23bst01567 - Bijlage 3a - Bp XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan)
Tekst van het document
Relatie met plan
Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op afbeelding 4.1. De richtafstanden behorende bij de milieubelastende zijn toegelicht in tabel 4.1. Hierbij is uitgegaan van het omgevingstype 'rustig woongebiedfuncties'.
62
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
Figuur 4.1 Bestemmingen met milieu contouren
Tabel 4.1 Richtafstanden milieubelastende functies omgeving
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
63
Het plangebied ligt binnen de richtafstanden voor het aspect geluid van de winkels aan Schootsestraat 26 en Schootsestraat 54 en de kapsalon aan Cederlaan 2a. Het geluid afkomstig van de winkels en kapsalon zal geen belemmering vormen voor het plan. De beoogde woningbouw vindt plaats aan de achterzijde van deze panden. De panden zelf hebben geen relevante geluiduitstraling, zeker niet naar de achterzijde. Verder is geen sprake van relevante geluidbronnen, zoals voertuigbewegingen of parkeren, omdat deze activiteiten in de openbare ruimte (buiten de inrichtingsgrenzen) plaatsvinden. Ten slotte zullen woningen binnen het plangebied op enige afstand van deze functies worden gerealiseerd. Bestaande woningen liggen dichterbij, of zelfs aanpandig aan deze functies. Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat de winkels en kapsalon niet in hun belangen worden geschaad. Planologisch gezien zijn er ter plaatse van de Schootsestraat 26, Schootsestraat 54 en aan de Cederlaan 2a bedrijven toegestaan t/m de milieucategorie 2. Dergelijke bedrijven hebben doorgaans een richtafstand van 30 meter ten opzichte van woningen. Ook bedrijven die zich in de toekomst op deze adressen willen vestigen, zullen echter met de reeds direct aangrenzende woonpercelen rekening moeten houden.
De nieuw te realiseren woningen die middels onderhavig bestemmingsplan gerealiseerd worden zullen daarmee ook toekomstige bedrijvigheid niet in toenemende mate belemmeren, daar de bestaande woningen reeds maatgevend zijn.
Het plangebied ligt ook binnen de richtafstanden voor het aspect geluid van de warmtekrachtcentrale aan Beukenlaan 2a. Deze inrichting is een ‘grote lawaaimaker’ zoals bedoeld in onderdeel D van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Voor deze inrichting moet in het bestemmingsplan een geluidzone worden vastgelegd. De geluidzone is weergegeven op afbeelding 4.2.
Figuur 4.2 Geluidzone Beukenlaan 2a
Het plangebied ligt buiten de geluidzone van de warmtekrachtcentrale. Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat de warmtekrachtcentrale niet in haar belangen wordt geschaad.
64
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
4.3
Geluid
4.3.1
Wettelijk kader
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.
Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. 4.3.2
Relatie met plan
Voor dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Op basis van de resultaten van het akoestisch onderzoek worden onderstaande conclusies getrokken. Het plangebied valt binnen de zone van de Beukenlaan (70/50 km/uur), de Cederlaan (50 km/u), de Kastanjelaan (50 km/u), de Noord Brabantlaan (50 km/u) en de Koenraadlaan (50 km/u). In de directe omgeving zijn verder een aantal wegen binnen de 30 km/uur zone gelegen. Deze wegen zijn alleen meegenomen in het kader van de cumulatieve geluidbelasting. Beukenlaan De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 51 dB ter plaatse van de meest noordelijke woning aan de Kreugelstraat (2e etage). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op vierbeoordelingspunten overschreden (meerdere hoogtes). De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt nergens overschreden. Omdat niet overal aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan zijn in het onderzoek maatregelen beschouwd. Cederlaan De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 61 dB ter plaatse van de appartementen in het meest zuidoostelijke blok in het plangebied (1e en 2e etage). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op zestien beoordelingspunten overschreden (meerdere hoogtes). De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt nergens overschreden.
Omdat niet overal aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan zijn in het onderzoek maatregelen beschouwd. Overige getoetste straten De hoogst berekende waardes afkomstig van de Kastanjelaan, Noord Brabantlaan en de Koenraadlaan bedragen respectievelijk 47, 48 en 27 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Het verlenen van een hogere waarde voor de deze straten is niet aan de orde.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
65
Hogere waarden Hogere waardes zijn nodig voor de Beukenlaan en voor de Cederlaan. De berekende geluidbelasting bedraagt respectievelijk maximaal 51 en 61 dB. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, zie hiervoor het onderzoek. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht mits er in het kader van het gemeentelijk beleid een oplossing wordt gevonden voor geluidsbelasting van de Cederlaan op de appartementen direct aan de Cederlaan in de meest zuidoostelijke hoek van plangebied. In de verdere uitwerking van het ontwerp zal rekening worden gehouden met bovenstaande. Constructies als een serre vormen een mogelijkheid, maar ook het plaatsen van een glazen wand voor bepaalde raamopeningen. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 66 dB voor de wonigen in de zuidoostelijke hoek van het plangebied. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt maximaal 66 – 33 = 33 dB. Het zal nodig zijn nader onderzoek te doen naar de geluidwering van de gevels. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit voor de gewenste wooneenheden wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘zeer slecht’.
Op basis van de toelichting in het akoestisch onderzoek kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de wooneenheden niet in de weg staat. Conclusie Het aspect 'wegverkeerslawaai' staat het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg. Daar waar hogere waarden dienen te worden vastgesteld, vindt separate besluitvorming gekoppeld aan de bestemmingsplanprocedure plaats. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de woningen beschikken over een geluidluwe gevel danwel buitenruimte.
4.4
Luchtkwaliteit
De juridische kaders voor het aspect 'luchtkwaliteit' zullen in de navolgende paragrafen (4.4.1 tot en met 4.4.4) worden toegelicht. In paragraaf 4.4.5 wordt nader ingegaan op de doorwerking van deze kaders naar het plan.
66
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
4.4.1
Wettelijk kader
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
67
4.4.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
68
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
4.4.5
Relatie met plan
Invloed initiatief op luchtkwaliteit Onderbouwd moet worden dat het plan onder de Regeling NIBM valt. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Het plan voorziet in maximaal 242 woningen en blijft ruimschoots onder de norm zoals vastgelegd in de Regeling NIBM. Een luchtkwaliteitsonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Invloed luchtkwaliteit op initiatief Naast de invloed van het toekomstige verkeer op de luchtkwaliteit, moet ook gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Op basis van achtergrondwaarden kan achterhaald worden of sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. De achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten (aan de Cederlaan en Beukenlaan) zijn middels de NSL-monitoringstool achterhaald (NSL: Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit achterhaald.
#
Id
NO2 ug/m3
PM10 ug/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 ug/m3
1
30767
24.7
20.0
7.7
12.5
2
30766
23.5
19.7
7.4
12.2
3
30765
23.9
19.8
7.5
12.3
4
31147
27.4
20.7
8.4
12.5
40
40
35
25
Norm
Tabel 4.2 Achtergrondwaarden dichtsbijzijnde meetpunten Uit de tabel kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden met betrekking tot stikstof en fijnstof (ruim) onder de normen liggen. Om deze reden kan worden gezegd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat (in het kader van luchtkwaliteit) ter plaatse van de toekomstige woningen.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
69
4.5.1
70
Wettelijk kader
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Inrichtingen Beukenlaan 2a, Gasdrukregel- en meetstation warmtekrachtcentrale Eindhoven Dit gasdrukregel- en meetstation valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Het betreft een station type C, t/m 40 000 normaal kubieke meter per uur aardgas.
De veiligheidsafstand bedraagt 15 meter. Het plangebied ligt echter op 200 meter en het invloedsgebied reikt dan ook niet over het plangebied. Zwaanstraat 1, opslag boortrichloride en opslag zeer giftige vloeistoffen De waterinhoud van het reservoir voor de opslag van boortrichloride bedraagt 100 liter. De veiligheidsafstand bedraagt 5 meter. Het invloedsgebied van 60 meter reikt niet over het plangebied. De waterinhoud van het reservoir voor de opslag van zeer giftige vloeistoffen bedraagt 238 liter. De veiligheidsafstand bedraagt 40 meter. Het invloedsgebied van maximaal 540 meter reikt niet over het plangebied, aangezien de inrichting zich op een afstand van 600 meter bevindt. Kastanjelaan 400, opslag zoutzuur en natronloog De waterinhoud van het reservoir voor de opslag van zoutzuur en natronloog bedraagt 6.000 liter (per tank). De veiligheidsafstanden overschrijden de eigen inrichtingsgrens niet. Het invloedsgebied van 114 meter reikt niet over het plangebied. Het plangebied ligt namelijk op een afstand van 400 meter. Transport Rijk sweg A2/N2 Op een afstand van 1.500 meter van het plangebied ligt de Rijksweg A2 / N2, wegvak B106. De maatgevende stofcategorie die vervoerd wordt over dit wegvak is GT4 / GT5 met een invloedsgebied van > 4.000 meter. Het plangebied ligt binnen dit invloedsgebied, maar buiten de veiligheidsafstand van 200 meter.
Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 vormt geen belemmering voor het plan. Wel moet een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden en een advies door de veiligheidsregio worden afgegeven. Spoorlijn Boxtel - Eindhoven Op een afstand van 500 meter van het plangebied ligt de spoorlijn Boxtel - Eindhoven. De maatgevende stofcategorie die vervoerd wordt over dit wegvak is B2 met een invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied ligt binnen dit invloedsgebied, maar buiten de veiligheidsafstand van 200 meter. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de het spoor vormt geen belemmering voor het plan. Wel moet een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden en een advies door de veiligheidsregio worden afgegeven. vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
71
Buisleidingen Op een afstand van ongeveer 300 meter van het plangebied ligt een hogedruk ardgasleiding van I&M transport. De eigenschappen van de leiding zijn weergegeven in tabel 4.2. Leiding
Diameter (inch)
Druk (bar)
Afstand PR (meter)
Afstand GR* (meter)
Hogedruk aardgasleiding Z-519-01
6,61
40,00
< 120
120
* Invloedsgebied voor de berekening van het groepsrisico Tabel 4.3 Eigenschappen buisleiding
Er is geen sprake van een knelpunt wat betreft het plaatsgebonden risico of het groepsrisico door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.5.2
Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid
De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. 4.5.3
Conclusie
Beperkte verantwoording groepsrisico Groepsrisico Vanwege de grote afstand tot risicobronnen in de omgeving zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Bestrijdbaarheid In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas en vloeistof is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas of vloeistof en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het bouwwerk is goed geïsoleerd, waardoor het een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het aspect 'Externe Veiligheid' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
72
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
4.6
Duurzaamheid
4.6.1
Klimaatplan 2021-2025
De gemeente Eindhoven is zich bewust van de toenemende urgentie van het aanpakken van de opwarming van de aarde en de daarmee gepaard gaande klimaatverandering. Achteroverleunen en het over ons heen laten komen is dan ook geen optie. Eindhoven neemt haar lokale verantwoordelijkheid en is vastberaden om haar bijdrage te leveren aan het bereiken van de mondiale klimaatdoelen. De gemeenteraad van Eindhoven heeft op 23 februari 2016 de klimaatverordening aangenomen. In de verordening is vastgelegd dat burgemeester & wethouders elke 5 jaar een klimaatplan opstellen. De taakstelling is het verminderen van de CO2-uitstoot van de stad met 55% in 2030 en 95% in 2050 ten opzichte van de uitstoot in 1990. Eindhoven staat samen met het Rijk, Europa, de hele wereld voor een grote uitdaging om de impact van klimaatverandering en de opwarming van de aarde te beperken. Eindhoven stoot sinds 2015 elk jaar minder CO2 uit en de productie duurzame energie van onder andere zonnepanelen in Eindhoven is sinds 2018 flink gestegen. Naar verwachting reduceren we 150.000 ton CO2 in de periode 2015-2020. Daarbij hebben we dus nog geen rekening gehouden met het effect van corona op de emissiecijfers. 150.000 ton CO2 is meer dan de verwachting van 115.350 tonCO2-reductie uit het klimaatplan 2016-2020.
Maar met deze reductie ligt de CO2-uitstoot in 2020 naar verwachting nog altijd boven de uitstoot van 1990. Om de reductiedoelstelling te halen is het nodig om minstens 3x zoveel CO2 te reduceren dan we de afgelopen jaren lieten zien. Een opgave om tussen de 450.000 en 500.000 ton CO2 te reduceren in 2025 ten opzichte van 2020. Om dit te bereiken is samenwerking en inzet van inwoners, bedrijven, kennisinstellingen en overheden nodig. Concrete doelstellingen betreffen het terugdringen van CO2 en het stimuleren van de circulaire economie. Terugdringen directe CO2 De taakstelling is het verminderen van de CO2-uitstoot van de stad met 55% in 2030 en 95% in 2050 ten opzichte van de uitstoot in 1990. Dit betekent dat we de komende 30 jaar elke woning, elk bedrijf, elke school, elk ziekenhuis, elk vervoermiddel in Eindhoven verduurzamen. In deze lange termijndoelen is te zien dat Eindhoven voor een grote uitdaging staat. Eindhoven stoot sinds 2015 elk jaar minder CO2 uit en de productie duurzame energie van onder andere zonnepanelen in Eindhoven is sinds 2018 flink gestegen. Maar uit de klimaatbegroting 2021 blijkt dat de totale CO2-uitstoot in 2018 nog boven de uitstoot in 1990 lag. Om de reductiedoelstelling te halen is het nodig om minstens 3x zoveel CO2 te reduceren dan we de afgelopen jaren lieten zien.
In dat kader is de concrete doelstelling voor dit klimaatplan 2021-2025 vermindering van de CO2-emissie met minimaal 250.000 ton CO2 te bereiken in 2025. Als gemeentelijke organisatie willen we daarbij het goede voorbeeld geven en daarom in 2025 100% uitstoot vrij en duurzaam zijn. Stimuleren circulaire economie Duurzame materialen zijn (grond)stoffen, materialen en producten die geen negatieve effecten op mens en milieu hebben, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. Met circulaire economie sluiten we aan bij de doelstellingen uit het rijksbrede programma circulaire economie. Onze ambitie is om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. Door producten, materialen en spullen te hergebruiken hoeven er tenslotte geen nieuwe producten gemaakt te worden waardoor er ook minder afval verwerkt hoeft te worden. Door bij het ontwerpen van producten, gebouwen en openbare ruimte rekening te houden met hergebruik van materialen, hebben we een kleinere impact op de (indirecte) CO2-uitstoot elders. Door lokaal te verwerken en hergebruiken besparen we transport, houden we waardevolle materialen binnen onze eigen economie en stimuleren we werkgelegenheid in onze eigen stad. Niet alleen bij het ontwerpen maar ook bij de fysieke uitvoering van de projecten geldt dezelfde opgave.
We willen leren, bouwen en vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
73
bevragen, ontwikkelen en veranderen naar een circulaire economie samen met de Klimaatbeweging en The New Block. Daarnaast stimuleren wij circulariteit als onderdeel van ons maatschappelijk verantwoord inkopen. De taak om CO2 te reduceren is niet alleen weggelegd voor de gemeente Eindhoven. Het is een opgave die alleen haalbaar is als we samen optrekken met andere overheden zoals gemeente, provincie, het Rijk en Europa. Door met elkaar in gesprek te gaan, krachten te bundelen en kansen efficiënt te benutten, ontstaat er een dynamiek waarin inwoners, bedrijven, overheden én het milieu samen profiteren van het verduurzamen van onze maatschappij. Dit klimaatplan richt zich op waar de gemeente Eindhoven invloed op heeft en impact kan maken en op het actief betrekken van andere overheden, bewoners, bedrijven en kennisinstellingen om hun bijdrage te leveren. 4.6.2
Eindhoven circulair
Naast het Klimaatplan geldt ook de beleidsvisie 'Eindhoven circulair - op weg naar een circulaire economie 2018 - 2020'. Hierin is vastgelegd dat circulaire economie nodig is om problemen in de nabije toekomst te voorkomen. Zoals het opraken van grondstoffen door het beperkte hergebruik en de aantasting van natuur en landschap door delving van grondstoffen. Maar ook milieuvervuiling door afvalverbranding en storting en stijgende prijzen van grondstoffen en producten, omdat ze steeds schaarser worden. Een circulaire economie biedt kansen om in de high tech regio Eindhoven, middels innovatie, een koploperpositie te pakken in de ontwikkeling van circulaire producten. Daarnaast kan het regionale werkgelegenheid creëren door regionaal producten te verwerken in plaats van grondstoffen uit andere landen te importeren. Een belangrijke stap in de ambitie 'Eindhoven circulair' ligt in de interactie richting de markt.Bij het inrichten van de stad, ons vastgoed en bij ons eigen maatschappelijk verantwoord inkopenbeleid dient de markt uitgedaagd te worden om te innoveren op gebied van duurzaamheid in brede zin en daarbinnen ten aanzien van circulariteit. 4.6.3
The Natural Step: Vier principes van een duurzame samenleving
De gemeente Eindhoven heeft gekozen voor een aanpak die uitgaat van een systeembenadering van duurzaamheid voor de ontwikkeling van Eindhoven tot duurzame, gezonde, energie-neutrale, flexibel bestuurde, aantrekkelijke en inspirerende stad; The Natural Step-aanpak. The Natural Step Aanpak is eind jaren '80 ontstaan in Zweden in een nauwe samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven; een Triple Helix. In de kern van The Natural Step-aanpak vinden we vier duurzaamheidsprincipes, gebaseerd op de ecologische en sociale systeemeigenschappen. Aan de basis van deze principes ligt ruim 20 jaar wetenschappelijk onderzoek en de praktische toepassing daarvan bij bedrijven, gemeenten, scholen en non-profit organisaties over de hele wereld. De 4 duurzaamheidsprincipes kunnen we zien als spelregels. Houden we ons aan deze regels dan zijn we duurzaam bezig. Ze vertellen wat de grenzen zijn die we moeten respecteren als we een duurzaam product, een duurzame organisatie of duurzame gemeenschap willen ontwikkelen.
74
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
Niet meer en sneller stoffen uit de aardkorst in het milieu brengen dan de natuur kan verw erken.
Niet meer en sneller natuurvreemde stoffen in het milieu brengen dan de natuur kan verw erken.
De natuur niet sneller afbreken dan de tijd die nodig is om te herstellen.
Geen dingen doen w aardoor w e mensen beperken in het kunnen vervullen van hun behoeften.
Figuur 4.3 The Natural Step principes
4.6.4
Raadsprogramma Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. 1) CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te proberen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
75
daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt. 1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Sinds 1 juli 2018 moeten kleinverbruikers, zowel nieuwe woningen als nieuwe bedrijven, 'aardgasloos bouwen'. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad bovendien vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en daarom nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. Met de beleidsregel 'Voorkomen aansluiting nieuwbouw op aardgas', die wordt gehanteerd tot 31 december 2020 (of 1-7-2018), wordt beoogd nieuwe aansluitingen op aardgas te voorkomen. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk.
Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. 1C) Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op het gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2) Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) Duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame 76
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
materialen. 2B) Geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) Deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik) van het product bij de leverancier. 3) Natuur 3A) Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. 3B) Oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4) Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater.
Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) Gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. 4C) Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
77
Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. 4.6.5
Planbeschrijving
Binnen het planvoornemen is een groene en duurzame gebiedsontwikkeling als uitgangspunt meegenomen. Voor initiatiefnemer gaat duurzame gebiedsontwikkeling naast milieu over sociale, ruimtelijke en economische waarde. People, planet en prosperity zijn het logische vertrekpunt om het Drukkerijkwartier te ontwikkelen. De ontwikkeling zal voldoen aan de uitgangspunten van het klimaatbeleid van de gemeente Eindhoven. Verder zijn de duurzame ambities gericht op een drietal thema's: 1. Energietransitie: energiebesparing en duurzame energie hebben hoge prioriteit bij de ontwikkeling Drukkerijkwartier. 2. Klimaatadaptatie: de leefomgeving is zo ingericht dat deze bestand is tegen wateroverlast, hittestress en langdurige droogte. 3. Gezondheid: Het is aangenaam verblijven in het Drukkerijkwartier en bewoners worden aangezet tot gezond gedrag. Het doel van initiatiefnemer is vooruitstrevend en aanjagend te zijn en met de ontwikkeling boven de wettelijke norm te scoren. 4. Circulariteit: (her)gebruiken van grondstoffen en beperken afvalstromen bij de bouw van de nieuwe woningen en de inrichting het gebied. 1. Energietransitie De woningen binnen het Drukkerijkwartier zullen aardgasloos worden opgeleverd. Voor het verwarmen en koelen wordt gedacht aan installaties als een warmtenet, een Warmte Koude Opslag (WKO) of lucht-water warmtepompen.
Eventueel zullen deze installaties in combinatie worden toegepast. Bij een warmtenet stroomt water door leidingen om huizen te verwarmen, en bij een WKO of lucht-water warmtepompen wordt warmte (of koude) uit de bodem of lucht onttrokken. Een slimme onderlinge wisselwerking wordt vervolgens gefaciliteerd tussen de vraag naar warmte en koude van de woningen. Als uitgangspunt voor WKO-bronnen houdt de gemeente Eindhoven aan dat deze op het eigen perceel aangebracht worden. Daarnaast, zal indien gekozen wordt voor een WKO-systeem, rekening gehouden worden met de aanwezigheid van verschillende bodemenergiesystemen en grondwaterverontreinigingen en eventuele voorwaarden vanuit provinciaal beleid. De nieuwbouw voldoet aan de eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). Daarbij wordt gestreefd naar een energie neutrale opzet voor de nieuwbouw. PV-panelen ((fotovoltaïsche installatie/ zonnepanelen) zullen op de daken van de woningen worden geplaatst. Deze zullen naast de bovengenoemde warmte/koude installaties in de benodigde energie voorzien. 2. Klimaatadaptatie In de voormalige situatie (bedrijfsbebouwing van Eindhovens Packaging) was het terrein bijna geheel verhard en bebouwd. Onderdeel van onderhavige ontwikkeling is het groen inrichten en het open maken van de openbare ruimte. Een klimaatbestendig en groen woongebied staat centraal in het plan.
Hierbij wordt vooral gedacht aan het groen inrichten van het plangebied. Een zo groen mogelijke stedelijke (binnen)ruimte wordt, naast een prettige en klimaatadaptieve inrichting, als vertaling gezien van het omliggend landschap. Hierbij gaat het zowel om groen tussen de gebouwen, maar ook op en tegen de woningen en gebouwen zelf. Dit kan middels het implementeren van gevelgroen en dakgroen. Naast waterberging hebben deze groene daken een positieve invloed op de biodiversiteit. Ook wordt gedacht aan het cadeau geven van een boom per woning. Dit vergroot niet alleen de landschappelijke waarde van het gebied, maar zet ook de trend voor vergroening van de tuinen. Tot slot wordt de bebouwing aan de 78
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
Cederlaan iets teruggetrokken van de rooilijn om een groene buffer aan de voorkant van het plangebied te creëren. Binnen de plangrens bevonden zich 9 bestaande bomen. Daarvan zijn inmiddels 5 bomen gekapt in verband met de noodzakelijk sanering. Daarnaast wordt er ruimtelijk beslag gelegd op 3 bomen door toedoen van de ontwikkeling, e.e.a. zoals vermeld in hfst. 3.8.3. Er zal echter een veelvoud aan nieuwe bomen in het gebied worden geplant (zie figuur 4.4). Daarmee is het effect van de ontwikkeling positief ten opzichte van de bestaande situatie. Naast bomen wordt het nieuwe drukkerijkwartier verzacht door (inheemse) beplanting die bijdragen aan de stedelijke ecologie en biodiversiteit. Ook wordt in dat kader gedacht aan het cadeau geven van een boom per woning in de privétuin. Door het toevoegen van een grote diversiteit aan beplanting op maaiveld en diverse ingrepen in de architectuur wordt er natuur inclusief gebouwd. In het nieuwe Drukkerijkwartier zijn delen (on)toegankelijk voor mens waardoor ecologie en biodiversiteit een grote kans krijgen. Met inheemse beplanting en hoogteverschillen wordt een leefgebied voor diverse soorten gecreeërd. Het maaiveld samen met de daktuinen, groene daken en gevelbegroeiing vormen een ecologisch stapsteen met de omgeving. Daarnaast dragen deze onderdelen bij aan thema's als; klimaat adaptatie, hitte reductie en wateropname.
Bloemenrijke beplanting wordt togevoerd voor onder andere wilde bijensoorten. Dit samen met voedsel, nestplaatsen, nestmaterialen en warmte zijn de elementen die op korte afstand van elkaar aanwezig dienen te zijn om de wilde bij te bedienen en om insecten aan te trekken. Door het aantrekken van deze doelsoorten ontstaat er een voedselketen voor vogels. Voor vleermuizen en vogels is een gebied vereist waar genoeg voeding is te vinden en waar er ruimte is voor verblijf. Dit doen we met inbouwverblijven ingepast in de architectuur op de daarvoor juiste plekken in verschillende zon-/schaduw georiënteerde gevels. Het groen samen met voorzieningen in de gevels voor nest- en verblijfplaatsen voor insecten en kleine dieren biedt toekomst voor plant, dier en mens.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
79
Figuur 4.4 Nieuw aan te planten bomen
3. Gezondheid De woningbouw binnen het Drukkerijkwartier is sociaal- en functiedivers. Er wordt een diversiteit aan woningtypen gerealiseerd, van sociale huur tot dure koop. De (stedenbouwkundige) opzet van het plan, de (groene) inrichting van (semi-)openbare en private buitenruimten en de gebouwen zijn (sociaal) veilig, (mentaal) gezond en nodigen uit tot ontmoeting en tot onthaasting. Het bewegen wordt gestimuleerd door het aanmoedigen van een autoluw karakter in het gebied. Gezien de afstand tot het centrum en de verschillende mogelijkheden voor openbaar vervoer (waaronder het treinstation Strijp-S op een loopafstand van circa 600 meter) wordt het mobiliteitsprincipe gehanteerd waarbij onder andere lopen, fietsen en openbaar vervoer boven vervoer met de auto wordt aangemoedigd. 4. Circulaire gebiedsontwikkeling Bij de ontwikkeling van het Drukkerijkwartier ontwerpen we de gebouwen en het openbaar gebied zo dat materialen in de toekomst ook hoogwaardig hergebruikt kunnen worden. Circulair ontwerp gaat over het bewustzijn van de totale levenscyclus van het gebouw en openbare ruimte in de ontwerpfase; het reduceren van de total cost of ownership, inclusief onderhoud, beheer, en end-of-life. Er zullen materialenpaspoorten opgesteld worden die worden ondergebracht bij Madaster.
Eigendom en toegang tot de informatie van het materialenpaspoort wordt bij oplevering overgedragen aan de eigenaar. Het materialenpaspoort is een logboek waarin staat welke materialen zijn toegepast en wat de milieu-impact en herkomst van deze materialen is. Daarnaast een BIM-model en eventueel een handleiding 80
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
voor hoe te demonteren. Voor de toekomstwaarde van de gebouwen en het terrein worden in het ontwerp- en realisatieproces materialen geselecteerd op basis van hun milieu footprint. Per 1 juli 2021 geldt voor de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) een maximum schaduwprijs van 0,80 euro per m² BVO per jaar. Dat is de verplichte norm. Initiatiefnemer streeft in dit gebied een lagere MPG na.
4.7
Bodem
4.7.1 Wettelijk kader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2 Planbeschrijving Er is voor dit plan een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Als gevolg van historische bedrijfsactiviteiten zijn bodemverontreinigingen ontstaan. Deze bodemverontreinigingen zijn/worden gesaneerd door de huidige grondeigenaar en voormalige gebruiker van het terrein. Bij overdracht aan BPD is de locatie gesaneerd (geschikt voor wonen) waarbij sprake zal zijn van een 1 meter dikke leeflaag.
Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat de leeflaag, voor wat betreft de standaard NEN-grond parameters, niet overal voldoet aan klasse wonen of beter. Plaatselijk is tot 1,5 m -mv op basis van de parameters minerale olie PAK en/of PCB sprake van klasse industrie of niet-toepasbare grond. Ter plaatse van de toekomstige kelder zijn vanaf 17,5 m+NAP overschrijdingen van de interventiewaarde voor 1,2-Dichloorethenen (som cis/trans) aangetoond. De overschrijdingen komen verspreid voor binnen de contour van de toekomstige kelder. Er is geen eenduidige relatie te leggen tussen de gemeten gehalten en de veldwaarnemingen. Ter plaatse van de toekomstige riolering zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarden voor VOCL’s aangetoond (maximaal kwaliteit Industrie). De gemeten kwaliteit van de grond tot aan de toekomstige ontgravingsdiepte heeft tot gevolg dat in de huidige situatie beperkingen gelden bij hergebruik van grondstromen binnen de locatie. Dit betekent dat niet alle grond die vrijkomt bij het graven van de parkeergarage en de riolering binnen het plangebied of elders hergebruikt kan worden (groter dan klasse wonen en/of niet toepasbare grond). Geadviseerd wordt, in afstemming met de beoogde diepte van met name de parkeergarage, deze hoeveelheid nietherbruikbare grond in beeld te brengen en hiervoor kosten te begroten.
Op basis van het hoogste gehalte cis-1,2- dichlooretheen ter plaatse van de toekomstige kelder dienen bij werkzaamheden dieper dan 17,5 m +NAP naast de standaardmaatregelen vanuit de basishygiëne ook aanvullende maatregelen op basis van veiligheidsklasse “Rood vluchtig” genomen te worden. De analyseresultaten van de bodemlagen 1 en 2 (maaiveld tot 16,5 m +NAP) laten zien dat niet overal binnen 1,5 m-mv voor VOCl wordt voldaan aan de klasse wonen. Tenslotte wijst vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
81
een toetsing van de nu in relatief ondiepe bodemlagen in de grond gemeten gehalten aan VOCl uit, dat er mogelijk sprake kan zijn van uitdampingsrisico’s. Sanering Als gevolg van historische bedrijfsactiviteiten zijn bodemverontreinigingen met VOCI, PAK, minerale olie en/of PCB ontstaan. Deze bodemverontreinigingen zijn/worden gesaneerd en geschikt gemaakt voor wonen met tuin door de huidige grondeigenaar en voormalige gebruiker van het terrein. Hiervoor zijn verschillende saneringsplannen opgesteld op basis van de Wet bodemsanering. De locatie wordt hierbij onder meer voorzien van een leeflaag. Na de bodemsanering blijven sterke verontreinigingen in de grond en het grondwater achter. Daarom gelden na sanering gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen. Onder andere een monitoringsplicht van het grondwater maakt hier onderdeel van uit. Van de uitgevoerde saneringsmaatregelen wordt een saneringsverslag opgesteld. De gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen worden vastgelegd in een nazorgplan en beschikt op basis van de Wet bodembescherming (Wbb). Na overdracht van het terrein aan ontwikkelaar, zal ontwikkelaar, om de locatie definitief in te richten, een deelsaneringsplan ter goedkeuring aan het bevoegd gezag Wbb voorleggen.
In dit deelsaneringsplan worden de te nemen (sanerings-)maatregelen, waaronder een grondwateronttrekking, het aanbrengen van bebouwing en leeflagen /verhardingen evenals het herschikken van (sterk) verontreinigde grond beschreven. Na uitvoering van de saneringsmaatregelen en definitieve inrichting is de locatie geschikt voor het gebruik en is nog steeds sprake van gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen. Deze worden beschreven in het saneringsverslag/nazorgplan dat in opdracht van de ontwikkelaar wordt opgesteld. Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect bodem met inachtneming van bovenstaande saneringsopgaven uitvoerbaar.
4.8
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2022 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de herbestemming van het terrein aan de Cederlaan te Eindhoven, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de resultaten en conclusies.
82
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
4.8.1
Wettelijke gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux”, bevindt zich op circa 5,5 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van relatief veel woningen betreft, wordt een AERIUSberekening uitgevoerd om de stikstofdepositie te toetsen. Indien de toename aan stikstofdepositie onder de drempelwaarde van de beschermde gebieden blijft is verder onderzoek naar effecten op Natura 2000-gebieden niet van toepassing.
Ter bepaling of er sprake is van stikstofdepositie is een berekening uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Uit deze berekening is geconcludeerd dat geen sprake is van stikstofdepositie door toedoen van dit project (gebruiks- en aanleg-/bouwfase) op het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de aanleg/bouw- en gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. 4.8.2
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat de NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 800 meter ten noordwesten van het plangebied.
Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen of in de buurt van de Groenblauwe mantel.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
83
4.8.3
Toetsing beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) wettelijk beschermde houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. 4.8.4
Toetsing soortenbescherming
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Potentieel Sprake van aanw ezig verstoring
Soortgroep Algemeen Broedvogel s
Mogelijk Ja
Jaarrond beschermd
Nee
Bijzonderheden / opmerkingen
Plangebied buiten broedseizoen bouw rijp maken of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Nee
-
Verw ijderen vleermuis-kasten onder begeleiding ecoloog. Naastgelegen schuren Bij aantasting van een enkel indien de verblijf-plaats is een potentiele ontheffing nodig functionaliteit van de schuren komt te vervallen door de in-richting van het terrein
Verblijfplaats en
Ja
Mogelijk
Foerageerha bitat
Minimaal
Nee
Vliegroutes
Nee
Vleermuize n
84
Vervolgtraject / maatregelen
-
-
-
Nee
-
-
Mogelijk
Zorgplicht
Heeft betrekking op een soort als de egel -
Grondgebonden zoogdieren
Minimaal
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Minimaal
Incidenteel mogelijk
Zorgplicht. Daarnaast Zorgplicht heeft betrekking ontmoedigen voor op een soort als de amfibieën. gew one pad