Bijlage 1 - Bestemmingsplan III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel)
Tekst van het document
Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Archeologisch kader De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. Een bijzondere betekenis heeft de historische kern van Eindhoven, die als stad al in de loop van de late middeleeuwen een belangrijke regionale economische en bestuurlijke rol vervulde. Daarnaast kent de gemeente uit deze periode een aantal (verdwenen) hoeven, kasteeltjes, kerken, (water)molens en dergelijke die zowel archeologisch en cultuurlandschappelijk van hoge waarde zijn.
Archeologische waarnemingen binnen en ook buiten de van oorsprong laatmiddeleeuwse historische kernen bieden mogelijkheden om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoningsdynamiek tussen de plattelandsdorpen en de stad in wording en kunnen daarmee een verrijking vormen voor de lokale en regionale geschiedenis. Daarnaast zijn in de gemeente resten van ondergronds militair erfgoed te verwachten. In de Tweede Wereldoorlog lag hier bijvoorbeeld een militair vliegveld ('Fliegerhorst Eindhoven') en de gemeente maakte deel uit van het operatieterrein 'Market Garden' van het geallieerde bevrijdingsleger.
Plangebied De gronden binnen het plangebied zijn op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart aangeduid als categorie 7, lage archeologische verwachting. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht bij elke bodemingreep dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld én groter dan 25.000 m2. Deze onderzoeksplicht is geborgd op de verbeelding en in de regels.
Meldingsplicht toevalsvondsten De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische 30
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. 3.6.2
Cultuurhistorie
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
3.7
Verkeer en parkeren
3.7.1
Verkeer
Het GDC-Noord wordt begrensd door het spoor, de snelwegen en de Mispelhoefstraat. Vanuit de Mispelhoefstraat wordt er een nieuwe wegenstructuur aangelegd om het GDC-Noord te ontsluiten. Deze structuur sluit aan op het GDC Zuid, welke een verbinding heeft met de snelweg (via de Anthony Fokkerweg). De beoogde ontwikkeling is gelegen aan De Schakel. In de uiteindelijke verkeersstructuur zal De Schakel een hoofdontsluiting vormen en een profiel krijgen van ca. 23 meter en bestaan uit twee rijbanen, een sloot, een berm en voorzien zijn van een fietspad. Daarnaast grenst het plangebied aan de zuidkant aan de nieuwe ontsluitingsweg (verbinding tussen GDC en de A58, door BIC noord). 3.7.2
Parkeren
Het uitgangspunt voor het parkeren is parkeren op eigen terrein. Voor dit plangebied zijn de parkeernormen zoals opgenomen in 'Actualisatie nota parkeernormen 2019' van toepassing. De parkeerbehoefte moet op eigen terrein worden afgewikkeld. Op eigen terrein is hiervoor voldoende ruimte.
3.8
Groen
3.8.1
Groenbeleidsplan
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.
Het vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
31
behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Uitsnede 'Ruimtelijke Strategieënkaart' (locatie plangebied blauw aangeduid) Toepassing plangebied In dit plangebied is volgens het Groenbeleidsplan 2017 de ruimtelijke strategie 'stad, rood beeldbepalend' aanwezig (Ruimtelijke strategieënkaart). In 'stad, rood beeldbepalend' richt het groenbeleid zich op een bepaalde verweving van groen tussen rood. Dat wil zeggen dat groen een ondersteunende functie heeft ten opzichte van de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is erop gericht deze groene elementen of functies te behouden. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Daarnaast is het plangebied gelegen in een groenarm gebied. Het beleid geeft aan in deze gebieden te streven naar uitbreiding van het groenareaal. De bestemming 'Bedrijf' grenst aan de westzijde aan de 'groenzone' van GDC Noord. Deze groenzone is met name van belang voor de waterbergingsopgave die ontstaat als gevolg van het toegenomen verhard oppervlak voor het gehele bedrijventerrein GDC-Noord. De gronden met de bestemming 'Bedrijf' binnen het plangebied hebben op basis van het voorheen geldende bestemmingplan de bestemming 'Bedrijf – Uit te werken'. De gronden waren dus reeds gereserveerd voor het bedrijventerrein met bebouwingsmogelijkheden.
Laat onverlet dat we op deze locatie binnen de mogelijkheden maximaal willen inzetten op het toepassen van groen binnen het plangebied. Voor het toepassen van groen in het plangebied zal voornamelijk ingezet worden op verticaal groen. Daarnaast zal in samenspraak met Trefpunt Groen 32
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
bekeken worden welke andere groen mogelijkheden toegepast kunnen worden binnen de bestemming 'Bedrijf'. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de uitbreiding van het groenareaal op GDC Noord. De waterbergingsopgave voor deze ontwikkeling zal tevens plaatsvinden in de 'groenzone', grenzend aan de bestemming 'Bedrijf'.
3.8.2
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: - bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.
Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); groenarme gebieden; centrumgebied; bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (particuliere) percelen groter dan 250 m2. De informatie op de groene kaart is nodig om: te duiden waar de waardevolle bomen staan; te duiden waar de monumentale bomen staan; inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
33
Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers. Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald. Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'. Het plangebied In dit plangebied zijn volgens de Groene kaart enkele 'basis bomen' aanwezig. Het label 'basis' geldt voor alle bomen in gemeentelijk eigendom die buiten één van de andere categorieën vallen ofwel de overige bomen in de openbare ruimte. De status basisboom is toegekend aan bomen die in principe vervangbaar zijn.
Uitsnede Groene Kaart (groen = basis boom, blauw = waardevolle boom) In de groen-, natte zone buiten de rooilijnen worden circa 40 nieuwe bomen geplant, die de te verwijderen bomen ruim voldoende compenseren.
34
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
3.9
Kabels, leidingen en straalpaden
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
35
36
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieuparagraaf
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is 11.3 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om: D 11.3: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. Vormvrije m.e.r-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. Deze ontwikkeling valt binnen het Besluit m.e.r. opgenomen criteria van de D-lijst (D11.3). Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld welke als bijlage 2 is opgenomen. Uit deze aanmeldnotite blijkt dat er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Een uitgebreide m.e.r. is niet noodzakelijk. Het college van burgemeesters en wethouders hebben besloten dat geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden.
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
37
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1
Staat van bedrijfsactiviteiten
De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.
bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Dit bestemmingsplan ziet op de realisatie van één grootschalig bedrijfsgebouw ten behoeve van logistiek. Omdat verder geen bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan is geen bedrijvenlijst opgenomen. In de bestemmingsregels worden deze bedrijfsactiviteiten als zodanig benoemd. De logistieke bedrijven (distributiecentra, pak en koelhuizen) vallen in milieucategorie 3.1.
38
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. 4.3.2
Wegverkeerslawaai
In het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen geprojecteerd. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op. 4.3.3
Railverkeerslawaai
Het plangebied ligt in de zone van de spoorlijn Eindhoven - Best. Omdat dit plangebied geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk maakt, levert dit aspect geen belemmeringen op. 4.3.4
Industrielawaai
Het plangebied maakt deel uit van een vrijwillig gezoneerd industrieterrein. In het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op. 4.3.5
Luchtvaartlawaai
Luchthaven Eindhoven is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld. De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen. De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. In bijlage 7 is de 35 Ke contour voor het militaire luchtverkeer aangewezen en in bijlage 8 de contour van het commercieel burgerluchtverkeer. De cumulatieve Ke contouren staan in bijlage 3. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is de cumulatieve 35 Ke contour opgenomen.
In de regels is bepaald dat hierbinnen geen geluidsgevoelige objecten (woningen en andere vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
39
geluidsgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen en ligplaatsen) zijn toegestaan. De 35 Ke contour is tevens in het Barro en Rarro verwerkt. Het plangebied ligt binnen de 35 Ke-contour van het nabijgelegen vliegveld. Omdat in dit plan geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, levert dit aspect geen belemmeringen op.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
40
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
Dit bestemmingsplan ziet op de realisatie van één grootschalig bedrijfsgebouw. Om na te gaan of deze ontwikkeling bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit kan gebruik worden gemaakt van de NIBM-tool. De CROW-publicatie 317 stelt dat voor een distributieterrein er 226 verkeersbewegingen per dag per hectare worden gegenereerd. Het gebouw heeft een netto oppervlakte van 4,3 hectaren. Er zal per dag dus 972 vervoersbewegingen worden gegenereerd. Er wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarin 70% van het totale verkeersgeneratie vrachtverkeer zal bedragen. Op basis van de NIBM-tool wordt er door het planvoornemen maximaal 4,87 NO2 en 0,64 PM10 per jaar extra uitgestoten.
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
41
Figuur: NIBM-tool Op basis van de NIBM-tool is nader onderzoek nodig naar de luchtverontreiniging. De luchtkwaliteit moet sinds 1 januari 2015 voldaan aan Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een maximaal jaargemiddelde van 40 microgram/m³ (µg/m³), voor fijnstof (PM10) geldt een maximaal jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. PM2,5 kan buiten beschouwing worden gelaten aangezien het verkeer betreft en de concentratie nergens hoger is dan 20 microgram/m³ in Eindhoven. Het grootste gedeelte van het verkeer zal gaan rijden via de Schakel en Anthony Fokkerweg naar de A2/N2. Er is daarom onderzoek nodig of de luchtkwaliteit op de Anthony Fokkerweg zodanig verslechterd dat er sprake gaat zijn van een overbelaste situatie. Een methode om de luchtkwaliteit in de nieuwe situatie te berekenen is door de maximale bijdrage van verkeer zoals genoemd in de NIBM-tool op te tellen bij de al aanwezige achtergrondwaarden voor NOx en PM10 op de Anthony Fokkerweg. De NSL monitoringstool geeft inzicht in de al aanwezige achtergrondwaardes voor de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.
In bijlage 3 wordt de huidige achtergrondconcentratie voor NOx en PM10 uit de NSL-tool op de Anthony Fokkerweg opgeteld bij de berekende concentratie. Er kan worden geconcludeerd dat de Europese grenswaarden niet worden overschreden. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet derhalve niet noodzakelijk.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord.
42
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
4.5.2
Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid
De gemeente Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid: 'Risico's de maat genomen' opgesteld. De gemeenteraad heeft de visie op 19 mei 2009 vastgesteld waardoor het een kaderstellend beleidsstuk is geworden. Dit betekent dat lokale ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen vanuit de visie kunnen worden gemotiveerd. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. In de visie Externe Veiligheid is GDC Acht Noord aangewezen als bedrijventerrein waar uitbreiding van bestaande risicovolle bedrijven, alsmede het vestigen van nieuwe risicovolle bedrijven is toegestaan. Wel dienen deze bedrijven te passen bij het ruimtelijk ambitieprofiel van Eindhoven. Voor bestaande situaties geldt bovendien dat het plaatsgebonden risico (PR10-6) zo klein mogelijk is door het gebruik van 'Best Bestaande Technieken (BBT)'.
Bij nieuwe situaties dient de bulkopslag van meer dan 1 m3 van brandbaar tot vloeistof verdicht gas (zoals LPG, propaan e.d.) ondergronds plaats te vinden en dient de plaatsgebonden risicocontour (PR10-6) binnen eigen perceel, of over openbaar groen, weg en/of water te zijn gelegen. 4.5.3
Hogedruk aardgastransportleiding
Het plangebied is aan de zuidkant gelegen op ca. 100 meter vanaf de hogedruk aardgasleiding Z-506-1 (12,76 inch, 40 bar). Het invloedsgebied (1% letaliteit) van die leiding bedraagt 140 meter. Op 7 juni 2018 is een berekening gemaakt van de betreffende leiding voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaasgebonden risico hogedruk aardgasleiding Uit de berekening is gebleken dat de leiding niet beschikt over een plaatsgebonden risico met een kans van 10-6 per jaar. Voor deze leiding geldt wel een belemmeringenstrook van 4 meter, zijnde een bebouwingsvrije zone voor onderhoudswerkzaamheden aan de leiding. Deze strook valt buiten het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plan. Groepsrisico hogedruk aardgasleiding In de 'QRA hogedrukaardgasleidingen GDC-Noord' d.d. 7 juni 2018 zijn twee scenario's vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
43
berekend. Ten eerste is de hoogte van het groepsrisico berekend in de huidige situatie. Hierna is het groepsrisico berekend inclusief de toename in populatie na realisatie van het plan. Voor de ontwikkeling is een populatiedichtheid gehanteerd van 40 personen/hectare. Dit is gelijk aan de populatiedichtheid welke het moederplan al mogelijk maakt. Het groepsrisico ligt ver onder de 0,1 * oriënterende waarde. De volledige QRA van de hogedrukaardgasleiding is opgenomen in bijlage 4. 4.5.4
Transport rijkswegen A2
Nabij het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de A2. Het gebied is op circa 45 meter van de Rijksweg A2 gelegen. Deze route is opgenomen in de Regeling Basisnet. In de Regeling Basisnet is opgenomen dat voor deze route een plaatsgebonden risicocontour wordt aangehouden van 21 meter. Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het plan is ook gelegen buiten het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter, deze reikt niet buiten de bestemming verkeer (N2). Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A2. Op basis van de Visie externe veiligheid Eindhoven wordt hiervoor een invloedsgebied gehanteerd van 200 meter. Hierbinnen moeten nieuwe ruimtelijke plannen worden verantwoord. Op basis van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) is aangetoond dat het groepsrisico onder de oriënterende waarde blijft. Deze berekening is weergegeven in bijlage 5. De externe risico's van de A2 zijn acceptabel. Er worden in dit kader geen belemmeringen voorzien. 4.5.5
Luchtvaartterrein Eindhoven
Wetgeving Het plangebied ligt op enige afstand (ruim 1,5 km) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart. De luchtvaart wordt beschouwd als een risicovolle activiteit. De voormalige Luchtvaartwet kende nog geen normstelling en beoordelingskader voor externe veiligheid. In de vigerende Wet luchtvaart is het reguleringsregiem uitgebreid met de milieuthema's externe veiligheid en lucht. Het regiem voor externe veiligheid is voor burgerluchthavens direct in werking getreden. Voor een militair vliegveld kan de Minister van Defensie besluiten dat te doen. De minister kan van die mogelijkheid op een nader te bepalen tijdstip gebruik maken. Regelgeving voor luchthaven Eindhoven Op 29 december 2007 is het Besluit tot aanwijzing van het militaire luchtvaartterrein Eindhoven in werking getreden. In dit besluit wordt tevens de geluidszone vastgelegd. Voorafgaand aan deze procedure is een milieueffectrapportage (m.e.r.) uitgevoerd. In het Milieueffectrapport Militair Luchtvaartterrein Eindhoven (MER) zijn o.a. de gevolgen voor geluid, de luchtkwaliteit en externe veiligheid weergegeven voor de maximaal mogelijke gebruiksruimte van de luchthaven. Eind 2009 is de Regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML) in werking getreden.
Op basis van deze regelgeving moet een luchthavenbesluit worden opgesteld, waarin een grenswaarde voor externe veiligheid kan worden opgenomen. Het Luchthavenbesluit Eindhoven is op 1 oktober 2014 in werking getreden, zonder dat daarin regels over externe veiligheid zijn opgenomen. Voorafgaand aan deze procedure is tevens een milieueffectrapportage (m.e.r.) uitgevoerd. Ruimtelijk interimbeleid voor luchthaven Eindhoven In een brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM is het ruimtelijke interimbeleid voor externe veiligheid voor de luchthaven Eindhoven opgenomen. In de bijlage van deze brief staan de voorwaarden opgenomen waaraan een gemeente zich moeten houden binnen de 10-6 en 10-5 plaatsgebonden risicocontouren van luchthaven Eindhoven. Dit beleid betekent dat: er geen objecten mogen worden geprojecteerd in de 10-5 PR-contour waar mensen verblijven; 44
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
voor zogenoemde 'pijplijnplannen' (voor gemeente Eindhoven zijn dat BIC en GDC Acht Noord) binnen de 10-6 PRcontour een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde) geldt waarbij de bebouwing zo laag mogelijk wordt gehouden; functies voor groepen beperkt zelfredzame mensen, grote publiekstrekkers en evenementen worden uitgesloten. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour van luchthaven Eindhoven ligt over een deel van het plangebied (aangeduid als 'veiligheidszone - luchtvaart'). In artikel 8.3 is geregeld dat geen onderwijs- en gezondheidszorgfuncties zijn toegestaan binnen deze aanduiding. 4.5.6
Bedrijventerrein GDC-Noord
Het plangebied is voor een klein gedeelte gelegen binnen het invloedsgebied van Wester Transport Eindhoven BV aan de Achtseweg Noord 13. Deze inrichting valt echter niet onder de werkingssfeer van het Bevi. De inrichting beschikt verder ook niet over een plaatsgebonden risicocontour. Wester Transport vormt met betrekking tot het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor het plan. 4.5.7
Verantwoording groepsrisico GDC Noord
Hoogte groepsrisico Voor zowel de buisleiding Z-506-1 als voor de route A2 (Centrum - Batadorp) is het groepsrisico berekend. In beide gevallen komt het groepsrisico niet boven de 0,1 * de oriënterende waarde. Van beide berekeningen is een QRA opgesteld, deze QRA's zijn opgenomen in de bijlagen 4 en 5.
Figuur 1 fN-curve hogedrukaardgasleiding Z-506-1
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
45
Figuur 2 fN-curve A2 Centrum-Batadorp Mogelijkheden voor de hulpdiensten Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen: Ten zuiden van het plangebied, aan de Mispelhoefstraat zijn zes bluswatervoorzieningen gelegen. Het plangebied is bereikbaar vanuit beide zijden van de Mispelhoefstraat en vanuit de schakel. Het plan kan hiermee bereikt worden vanuit drie verschillende windrichtingen in geval van calamiteiten In de verantwoording van het groepsrisico voor het moederplan (2009) wordt vermeld dat de ontsluiting van het gebied goed is en over meerdere uitvalswegen beschikt. Wel zou de bereikbaarheid van de hulpdiensten vanaf de gemeente Best verbeterd kunnen worden. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Binnen het plan is alleen logistieke bedrijvigheid toegestaan. Hierbij zijn er geen mogelijkheden dat er voor een langere tijd groepen verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn binnen het plangebied. De zelfredzaamheid in het plan wordt hiermee als goed beoordeeld. Advies van de Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost heeft op 11 mei 2017 het standaardadvies met bijbehorende brochure over de toepassing hiervan vastgesteld. Onderhavig plan past binnen de criteria van deze brochure, waardoor het standaardadvies wordt toegepast in deze situatie.
Het standaardadvies betreft de volgende punten: communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico's van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordet de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. De gemeente Eindhoven sluit met haar beleid voor risicocommunicatie aan bij de landelijke campagne "Denk vooruit". Als er een ramp is in de gemeente Eindhoven, staat er zo snel mogelijk informatie op www.eindhoven.nl en kunnen inwoners op de hoogte blijven via het twitteraccount @gem_eindhoven. Als de omvang van de ramp groot is of er zijn problemen met de website, dan wordt www.crisis.nl ingezet. Omroep Brabant kan ingezet worden als rampenzender op de radio. Ook kunnen inwoners zich aanmelden voor NL-Alert, dan kan de gemeente met een tekstbericht informeren als er in de directe omgeving iets aan de hand is. pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op https://www.brandweer.nl/brabant-zuidoost/regionaal-beleid.
Er zijn meerder bluswatervoorzieningen gerealiseerd ten zuiden van het plangebied (aan de Mispelhoefstraat). Het plan is te bereiken vanuit drie verschillende windrichtingen in geval van calamiteiten bij de buisleiding of de autosnelweg. 4.5.8
Conclusie
Gelet op het bovenstaande wordt het groepsrisico verantwoordt geacht. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.
46
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
4.6
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.
1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
47
1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.
2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.
2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.
2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 48
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.
3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).
4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
49
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
4.6.1
Planbeschrijving
Een concreet bouwplan dient minimaal te voldoen aan wet- en regelgeving. Het bedrijfsgebouw zal in ieder geval niet op gas gestookt worden. Bij een concreet bouwplan zal bekeken worden welke duurzame maatregelen getroffen kunnen worden, zoals bijvoorbeeld het toepassen van PV-panelen.
4.7
Bodem
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In het verleden zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd voor het bedrijventerrein GDC-Noord, ook voor dit plangebied.Uit deze onderzoeken blijkt dat in het plangebied enkel lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. Op een deel van de gronden binnen het plangebied is een tijdelijke waterberging gerealiseerd. Hiervoor is in 2018 een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bodemonderzoek maakt als bijlage 6 onderdeel uit van de toelichting. Uit dit bodemonderzoek blijkt dat de onderzochte gronden geschikt zijn voor het realiseren van bedrijfsbebouwing zoals hier beoogd is. Samenvattend kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen substantiële verontreiniging aanwezig is dan wel wordt verwacht. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning is, voor de gronden die niet zijn opgenomen in het bodemonderzoek uit 2018 (bijlage 4), een actueel verkennend bodemonderzoek (NEN5740, incl. NEN5725) nodig. Omdat er op basis van eerder bodemonderzoek puin in de bodem wordt verwacht, zal tevens verkennend asbest in grond onderzoek (NEN5707) nodig zijn.
De resultaten leveren echter geen significante milieuhygiënische belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling van het bestemmingsplan.
4.8
Natuur
De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 van kracht geworden en bevat regels ter bescherming van natuurgebieden, planten- en diersoorten, en houtopstanden, hout en houtproducten. Aanwezigheid van beschermde gebieden of -soorten en/of hun beschermde leefomgeving kan van invloed zijn op de uitwerking van bestemmingen. Quick scan Flora en Fauna Ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke waterberging is onderhavig plangebied een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan heeft als doel in beeld te brengen of de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Hoewel het in dit bestemmingsplan om andere werkzaamheden dan bij het aanleggen van een tijdelijke waterberging, bevat deze quickscan informatie over de aanwezigheid van eventueel beschermde soorten. De resultaten van deze quickscan zijn gerapporteerd en als bijlage opgenomen bij deze toelichting. De belangrijkste 50
vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven
bevindingen worden hieronder besproken. Overigens is de tijdelijke waterberging reeds gerealiseerd. Grondgebonden zoogdieren Een gedeelte van het plangebied is geschikt voor enkele kleinere niet-kritische grondgebonden zoogdieren waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Omdat delen van het plangebied geschikt zijn als (onderdeel van) het leefgebied van kleine marterachtigen dient er gewerkt te worden met een goedgekeurde gedragscode. Er dient gewerkt te worden buiten de kwetsbare kraamperiode (15 maart tot 1 september). Vleermuizen De bomen zijn allen goed onderhouden of te jong en bevatten geen voor vleermuizen geschikte holtes en scheuren. Verblijfplaatsen worden dan ook niet verwacht. Ook vaste vliegroutes worden niet verwacht omdat er geen lijnvormige structuren aanwezig zijn. Verder worden geen negatieve effecten verwacht ten aanzien foerageergebieden. Nader onderzoek of een ontheffing is niet nodig. Vogels Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing is niet nodig. Planten De standplaatsfactoren die in en in de omgeving van het plangebied voorkomen (voedselrijk-bemest) zijn niet geschikt voor beschermde plantensoorten. Nader onderzoek of een ontheffing is niet nodig. Reptielen, vissen en ongewervelden Het plangebied is niet geschikt voor deze soorten.
Amfibieën Ten oosten van het plangebied bevindt zich een watervoerende sloot. Er worden met name algemeen beschermde amfibiesoorten verwacht, waarvoor een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Mogelijk komt de alpenwatersalamander voor, die strenger beschermd is. Indien gewerkt wordt conform een goedgekeurde gedragscode geldt hiervoor een vrijstelling. Een nader onderzoek is niet nodig. Algemene zorgplicht Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.
Stikstofdepositie Daarnaast is een Aeriusberekening uitgevoerd om te beoordelen of de gebruiksfase en bouwfase van het grootschalig bedrijfsgebouw leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het memo met uitgangspunten en de berekening is als bijlage 8 opgenomen bij deze toelichting. Voor de gebruiksfase is er van uitgegaan dat het gebouw niet op gas wordt gestookt. Uit de berekeningen blijkt dat er in de bouwfase geen geen sprake is van stikstofdepositie (0,00 mol/ha/jr) op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, voor de gebruiksfase is er een toename van 0,01 mol/ha/jr op het Natura 2000-gebied Kempenland-West. Om te beoordelen of deze toename leidt tot significante negatieve effecten is een ecologische beoordeling (de zogenaamde voortoets) uitgevoerd. Deze ecologische beoordeling is als bijlage 9 opgenomen bij de toelichting. In deze beoordeling is aangetoond dat de toename van stikstofdepositie niet leidt tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Kempenland-West. Dit leidt tot de vastgesteld III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel) Gemeente Eindhoven