- of rustplaatsen worden gemarkeerd op kaart en/of in het veld; P2 alternatieve voortplantings- of rustplaatsen te realiseren die de betreffende functie op een volwaardige wijze kunnen overnemen, waardoor de functionaliteit van de voortplantings- of rustplaats behouden blijft. De alternatieve voortplantings- of rustplaatsen moeten functioneren voordat de werkzaamheden van start gaan. De functionele leefomgeving die onlosmakelijk met de nesten of rustplaatsen is verbonden, valt eveneens onder het beschermingsregime van artikel 3.5 of 3.10 Wnb. Iepenpage De iepenpage is een vlindersoort welke beschermd is onder artikel 3.10, onderdeel A van de Wet natuurbescherming. Het gebruik van het plangebied voor de iepenpage wordt in kaart gebracht middels nader onderzoek.
Indien de soort aanwezig blijkt te zijn en de te kappen iepen onderdeel uitmaken van het essentiële leefgebied van de iepenpage, dient middels maatwerk van een vlinderdeskundige tot een oplossing met betrekking tot mitigatie/compensatie te komen. Voor het aantasten van essentieel leefgebied voor de iepenpage is daarnaast een ontheffing noodzakelijk. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Voor wat betreft het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is bij directe/indirecte aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNN-gebieden. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het plangebied heeft geen effect op de directe omgeving van het plangebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Houtopstanden Voor bomen binnen de bebouwde kom houtopstanden is de gemeentelijke APV aan de orde. Voor bomen buiten de bebouwde kom houtopstanden is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag. De gemeente Veldhoven staat het kappen van bomen toe zonder 40
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
kapvergunning. Echter, dit geldt niet voor bomen buiten de bebouwde kom houtopstanden en monumentale bomen. In het plangebied zijn bomen aanwezig die op de monumentale bomenlijst staan van de gemeente. Een kapvergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente voor de betreffende bomen. Voor de uitwerking van het plan blijven veel bomen behouden en worden nieuwe bomen aangeplant, waardoor sprake is van een ruime compensatie aan herplant. Natura 2000 Uit de bureaustudie blijkt dat binnen drie kilometer afstand van het plangebied een Natura 2000-gebied ligt. Het Natura 2000-gebied ligt buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft de meeste verstoringsfactoren zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring. Vanwege de afstand en daardoor de afscherming worden als gevolg van de meeste verstoringsfactoren geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in het Natura 2000-gebied verwacht. De A67 vormt daarnaast een barrière tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Als gevolg van de infrastructurele aanpassingen treden mogelijk verschillen op in het aantal vervoersbewegingen in het plangebied en directe omgeving. Indien sprake is van een toename in verkeersbewegingen zal mogelijk sprake zijn van een toename in de emissie van stikstof.
Stikstof kan op grotere afstand neerslaan en leiden tot vermesting en verzuring van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. Stikstofonderzoek is daarom noodzakelijk. Conclusie Uit de natuurtoets blijkt dat er nader onderzoek nodig is naar marterachtigen en de iepenpage. Daarnaast is stikstofonderzoek nodig. Voor het overige zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. 4.6.2
Nader onderzoek marterachtigen en iepenpage
Naar aanleiding van de natuurtoets is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen en de iepenpage in het plangebied (Nader onderzoek Kempenbaan-Oost, nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen en iepenpage, Antea Group, 6 februari 2020). De rapportage is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Kleine marterachtigen In het plangebied is in de periode oktober 2019 tot en met januari 2020 volgens de geldende handreiking onderzoek gedaan naar het voorkomen en het gebruik van het plangebied door kleine marterachtigen. Er zijn tijdens het onderzoek geen kleine marterachtigen waargenomen. In het noordelijke deel van het plangebied was sprake van een hoge mate van verstoring door zowel mensen als honden. Door deze hoge mate van verstoring kan hier de aanwezigheid van kleine marterachtigen worden uitgesloten, ondanks dat de onderzoeksperiode korter was dan aanbevolen volgens de handreiking. Zodoende is de aanwezigheid van kleine marterachtigen uitgesloten. Iepenpage De in het plangebied aanwezige iepen zijn in november 2019 met behulp van een hoogwerker onderzocht op de aanwezigheid van eieren van de iepenpage in de boomkruinen. Deze zijn niet aangetroffen. Zodoende kan de aanwezigheid van de iepenpage in het plangebied worden uitgesloten. Conclusie In het plangebied komen geen kleine marterachtigen voor.
Ook de iepenpage komt niet voor in het plangebied. Het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
41
4.6.3
Onderzoek stikstofdepositie
Op basis van de natuurtoets zijn alle effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten, uitgezonderd effecten vanwege een toename van stikstofdepositie. Daarom is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie (Onderzoek stikstofdepositie Kempenbaan Oost, Antea Group, 28 januari 2021). Het onderzoek is als bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Uitgangspunten Om de stikstofdepositie van het voornemen te achterhalen, is een berekening voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgevoerd. Aangezien de stikstofemissie in de realisatiefase en de gebruiksfase op verschillende momenten plaatsvinden (eerst realiseren, dan gebruiken) is voor de realisatiefase gekozen voor het rekenjaar 2021. Voor de gebruiksfase is een vergelijkende berekening gemaakt tussen de referentiesituatie en de plansituatie in het jaar na realisatie (2023) en tien jaar na realisatie (2033). De verkeersgegevens die in het onderzoek zijn gehanteerd, zijn gebaseerd op het verkeerskundig onderzoek (BonoTraffics, 2020). Realisatiefase De verkeersmaatregelen aan de Kempenbaan zullen verspreid over twee jaar worden uitgevoerd. Op basis van het ontwerp en de daarbij behorende SSK-raming is bepaald welke machines worden ingezet voor de realisatie van de verkeersmaatregelen en hoe lang deze machines moeten worden ingezet tijdens de realisatiefase.
Daarnaast is bepaald hoeveel verkeer er zal gaan rijden ten gevolge van de realisatie, vanwege de aanvoer van materialen, materieel en het rijden van lichte motorvoertuigen voor het personeel. Aerius Calculator berekent voor de realisatiefase een bijdrage van maximaal 0,02 mol/ha/ja. Er is sprake van de volgende deposities op de volgende Natura 2000-gebieden: 0,02 mol/ha/ja op Leenderbos, Groote Heide & De Plateux; 0,01 mol/ha/ja op Strabrechtse Heide & Beuven; 0,01 mol/ha/ja op Kempenland-West. Voor de bovengenoemde Natura 2000-gebieden geldt dat de depositie gedurende maximaal twee jaar zal optreden. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase na de realisatie van de verkeersmaatregelen geldt niet zozeer dat er sprake zal zijn van een toename van verkeer, maar dat er sprake is van een verschuiving van verkeer, wat extra voertuigkilometers tot gevolg heeft. Hier staat tegenover dat de doorstroming op met name de Kempenbaan flink zal verbeteren ten gevolge van de verkeersmaatregelen. Het aantal voertuigen dat in de file staat zal hierdoor afnemen. Op basis van het BBMA verkeersmodel regionaal verkeersmodel B is onderzocht op welke wegvakken sprake is van een significante verandering van verkeerintensiteiten (Verkeerskundig onderzoek, BonoTraffics, 2020).
Voor deze wegvakken is zowel voor het jaar 2023 (jaar na realisatie) als voor het jaar 2033 (10 jaar na realisatie) een vergelijkingsberekening uitgevoerd tussen de referentiesituatie en de plansituatie. Om te bepalen wat de verbeterde doorstroming tot gevolg heeft voor de stikstofdepositie is, voor de wegvakken waar een significante verandering in filevorming plaatsvindt, onderzocht hoeveel verkeer er in de ochtend- en de avondspits rijdt. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat er zowel in 2023 als in 2033 geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden zijn. In zowel 2023 als in 2033 geldt dat door de verkeersmaatregelen meer voertuigkilometers worden afgelegd. Uit de berekeningen blijkt echter dat de emissie van deze extra voertuigkilometers teniet wordt gedaan doordat er minder verkeer in de file staat door de verbeterde doorstroming ten gevolge van de verkeersmaatregelen. Conclusie
42
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
In de gebruiksfase (2023 en 2033) is er geen sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, zodat kan worden gesteld dat significant negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie in de gebruiksfase zijn uitgesloten. Voor de tijdelijke bijdrages aan de stikstofdepositie in de realisatiefase kan in een voortoets worden onderzocht of significant negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. 4.6.4
Ecologische voortoets stikstof
Omdat uit het onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat gedurende de realisatiefase (maximaal twee jaar) sprake is van een (beperkte) toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Kempenland-West, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en Strabrechtse Heide en Beuven en is een ecologische voortoets uitgevoerd (Ecologische voortoets stikstof Kempenbaan Oost, Witteveen en Bos, 19 april 2021). De voortoets is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. In de voortoets is onderzocht of significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie op voorhand zijn uit te sluiten. Daartoe zijn de gevolgen van de verhoogde stikstofdepositie door het voorgenomen project bepaald en beoordeeld voor de realisatiefase van het project. In de gebruiksfase is er immers geen sprake van een bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Resultaten stikstofberekeningen In de voortoets zijn per Natura 2000-gebied en per habitattype/leefgebied de maximale en gemiddelde projectbijdrage in beeld gebracht. Daarbij zijn ook de kritische depositiewaarde (KDW) en de achtergronddepositie (ADW) weergegeven.
Hieruit blijkt dat het voornemen leidt tot kleine, tijdelijke projectbijdragen (maximaal 0,02 mol/ha/jaar gedurende 2 jaar) binnen habitattypen/leefgebieden die in de huidige situatie al te kampen hebben met een overbelasting van stikstof (overschrijding KDW). Significante gevolgen van de (beperkte) projectbijdragen op deze stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden binnen de genoemde Natura 2000-gebieden zijn aan de hand van een algemene ecologische analyse nader beschreven en beoordeeld. Effectbeoordeling In de effectbeoordeling is geconcludeerd dat geringe bijdragen zoals die voor dit project aan de orde zijn, ecologisch gezien niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. De berekende kleine en tevens tijdelijke stikstofdepositie zal op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar gevolg voor de vegetatie, en daarmee op de kwaliteit van het de habitattypen/leefgebieden. Ook niet in een reeds overbelaste of naderende overbelaste situatie. De onderbouwing hiervoor is vijfledig: 1. deposities door emissie van mobiele werktuigen maken sinds de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden onderdeel uit van de bestaande achtergronddepositie; 2. kleine (en tijdelijke) deposities (< 0,05 mol/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot achtergronddeposities; 3. kleine (en tijdelijke) deposities leiden nooit tot schade aan planten; 4.
kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; 5. kleine (en tijdelijke) deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer. Deze vijf punten zijn in de ecologische voortoets nader onderbouwd. Conclusie De lage (en tijdelijke) toenames in stikstofdepositie tijdens de realisatiefase van het project leiden nooit tot directe schade aan planten of tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling. Daarnaast vormen deposities van dit formaat een verwaarloosbare bijdrage aan de totale depositie. Significante gevolgen van stikstofdepositie voor de genoemde Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Een passende beoordeling of vergunningsaanvraag ten aanzien van stikstof zijn niet nodig.
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
43
4.7
Externe veiligheid
Voor het onderhavige bestemmingsplan is een beschouwing van de externe veiligheid uitgevoerd (Externe veiligheid Kempenbaan Oost, Veldhoven, Antea Group, 1 juli 2019). Het volledige rapport is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Risicobeschouwing Kempenbaan-Oost Op basis van de gegevens van het rapport van Antea Group (Risicobeschouwing vervoer van gevaarlijke stoffen, Kempenbaan, gemeente Veldhoven; 11 maart 2009) is geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour op de Kempenbaan. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; Op basis van de gegevens van het rapport van Antea Group (Risicobeschouwing vervoer van gevaarlijke stoffen, Kempenbaan, gemeente Veldhoven; 11 maart 2009) valt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde, de waarde neemt niet toe ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling; Het groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde en zal ten aanzien van de beoogde ontwikkeling niet wijzigen/toenemen, verantwoording van het groepsrisico is niet verplicht. LPG-tankstation De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van het LPG-tankstation reiken niet tot de ontwikkelingslocatie. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; Het groepsrisico van het LPG-tankstation neemt niet toe gezien het plangebied bestemd is voor verkeer.
Verkeersdeelnemers worden niet meegenomen in de beschouwing van het groepsrisico; Het invloedsgebied van het LPG-tankstation reikt tot het plangebied, verantwoording van het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen is niet verplicht gezien het gebied bestemd is voor verkeer. Verkeersdeelnemers worden niet meegenomen in de beschouwing van het groepsrisico. Bakx Foods B.V. De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van de ammoniak installatie reikt niet tot de ontwikkelingslocatie. Het groepsrisico van Bakx Foods B.V. food neemt niet toe gezien het plangebied bestemd is voor verkeer. Verkeersdeelnemers worden niet meegenomen in de beschouwing van het groepsrisico; De installatie van Bakx Foods B.V. heeft geen invloedsgebied. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig. Rijksweg A2 De weg heeft een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van 26 meter, deze contour reikt tot een gedeelte van het plangebied. In dit gebied bevinden zich alleen verkeersfuncties en geen (beperkt) kwetsbare objecten. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; Op de weg geldt een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, de contour reikt tot het plangebied.
Gezien er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied worden gerealiseerd/geprojecteerd, zijn aanvullende (bouwkundige)maatregelen niet noodzakelijk; Het groepsrisico van de weg neemt niet toe ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling; Het invloedsgebied van de weg reikt tot het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet stijgen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een verantwoording (zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) gegeven. Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg verplicht. In de rapportage zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico 44
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
aangedragen.
4.8
Luchtkwaliteit
Voor dit bestemmingsplan is een luchtkwaliteitsonderzoek verricht (Kempenbaan-Oost luchtkwaliteitsonderzoek, Antea Group, 3 april 2020). De onderzoeksrapportage is als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. Uitgangspunten In het onderzoek zijn de concenraties luchtverontreinigende stoffen onderzocht, in beeld gebracht en beoordeeld. In het onderzoek zijn alle wegen meegenomen waarop sprake is van relevante veranderingen van verkeersstromen als gevolg van het plan, inclusief de A2 en A67. De verkeersgegevens die in het luchtkwaliteitsonderzoek zijn gehanteerd, zijn gebaseerd op het verkeerskundig onderzoek (BonoTraffics, 2020). Het wegennet is in het onderzoek gemodelleerd conform de NSL Monitoringstool. Resultaten De hoogst berekende jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) doet zich voor langs de Kempenbaan en bedraagt 25,9 µg/m3. Deze waarde ligt ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3. Uit de berekeningsresultaten blijkt bovendien dat de berekende uurgemiddelde concentratie NO2 niet meer dan 18 keer per jaar groter is dan 200 µg/m3, waarmee de wettelijke norm niet wordt overschreden. De hoogst berekende jaargemiddelde concentraties voor fijnstof (PM10 en PM2,5) doen zich voor langs de Kempenbaan en de A2. De concentratie PM10 ligt met maximaal 19 µg/m3 ruim onder de norm van 40 µg/m3 .
De concentratie PM2,5 ligt met maximaal 11,2 µg/m3 ook ruimschoots onder de norm van 25 µg/m3. Conclusie Uit het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat dat op alle beoordelingspunten (ruimschoots) wordt voldaan aan de te toetsen grenswaarden. Er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden, zodat de luchtkwaliteitseisen geen belemmering zijn voor de ontwikkeling.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1
Archeologie
De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De wet beoogt het archeologische erfgoed te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. Enkele van de uitgangspunten van deze wet zijn: Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is. Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren en eventuele maatregelen om behoudenswaardige archeologische resten te beschermen door deze op te graven of in de bodem te behouden. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun bodemarchief. De gemeenten Veldhoven en Eindhoven hebben hiertoe eigen archeologiebeleid opgesteld.
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
45
Archeologisch beleid gemeente Eindhoven De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012', dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise. De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart. In het plangebied van dit bestemmingsplan komen geen gebieden met archeologische (verwachtings)waarde voor.
Het uitvoeren van archeologisch onderzoek of het opnemen van een beschermende regeling in het bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk. 4.9.2
Cultuurhistorie
Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het cultuurhistorisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting. Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische als voor historisch-geografische en historisch bouwkundige waarden. Het rijksbeleid is mede gebaseerd op het Verdrag van Malta (1992). Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden en is in het Besluit ruimtelijke ordening de verplichting opgenomen om in de toelichting van een bestemmingsplan te beschrijven hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de (archeologische) monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De ruimtelijke ordening is een belangrijk integrerend beleidsterrein als het gaat om de zorgvuldige omgang met cultuurhistorisch waardevolle structuren.
Een aantal cultuurhistorische objecten en structuren is beschermd via de Erfgoedwet respectievelijk de Monumentenwet 1988 dan wel via een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening. Bij aantasting en bij wijziging van deze objecten en structuren is een omgevingsvergunning vereist. Cultuurhistorisch beleid gemeente Eindhoven Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. De volgende cultuurhistorische elementen zijn aanwezig: Historische wegenstructuur voor 1900 Historische waterloop 46
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
Met deze structuren is rekening gehouden in het ontwerp. Op Eindhovens grondgebied zijn de ingrepen beperkt tot aanpassing van de kruising van de Karel de Grotelaan met de noordelijke oprit naar de N2. Deze maatregelen tasten de cultuurhistorisch waardevolle elementen niet aan.
4.10
Kabels en leidingen
In het plangebied liggen diverse kabels en leidingen. Over het algemeen betreft het leidingen die bij de reconstructie en aanleg van de wegen in het plangebied eenvoudig kunnen worden verlegd als dat nodig is. In het plangebied liggen geen leidingen die onder het regime van het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen. Wel is sprake van een aantal (hoofd)rioolwatertransportleidingen. Het betreft vrijverval-leidingen met verschillende diameter. Aan de westzijde van de A2/N2 ligt een vrijverval rioolwatertransportleiding die in beheer is ij Waterschap De Dommel. In overleg met het waterschap wordt bezien hoe deze leiding wordt ingepast.
Figuur 4.4: Ligging vrijverval rioolwatertransportleiding van Waterschap De Dommel (oranje lijn) en overstorten (rode en blauwe vierkantjes) (Waterschap De Dommel)
4.11
Zonering Vliegbasis Eindhoven
Op grond van het Luchthavenbesluit Eindhoven ligt rond Vliegbasis Eindhoven (Eindhoven Airport) een beperkingengebied, waar beperkingen gelden voor het oprichten van bebouwing en/of het gebruik van de gronden. Het beperkingengebied bestaat uit zones met bouwhoogtebeperkingen (ten behoeve van de veiligheid van het vliegverkeer en de ongestoorde werking van radarapparatuur), zones waar beperkingen gelden vanwege luchtvaartverkeerslawaai en een zone waar beperkingen gelden voor bestemmingen met een vogelaantrekkende werking. Voor dit bestemmingsplan zijn uitsluitend de zoneringen met betrekking tot de funnel/IHCS en de vogelaantrekkende werking van belang. De overige beperkingengebieden reiken niet tot het plangebied. Funnel en IHCS
vastgesteld Kempenbaan-Oost Gemeente Eindhoven
47
De maximaal toelaatbare bouwhoogtes en de ligging en omvang van de gebieden met een bouwhoogtebeperking worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbaan en berusten op internationaal vastgelegde afspraken. Het is voor de vliegveiligheid van belang dat binnen de obstakelvrije vlakken de maximaal toelaatbare hoogtes niet worden overschreden. De obstakelvrije vlakken worden gevormd door de funnel en de Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS). Funnel De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken, waarvan de hoogte oploopt tot circa 45 m. De toegestane bouwhoogte geldt ten opzichte van de hoogte van de landingsdrempel - in het geval van Vliegbasis Eindhoven 22,4 m+NAP. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt volledig buiten de funnel. IHCS Het obstakelbeheergebied van de IHCS sluit aan op de funnel. De IHCS bestaat uit een horizontaal vlak, dat gelegen is op een hoogte van 65 m + NAP, met aansluitend daarop een conisch vlak, waarvan de hoogte oploopt met een helling van 5% tot een hoogte van 165 m+NAP. Het plangebied ligt binnen het obstakelbeheergebied van de IHCS en valt binnen het oplopende vlak. Voor het plangebied gelden hoogtebeperkingen van circa 100 m+NAP (in de noordwestelijke hoek) tot circa 145 m+NAP (langs de oostelijke plangrens).
Er mogen geen objecten worden gerealiseerd die de maximaal toegestane hoogte overschrijden. Het plangebied ligt op een hoogte van 18 à 19 m+NAP. Dit betekent dat bebouwing tot een hoogte van 80 meter overal in het plangebied toelaatbaar is. Dit bestemmingsplan maakt dergelijke hoge bebouwing niet mogelijk. Voor de IHCS is daarom geen regeling in het bestemmingsplan opgenomen. Vogelbeperkingengebied Het plangebied ligt binnen het vogelbeperkingengebied van Vliegbasis Eindhoven. Binnen het vogelbeperkingengebied geldt op grond van artikel 3.2.3 van het Luchthavenbesluit Eindhoven een verbod voor vogelaantrekkende functies, zoals oppervlaktewateren groter dan drie hectare, vishouderijen met extramurale bassins en extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal. Dergelijke functies komen niet voor in het plangebied en het bestemmingsplan maakt deze functies ook niet mogelijk.
4.12
Radarverstoringsgebieden Woensdrecht en Herwijnen
Het plangebied ligt in het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht en van het radarstation Herwijnen. Op grond van artikel 2.6.9 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) gelden in een radarverstoringsgebied bouwhoogtebeperkingen voor bouwwerken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Conform artikel 2.4 en verder van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is rond de radarstations een cirkel met een straal van 75 kilometer vastgelegd, gemeten vanaf de positie van de radar. Deze cirkel bestaat uit een kern met een straal van 15 kilometer met een maximale bouwhoogte voor bouwwerken (in het algemeen) en daaromheen een ring die doorloopt tot 75 kilometer van de radar met een maximale bouwhoogte voor (alleen) windturbines. Het plangebied valt niet binnen de kern van de radarverstoringsgebieden, maar in de daaromheen liggende ring. Binnen het plangebied gelden daarom uitsluitend bouwhoogtebeperkingen voor windmolens. Voor het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken gelden geen maximale bouwhoogtes. Omdat dit bestemmingsplan de bouw van windmolens niet mogelijk maakt, hoeft voor het radarverstoringsgebied geen regeling te worden opgenomen.