Bijlage 1 - Bestemmingsplan I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159)
Tekst van het document
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die: niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg, of; niet meer dan 3.000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt? een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
35
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': basisscholen, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse "Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
36
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
Het planvoornemen voorziet in de uitbreiding van een bestaande inrichting. Een dergelijk project zal een 'niet in betekenende mate bijdrage' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging en derhalve mag deze zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit plan maakt geen functies mogelijk waarop het Besluit gevoelige bestemmingen van toepassing is. Er worden ook geen woningen toegevoegd langs een drukke rijksweg, provinciale weg of stroomweg binnen de stad Eindhoven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. De uitkomsten van het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek dat als bijlage aan deze toelichting is gehecht tonen aan dat de inrichting voldoet aan de luchtkwaliteitseisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit. De volgende vaste en mobiele emissiebronnen zijn relevant en beschouwd in het luchtkwaliteitsonderzoek: vervoersbewegingen (vrachtwagens, personenauto's en schepen); mobiele kraan t.b.v. het lossen van schepen; gasgestookte installaties; afzuiging stoffilters.
De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2 van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Ook de grenswaarde van NO2 als uurgemiddelde van 200 µg/m3 wordt niet vaker dan 18 keer overschreden. In de aangevraagde situaties is de bijdrage van de inrichting aan de achtergrondconcentratie ter hoogte van de toetsingslocaties lager dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 (40 µg/m3). De inrichting draagt dus niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de achtergrondconcentratie PM10. Ook de grenswaarde van PM10 als 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 wordt niet vaker dan 35 keer overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 van 25 µg/m3 wordt niet overschreden. Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in de aangevraagde situatie de wettelijke grenswaarden niet overschrijdt. Het plan is voor wat betreft luchtkwaliteit dan ook niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
4.5
Geur
De belangrijke geurbronnen bij een diervoederbedrijf zijn de koelers van de productielijnen. Deze zijn voor meer dan 90% bepalend ten aanzien van de geuremissie. Andere belangrijke bronnen voor geuremissie zijn: hamermolens; ruimteventilatie; stortput; vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
37
emissies die vrijkomen bij het vullen van silo's; emissies die vrijkomen bij laad- en losactiviteiten. Het effect op de omgeving wordt, naast de omvang van de geuremissie, ook bepaald door de emissiehoogte en de emissieduur. Een aantal algemene BBT-maatregelen zijn opgenomen in de BREF voedingsmiddelen, dranken en zuivel. ABZ Diervoeding zal een centrale schoorsteen met afdoende hoogte realiseren voor de afzuigingen van de maal-/menglijn, hygiënelijn en perslijnen. De geuremissie in de toekomstige situatie is onderzocht. Betreffend geurrapport is als bijlage aan onderhavige toelichting gehecht. Hieronder zijn de conclusies weergegeven. Op jaarbasis bedraagt de gemiddelde geuremissie in de aangevraagde situatie 680 MouE/u. De maximale geuremissie bedraagt 2.465 MouE/u. Met deze verhouding tussen gemiddelde en maximale geuremissie kan het toetsingskader uit de brancheafspraken gevolgd worden. De gemiddelde geurconcentratie voor de hedonisch waarde H=-1 is voor een groot aantal producten vastgesteld op 3,5 ouE/m³. De berekende geurbelasting als gevolg van gemiddelde geuremissie voldoet op alle toetslocaties aan het betreffende acceptabel geurhinderniveau van 0,7 en ouE/m³ en 1,4 ouE/m³ voor respectievelijk gevoelige en minder gevoelige objecten.
Gelet op het bovenstaande blijft de maximale geurbelasting in de aangevraagde situatie onder de richtwaarden voor nieuwe activiteiten zoals opgenomen in het geurbeleid van de provincie Noord-Brabant. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. 4.6.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; 38
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.6.2
Visie Externe Veiligheid
De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. 4.6.3
Het plangebied
Uit onderstaande uitsnede van de risicokaart valt op te maken dat er geen Bevi-inrichtingen in de nabijheid zijn gelegen anders dan een tankstation met LPG. Op grotere afstand zijn AHC Benelux B.V. (op ca. 550 meter ten westen van de inrichting), Enexis Netbeheer B.V. (op ca. 420 meter ten oosten), en een tweede tankstation met LPG (op ca. 460 meter ten oosten) gelegen. In de nabijheid van de inrichting bevinden zich geen buisleidingen. De direct omliggende wegen betreffen geen wegen die zijn opgenomen als route gevaarlijke stoffen.
Uitsnede risicokaart (locatie plangebied rood omcirkeld) De aard van de omliggende risicovolle inrichtingen, gecombineerd met de afstand tussen ABZ Diervoeding en deze inrichtingen, betekent dat een domino-effect niet te verwachten is. De enige uitzondering hierop is het nabij gelegen LPG-tankstation. De kortste afstand (gemeten vanaf de terreingrens) tussen ABZ Diervoeding en dit tankstation bedraagt ca. 20 meter. ABZ Diervoeding is niet binnen de risicocontour 10-6 van het LPG-tankstation gelegen. De afstand tussen ABZ Diervoeding (gemeten vanaf de terreingrens) tot het vulpunt van het tankstation is meer dan 50 meter. Omdat het tankstation een ondergronds of ingeterpt reservoir heeft, is de onderlinge afstand tussen ABZ Diervoeding en het vulpunt van het LPG-tankstation groter dan de geldende risicoafstanden.
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
39
Ligging PR-contour ondergrondse tank, ten opzichte van de kadastrale grens/het plangebied Wel is het groepsrisico verantwoord. Betreffende memo is als bijlage aan onderhavige toelichting gehecht. Het groepsrisico van het naast ABZ gelegen lpg-tankstation ligt boven de oriëntatiewaarde (maximaal een factor 1,29). Met onderhavige ontwikkeling verandert het aantal aanwezigen bij ABZ evenwel niet en blijft het groepsrisico gelijk aan de huidige situatie. Op het buitenterrein is voorts een opslagtank voor mierenzuur aanwezig. De inhoud van betreffende opslagtank is groter dan de drempelwaarde van 1.000 liter zoals genoemd in het Bevi. Onder het voorgaande bestemmingsplan is verzuimd de locatie van ABZ Diervoeding binnen de huidige aangewezen Bevi-zones op te nemen. Middels deze herziening wordt dat tevens gerepareerd. Voorts is een Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. De rapportage daarvan is als bijlage aan onderhavige toelichting gehecht. Uit deze analyse blijkt dat een nadere verantwoording van het groepsrisico niet nodig is, aangezien er geen sprake is van mogelijke scenario's met 10 slachtoffers of meer. 4.6.4
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmerend effect heeft op de voorgenomen wijziging.
4.7
Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat Eindhoven als stad wil en waar dat op gebaseerd is.
40
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
4.7.1
CO2-reductie
Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan gedacht. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. Eindhoven zet daar op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers - woningen, winkels, kantoren - mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.
Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, wil Eindhoven ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die dan als stad wordt gebruikt, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
41
4.7.2
Circulaire economie
Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. Eindhoven wil een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In het gemeentelijk plan van aanpak CE 2018-2020 is de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. Geen afval In 2020 wil Eindhoven 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. Deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit.
In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
4.7.3
Natuur
Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven bestaat de wens de ecologische versnippering in de stad tegen te gaan. Oppervlakte groen Eindhoven wil geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan gebouwen.
42
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
4.7.4
Sociale basisbehoeften
The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater.
Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. Gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
4.7.5
Specifiek Eindhovens
Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
4.7.6
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
43
4.7.7
Planbeschrijving
ABZ Diervoeding draagt bij aan een circulaire economie door de inzet van stoffen (zoals nevenstromen) en bijproducten uit andere productiesectoren te benutten als grondstoffen. In het productieproces worden hoogwaardige installaties toegepast in combinatie met slimme interne bulkhandeling. Op deze wijze kunnen er op efficiënte wijze specifieke klantgerichte producten worden vervaardigd. Vanwege een toenemende competitie binnen de mengvoederindustrie is het noodzakelijk om investeringen te blijven verrichten, zodat een breed pallet aan producten kan worden afgezet in verhouding tot een reële kostprijs. De producten die worden afgezet als diervoeders in de agrarische sector worden eenmalig en volledig gebruikt. Er is dus geen sprake van een technische kringloop van afvalstoffen of restcomponenten die overblijven na toepassing (consumptie) van het product. Het inkoopbeleid van ABZ Diervoeding houdt rekening met innovatieve en duurzame ontwikkelingen op het gebied van procestechnologie, energiebesparing, afvalpreventie en vervoersmanagement. Bij de vervanging van installaties wordt rekening gehouden met diverse randvoorwaarden als levensloopcyclus, energieverbruik, betrouwbaarheid en kwaliteits- en Arbo technische aspecten.
In relatie tot het vervangen van installaties wordt tevens gekeken naar moderniseringen en procesoptimaliseringen binnen de productielijnen en ook waar mogelijk het verkorten van proceslijnen. ABZ Diervoeding is voornemens om het dak van de zakgoedloods van zonnepanelen te voorzien. Door de gemeente is het idee naar voren gebracht om de zuidzijde van de gevel van het productiegebouw te bekleden met zonnepanelen. Het is tevens mogelijk om een passelijke visualisatie geïntegreerd met de zonnepanelen weer te geven. ABZ Diervoeding neemt dit voorstel in overweging. Tot slot heeft ABZ Diervoeding geïnventariseerd in hoeverre warmteterugwinning (WTW) uit de koel- en drooglucht van de perslijnen tot de mogelijkheden behoort. Betreffende memo is als bijlage aan onderhavige toelichting gehecht. De conclusie luidt dat de hoeveelheid energie die theoretisch terug gewonnen kan worden vrij hoog is, maar laagwaardig van niveau. De terugverdientijd is in beide situaties lang. De risico's voor de continuïteit van het productieproces zijn momenteel erg hoog. De warmte is zonder opwaardering niet geschikt voor de levering aan een warmtenet. Verdere benutting van de laagwaardige warmte vereist opwaardering door een gasketel of warmtepomp. Dit drijft de investering verder op en daarmee verhoogt de terugverdientijd. Het toepassen van WTW in de huidige schoorstenen wordt afgeraden.
Indien schoorstenen in de toekomst worden gebundeld ontstaat de mogelijkheid een efficiënter WTW-systeem met een betere condenswaterafvoer te installeren. Aanbevelen wordt te zoeken naar afnemers van gebruikers van de beschikbare laagwaardige warmte.
44
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
4.8
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit afdoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat als de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Bodemonderzoeken Binnen het bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 zijn verschillende locaties bekend waar sprake is (geweest) van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Een van deze locaties is het terrein van ABZ Diervoeding en het naastgelegen bedrijf HKS Metals. Door middel van bodemrapportages is de mate en locatie van bodemverontreiniging in kaart gebracht. Deze rapportages zijn bekend bij de gemeente Eindhoven. Voor de locatie van de inrichting zijn eerder de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: Nulsituatie onderzoek, ROBA Laboratorium, d.d. 4 mei 1989 (nabij weegbrug, garage en voormalige wasplaats); Verkennend NEN-bodemonderzoek, lnpijn en Blokpoel, d.d. 1 mei 2000 (uitbreiding fabriek); Aanvullend onderzoek, Daaman Milieutechniek, d.d. 31 mei 2000; Grondwateronderzoek, Afvalwater services, d.d.
4 juni 2004 (bemonstering peilbuis bij wasplaats en bij opslag smeermiddelen); Bodemonderzoek, Tauw, d.d. 17 november 2009 (bodemonderzoek op het bedrijfsterrein ten noorden van het huidige tankenpark); Nulsituatie en eindsituatie bodemonderzoek, Bilfinger Tebodin, d.d. 22 augustus 2014 (ter plaatse van het nieuwe en oude tankenpark); Tevens is een bodemsanering uitgevoerd waarbij het volgende rapport is opgesteld. Verslag tank- en grondsanering Hastelweg 159, MDZ milieu, d.d. 1 april 2004. De rapportages van voornoemde onderzoeken zijn bekend bij het bevoegd gezag. In 2016 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd in de periode september 2015 tot april 2016 om meer duidelijkheid te krijgen over de aanwezige bodemverontreiniging op de locatie Hastelweg 157 te Eindhoven. Betreffend aanvullend bodemonderzoek is als bijlage aan onderhavige toelichting gehecht. Het betreft een historische bodemverontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl) in het grondwater, ontstaan voordat ABZ Diervoeding zich op deze locatie vestigde. De belangrijkste uitkomst van het aanvullend bodemonderzoek naar VOCl is de aanwezigheid van een sterke verontreiniging met tetrachlooretheen (PER) in het midden-oostelijke bodemdeel van het terrein. De verontreiniging in het freatisch grondwater is afgeperkt.
In het grondwater rond de 5-6 m-mv is de verontreiniging alleen in westelijke richting afgeperkt. In het bodemonderzoek is een risicobeoordeling uitgevoerd, waarbij de humane en verspreidingsrisico's in kaart zijn gebracht. Na aanleiding hiervan is gebleken dat er geen sprake is van verspreidings- en humane risico's. De concentratie PER overschrijdt de drempelwaarden (TCL-grenswaarde en grenswaarde stoffen werkplek) niet. Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning zal daarom alsnog bodemonderzoek uitgevoerd worden. Indien asbestverdacht materiaal in de grond aanwezig is, zal ook een vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
45
asbest in grondonderzoek (NEN5707) uitgevoerd worden. Gelet op het bovenstaande zullen de voorgenomen wijzigingen van ABZ Diervoeding niet leiden tot een verslechtering van de lokale bodemkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.9
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.
4.9.1
Wet natuurbescherming
De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer beschermd.
Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag.
4.9.2
Algemene zorgplicht
Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.
46
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
4.9.3
Het plangebied
Door Tritium Advies is in juli 2019 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting. De resultaten uit dit onderzoek staan hieronder beschreven. Beschermde gebieden Het plangebied grenst direct aan een NNB-gebied; het Beatrixkanaal inclusief de kade aan de zuidkant (ecologische verbindingszone). De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Aangezien het een beperkte ingreep betreft (een uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw) op een reeds bestaand omvangrijk bedrijventerrein, is een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied niet te verwachten. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met circa 4 en 5 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Gezien deze afstand en de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect ook hier niet te verwachten. Buro Blauw heeft stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd met de AERIUS Calculator. Betreffende berekeningen en het bijbehorend stikstofdepositie onderzoek zijn als bijlage aan deze toelichting gehecht. Uit de berekeningen volgt dat ter hoogte van omliggende Natura2000-gebieden geen significante stikstofdepositie wordt berekend als gevolg van onderhavige ontwikkeling.
De stikstofdepositie is ter hoogte van omliggende Natura2000-gebieden niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Soorten Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling.
Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
47
verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van een sportpark met aangrenzende groenzone. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft.
Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Het aspect natuur staat niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
48
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2
Beleid
5.2.1
Nationaal Waterplan 2016 - 2021
Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2
Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021
De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave, geheel in de geest van de Omgevingswet. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Brabant is duurzaam beschermd tegen overstromingen vanuit het hoofdwatersysteem. In 2050 heeft de provincie alle maatregelen uitgevoerd die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke beschermingsnormen. Er is lokaal maatwerk geleverd en zoveel mogelijk rekening gehouden met economie, natuur, recreatie, cultuurhistorie, landschap, agrarisch gebruik en leefbaarheid in dorpskernen. De kwaliteit van het rivierengebied is veel hoger dan voorheen en heeft een belangrijke economische waarde. Het rivierbed van de rivieren wordt zo min mogelijk bebouwd. Het regionale watersysteem is robuust ingericht, zodat wateroverlast voorkomen kan worden, ook bij een veranderend klimaat. Hierbij wordt de trits vasthouden, bergen, afvoeren gehanteerd. Als in het systeem waterkeringen noodzakelijk zijn, dan voldoen ze aan de gestelde normen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt ervoor gezorgd dat die niet ten koste gaan van de hoeveelheid water die het watersysteem kan bergen (waterbergend vermogen).
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
49
5.2.3
Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water'
Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's. Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking.
In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn: Voldoende water voor landbouw en natuur; Wateroverlast en hittestress; Kringloop denken; Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; Vergroten waterbewustzijn.
5.2.4
Keur oppervlaktewateren
De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.
50
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
5.2.5
Hydrologisch neutraal bouwen
Hydrologisch neutraal bouwen is overgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar het voor staat en welke maatregel er nodig is om hier aan te voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in project met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 2.000 m² is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In deze gevallen is de gemeente het bevoegd gezag. 5.2.6
Waterplan
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
51
5.2.7
Gemeentelijk rioleringsplan (2019 - 2022)
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.
5.3
Toekomstige situatie van het watersysteem
Onderhavige ontwikkeling ziet op een toename van het bebouwd oppervlak met circa 270 m². Conform het beleid van zowel gemeente als waterschap dient de toename van het verhard oppervlak hydrologisch neutraal en klimaatadaptief te zijn. De gemeente Eindhoven hanteert zelf een rekenmethode ('Klimaatopgave berekening Nieuwbouw 2019') waarbij de wateropgave in m³ wordt berekend voor nieuwbouwontwikkelingen waarbij de totale oppervlakte van verharding in het plangebied dient te worden geborgen. Hierin is de wateropgave afhankelijk van of de ontwikkeling in een groenarme buurt plaats vindt, het jaar waarin de omgevingsvergunning wordt ingediend en het totale oppervlak verhard terrein en groen. Het plangebied bevindt zich in een groenarme buurt en de omgevingsvergunning wordt in 2020 ingediend. Op basis van de klimaattool kan vastgesteld worden dat er in totaal circa 16 m³ waterberging gerealiseerd dient te worden. Hoe aan deze waterbergingseis wordt voldaan is nog niet bekend. ABZ Diervoeding zal samen met een civieltechnisch bureau de mogelijke alternatieven uitwerken om te borgen dat voor een geschikte oplossing wordt gekozen. Een aantal mogelijkheden die onderzocht zullen gaan worden zijn o.a.: Hergebruik regenwater: mogelijk kan schoon hemelwater worden toegepast om tankwagens/vrachtwagens uitwendig te wassen.
Het water zou kunnen worden opgevangen in een bergingstank of een hergebruik-tank die over voldoende bergingscapaciteit moet beschikken. Krattensysteem onder de parkeervakken op eigen terrein. Kelder aanleggen onder een van de bestaande gebouwen. Vertraagd leeglopen op het gemeentelijk riool, waarbij de uiteindelijke leeglooptijd in afstemming met de gemeente wordt afgestemd. De uitwerking hiervan zal bij de omgevingsvergunning worden ingediend. Om de realisatie en instandhouding van de hemelwatervoorziening te garanderen wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bestemmingsplanregels. Naast bovenstaande mogelijke maatregelen voor de waterberging, zullen er bij de nieuwbouw 52
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
géén uitlogende bouwmaterialen worden toegepast zoals zink en lood (aan de buitenzijde/de delen die in aanraking komen met hemelwater) om vervuiling oppervlaktewater afwateringskanaal met zware metalen te voorkomen. Ook zal de rioolaansluiting vanuit het plangebied gescheiden worden aangeleverd tot aan de erfgrens.
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
53
54
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische vormgeving
Algemeen
Het bestemmingsplan "I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.
6.2
Planmethodiek
Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.
6.3
Verbeelding
Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
6.4
Planregels
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De in hoofdstuk 1 opgenomen Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. Hoofdstuk 2 van de regels bestaat uit de uitwerking van de voorkomende bestemmingen. Bestemming 'Bedrijventerrein -1' (Artikel 3) Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - 1' zijn de bedrijven toegelaten die geluidhinder vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
55
veroorzaken. Deze bedrijven werden voorheen 'grote lawaaimakers' genoemd. Daarnaast zijn binnen deze bestemming risicovolle bedrijven toegelaten. Hiervoor is het middengebied van het bedrijventerrein aangewezen als 'Veiligheidszone bevi-1'. Er kan ook meegewerkt worden aan de vestiging van bedrijven die niet voorkomen op de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" maar die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. Onder hoofdstuk 3, Algemene regels, zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel, de Overige regels en de Algemene afwijkingsregels. Artikel 4 bevat een algemene anti-dubbeltelregel die ervoor zorgt dat op eenzelfde perceel de onbebouwde ruimte niet nogmaals wordt betrokken in de planologische toets van een bouwplan. De redactie is conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 5 bevat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn in dit artikel (artikel 6) geregeld. Veiligheidszone - lpg Deze aanduiding komt voort uit het nabijgelegen tankstation waar lpg kan worden getankt. Binnen betreffende zone zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten toegestaan.
Algemene (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan qua maatvoering, aantallen en functies staan in artikel 7. Veiligheidszone - opslag gevaarlijke stoffen Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - opslag gevaarlijke stoffen' mogen geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd, met dien verstande dat bestaande kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan, mits de bestaande bruto vloeroppervlakte niet wordt vergroot. Artikel 8 bevat overige regels inzake de parkeereis. Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs-en slotregels´. In artikel 9 is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling (artikel 10) wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
56
vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 7
7.1
Handhaving
Handhavingsnota Leefomgeving 2018-2021
In Eindhoven streven we naar een aantrekkelijke stad waar inwoners en bezoekers zich welkom, thuis en veilig voelen. Voor het behoud van een prettige leefomgeving zijn regels nodig. Het voorkomen van overtredingen en de bereidheid om regels na te leven heeft een hoge prioriteit. Hoe dit wordt vormgegeven staat in de 'nota Handhaving Leefomgeving 2018-2021'. De nota is op 27 februari 2018 door het college vastgesteld. Het is een integraal beleidsplan waarin op hoofdlijnen de keuzes voor het handhaven van de fysieke leefomgeving staan beschreven. Op basis van de nota wordt jaarlijks een uitvoeringsplan opgesteld waarin de aanpak wordt geconcretiseerd. Uitgangspunten Bij de vertaling van dit beleidskader naar een concreet, jaarlijks uitvoeringsplan worden een aantal uitgangspunten in acht genomen. De belangrijkste uitgangspunten zijn: Informatie gestuurd De gemeente Eindhoven ziet informatie gestuurde handhaving als een belangrijke pijler. Er zijn ontwikkelingen op het gebied van ICT en data analyse. Door gemeentelijke en andere informatiebronnen te ontsluiten, te analyseren en te combineren kunnen we een problematiek eerder (of preventief) en gerichter aanpakken. Gebiedsgericht Om optimaal in te kunnen spelen op vraagstukken van inwoners zet de gemeente Eindhoven binnen het ruimtelijk domein al geruime tijd in op gebiedsgericht toezicht.
Dit doen we door - vanuit een actieve samenwerking met wijkteams - te kijken naar naleefgedrag, oorzaken en oplossingen gerelateerd aan geografische gebieden. Er zijn verschillende vragen, doelgroepen en belangen. Kennis wordt gedeeld en ervaringen van inwoners en bedrijven worden verzameld. Deze input is van invloed op de prioriteiten in het jaarlijkse uitvoeringsplan, waar mogelijk toegespitst op een specifieke wijk. Per wijk kunnen er dus op basis van gebiedsanalyses en bijvoorbeeld buurtcontracten verschillende bouwstenen zijn voor het uitvoeringsplan. Risico- en oplossingsgerichte benadering De gemeente Eindhoven benadert toezicht en handhaving risico- en oplossingsgericht. De prioriteiten worden in beginsel gebaseerd op een inschatting van de veiligheids- en gezondheidsrisico's voor inwoners. Ook aspecten als leefbaarheid, duurzaamheid en omgevingskwaliteit wegen in belangrijke mate mee. Daarnaast worden prioriteiten mede gebaseerd op wat inwoners en bedrijven belangrijk vinden. Eindhoven hecht eraan om vraagstukken waar mogelijk gezamenlijk op te lossen. Er zijn onderwerpen die in algemene zin aandacht vragen. Brandveilig gebruik van woongebouwen verdient (nog) meer aandacht, in de context van kwetsbare groepen die langer zelfstandig blijven wonen. Ook aanpak van jeugdoverlast, duurzaamheid en de bestaande bouw zijn voorbeelden.
Er wordt gezocht naar de beste oplossing die nodig is voor het versterken van de veiligheid in de leefomgeving van onze inwoners. Hiermee ontstaat een risicoanalyse op basis waarvan vervolgens de prioriteiten binnen het toezicht worden gesteld. Consequent en doelmatig Uitvoeringsplannen en jaarverslagen bevatten een overzicht van de inzet en capaciteit voor handhaving. In het verlengde van informatie gestuurde en oplossingsgerichte handhaving vergt doelmatige handhaving een analyse van resultaten. Meetbare doelen om te beoordelen of de beschikbare capaciteit zo doelmatig mogelijk wordt ingezet. We beogen in de komende jaren een ontwikkeling door te maken in de vierslag capaciteit - prioriteit risicoanalyse - nalevingsniveau. Dit moet onder andere leiden tot meer inzicht in de relatie vastgesteld I Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Hastelweg 159) Gemeente Eindhoven
57
tussen handhavingsinspanningen en het nalevingsniveau (effect). Prioritering De gemeente Eindhoven maakt keuzes om ervoor te zorgen dat de beschikbare capaciteit zo adequaat mogelijk wordt ingezet. Om goede prioriteiten te stellen is inzicht noodzakelijk in mogelijke problemen, de risico's en negatieve effecten. Hierdoor kan beter ingespeeld worden op de grootste ergernissen en notoire overtreders en draagt handhaving bij aan een verhoogd gevoel van veiligheid. Met inachtneming van de uitgangspunten zijn in de nota prioriteiten gesteld. Aan de hand van deze prioriteiten, het budget uit de programmabegroting, incidentele bestuurlijke prioriteiten en het naleefgedrag van burgers en bedrijven, wordt jaarlijks het uitvoeringsplan voor toezicht en handhavingsprogramma opgesteld. Uitvoeringsplan In het uitvoeringsplan wordt op hoofdlijnen opgenomen waar de capaciteit dat jaar wordt ingezet. Daarbij is een onderverdeling gemaakt in: Object en informatiegericht a. Bouwen en Wonen b. Openbare leefomgeving c. Bedrijven Gebiedsgericht 1. Pilot Veiligheid en leefbaarheid 2. Actiegebieden Themagericht Bij ieder onderdeel worden jaarlijks een aantal belangrijke ontwikkelingen op het gebied van toezicht en handhaving opgenomen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om woonoverlast bij de Activiteiten Bouwen & Wonen. Of duurzaamheid en energiebesparing bij de Activiteiten Bedrijven.