23bst01567 - Bijlage 3a - Bp XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan)
Tekst van het document
Vissen
Nee
Nee
-
-
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
Ongew ervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Tabel 4.4 Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
4.8.5
Conclusie
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Aangezien de aanwezige vleermuiskasten niet in gebruik zijn kunnen ze onder begeleiding van een ecoloog worden verwijderd, nadat vervangende verblijfplaatsen aan het naastgelegen gebouw zijn gerealiseerd. In de toekomstige bebouwing zullen conform de in 2016 verleende ontheffing 8 vleermuiskasten te worden ingebouwd in de nieuwbouw. De exacte locatie van de kasten is nog niet bekend en onderdeel van de verdere bouwplan uitwerking. Met betrekking tot amfibieën wordt geadviseerd maatregelen te nemen om de aanwezige vijvers te verwijderen of om middels amfibieënscherm het terrein af te sluiten. Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broed-seizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Alleen wanneer de potentiele verblijfplaatsen in de schuren van Schootsestraat 42-52 niet (in potentie) kunnen blijven functioneren, zal een (protocollair) vervolgonderzoek naar de aanwezigheid verblijffuncties duidelijkheid moeten verschaffen of er sprake is van overtreding van een verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming. Indien onverhoopt van toepassing kunnen middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het aanvragen van een ontheffing de werkzaamheden alsnog doorgang vinden. Een ontheffingsaanvraag bij de provincie Noord-Brabant dient te allen tijde te worden onderbouwd met een activiteitplan waar aspecten als de specifieke maatregelen, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen; Vleermuiskasten Ten behoeve van de kap van de bomen moeten de vleermuiskasten worden verwijderd. Omdat deze onderdeel zijn van een verleende ontheffing mogen deze niet permanent verwijderd worden vóórdat er permanente verblijfplaatsen in de nieuwbouw gerealiseerd zijn. Wel kunnen deze worden verplaatst naar een nieuwe (meer geschikte) locatie en worden vervangen door nieuwe (meer geschikte) vleermuiskasten. Omdat de vleermuizen in de oorspronkelijke situatie zich in bebouwing bevonden heeft het altijd de voorkeur om de vleermuiskasten aan bebouwing te plaatsen in plaats van aan bomen.
Om vleermuizen in de omgeving een geschikt en hoogwaardig alternatief te bieden worden vier vleermuiskasten geplaatst aan de naastgelegen bebouwing van het Woonbedrijf (Cederlaan 4). De kasten worden in overleg met het Woonbedrijf conform het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis geplaatst op voldoende hoogte, met een vrije uitvliegruimte en op verschillende windrichtingen. De locatie is binnen 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats. Er wordt gekozen voor nieuwe vleermuiskasten zodat een gewenningsperiode kan worden doorlopen. Ook zijn de bestaande vleermuiskasten reeds zeven jaar oud en (in beperkte mate) reeds aan verval onderhevig. Er is gekozen voor de wandschaal VK WS 13 van Vivara Pro (25x47x2,5). De huidige kasten betreffen de VK WS 03 van Vivara Pro (18x30x3). De vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
85
binnenmaten van de nieuwe kasten zijn groter, en de ruimte is minder diep. Dit is voor de gewone dwergvleermuis gunstig, wat de in gebruik name ten opzichte van de huidige situatie bevordert. Plan van aanpak De volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: Plaatsen vier vleermuiskasten aan Cederlaan 4. Minimaal drie actieve maanden gewenningsperiode (april t/m oktober). Onder begeleiding van een ter zaken kundige ecoloog worden de vier vleermuiskasten aan de bomen verwijderd. De bomen kunnen (buiten het broedseizoen of na een broedvogelcontrole) worden verwijderd. In de nieuwbouw worden conform de ontheffing permanente verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen gerealiseerd. Minimaal drie actieve maanden (april t/m oktober) na oplevering van de nieuwbouw kunnen de tijdelijke vleermuiskasten aan de Cederlaan 4 onder begeleiding van een ter zaken kundige ecoloog worden verwijderd. Conclusie De vier vleermuiskasten aan de te kappen bomen worden niet gebruikt door vleermuizen. Door voorzorgsmaatregelen, zoals het plaatsen van nieuwe betere verblijfplaatsen, het gebruiken van een gewenningsperiode en het verwijderen van de kasten onder ecologische begeleiding wordt de best mogelijke zorg gedragen ten behoeve van de gewone dwergvleermuis.
Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden/houtopstanden niet noodzakelijk geacht en is er geen sprake van een compensatieverlichting. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
4.9
Niet Gesprongen Explosieven
In Eindhoven is tijdens de Tweede Wereldoorlog hard gevochten, dat heeft zijn sporen in de bodem achtergelaten. Er worden nog steeds diverse soorten munitie of resten daarvan in de bodem gevonden (niet-gesprongen explosieven, nge). Explosieven in de grond die niet aangeraakt of verstoord worden, leveren in beginsel geen gevaar op. Maar bij aanraken of verstoring (bv. heien) is er wel een risico op explosie, dat kan leiden tot schade aan gebouwen, infrastructuur en de gezondheid van mensen. Voor nge's gelden de regels uit de ARBO-wetgeving, meer in het bijzonder de CS-VROO (Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten). Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge's. In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge's worden aangetroffen worden deze geruimd. 4.9.1
Onderzoek
Er is door BODAC een vooronderzoek Conventionele Explosieven (CE) uitgevoerd voor de planlocatie. Beoordeling indicaties De volgende indicaties voor de aanwezigheid van CE zijn achterhaald: Infanteriemunitie Uit de literatuur en archieven blijkt dat er binnen het onderzoeksgebied geen grondgevechten hebben plaatsgevonden. Wel is er gedurende lange periode sprake geweest van militaire aanwezigheid in het gebied: zowel op het Philipsterrein als aan de Ekkerstraat waren Duitse 86
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
geschutstellingen en bijbehorende barakken. Deze barakken en stellingen lagen buiten het projectgebied. Op de luchtfoto’s van 26-12-1944 zijn binnen het onderzoeksgebied enkele wapenopstellingen en mangaten te zien. Deze stellingen zijn vermoedelijk in september 1944 gemaakt toen er rond Eindhoven bevrijdingsgevechten plaatsvonden. Deze verdedigingswerken lagen buiten het projectgebied. Er zijn geen indicaties voor de aanwezigheid van infanteriemunitie binnen het projectgebied aangetroffen. Geschutmunitie Zowel tijdens de bezetting als de bevrijding hebben er geen artilleriebeschietingen van het onderzoeksgebied plaatsgevonden. Wel stonden er binnen het onderzoeksgebied enkele geschutstellingen die op de luchtfoto’s zichtbaar zijn. Geen van deze geschutstellingen lag binnen het projectgebied. Door de EODD zijn sinds de jaren 1970 vier munitieruimingen uitgevoerd van Duitse, Amerikaanse en Britse geschutmunitie. Hoe deze munitie hier is terechtgekomen is niet bekend. Mogelijk is de aangetroffen munitie door achtergelaten. Op de luchtfoto’s van 26-12-1944 is binnen het projectgebied een grondverstoring zichtbaar die lijkt op een aarden wal. Wij hebben geen aanwijzingen aangetroffen dat hier een militair object heeft gestaan.
Wij gaan er daarom van uit dat de verstoring niet van militaire aard is.Er zijn geen indicaties voor de aanwezigheid van geschutmunitie binnen het projectgebied aangetroffen. Afwerpmunitie Eindhoven is meerdere keren doel geweest van bombardementen. Bij twee bombardementen kwamen er ook bommen neer binnen het onderzoeksgebied. Op 6 december 1942 vond er een geallieerd bombardement op de Philipsfabrieken plaats waarbij schade werd aangericht aan een groot aantal panden binnen het onderzoeksgebied. Op de luchtfoto van 14 december 1942 zijn binnen het projectgebied geen kraters van dit bombardement zichtbaar. Ook al is de luchtfoto van matige kwaliteit, een bomkrater zou zichtbaar zijn geweest. Hierbij moet worden opgemerkt dat een inslagopening van een blindganger niet zichtbaar zou zijn. Er zijn echter geen aanwijzingen dat er binnen het projectgebied blindgangers zijn neergekomen. Wij gaan er daarom van uit dat het projectgebied bij dit bombardement niet werd getroffen. Op 19 september 1944 vond een Duits bombardement plaats waarbij schade werd aangericht aan enkele panden binnen het onderzoeksgebied. Op de luchtfoto van 26 december 1944 zijn enkele kraters van dit bombardement zichtbaar binnen het onderzoeksgebied. Binnen het projectgebied zijn geen kraters zichtbaar. Wij gaan er daarom van uit dat het projectgebied bij dit bombardement niet werd getroffen.
Er zijn geen concrete indicaties voor de aanwezigheid van afwerpmunitie binnen het projectgebied aangetroffen. Beoordeling contra-indicaties Van contra-indicaties is sprake indien er in het projectgebied gerichte opsporing van CE heeft plaatsgevonden, of dat grondwerkzaamheden binnen het verdachte gebied hebben plaatsgevonden waarbij grond tot ten minste de maximale penetratiediepte is ontgraven en afgevoerd. Dergelijke gegevens over naoorlogs grondverzet worden alleen verzameld en geanalyseerd, indien er in het bronnenonderzoek indicaties voor de aanwezigheid van CE zijn aangetroffen. Er zijn geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE in het projectgebied. Hieronder volgt een kort overzicht van de naoorlogs uitgevoerde werkzaamheden.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
87
Gerichte opsporing Voor zover bekend heeft er binnen het projectgebied geen gerichte opsporing van CE plaatsgevonden. Bodemroerende werkzaamheden Conform het WSCS-OCE dienen tijdens het onderzoek naar contra-indicaties satellietbeelden te worden verzameld met dekking van het onderzoeksgebied uit de naoorlogse periode. Deze dienen te worden vergeleken met de luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945, met als doel te inventariseren welke naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden waarbij grond is geroerd of verzet. Uit een vergelijking tussen recente luchtfoto’s en luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog blijkt dat er binnen het projectgebied ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden. Het projectgebied bestond ten tijde van de Tweede Wereldoorlog uit weiland met daarop één gebouw. Na de oorlog is het gebied ontwikkeld: het gebouw is gesloopt en er werd een fabriek voor in de plaats gezet. De werkzaamheden vonden bijna gelijktijdig plaats met de bouw van de Ringweg begin jaren 1960, waarbij grootschalige werkzaamheden plaatsvonden in het onderzoeksgebied. De fabriek is inmiddels weer gesloopt om het terrein klaar te maken voor de te bouwen woonhuizen. Binnen het projectgebied hebben dus naoorlogs grootschalige (grond)werkzaamheden plaatsgevonden. Tot welke diepte deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden is niet bekend.
Aan te treffen CE Het projectgebied kwalificeren wij op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als “ONVERDACHT” op de aanwezigheid van CE. Op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal kunnen de navolgende (sub)soorten en verschijningsvormen van CE voorkomen in het projectgebied. Omtrent de mogelijk aan te treffen hoeveelheid van CE is op basis van de beschikbare gegevens geen uitspraak te doen. Advies Het projectgebied Cederlaan te Eindhoven op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als onverdacht op de aanwezigheid van CE gekwalificeerd.
4.10
88
Hoogbouwtoets
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
4.10.1
Hoogbouwbeleid en verdichtingsvisie Binnenstad
In de Woondeal met rijk en provincie zijn afspraken gemaakt om veel woningen toe te voegen In Eindhoven, zowel binnen als buiten de Ring. Eindhoven kiest voor verdichting met kwaliteit en wil compact bouwen, de hoogte in om groene ruimte te sparen in de rest van de stad. Dit is vastgelegd in de Eindhovense omgevingsvisie, die 16 juni 2020 is vastgesteld. Voor de Binnenstad is de Verdichtingsvisie Binnenstad opgesteld, deze is door de raad vastgesteld op 15 december 2020. Voor de overige locaties binnen Centrum binnen de Ring is het hoogbouwbeleid uit 2008 van toepassing. Een kansrijke plek voor verdichting is de Westcorridor en specifieker aan de HOV-verbinding tussen Centraal Station en Eindhoven Airport. De hoogbouwvisie van gemeente Eindhoven uit 2008 geeft kansrijke plekken en structuren aan voor hoogbouw in Eindhoven. Conform het Hoogbouwbeleid is Eindhoven -buiten het Stationsgebied en Binnenstadoverwegend bebouwd door laagbouw milieu met hier en daar accenten tot vijf bouwlagen. Dit zijn de S(mall) -categorieën tot maximaal 15 meter bouwhoogte. De M(edium) categorie is de structuur dragende hoogbouw met een maximale bouwhoogte van 45 meter. Deze structuren begeleiden de hoofdwegen en assen. De L(arge) categorie zijn de stedelijke oriëntatiepunten. Ze markeren een markante plek maar zijn niet dominant in het stedelijk silhouet. De bouwhoogte is maximaal 75 meter.
In Woensel staan diverse torens met een hoogte van M en L, bijvoorbeeld. langs de Kennedylaan en rondom Winkelcentrum Woensel. De XL (tot 105 m) en XXL (tot 160m) categorieën betreffen de regionale landmarks. Ze bepalen de stadssilhouet en vormen nieuwe oriëntatiepunten. De Regent, De Admirant, De Vestedatoren , het Studenthotel en de KBC- toren zijn hier een voorbeeld van. Binnen deze maximale hoogtes is altijd een plaats voor ruimtelijke aanleiding, de uitstraling, de meerwaarde voor de stad, reflectie op de plek en aandacht voor leefbaarheid van de omgeving. Deze aspecten bepalen uiteindelijk wat de gewenste hoogte zou kunnen zijn. De voorgestelde toren van het Drukkerijkwartier beperkt zich tot 45 m en kan aldus worden beschouwd als een toren in de M-categorie. Deze toren kenmerkt zich als een structuurdrager, begeleidt de Cederlaan (HOV-verbinding) vanaf de ringweg naar het centrum en is daarmee kenmerkend voor de entree vanaf de snelweg tot het centrum van Eindhoven. Daarnaast zal de bebouwing in de zuidwesthoek van het plangebied ook boven de 15 meter uitkomen (tot maximaal 20 meter), waardoor deze bebouwing ook kan worden beschouwd als hoogbouw in de M-categorie. De bebouwing in deze hoek van het plangebied is gesitueerd op de plint waaronder het halfverdiepte parkeerdek zich bevindt. Deze hoogte is dan ook nodig om in het parkeerdek te voorzien.
Daarnaast worden deze hoogten slechts mogelijk gemaakt op een beperkt deel van het plangebied gesitueerd aan de Cederlaan en vormen deze hoogten een overgang van de lagere bebouwing in het oosten van het plangebied naar de toren in het plangebied en het naastgelegen studentencomplex. Voor een nadere toelichting op het hoogbouwbeleid wordt verwezen naar de bijlagen. Tevens is het plan getoetst in het kader van windhinder en bezonning. Er is een indicatief onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande bebouwing en er is een onderzoek verricht naar de toekomstige bezonningssituatie. Windhinder Het doel van het onderzoek is het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing, alsmede van het windklimaat op de balkons, galerijen en buitenruimtes van de geplande bebouwing. Voor het volledige onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen. vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
89
Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: In de geplande bebouwingssituatie is rondom de geplande nieuwbouw overal sprake van een goed windklimaat. Er is geen sprake van een overschrijding van het gevaarcriterium. Rond de gebouwentrees van zowel de geplande bebouwing als van de bestaande omgevingsbebouwing is sprake van een overwegend goed windklimaat voor het slentercriterium. Ter plaatse van de zuidelijke entree van het appartementengebouw ten noorden van de toren is plaatselijk een matig windklimaat te verwachten. Hier wordt geadviseerd deze entree in een nis te plaatsen. Op de balkons, galerijen en buitenruimtes van de geplande nieuwbouw is overwegend sprake van een goed windklimaat. Op het dak van het gebouw langs de Cederlaan is met name aan de westzijde sprake van een matig tot slecht windklimaat. Deze locatie is op voorhand minder geschikt als buitenruimte. Maatregelen zijn benodigd indien het gewenst is deze ruimte wel als buitenruimte te benutten. De oostzijde van het dak, waar sprake is van een goed windklimaat, is windtechnisch gezien geschikter om in te richten als buitenruimte.
Ter plaatse van (met name) de zuidwestelijke buitenruimtes van het gebouw langs de Cederlaan is plaatselijk sprake van een matig windklimaat. Hier kan het windklimaat eventueel worden verbeterd door het aanbrengen van borstweringen en schermen haaks op de gevel. Voor het borgen van een goed verblijfsklimaat is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin noodzakelijke maatregelen conform de beleidsregel 'gemeentelijke normen windhinder' verplicht zijn gesteld bij de verlening van een omgevingsvergunning. Het aspect 'windhinder' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Bezonning Voor een nadere toelichting op de bezonningsstudie wordt verwezen naar paragraaf 3.9.
90
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2
Beleid
5.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
91
5.2.2
Provinciaal beleid
5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd.
Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereidt zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.
Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.
92
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
5.2.3
Beleid Waterschap
5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water' Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen. Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu.
Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld. Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt. Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
93
5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.
94
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
5.2.3.3 Hydrologosch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4
Gemeentelijk beleid
5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress en verdroging te beperken.
Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
95
5.2.5
Waterplan
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald. 5.2.6
Rekentool
De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning.
5.3
Eindhovense klimaattoets
Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan. 5.3.1
Klimaatadaptiebeleid
In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm.
96
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
5.3.2
Waterbergingsnorm
5.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydrologisch mogelijk is. Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing.
Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/. 5.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.
In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief handelen. De datum van indiening van de omgevingsvergunning is leidend. De uitzonderingsregel is geregeld in artikel 32.2.2 van de regels.
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven
97
5.3.2.3 Stimulans klimaatadaptatiebeleid De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel. Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein. 5.3.3
Toelichting rekentool
Zoals benoemd (in paragraaf 5.2.6) maakt de gemeente Eindhoven bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend. 5.3.3.1 Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is.
Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.
5.4
Beschrijving watersysteem plangebied
Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een waterparagraaf opgesteld. Hierna wordt ingegaan op de verschillende aspecten die van belang zijn voor het bestemmingsplan. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen van dit bestemmingsplan.
98
vastgesteld XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan) Gemeente Eindhoven