CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

24bst00662 Bijlage 1a - Bestemmingsplan III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25)

Raadsvergadering 10 september 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan 'III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25)'30.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

60

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

Uitsnede risicokaart, Atlas Leefomgeving (plangebied met stippellijn aangeduid) Inrichtingen Op circa 200 meter ten westen van de grens van het plangebied ligt David Lloyd Sport en Health club (bronnr. 2). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de aanwezigheid van een gasopslagtank. Er is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar aanwezig. Gezien de afstand tot het plangebied worden er geen belemmeringen verwacht. Op circa 695 meter ten noordwesten van de grens van het plangebied ligt Severinus Stichting (bronnr. 3). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de aanwezigheid van een gasopslagtank. Er is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar aanwezig. Gezien de afstand tot het plangebied worden er geen belemmeringen verwacht. Op circa 680 meter ten noordoosten van de grens van het plangebied ligt Sonac Eindhoven B.V. (bronnr. 4). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de aanwezigheid van een gasopslagtank. Er is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar aanwezig. Gezien de afstand tot het plangebied worden er geen belemmeringen verwacht. Op circa 205 en 845 meter ten oosten en zuidoosten van de grens van het plangebied liggen twee gasdrukregelen meetstations van Enexis Netbeheer B.V. (bronnr. 5 en 6). De grootste veiligheidsafstand voor kwetsbare objecten bedraagt 25 meter.

Het plangebied ligt op voldoende afstand waardoor er geen belemmeringen gelden. Overige risicovolle inrichtingen liggen op meer dan 1 kilometer van het plangebied en zijn niet relevant. Transport Binnen een straal van 4 kilometer van het plangebied zijn drie relevante basisnetroutes gelegen, namelijk de rijkswegen A2 en A67 en spoorlijn Boxtel – Eindhoven. Via deze transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van rijksweg A2. Een kwantitatieve risicoanalyse is derhalve noodzakelijk. Het plangebied bevindt zich tevens binnen het invloedsgebied van een aantal stofcategorieën. Het traject ter hoogte van het plangebied heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) en een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Tot slot ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de N2. Buisleidingen De grootste inventarisatieafstand voor een hogedruk aardgastransportleiding bedraagt 580 meter. Omdat er binnen een straal van 580 meter van het plangebied geen leidingen zijn, gelden er geen belemmeringen. vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

61

4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. In de bijlage 'Gebiedsgerichte risicoprofielen' worden de (on)mogelijkheden vanwege risico's op het gebied van externe veiligheid voor het bedrijventerrein De Hurk-Croy uiteen gezet. Uitbreiding en nieuwvestiging van risicovolle bedrijven is onder voorwaarden toegestaan:

4.5.3

Groepsverantwoording

Bij het vaststellen van het bestemmingsplan door de gemeenteraad dient het groepsrisico te worden verantwoord. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het belang van een ruimtelijke ontwikkeling en het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg vaneen ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Voor onderhavig plangebied is de rijksweg A2 relevant, zodat het groepsrisico verantwoord moet worden conform artikel 8 van het Bevt. Uit het onderzoek van Econsultancy volgt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (of kwetsbaar objectvrije zone). Er worden geen kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied geprojecteerd. Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt verder dat het groepsrisico als gevolg van de rijksweg A2 in de huidige en toekomstige situatie hoger is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt als gevolg van het plan met meer dan 10% toe. Gelet op het voorgaande is het groepsrisico volledig verantwoord. 4.5.4

Advies Veiligheidsregio

Op basis van artikel 9 van het Bevt dient de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. PM

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

62

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

4.6.1

CO2 reductie

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.

Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

63

4.6.2

Circulaire economie

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. Geen afval In 2030 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. Deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit.

In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 4.6.3

Natuur

Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. Oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

64

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

4.6.4

Sociale basisbehoeften

The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

Gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. 4.6.5

Specifiek Eindhovens

Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. 4.6.6

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.7

Planbeschrijving

CO2-reductie Het plan zal voldoen aan de richtlijnen van BENG die vragen om duurzame bouw en duurzame installatie waarbij het gebruik van gas wordt uitgesloten en gebruik van energie geminimaliseerd. De BREEAM methode wordt toegepast volgens tenminste het level 'very good'. BREEAM (Building Research Establishment’s Environmental Assessment Method) is wereldwijd de leidende methode voor het beoordelen van de duurzaamheid van projecten in de gebouwde omgeving. Deze methode zet de standaard voor best-practice in duurzaam ontwerp vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

65

en is uitgegroeid tot de de-facto maatlat om de duurzaamheidsprestatie van gebouwen en gebieden te beschrijven. Door BREEAM toe te passen en te gebruiken, worden klanten geholpen bij het meten verbeteren van de duurzaamheid van gebieden en gebouwen. Zij creëren zij meerwaarde en verlagen risico’s. De duurzaamheidsdoelstellingen stijgen uit boven het wettelijk minimum. BREEAM-NL certificering is daarmee ‘bovenwettelijk’ en is dan ook een vrijwillige keuze van de opdrachtgever. VDG is zelf ook activerend als het gaat om zonnepanelen op daken. (VDG solar) Circulaire Economie Vanuit constructieve overwegingen is gekozen voor grid. Dit grid past heel mooi in het stramien van het parkeren. Stapelt dan waar nodig door naar de torens en in de assemblagehallen kunnen we dan waar er geen torens bovenop staan grotere overspanningen maken. Dit grid biedt naar de toekomst een casco dat veel flexibiliteit in zicht heeft. Met dit hybride techgebouw ambieëren we het gehele gebouw vrij te kunnen programmeren met functies zoals assemblagehallen, cleanrooms en werkplaatsen. Dat vraagt om relatief hoge veranderlijke vloerbelastingen en een daarbij passende materialisering van het casco. We proberen zoveel mogelijk uit te gaan van dezelfde kolommen en liggers. Wat de herbruiken restwaarde vergroot.

Daarnaast willen we in plaats van alle verbindingen welke normaliter verstopt zitten in plafonds, vloeren en wanden gewoon op een constructief zo efficient mogelijke plek houden. Daarmee komen deze straks in het zicht en bepalen deze daarmee mede het DNA van het gebouw. Natuur Op maaiveld willen we de groene kwaliteit vanuit de schatkamers langs de A2/N2 het perceel op laten lopen. Op de assemblage hallen en verhoogde plint komt een verhoogd daklandschap met een sustraatdikte die planten in de volle grond mogelijk maakt en waar we heesters en zelfs waar constructief ruimte is ook bomen gaan plaatsen. De naar buiten geschoven volumes kennen ook een groene dakbedekking welke als stapstenen gaan werken tussen maaiveld en verhoogd daklandschap. Sociale Basisbehoeften De sterk groene kwaliteit biedt de gebruiker en Croy een gezonde werkomgeving. Waarmee hittestress wordt gereduceerd, hemelwater langer vastgehouden wordt en de biodiversiteit sterk vergroot wordt. Op het verhoogde daklandschap wordt ook voorzien in de nodige ruimte voor sport en ontspanning. Specifiek Eindhovens Het plan is geïnitieerd voorziet in een toevoeging aan de Brainport-uitstraling. MVO Alle grote betrokken partijen zijn gecommitteerd om het plan duurzaam en met belang voor leefbaarheid voor de omgeving te realiseren. Dit komt ook naar voren uit het gevolgde samenspraaktraject.

66

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

4.7

Bodem

4.7.1

Wettelijk kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.7.2

Bodemonderzoek (verkennend)

Aangezien het terrein volledig bebouwd en verhard is en gedurende de planontwikkeling nog in gebruik is, is onderzoek op voorhand niet naar behoren uit te voeren. Bodemonderzoek en geohydrologisch onderzoek zal dan ook direct na sloop worden uitgevoerd. Alsdan kan meteen rekening worden gehouden met de geplande bouwdiepte (de bodemkwaliteit moet bekend zijn tot een 0,5 meter onder bouwniveau). In het kader van de uitvoerbaarheid kan vooruitlopend hierop op basis van eerdere boringen (Tritium, 2019) worden geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten uit 2019 geen belemmeringen opleveren voor het planvoornemen. Voor zover er bij deze boringen bijmengingen en lichte verontreinigingen zijn aangetoond, waren die dermate laag dat nader onderzoek niet noodzakelijk werd geacht. De zuurgraad van het grondwater is verder erg laag. In 2009 en 2010 is nabij de locatie waar in het huidige bodemonderzoek een lage pH is gemeten, een pH waarde van respectievelijk 4,4 en 5,2 gemeten in het grondwater. Dit is in dezelfde orde van grootte als de pH die tijdens onderhavig onderzoek is gemeten. Nader onderzoek hiernaar werd dan ook niet zinvol geacht.

Verder zijn er geen asbestgehalten groter dan de helft van de hergebruikswaarde en interventiewaarde aangetoond, zodat op basis van het onderzoek uit 2019 mocht worden aangenomen dat zowel de puinfundering als de puinhoudende grond niet verontreinigd zijn met asbest. De onderzoeksrapportages uit 2010 en 2019 zijn als bijlage 7 en bijlage 8 aan onderhavige toelichting gehecht. 4.7.3

PFAS

Volgens de notitie 'Aanvulling bodemkwaliteitskaart gemeente Eindhoven voor PFAS-verbindingen en grondstromenbeleid PFAS-houdende grond', is PFAS voor een groot gedeelte van het Eindhovens grondgebied geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen. Ook binnen onderhavig plangebied wordt voldaan aan de vastgestelde achtergrondwaarde voor vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

67

PFAS. De bovengrond voldoet aan de landelijke toepassingsnormen voor de functieklasse 'landbouw/natuur'. Mocht het nodig zijn om voor deze ontwikkeling grond af te voeren van de locatie dan zal de grond onderzocht moeten worden op PFAS. Dit is nodig om te bepalen of de grond kan worden hergebruikt en zo ja aan welke toepassingsnorm de grond voldoet. 4.7.4

Niet gesprongen explosieven (nge's)

Gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge’s. In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge’s worden aangetroffen worden deze geruimd. Deze ontwikkeling valt buiten deze verdachte gebieden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 zijn de Wet natuurbescherming, het bijbehorende Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming in werking getreden. Het is de bedoeling dat deze wetgeving uiteindelijk opgaat in de nieuwe Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking treedt. 4.8.1

Wet natuurbescherming (Wnb)

De Wnb beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. De provincies zijn in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. 4.8.2

Algemene zorgplicht

Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken. 4.8.3

Het plangebied

Het ter zake deskundig bureau Econsultancy heeft een zogenoemde Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is als bijlage 9 aan de toelichting gehecht. De resultaten uit dit onderzoek staan hieronder beschreven.

68

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

4.8.3.1 Beschermde gebieden De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, bevinden zich op circa 2,5 kilometer afstand ten oosten, westen en zuiden van de onderzoekslocatie.

Ligging plangebied (rood omlijnd en gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (blauwe vlakken).

Econsultancy heeft voorts stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd met de AERIUS Calculator. Betreffende berekeningen en het bijbehorend stikstofdepositie-onderzoek (inclusief de geactualiseerde berekeningen met de AERIUS calculator, versie 5 oktober 2023) zijn als bijlage 11 aan deze toelichting gehecht. Uit de berekeningen volgt dat het projecteffect op de Natura-2000-gebieden gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. 4.8.3.2 Soorten Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor uitvoering van de voorgenomen plannen middels nader onderzoek meer informatie te worden verkregen over de mogelijk essentiële functie van de onderzoekslocatie ten aanzien van kleine marterachtigen en steenmarter, alsmede de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door de bebouwing te slopen en groen te verwijderen buiten het broedseizoen (globaal maart - half augustus). Mocht het de bebouwing gesloopt en/of het groen verwijderd worden binnen het broedseizoen, dient een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige ecoloog.

Daarnaast wordt geadviseerd het snoeiafval direct af te voeren, om zo broedgevallen van kleine vogelsoorten tegen te gaan. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde.

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

69

4.8.3.3 Nader onderzoek In navolging op de conclusies van de quickscan Wet natuurbescherming is nader onderzoek verricht om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, steenmarter, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 10 aan deze toelichting gehecht.Uit deze rapportage volgt dat uit het veldonderzoek is gebleken dat er in het pand géén sporen van beschermde soorten aanwezig zijn. In het bijzonder is gelet op het voorkomen van sporen van vleermuizen en steenmarter. Deze zijn niet aangetroffen. Andere marterachtigen worden hier niet verwacht. Tevens is de bestaande constructie nauwkeurig bekeken en is geconcludeerd dat de panden ongeschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De constructie bestaat grotendeels uit enkelwandig plaatstaal en opgevulde halve spouwmuren. Daar waar hoge muren aanwezig zijn ontbreekt de toegang. Uit de uitgevoerde vleermuisronde is gebleken dat er gebaltst wordt in de directe omgeving. Echter gezien de mogelijkheden op de initiatieflocatie en omringende panden welke voorzien zijn van open stootvoegen alsmede de nabijgelegen woonwijk (typisch gewone dwergvleermuis habitat) valt een gebruik door vleermuizen zo goed als uit te sluiten. Verdere voortzetting van het soortgerichte onderzoek wordt niet zinvol geacht.

4.8.3.4 Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Tot slot dient altijd rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.

70

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

Indicatieve impressie natuurinclusief bouwen

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

71

72

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Het bestemmingsplan III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

73

5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma Duurzaam Door.

Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

74

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

75

5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap. 5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur.

In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem.

Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende 76

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026 Het Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het WKA 2023-2026 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het WKA is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken.

Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de waterklimaatopgave. 5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Eindhovense klimaattoets

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan. 5.3.1

Klimaatadaptiebeleid

In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

77

af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm. 5.3.2

Waterbergingsnorm

5.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is. Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing.

Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/. 5.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.

In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke 78

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

ontwikkelingen klimaat adaptief handelen. De datum van indiening van de omgevingsvergunning is leidend. De uitzonderingsregel is geregeld in artikel 32.2.2 van de regels. 5.3.2.3 Stimulans klimaatadaptatiebeleid De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel. Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein. 5.3.3

Toelichting rekentool

De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend. De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden.

Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

79

5.4

Watersysteem plangebied

5.4.1

Oppervlaktewater

Op de planlocatie en haar directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel ligt het plangebied circa 300 meter ten noorden van de Gender. 5.4.2

Verharding

De bestaande bedrijfsbebouwing binnen het plangebied wordt gesloopt en vervangen voor een nieuw bedrijvencomplex. In de bestaande situatie is het plangebied geheel verhard. In de nieuwe situatie komt er circa 10.000 m2 aan groenvoorzieningen. Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen in Eindhoven is klimaatadaptief bouwen. Dit betekent dat voor de nieuwe verhardingen in principe 60 mm berging gerealiseerd moet worden. Afhankelijk van de locatie, inrichting en oplossingsrichtingen wordt de uiteindelijke opgave bepaald binnen het Eindhovens klimaatbeleid. 5.4.3

Grondwaterstand en bodemopbouw

De grondwaterstand varieert tussen de 1,1 en 1,5 m-mv. De GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) bedraagt 0,7 tot 1,1 m min mv.

De bodemopbouw volgt uit onderstaand tabel.

5.4.4

Waterberging

In het kader van de watertoets is de klimaattool van gemeente Eindhoven doorlopen welke als bijlage 12 aan onderhavige toelichting is gehecht. Het plangebied beslaat een oppervlakte van 13.492 m2 . Het plan wordt met veel zorg groen ingericht. Daar waar in de huidige situatie sprake is van nagenoeg volledige verharding, wordt rondom de nieuwe bebouwing een groen landschap ingericht, waarbij ook de daken worden betrokken. Meer concreet wordt er binnenplans (binnen de perceelsgrenzen) circa 3.000 m2 aan groene daken, een daklandschap van circa 5.000 m2 en een groene invulling op maaiveld ad circa 80

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

2.200 m2 gerealiseerd. Op dit moment is daarmee per saldo ‘binnenplans’ alleen al in circa 10.000 m2 aan groene invulling voorzien. De waterbergingsopgave komt daarmee uit op 94,6 m3. Om de waterbergingsopgave verder te verminderen worden er aanvullende maatregelen genomen. Het gaat hierbij concreet om de aanleg van een wadi, de aanplant van 20 nieuwe bomen met een groeiruimte van 6 m³ en de realisatie van 20 faunavoorzieningen. De wadi krijgt een oppervlakte van 135 m2 met een diepte van 0,6 m en heeft daarmee een bergingscapaciteit van 81 m3. Het terrein zal nog worden opgehoogd, zodat het te bergen volume boven de GHG van 0,7 m-mv zal liggen. De GHG van 0,7 m-mv is gebaseerd op het feit dat dit een 'natte hoek' betreft en de bebouwing grotendeels ligt opgesloten tegen het verhoogde weglichaam van de A2. Bij een klimaatbui van o.a. 60 mm regen in een uur, is de risico-prognose dat hier flink water-op-straat optreedt met kans op wateroverlast in gebouwen.

Afbeelding inichting waterberging

Met vooromschreven maatregelen is het planvoornemen klimaatbestendig en wordt vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

81

toekomstige overlast vermeden. Hiermee wordt voldaan aan de Eindhovense klimaattoets. Het waterhuishoudkundig plan wordt bij de volgende fase (omgevingsvergunning) met meer detail uitgewerkt, zoals ook conform de gemeentelijke rekentool wordt vereist. In extreme situaties als het lang en veel regent zal het regenwater in de bergingsvoorzieningen geborgen worden alwaar het regenwater kan infiltreren in de bodem. Bij extreme neerslag en een gevulde bergingsvoorziening zal er middels een koppeling met het vuilwaterriool het regenwater vertraagd worden afgevoerd. Dwars door het terrein ligt een gemeenteriool met een diameter van 300 mm ten behoeve van de afwatering van het binnenterrein. Dit stroomt af richten het oosten en het westen. Met de gemeente zal in de realisatiefase worden kortgesloten in hoeverre het nodig is om deze aansluiting te laten vervallen en/of om te leggen. 5.4.5

Waterkwaliteit

Bij de inrichting, bouw en beheer fase dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater moet tot een minimum beperkt worden. Ook een gifvrij beheer van de ruimte (weg- en groenbeheer) levert een belangrijke positieve bijdrage aan de waterkwaliteit en dient aandacht te krijgen bij het uitwerken van het beheersplan voor de ontwikkeling.

5.4.6

Advies / overleg Waterschap

Het Waterschap is van mening dat de waterbergingsopgave voor dit plan overeenkomstig gemeentelijk beleid goed uitgewerkt is in de tabel. De nadere detaillering en ruimtelijke inpassing van met name de wadi behoeft nog uitwerking/verduidelijking. De vragen wat er in extreme situaties gebeurt (als het lang en veel regent) en waar de noodoverloop en leegloopvoorziening naar toe gaan dienen beantwoord worden. Verder wordt er op gewezen dat voor de invulling van waterbergingsopgave ter plaatse van gemeentegrond een akkoord van de gemeente benodigd is. Bij de omgevingsvergunning kan de nadere detaillering nog verder worden uitgewerkt. Nu dient alleen aangetoond te worden dat het ruimtelijk inpasbaar is.

82

vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan "III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

6.2

Planmethodiek

Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

6.3

Verbeelding

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.4

Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels (hoofdstuk 1), bestemmingsregels (hoofdstuk 2), algemene regels (hoofdstuk 3) en in overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). 6.4.1

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14272089/1