24bst00662 Bijlage 1a - Bestemmingsplan III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25)
Tekst van het document
De prehistorische vindplaatsen geven aan dat bewoning in de prehistorie mogelijk is geweest. Deze kunnen echter wel opgeruimd zijn door de hier in de 19e en 20e eeuw uitgevoerde ontginningen, de aanwezige voorontwerp woonwijken en bedrijfsterreinen en natuurlijke bodemprocessen als verstuiving en uitloging. De resultaten van het grootschalige archeologische onderzoek in Zuidoost-Brabant maken duidelijk dat er onder de plaggendekken meestal sprake is van meerdere bewoningsperioden uit de late prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen.
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
35
Gelet op het voorgaande zijn binnen het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 5' en 'Waarde - Archeologie 6' geprojecteerd, waarbij onderscheid is gemaakt in verschillende waarderingen:
(dubbel)bestemming
Waarde/verw achting archeologie Vrijstellingsgrenzen Diepte bodemingreep (onder maaiveld)
Oppervlakte bodemingreep
Waarde - Archeologie - 5
gebieden met hoge archeologische verw achting (categorie 5)
0,3 m
> 250 m2
Waarde - Archeologie - 6
gebieden met middelhoge archeologische verw achting (categorie 6)
0,3 m
> 2.500 m2
Door middel van de bouwregels en een vergunningvereiste voor het verrichten van bepaalde werken en werkzaamheden, worden de op en/of in deze gronden voorkomende of verwachte archeologische waarden beschermd en veiliggesteld. Binnen deze dubbelbestemming mogen 36
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
grondverstoringen pas plaatsvinden als het archeologisch belang dit toelaat. Toetsing aan de archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2022 heeft ertoe geleid dat archeologisch onderzoek benodigd is. Archeologisch (voor)onderzoek Gelet op de toepasselijke waarderingen van het plangebied heeft het terzake deskundig bureau RAAP een Archeologisch vooronderzoek bestaande uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd, waarvan de rapportage als bijlage 2 aan onderhavige toelichting is gehecht. Hierna wordt volstaan met een samenvatting. Bureauonderzoek Het plangebied ligt in het Brabantse dekzandgebied, ongeveer 300 meter ten noorden van het beekdal van de Gender. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in drie eenheden, van noord naar zuid: een dekzandrug, een dekzandvlakte en een dalvormige laagte (de voormalige Rundgraaf). Het beekdal van de Gender ligt ongeveer 300 meter ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt volgens de bodemkaart in een zone met een combinatie van hoge zwarte enkeerdgronden en gooreerdgronden. Volgens de bodemkaart is het plangebied vergraven. Op het Actueel Hoogtemodel Nederland (AHN) is te zien dat er in het westen van het plangebied grote rechthoekige vergravingen van circa 50 cm diep zijn geweest.
Die hebben ongetwijfeld te maken met de inrichting van het terrein voor bedrijven (vanaf 1985). In of direct nabij het plangebied bevinden zich geen archeologische vindplaatsen. In de wijdere omgeving (circa 700 meter) zijn er een beperkt aantal vindplaatsen en een archeologische monument. Bij het monument gaat het om de oude kern van Zeelst. De vindplaatsen betreffen twee locaties met de losse vondst van een neolithische pijlpunt, een plaggenput met aardewerk uit de 16e eeuw, en een mogelijke 'moated site' op basis van oude kaarten. Op het kadastrale minuutplan uit de periode 1811-1832 (Gestel en Blaarthem, secie B, blad 01) maakt het plangebied deel uit van een aantal onbebouwde percelen ten noorden van de Gender. Op een kaart uit 1903 zien de Rundgraaf direct ten zuiden van het plangebied. Dit is een gegraven waterloop, die in het noordoosten aansluit op de Gender. De eerste bebouwing verschijnt in 1985 en wordt uitgebreid in 1995. Vanwege de bebouwing wordt verwacht dat het de bodem (en mogelijke archeologische resten daarin) in het plangebied zwaar is verstoord. Er geldt een middelhoge verwachting voor kampementen van jager -verzamelaars uit het laatpaleolithicum-neolithicum, alsmede voor vindplaatsen van landbouwers (neolithicum-nieuwe tijd), bestaande uit huisplaatsen, nederzettingen, begravingen, landbouw en infrastructuur.
Verkennend booronderzoek Het booronderzoek heeft uitgewezen dat de bodem bestaat uit zwak siltig matig fijn dekzand. In alle boringen, en het profielputje, is er onder de verharding een bruingele tot grijsbruine laag ophoog- en/of verstoord zand aangetroffen, met her en der wat grind en recent baksteenpuin. Deze laag is ca. 20 tot 50 cm dik. Daaronder bevindt zich de onverstoorde gele C-horizont, met wat roest en soms wat leemvlekken. Er zijn nergens resten van een oorspronkelijke bodem aangetroffen, noch archeologische indicatoren. Waarschijnlijk is deze met de aanleg van het bedrijvenpark helemaal verstoord/afgegraven. In of direct nabij het plangebied bevinden zich geen archeologische vindplaatsen. In de wijdere omgeving (ca. 700 m) zijn er een beperkt aantal vindplaatsen en een archeologische monument. Bij het monument gaat het om de oude kern van Zeelst. De vindplaatsen betreffen twee locaties met de losse vondst van een neolithische pijlpunt, een plaggenput met aardewerk uit de 16e eeuw, en een mogelijke ‘moated site’ op basis van oude kaarten. Er geldt een middelhoge verwachting voor kampementen van jager-verzamelaars uit het vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
37
laatpaleolithicum-neolithicum, alsmede voor vindplaatsen van landbouwers (neolithicum-nieuwe tijd), bestaande uit huisplaatsen, nederzettingen, begravingen, landbouw en infrastructuur. Advies Omdat er geen oorspronkelijke bodem meer aanwezig is in het plangebied, geldt er nu een zeer lage archeologische verwachting. Gelet op het voorgaande wordt verder archeologisch onderzoek niet zinvol geacht.
3.5.7
Cultuurhistorie
Op 29 november 2022 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven geactualiseerd. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart bestaat uit twee deelwaardenkaarten, te weten de waardenkaart historisch cultuurlandschap en de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed. Op de waardenkaart historisch cultuurlandschap zijn aangegeven en gewaardeerd de historische landschappelijke gebieden (incl. historische nederzettingslocaties) en elementen (landschapselementen infrastructuur, waterstaat, opgaand groen, religie en funerair erfgoed en reliëf), die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven.
Uitsnede Waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed (plangebied rood omcirkeld) Op de Waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, historisch waardevolle kunstwerken, historische wegen en waterlopen, historisch-stedenbouwkundige structuren en 38
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
waardevol aangelegd groen en bomen, die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven.
Uitsnede Waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed (plangebied rood omcirkeld) Uit bovenstaande uitsnedes van de beide waardenkaarten van gemeente Eindhoven blijkt dat het plangebied is niet gelegen binnen, dan wel nabij een cultuurhistorisch waardevol gebied, dan wel element. Gelet op het voorgaande is met onderhavig planvoornemen geen sprake van behoud, versterking, aantasting, dan wel verlies van cultuurhistorische waarden. In de regels van dit bestemmingsplan is een nadere regeling dan ook niet aan de orde.
3.6
Verkeer en parkeren
3.6.1
Mobiliteitsvisie Eindhoven op weg
De Mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld en in 2022 geactualiseerd. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven.
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
39
Uitsnede ruimtelijke kaart Eindhoven op weg (plangebied rood omcirkeld) Autoverkeer Het plangebied ligt aan de A2 en N2 en is goed bereikbaar. Het is gelegen binnen een zogenoemde 'economisch toplocatie' (paarse arcering). Het plangebied wordt primair ontsloten door de straat Croy. Ten zuiden van het plangebied loopt de hoofdweg van het Randwegstelsel de Karel De Grotelaan. Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen, bestaande uit doorfietsroutes, stadsroutes en de Slowlane Brainport Avenue. Zowel ten noorden, als ten zuiden van het plangebied lopen fietsroutes, te weten respectievelijk een doorfietsroute (oranje lijn) en een stadsroute (oranje stippellijn). Openbaar vervoer Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Het plangebied wordt ontsloten door een viertal buslijnen. De Karel de Grotelaan is aangewezen als zoekgebied HOV-corridor HOV4 / Brainportlijn die de belangrijkste woon- en werklocaties moet gaan verbinden. De N2 maakt onderdeel uit van het HOV-netwerk. 3.6.2
Verkeersgeneratie
Ingevolge de CROW publicatie 381, uitgaande van het Werktypemilieu 'II Hoogwaardig bedrijvenpark' genereert deze ontwikkeling een maximale verkeersintensiteit van circa 474 extra verkeersbewegingen waarvan 2% opgenomen als zwaar vrachtverkeer voor het laden en lossen van goederen.
40
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
Functie
Plan
Eeheid
Verkeersgeneratie per eenheid (max)
Verkeersgeneratiepl an
kantoor (zonder baliefunctie)
5.000 m2
100 m2
4,9
245
bedrijf arbeidsintensief
8.588 m2
100 m2
9,2
790,1
bedrijf arbeidsextensief
8.800 m2
100 m2
4,9
431,2
Totaal
1.466,3
Verk eersgeneratie nieuwe situatie
Functie
Plan
Eeheid
Verkeersgeneratie per eenheid (max)
Verkeersgeneratiepl an
kantoor (zonder baliefunctie)
9.000 m2
100 m2
4,9
441
bedrijf arbeidsintensief
6.000 m2
100 m2
9,2
552
Totaal
993
Verk eersgeneratie bestaande situatie
Gelet op de ligging aan de A2/N2 en de bestaande ontsluitingsstructuur is deze toename acceptabel. De realisatie van het beoogde planvoornemen zal ten opzichte van de voorgaande situatie niet tot een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen leiden dat dit voor problemen zal zorgen op de omliggende wegen.
3.6.3
Actualisatie Nota Parkeernormen 2019
Autoparkeren Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. Deze nota is inmiddels geactualiseerd door de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019. In de nota is dat uitgewerkt in de zogenaamde verplichte "HOV-reductie" (minder parkeerplaatsen bij stations en Hoogwaardig openbaar vervoer-haltes) en het stimuleren van gebruik van deelauto's voor bewoners. Als tweede aanpassing willen we de bestaande (privé) parkeercapaciteit beter en efficiënter gaan benutten ten opzichte van realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. De derde belangrijke aanpassing is dat ontwikkelaars een bijdrage in het mobiliteitsfonds moeten storten, bij gebruik van reeds aanwezige openbare parkeerplaatsen. Met dat geld willen we onder andere de opbouw van een stadsbreed deelmobiliteit netwerk op weg helpen. In de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 hebben we eveneens de fietsparkeernormen geactualiseerd en gaan daar uitgebreider op toetsen en handhaven. Verder is van belang dat elk bestaand adres of een nieuw adres waar een omgevingsvergunning is afgegeven na 2016 in het POET-overzicht (parkeren op eigen terrein) komt. Adressen uit dit overzicht kunnen geen (nieuwe) parkeervergunning aanvragen en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden.
Bestaande parkeervergunningen worden niet meer verlengd. Dat gaan we in een vroeg stadium communiceren met de nieuwe bewoners. Fietsparkeren In de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019) zijn eveneens de fietsparkeernormen vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
41
geactualiseerd, waarop uitgebreider zal worden getoetst en gehandhaafd. Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders als uitwerking van de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019) de Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen vastgesteld. Het succes van een fietsenstalling hangt sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. Er zijn voorbeelden van stallingen waar fietsers onvoldoende gebruik van maken, terwijl er in de omgeving toch grote behoefte aan fietsparkeerplaatsen is. De aanwezigheid van een fietsenstalling op zich is nog geen garantie dat hij goed wordt gebruikt. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden vastgesteld. Parkeeroplossing Uit het ingevulde gemeentelijke parkeerrekentool dat als bijlage 3 aan onderhavige toelichting is gehecht, volgt dat uit onderhavig planvoornemen per saldo in beginsel een autoparkeerbehoefte van 310 parkeerplaatsen voortvloeit, die conform het beleid zo veel mogelijk op eigen terrein moet worden ingevuld. De parkeeropgave is geheel opgelost in het souterrain; een parkeerkelder half onder maaiveld. Op maaiveld worden verder nog vier parkeerplaatsen voor busjes gerealiseerd. Uit de parkeertool voeit verder een fietsparkeerbehoefte van 196 stallingen voort.
Alle fietsparkeerplaatsen worden opgenomen in de via een hellingbaan toegankelijke verhoogde plint. De stallingen zullen voldoen aan de kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid.
Park eeroplossing auto's (geheel inpandig op eigen terrein)
42
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
Park eeroplossing fietsen (geheel inpandig op eigen terrein)
3.7
Groen
3.7.1
Groenbeleidsplan
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eidhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.
Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
43
alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Figuur: Ruimtelijke Strategieënkaart
Uitsnede Ruimtelijke Strategieënkaart (plangebied blauw omcirkeld) 44
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
Het plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Stad, rood beeldbepalend' in een groenarm gebied. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Ter plaatse van het direct aangrenzende deel langs de A2 geldt de ruimtelijke strategie 'multifunctioneel groen'. Deze strategie ziet op de verweving tussen landschappelijk/ecologisch groen en recreatief rood als uitloopgebied van de stad. 3.7.2
Beleidsregel groencompensatie
Het Groenbeleidsplan 2017 omschrijft het beleid voor de combinatie van verdichten en vergroenen. Ook kent de gemeente een regeling voor groencompensatie (Beleidsregel groencompensatie), die kortweg inhoudt dat groen, dat plaats moet maken voor een ontwikkeling, door de ontwikkelende partij moet worden gecompenseerd, fysiek en/of financieel. Ingevolge het beleidsstuk Water- en klimaatadaptatie Aanpak gemeente Eindhoven 2023-2026 is in de rekentool klimaatadaptatie geïmplementeerd dat minimaal 10% van het Bruto Vloeroppervlak (BVO) in geval van bedrijven en bedrijfsgebouwen aan groen moet worden gerealiseerd. Beoogd wordt groen oppervlak dat zo veel mogelijk bijdraagt aan de functies van stadsgroen, zoals beschreven in het Groenbeleidsplan 2017. Voor onderhavig bouwplan betekent dit concreet dat groen met een oppervlakte ter grootte van 10% van het BVO aan groen toegevoegd moet worden. Er is sprake van versterking van het landschap en een combinatie van overgang van (voormalig) beekdal, groene corridor. De kwaliteiten en kenmerken van deze landschapstypen wordt doorgezet tot op de bedrijfskavel.
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
45
Impressie indicatief totaalbeeld
46
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
Schematische weergave groene inrichting
Het plan wordt met veel zorg groen ingericht. Daar waar in de huidige situatie sprake is van nagenoeg volledige verharding, wordt rondom de nieuwe bebouwing een groen landschap ingericht, waarbij ook de daken worden betrokken. Meer concreet wordt er binnenplans (binnen de perceelsgrenzen) circa 3.000 m2 aan groene daken, een daklandschap van circa 5.000 m2 en een groene invulling op maaiveld ad circa 2.200 m2 gerealiseerd. Op dit moment is daarmee per saldo ‘binnenplans’ alleen al in circa 10.000 m2 aan groene invulling voorzien. Het plan betreft daarmee een (zeer) aanzienlijke vergroening ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op het voorgaande voldoet het aandeel toe te voegen groen ruimschoots aan het gemeentelijk beleid.
3.7.3
Beleid Bomen
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
47
Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021 Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college.
voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (Particuliere) percelen groter dan 250 m2. De informatie op de groene kaart is nodig om: Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden. Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers. Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden.
Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald. Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'. Beoordeling plan Binnen en rondom het plangebied zijn bomen gesitueerd. Ten behoeve van de realisatie zijn 48
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
werkzaamheden noodzakelijk binnen de kwetsbare boomzone. Voor het beoogde planvoornemen zijn middels een bomeninventarisatie en een Bomen Effect Analyse (BEA) de bomen in kaart gebracht die invloed gaan ondervinden van de herontwikkeling. Deze rapportage is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste conclusies uit deze rapportage.
Afbeelding weergave BEA-advies Met bovenstaande afbeelding en onderstaand tabel is het advies dat volgt uit de analyse (schematisch) weergegeven. De kwalificatie 'Goed (++)' betekent dat geen ‘noemenswaardige’ maatregelen nodig zijn voor een duurzame handhaving van de boom. Een 'Voldoende (+)' houdt in dat beperkte maatregelen nodig voor een duurzame handhaving van de boom. Bij de kwalificatie 'Onvoldoende (-)' zijn specifieke maatregelen noodzakelijk voor een duurzame handhaving van de boom. 'Slecht (- -)'betekent dat ingrijpende maatregelen noodzakelijk zijn voor een duurzame handhaving van de boom. En 'Zeer slecht (X)' betekent tot slot dat sprake is van zogenoemde fatale belemmeringen voor een duurzame handhaving van de boom. Ruimtelijk beslag wordt beschouwd als een fatale belemmering.
Tabel BEA-advies met respectievelijke boomnummers
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
49
Uit voornoemd advies volgt dat de bomen 8, 9, 10, 11, 23, 24 vóór aanvang van het werk dienen te worden verwijderen om ruimte te maken voor de bouwactiviteiten. De bomen 5, 6, 7, 12, 14, 18, 19 en 25 vormen geen belemmering voor de bouwplannen, maar komen op basis van verminderde kwaliteit in aanmerking voor vervanging. Bij boom 12 speelt naast kwaliteit de geringe afstand ten opzichte van de bouwput een rol. Geadviseerd wordt om deze bomen gelet het herinrichten van de directe omgeving van het project te rooien en te vervangen/compenseren. Op de te behouden boom 3 zijn de volgende specifieke voorwaarden van toepassing: De graafafstand vanaf het hart van de stam tot de bouwput/ontgraving betreft minimale 3 meter; Gebruik van een keerwand om behoud van voldoende boomwortels te behouden; M.b.t. geplande bouwactivititen de kroon aan de zijde van de ontwikkeling met 2 meter innemen (tijdelijke maatregel). Tevens geheel snoeien van de boom; Plaatsen van een vast hekwerk om de boom gedurende de gehele bouwperiode. Compensatieplicht Gelet op het voorgaande zal een aantal bomen gekapt worden, waarvoor een omgevingsvergunning benodigd is. De te kappen bomen zullen evenwel ruim worden gecompenseerd door aanplant van nieuwe bomen binnen het plangebied.
Dit volgt uit het groenplan waarvan de realisatie en duurzame instandhouding middels een voorwaardelijke verplichtingin de planregels is geborgd.
3.8
Bedrijvigheid
Op 15 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Bedrijventerreinennota met de titel 'Aan de slag voor waardevolle locaties' vastgesteld. Deze is gepubliceerd op november 2016. Met deze nota wordt richting gegeven aan het beleid voor en de ontwikkelingsrichting van de bedrijventerreinen. De nota heeft betrekking op de 16 grootste (>5 ha) bedrijventerreinen van Eindhoven, inclusief campussen. De helft van de werkgelegenheid in Eindhoven en de regio hangt samen met deze 16 bedrijventerreinen. Daarmee zijn de terreinen een heel belangrijke pijler onder Brainport, de tweede economische motor van Nederland en een van de meest prominente hightech centra van Europa. Veel Brainport (gerelateerde) bedrijvigheid en economische clusters zijn op deze bedrijventerreinen - en die in de regio - gevestigd. Doel van de nota is de grote waarde die de terreinen hebben naar de toekomst toe te borgen en verder te vergroten. Dit in het belang van het functioneren van de bedrijven en de welvaart en het welzijn van de inwoners in Eindhoven en Brainport. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het brede palet aan economische activiteiten en daarmee samenhangende wensen en eisen die aan de bedrijventerreinen in Eindhoven worden gesteld. Het plangebied In de nota worden de bedrijventerreinen van Eindhoven verdeeld in vier typen terreinen.
Onderhavig plangebied is gelegen op bedrijventerrein De Hurk-Cro dat is aangewezen als type 'functioneel gemengd', dat zich kenmerkt door een gemiddelde vastgoedkwaliteit en redelijk verzorgde openbare ruimte. Dit type bedrijventerreinen kent wisselend sterke en zwakke plekken. Zij bieden voor ondernemers een divers, functioneel vestigingsmilieu. De ‘zwakkere’ plekken bieden vanuit marktperspectief kansen om zich te vestigen voor lage tot leegstandtarieven, waardoor nieuwe bedrijfs- en creatieve concepten tot stand kunnen komen. Denk aan Sectie C of het Beatrixcomplex, waar in een oud Philipsgebouw een bedrijfsverzamelgebouw in ontwikkeling is. Op sommige plekken kan er in de toekomst worden gedacht aan verkleuring. Onderhavige ontwikkeling is van een hoge vastgoedkwaliteit en draagt daarmee bij aan het 50
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
vestigingsmilieu ter plaatse. De nieuwe bedrijfsbebouwing zal beschikbaar zijn voor een divers scala aan bedrijven binnen de hightech.
3.9
Kantoren
De Kantorenstrategie 2012-2020 (vastgesteld op 26 juni 2012) is niet langer (alleen) gebaseerd op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt. Juist op de bestaande markt zijn maatregelen nodig om deze gezonder te maken. Dat vraagt enerzijds om een positieve en actieve grondhouding van gebouweigenaren. Anderzijds is er vaak nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met de leegstand aan de slag wil gaan. De gemeente Eindhoven speelt daarbij in toenemende mate een stimulerende en faciliterende rol. De Eindhovense werkwijze is afgestemd met de andere ‘kantoorgemeenten’ in de stedelijke regio. Dit is vastgelegd in een 'Regionale programmering kantoorlocaties' d.d. november 2013. Het grootste deel van de werkgelegenheid in de regio Eindhoven is gehuisvest in een kantooromgeving. Door diverse oorzaken is de Nederlandse en ook de regionale kantorenmarkt de laatste jaren flink uit balans geraakt. De aanbodpercentages liggen op dit moment rond de 16%; ruim twee keer zoveel als bij een gezonde kantorenmarkt hoort. Het totale aanbod van kantoren in Eindhoven bedroeg op 1 januari 2015 circa 250.000 m². Dit overaanbod aan kantoorruimte is voor een groot deel structureel van aard. Dit is een bedreiging voor de economische ambities van (de regio) Eindhoven en vraagt dus om gericht handelen.
In het nieuwe beleid wordt niet alleen op nieuwbouw gestuurd, maar ook op de bestaande kantorenmarkt. De focus ligt daarbij op het terugdringen van kantorenleegstand in bestaande gebouwen. Met deze aanpak hoopt het college vraag en aanbod op de Eindhovense kantorenmarkt in kwantitatieve én kwalitatieve zin beter op elkaar af te stemmen, zodat een goede balans ontstaat met toekomstbestendige locaties, die bijdragen aan de realisatie van de Brainport-ambities van stad en regio. Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden, te weten Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum. Deze verschillende kantorenmilieus voorzien in een specifieke en onderscheidende behoefte. Het is belangrijk om deze onderscheidende kwaliteiten de komende jaren verder uit te bouwen. Het is daarnaast belangrijk dat ongebreidelde groei van de kantorenvoorraad, door toevoeging van niet duurzame/toekomstbestendige nieuwbouw, wordt voorkomen. Kantoorgebruikers die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting worden daarom zoveel mogelijk bediend op de bestaande kantorenmarkt. Nieuwbouw van kantoren op geprioriteerde locaties en door middel van toekomstbestendige gebouwen is nog slechts met inachtneming van hiervoor genoemde uitgangspunten mogelijk. De gemeente voert geen leegstandsverordening in.
De uitvoering hiervan kost veel inspanning, terwijl ervaringen elders leren dat het gewenste resultaat veelal uitblijft. Wel komt er een ‘Eindhovense Leegstandsmonitor kantoren’ (actueel overzicht van leegstaande kantoren), bedoeld als stimulerend middel om marktpartijen ertoe aan te zetten ‘iets’ met leegstaande gebouwen te gaan doen. De gemeente Eindhoven zal ook proactief partijen met elkaar in verbinding brengen, om zo bij te dragen aan mogelijke nieuwe samenwerkingsverbanden en creatieve oplossingen voor dit vraagstuk. In onze ‘slimme regio’ zijn legio partijen die samen in staat zijn om ‘slimme oplossingen’ te bedenken. De gemeente Eindhoven zal, uiteraard passend binnen wet- en regelgeving, proactief meewerken aan gewenste transformatie van leegstaande kantoren. Echter niet alle kantoren zijn geschikt voor andere functies. Soms vanwege technische aspecten of locatiegebonden aspecten. Een deel van de kantoren zal dus naar verwachting op termijn gesloopt worden.
Planlocatie Nieuwe solitaire kantoorlocaties passen niet op dit bedrijventerrein en worden ook niet vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
51
mogelijk gemaakt met dit plan. Wel zal sprake zijn van kantoorruimte ondersteunend aan de bedrijvigheid. De oppervlakte daarvan is gemaximeerd op 5.000 m2. De onzelfstandigheid van de functie kantoren is ook als zodanig geborgd in de regels.
3.10
Productiegebonden detailhandel
Vanuit het bedrijventerreinenbeleid is het ‘zuiver’ houden van bedrijventerreinen van belang. Bedrijventerreinen zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten die niet in woon- en/of centrumgebieden gewenst zijn vanwege hun impact op de omgeving. In principe is detailhandel op bedrijventerreinen niet toegestaan. Wel is productiegebonden detailhandel toegestaan. Dit sluit aan bij de ambitie van Eindhoven om ruimte te bieden aan experimenten en ondernemerschap. Voor productiegebonden detailhandel op bedrijventerreinen geldt als uitgangspunt dat dit ondergeschikt blijft aan de bedrijfsactiviteiten. Bovendien mag het geen afbreuk doen of beperkingen opleggen voor omliggende bedrijven op het bedrijventerrein. De voorkeur gaat ernaar uit dat er geen showroom bij een bedrijf komt. Bedrijven kunnen hun verkoopbare goederen via daarvoor bestemde locaties (winkelpanden) aanbieden. Indien er toch de wens, nut en/of noodzaak is om producten ter plekke te tonen, dan mag hier in principe maximaal 20% van het totale bedrijfsoppervlak voor worden gebruikt, met een maximum van 200 m². Vanwege de diversiteit van de initiatieven, dient elk initiatief echter afzonderlijk beoordeeld te worden op eventuele (structuurverstorende) effecten voor de perspectiefrijke winkelgebieden in Eindhoven en het betreffende bedrijventerrein.
Bovendien moet een initiatief voldoen aan het meest recente beleid op het gebied van externe veiligheid.
3.11
Kabels, leidingen en straalpaden
Het aspect kabels, leidingen en straalpaden vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
3.12 Windhinder, evidente privaatrechtelijke belemmering en bezonning 3.12.1
Windhinder
Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. Gemeente Eindhoven heeft in dat kader op 26 mei 2020 de beleidsregels gemeentelijke normen windhinder vastgesteld. Voor windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving bestaat een landelijk privaatrechtelijke norm (NEN 8100:2006). In deze norm worden vooral de toepassingscriteria beschreven. Zo is in de norm beschreven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. In kwestie varieert de hoogte van de geplande bedrijfsbebouwing tussen de 12 en 43 meter boven het verhoogd maaiveld. Gelet hierop heeft initiatiefnemer een ter zake deskundig bureau een zogenoemd Windklimaat onderzoek laten opstellen. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 aan onderhavige toelichting gehecht. Met dit onderzoek wordt ook het verblijfsklimaat op de beoogde daktuinen inzichtelijk gemaakt. Ook hier mogen geen onprettig of gevaarlijke situaties ontstaan. Hierna volgt een 52
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
korte weergave van de conclusies van dit onderzoek. Windhinder op straatniveau Het windklimaat op alle paden en wegen rondom de ontwikkeling voldoen aan de gestelde kwaliteitsklasse ‘doorlopen’. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen windhinder veroorzaakt op de omliggende wegen. Windgevaar op straatniveau Het windklimaat op alle paden en wegen rondom de ontwikkeling zijn vrij van de categorie ‘gevaarlijk’. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen windgevaar veroorzaakt op de omliggende wegen Windklimaat daklandschap De indeling van het daklandschap staat nog niet vast en de resultaten van de analyse zijn daarom richtlijnen voor de indeling. Een groot gedeelte van het daklandschap voldoet aan de windklimaatklasse ‘langdurig zitten’. Het windklimaat tussen de drie torens in voldoet niet aan het windklimaat voor zit- of slenteractiviteiten. Door een verhoogde dichtte dakrand te situeren rondom het daklandschap en door bomen te plaatsen langs de westzijde van het daklandschap kan er een gunstig windklimaat gecreëerd worden voor zit- en slenteractiviteiten. Het daklandschap is daarmee vrij van kans op windgevaar. Gelet op het voorgaande vormt het aspect windhinder geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 3.12.2
Evidente privaatrechtelijke belemmering
Uit jurisprudentie blijkt dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Hieraan kan slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is. Binnen onderhavig plangebied leiden de eigendomsverhoudingen niet tot privaatrechtelijke belemmeringen, laat staan evidente belemmeringen van die aard. 3.12.3
Bezonning
Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Deze beleidsruimte heeft de gemeente Eindhoven ingevuld door in 2017 de 'beleidsregels voor bezonning woningen' vast te stellen. Volgens deze beleidsregels is ten aanzien van zonlicht in de woning onder andere het volgende bepaald: In de periode van 19 februari t/m 21 oktober moet minimaal 2 uur zonneschijn per dag aanwezig kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. In de gemeentelijke beleidsregels ten aanzien van zonlicht op het balkon is het volgende bepaald: In de periode van 21 maart t/m 21 september moet minimaal 2 uur zonlicht aanwezig kunnen zijn op enig punt op het balkon. Zonlicht op het balkon mag in de nieuwe situatie in tijdsduur niet meer dan 50% verminderen dan in de bestaande situatie. Gelet op de afstand tussen de nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen tot de dichtstbijzijnde woning(en) en gelet op de verspringende bouwhoogten van de nieuwe bebouwing is een onderzoek niet benodigd en kan worden geconcludeerd dat in de nieuwe situatie (ruim) zal worden voldaan aan de normen in de beleidsregels.
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
53
54
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 4
Milieuparagraaf
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.
Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. In dit kader is beoordeeld of 11.3 van onderdeel D (de uitbreiding van een industrieterrein) van de bijlage van het Besluit m.e.r. van toepassing is op onderhavig plan. 4.1.2
Motivering en conclusie
Het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In onderhavig geval is weliswaar sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en programma, maar hiermee is niet aannemelijk dat het gebruik vergeleken met het al toegestane gebruik, zo’n andere verkeersaantrekkende werking heeft – en daarmee zulke milieugevolgen - dat de ontwikkeling aangemerkt moet worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Van belang is in dit geval ook nog dat het project aan de rand van een bedrijventerrein ligt in een gebied met een gemengd karakter en waar op grond van het bestemmingsplan al bedrijvigheid is toegestaan. Kortom: het gebruik als bedrijfsgebouw in planologisch opzicht (en qua ruimtebeslag) verschilt niet veel van het op grond van het bestemmingsplan toegestane gebruik. Om die reden kan gesteld worden dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
55
Meer specifiek is geen sprake van het vergroten van een industrieterrein, zodat in het onderhavige geval geen sprake van de wijziging van een industrieterrein in de zin van het Besluit m.e.r. Er hoeft in dit kader dan ook geen vormvrije m.e.r. te worden opgesteld.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. 4.2.1
Staat van bedrijfsactiviteiten
De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.
bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. In het moederplan 'Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017' is de systematiek van inwaarts zoneren toegepast. Dat wil zeggen dat er vanaf de omliggende woningen afstanden zijn 56
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
vastgesteld voor bedrijven. Vanuit de gevoelige functie wordt daarmee dus een beschermende bufferzone gecreëerd. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. In onderhavig plan is de systematiek van inwaarts zoneren van het moederplan overgenomen. Het plan behelst de sloop en nieuwbouw van bedrijfsbebouwing waarbij de bestemming niet wordt gewijzigd. Het gaat enkel om de vervanging door bedrijfsbebouwing met een groter volume. De afstand van de bedrijvigheid tot de woningen wordt niet verkleind. Bestaande rechten worden hiermee gerespecteerd en beschermd. Tot slot heeft hier te gelden dat ter plaatse van de omringende woningen sprake is van een 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijven. Ook de ligging aan de hoofdinfrastructuur is een indicatie voor de typering als gemengd gebied.
Gelet op de situatie ter plaatse, waarbij woningen grenzen aan een bedrijventerrein dat is gelegen aan de snelweg, wordt uitgegaan van een gemengd gebied, zodat heeft te gelden dat toepasselijke richtafstanden met één afstandsstap verlaagd mogen worden. De staat van bedrijfsactiviteiten is eveneens gelijk aan de aangepaste versie bij het moederplan 'Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017' . Bedrijven die in het algemeen vanwege de aard van de activiteiten niet passend zijn op een bedrijventerrein, zijn niet in de staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen (denk bijvoorbeeld aan bioscopen, dierentuinen, sporthallen, zelfstandige kantoren, etc.). Daarnaast worden bedrijven die gezien hun aard en activiteiten niet in onderhavig plangebied thuishoren en/of voor kunnen komen, uitgesloten (bijvoorbeeld visserij- en visteeltbedrijven, aardolie- en gaswinning, etc.). Vervolgens is een selectie gemaakt van de bedrijven behorende tot de voor het plangebied, al dan niet als bestaand, dan wel met ontheffing, toegelaten milieucategorie.
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van bedrijfsbebouwing en ondersteunende kantoorruimte, niet zijnde geluidgevoelige bestemmingen in de zin van de vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
57
Wgh. Nader onderzoek is dan ook niet aan de orde.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. 58
vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld).
Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5
Planbeschrijving en toetsing
Het plan omvat de bouw van 22.500 m2 bedrijfsruimte inclusief samenhangende kantoorruimte hetgeen past binnen de getalsmatige begrenzing voor “niet in betekende mate” projecten. Aangezien het plan niet meer dan 100.000 kantoorruimte omvat, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een “in betekende mate“ project zodat de realisatie van het plan niet zal leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Er is ook geen sprake van een 'gevoelige bestemming' in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat in de nabijheid van het plangebied (ter plaatse van Croy) de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.
De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. vastgesteld III Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017 (Croy 19-25) Gemeente Eindhoven
59
Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gelet op het voorgaand kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Een uitgebreide Rapportage Onderzoek Externe Veiligheid is op 2 mei 2023 opgesteld door het ter zake deskundig bureau Econsultancy, welke als bijlage 6 aan deze toelichting is gehecht. In deze paragraaf worden de conclusies van die rapportage uiteengezet. 4.5.1
Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.