CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

23bst01448 - Bijlage 3a - Bp V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk)

Raadsvergadering 23 januari 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bp ‘V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk)'34.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als: bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m²; een houtopstand die voor de eerste keer wordt terug gesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. Groene kaart 58

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven: Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur); Groenarme gebieden; Centrumgebied; Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming; (Particuliere) percelen groter dan 250 m². De informatie op de groene kaart is nodig om: Te duiden waar de waardevolle bomen staan; Te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming; Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden. Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.

Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'.

Het plangebied Wanneer in het plangebied sprake is van activiteiten met betrekking tot kappen en compensatie van bomen, is de bescherming van bomen niet geregeld in het bestemmingsplan. De bomenverordening 2021 is in die gevallen van toepassing. In dit bestemmingsplan wordt de bouw van twee woontorens, een parkeerkelder en de functionele wijzigingen van een bestaande cultuurhistorisch pand mogelijk gemaakt.

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

59

Figuur: Geïnventariseerde bomen in het projectgebied (no. 13, 16 en 19 zijn monumentaal) Voor het plangebied is een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. Deze analyse is als bijage 9 bij deze toelichting gevoegd. In de analyse wordt melding gemaakt van in totaal 19 bomen. Deze bomen staan allemaal binnen de invloedssfeer van het bouwplan. In het plangebied staan twee bomen (boom 13 en 19) met een monumentale status. Een derde monumentale boom (boom 16) staat op een naastgelegen perceel maar ondervindt mogelijk wel effecten door de geplande ingrepen. Deze boom is daarom eveneens beoordeeld en geïnventariseerd. De monumentale paardenkastanje (nummer 19) heeft een slechte conditie. Bomen met een slechte conditie hebben conform de door de gemeente Eindhoven voorgeschreven NVTB-methode in principe geen waarde meer. Toch wordt geprobeerd om de boom te behouden en de boom is dan ook volledig ingepast in het plan. De toekomstige bebouwing en parkeerkelder worden op redelijke afstand van de monumentale boom gerealiseerd. De bestaande groeiplaats wordt geoptimaliseerd, met als doel om wortelgroei zoveel mogelijk te stimuleren en daarmee de toekomstverwachting te rekken. Het onderhoud wordt opgepakt om zo het achterstallig onderhoud terug te brengen.

Voor het behoud van de monumentale bomen (nummer 13 en 16) en de overige te behouden bomen wordt, tijdens de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van de nieuwe bebouwing, boombescherming toegepast. Een en ander overeenkomst de adviezen, zoals opgenomen in de Bomen Effecten Analyse. Ook bij het toepassen van bronbemaling, en het opbreken en vervangen van de verharding, wordt de randvoorwaarden vanuit de Bomen Effecten Analyse in acht genomen. Het advies ten aanzien van het opwaarderen van de groeiplaats wordt volledig in acht genomen. De bestaande groeiplaatsen van de bomen worden uitgebreid en opgewaardeerd.

Kwaliteit van het bomenbestand De kwaliteit van het bomenbestand is wisselend. De bomen die verharding beter verdragen beschikken over het algemeen nog over een redelijke tot goede kwaliteit. De kwaliteit van de overige bomen is veelal minder. De bomen hebben zichtbaar last van de slechte groeiomstandigheden. De groei is gestopt en enkele bomen zijn in verval geraakt. 60

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

Bomen van de eerste grootte verlangen onder optimale groeiomstandigheden 0,75 tot 1,0 m3 goed doorwortelbare groeiruimte per groeiseizoen. De meeste bomen in het plangebied beschikken over slechts enkele m3 doorwortelbare ruimte. Dat wil zeggen dat geen van deze bomen uit kunnen groeien tot gezonde, volwassen exemplaren. De monumentale bomen stonden er vermoedelijk al voordat grote delen van het projectgebied werden bebouwd en verhard. De bomen hebben in het verleden de ruimte gehad om het wortelgestel te ontwikkelen.

Effect geplande werkzaamheden In het projectgebied is een scala aan werkzaamheden gepland. Een deel van deze werkzaamheden heeft, zelfs in aangepaste vorm effecten op de bestaande bomen. De bomen 1 t/m 5, 8, 11 en 12 zijn op basis van het huidige ontwerp niet duurzaam te behouden. De bomen 10, 14, 17 en 18 verliezen als gevolg van de werkzaamheden dermate veel wortels dat duurzame inpassing eveneens niet mogelijk is. Bij de monumentale bomen is het risico op effecten vooral groot bij de aanleg van de parkeergarage (en o.a. de bronbemaling die daarmee gepaard gaat) en de bovengrondse herinrichting. De kwaliteit van alle drie de monumentale bomen is in de huidige situatie nog maar beperkt. Dat betekent dat de bomen nauwelijks nog over regeneratievermogen beschikken. Elke ingreep binnen de invloedssfeer van deze bomen leidt tot een verdere afname in conditie of sterfte. Om de levensverwachting van de bomen te kunnen rekken dienen de werkzaamheden in aangepaste vorm te worden uitgevoerd en is een zeer grootschalige opwaardering van de bestaande groeiplaats noodzakelijk. De twee monumentale bomen in het plangebied blijven behouden. Veel bomen staan in kleine boomspiegels in de verharding. Om duurzaam behoud mogelijk te maken dient de kwaliteit en omvang van de huidige groeiplaats te worden opgewaardeerd en uitgebreid, met inachtneming van een aantal randvoorwaarden.

Deze randvoorwaarden zijn opgenomen in de Bomen Effect Analyse (BEA). Deze analyse is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Hoewel een groot deel van het bomenbestand op basis van omvang nog verplantbaar is, is de slagingskans bij bomen met een dergelijk slechte groeiplaats beperkt. De totale monetaire boomwaarde van de onderzochte bomen samen bedraagt € 98.897,00 (excl. btw). Bomen die ten behoeve van de realisatie gekapt moeten worden, worden in het plan gecompenseerd door middel van de aanplant van nieuwe bomen. In totaal worden 12 bomen gekapt. Het gaat hierbij om 6 bomen (1 t/m 5 en nummer 8) die langs de Bomanshof staan. Om het straatbeeld te behouden worden dezelfde bomen (Valse christusdoorn) langs de Bomanshof teruggeplaatst. In verband met de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gaat het hierbij om 5 bomen. Boom nummer 8 wordt gecompenseerd in de binnentuin. Twee bomen (nummer 11 en 12) worden aan de rand van het plangebied gecompenseerd op dezelfde plek als de bestaande situatie. Ditzelfde geldt voor de te kappen bomen aan de zijde van de P. Czn. Hooftlaan (nummer 14, 17 en 18). De bomen 17 en 18 worden gecompenseerd in de buurt van de huidige standplaats, maar met enige afstand tot de bebouwing om een ideale groeiplaats te kunnen garanderen. Boom nummer 14 wordt gecompenseerd in de binnentuin. Voor deze bomen wordt gedacht aan meerstammige heesters.

De exacte soort wordt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen in een compensatieplan aangegeven. Vooralsnog wordt uitgegaan van een fysieke compensatie, waarbij de waarbij van de toekomstige bomen gelijk is aan de te kappen bomen.

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

61

3.9

Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden verstaan educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en daarbij behorende voorzieningen, en tot slot voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur. Een van bestaande voorzieningen is het Diagnostisch Centrum Eindhoven/ DvU, dat is gevestigd in het (voormalige) cultuurhistorisch waardevol kantoorpand van de Raad van Arbeid. Op deze locatie kunnen bezoekers terecht voor diverse medische onderzoeken, zoals bloedafname, bloedonderzoek, (radiologische) echo's, longonderzoek en röntgenonderzoek. De functie wordt verplaatst naar de begane grond en eerste verdieping van de nieuwbouw aan de P. Czn. Hooftlaan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt het behoud van de functie binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Ook biedt het plangebied ruimte voor het toevoegen van een tandartspraktijk of vergelijkbare functie, appartementen en studentenwoningen. Vanuit de initiatiefnemer geldt een inspanningsverplichting voor het realiseren van voldoende studentenwoningen. Mocht dit niet lukken, dan wijzigt de invulling van het monument. Er wordt dan gedacht aan een invulling met ateliers, ruimten voor kleinere bedrijfjes en/of een kleinschalige horecavoorziening.

3.10

Kantoren

3.10.1

Beleid

De Kantorenstrategie 2012-2020 (vastgesteld op 26 juni 2012) is niet langer (alleen) gebaseerd op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt. Juist op de bestaande markt zijn maatregelen nodig om deze gezonder te maken. Dat vraagt enerzijds om een positieve en actieve grondhouding van gebouweigenaren. Anderzijds is er vaak nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met de leegstand aan de slag wil gaan. De gemeente Eindhoven speelt daarbij in toenemende mate een stimulerende en faciliterende rol. De Eindhovense werkwijze is afgestemd met de andere ‘kantoorgemeenten’ in de stedelijke regio. Dit is vastgelegd in een 'Kantorenstrategie 2012-2020 ' d.d. november 2013. Het grootste deel van de werkgelegenheid in de regio Eindhoven is gehuisvest in een kantooromgeving. Door diverse oorzaken is de Nederlandse en ook de regionale kantorenmarkt de laatste jaren flink uit balans geraakt. De aanbodpercentages liggen op dit moment rond de 16%; ruim twee keer zoveel als bij een gezonde kantorenmarkt hoort. Het totale aanbod van kantoren in Eindhoven bedroeg op 1 januari 2015 circa 250.000 m². Dit overaanbod aan kantoorruimte is voor een groot deel structureel van aard. Dit is een bedreiging voor de economische ambities van (de regio) Eindhoven en vraagt dus om gericht handelen.

In het nieuwe beleid wordt niet alleen op nieuwbouw gestuurd, maar ook op de bestaande kantorenmarkt. De focus ligt daarbij op het terugdringen van kantoren leegstand in bestaande gebouwen. Met deze aanpak hoopt het college vraag en aanbod op de Eindhovense kantorenmarkt in kwantitatieve én kwalitatieve zin beter op elkaar af te stemmen, zodat een goede balans ontstaat met toekomstbestendige locaties, die bijdragen aan de realisatie van de Brainport-ambities van stad en regio. Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden, te weten Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum. Deze verschillende kantorenmilieus voorzien in een specifieke en onderscheidende behoefte. Het is belangrijk om deze onderscheidende kwaliteiten de komende jaren verder uit te bouwen. Het is daarnaast belangrijk dat ongebreidelde groei van de kantorenvoorraad, door toevoeging van niet duurzame/toekomstbestendige nieuwbouw, wordt voorkomen. Kantoorgebruikers die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting worden daarom zoveel mogelijk bediend op de bestaande kantorenmarkt. Nieuwbouw van kantoren op geprioriteerde locaties en door middel van toekomstbestendige 62

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

gebouwen is nog slechts met inachtneming van hiervoor genoemde uitgangspunten mogelijk. De gemeente voert geen leegstandsverordening in. De uitvoering hiervan kost veel inspanning, terwijl ervaringen elders leren dat het gewenste resultaat veelal uitblijft. Wel komt er een ‘Eindhovense Leegstandsmonitor kantoren’ (actueel overzicht van leegstaande kantoren), bedoeld als stimulerend middel om marktpartijen ertoe aan te zetten ‘iets’ met leegstaande gebouwen te gaan doen. De gemeente Eindhoven zal ook proactief partijen met elkaar in verbinding brengen, om zo bij te dragen aan mogelijke nieuwe samenwerkingsverbanden en creatieve oplossingen voor dit vraagstuk. In onze ‘slimme regio’ zijn legio partijen die samen in staat zijn om ‘slimme oplossingen’ te bedenken. De gemeente Eindhoven zal, uiteraard passend binnen wet- en regelgeving, proactief meewerken aan gewenste transformatie van leegstaande kantoren. Echter niet alle kantoren zijn geschikt voor andere functies. Soms vanwege technische aspecten of locatiegebonden aspecten. Een deel van de kantoren zal dus naar verwachting op termijn gesloopt worden. 3.10.2

Beoordeling plangebied

Met het initiatief worden twee grote (voornamelijk leegstane) kantoorgebouwen gesloopt ten behoeve van de realisatie van twee woongebouwen. De ontwikkeling sluit hiermee aan bij een betere afstemming van de kantorenmarkt qua vraag en aanbod in kwalitatieve en kwantitatieve zin. Een overschot aan kantoren gelegen buiten de geprioriteerde grootschalige kantorenlocaties wordt verwijderd. In het te behouden cultuurhistorisch waardevol kantoorpand van de Raad van Arbeid zijn op basis van het voorliggende bestemmingsplan gemengde functies mogelijk. Het gaat hierbij om een oppervlakte van circa 2.250 m² die ingevuld kan worden door een mengeling van functies waaronder kantoren, kleinschalige horeca op de begane grond met een vloeroppervlakte van niet meer dan 100 m² en studentenwoningen. De bestaande functie in het pand met een oppervlakte van 1.100m² (maatschappelijke functie DvU) verhuist vanuit het voormalige pand van de Raad van Arbeid naar de begane grond van het noordelijk woongebouw in het plangebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de, naast de geprioriteerde grootschalige kantorenlocaties, aangewezen 'overige locaties' voor de ontwikkeling van (kleinschalige) kantoren.

Het plangebied staat slechts in beperkte mate kantoren toe, waarbij de daadwerkelijke invulling van de gemeente functie wordt overgelaten aan de markt en beperkt zich tot, voor zover aan de orde, het toetsen van deze initiatieven aan de (in de Prioriteitennota) gestelde voorwaarden, zoals haalbaarheid en wenselijkheid.

3.11

Kabels en leidingen

Kabels, leidingen en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Uit inventarisatie is gebleken dat er zich binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen relevante kabels, leidingen of straalpaden bevinden. Voor aanvang van de (graaf-)werkzaamheden wordt evenwel de ligging van kabels en leidingen door middel van een KLIC-melding opgevraagd bij de betrokken leidingbeheerders.

3.12

Hoogbouwbeleid en verdichtingsvisie

Hoogbouwbeleid Binnenstad Eindhoven 2019 Eindhoven kiest voor verdichting in het Centrum, maar nadrukkelijk voor verdichting met kwaliteit. Het doel van dit hoogbouwbeleid is het realiseren van meer woningen in de Binnenstad in combinatie met ruimtelijke kwaliteit. Deze kwaliteit zoeken we onder andere in de toevoeging van groen, duurzaamheid en een gevarieerd programma en woningaanbod. vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

63

Maar ook in architectonische diversiteit. We kiezen ervoor om compact te bouwen, de hoogte in om groene ruimte te sparen in de rest van de stad. Hoogbouw biedt de mogelijkheid om op strategische locaties op compacte wijze massa toe te voegen aan de stad, maar alleen in combinatie met een kwalitatieve meerwaarde voor de stad. Het hoogbouwbeleid Binnenstad geeft ambities en uitgangspunten voor verdichting. Deze gaan onder meer over de hoogte, de plinten, groen, duurzaamheid, cultuurhistorie, micro klimaat (zon, windhinder) en mobiliteit. Daarnaast wijst het hoogbouwbeleid focusgebieden aan voor nieuwe hoogbouw. Hiermee wordt een duidelijke koers uitgezet, gericht op het realiseren van een aantrekkelijke en (hoog)stedelijke Binnenstad, die uitstraalt dat ze het centrum van Brainport regio is.

Verdichtingsvisie De verdichtingsvisie voor de binnenstad laat zien waar verdichting mogelijk is en wat daarvoor de uitgangspunten zijn. De visie is op 15 december 2020 vastgesteld door de gemeenteraad. De visie bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over de strategie (aanpak): waarom gaan we verdichten en wat is daarbij de ambitie? Verder geven we hierin aan hoe we deze ambitie willen bereiken. Daarbij beschrijven we kwalitatieve verdichtingsprincipes en benoemen zogeheten focusgebieden. Dit zijn belangrijke plekken in de binnenstad, waar we hoogbouw ruimte willen geven en het openbaar gebied meer kwaliteit. Het tweede deel van de verdichtingsvisie bevat de ruimtelijke handleiding voor verdichting: uitgangspunten die integraal en breed zijn opgesteld, op basis van de ambities voor de stad. Bij de beoordeling van bouwplannen in de binnenstad hanteert de gemeente deze uitgangspunten als toetsingskader. Het gaat dan bijvoorbeeld om uitgangspunten voor cultuurhistorie, groen, duurzaamheid en mobiliteit.

64

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

Figuur: Uitsnede overzicht beoogde focusgebieden Binnenstad (plangebied ligt in zwarte cirk el) Toets plangebied Het plangebied ligt niet in de focusgebieden die zijn aangeduid. In het hoogbouwbeleid is de locatie echter wel aangeduid als plek waar hoogbouw in de categorie M kan worden toegestaan (max. 45 meter hoog). Met de ontwikkeling van het DvU-terrein wordt een kenmerkend stukje stad getransformeerd tot een hoogwaardige en eigentijdse woningbouwontwikkeling afgestemd met een respectvolle herbestemming van het gemeentelijk monument. Het woningbouwprogramma wordt ontwikkeld met een woningaanbod dat tegemoet komt aan de behoefte van de verschillende doelgroepen uit de stad op deze plek. De nieuwe verschijningsvorm van de DvU locatie voegt zich goed in de dynamiek en de hoogbouwambities van de binnenstad en haar directe omgeving. Het originele ensemble van de gebouwen maakt deze plek bijzonder. De oorspronkelijke vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

65

opzet van de gebouwen is als uitgangspunt van de nieuwe ontwikkeling genomen. De kans is aangegrepen hier iets bijzonders aan toe te voegen in de vorm van een openbaar toegankelijke binnentuin. De herontwikkeling van het terrein is een complex project. Vooral omdat we ons realiseren dat we een optimaal resultaat kunnen halen als de uiteenlopende kwaliteiten in het gebied in elkaar gaan haken. Synergie als leidmotief: het samenspel tussen het terrein, het monument en de nieuwe gebouwen en de gezonde binnentuin. Tussen energie opwekken en energie gebruiken, maar vooral tussen de mensen die er straks gezond wonen, werken en ontmoeten. De ontwikkeling geeft daarmee een passende invulling aan de verdichtingsvisie op de stad, zoals deze door de gemeente Eindhoven is vastgesteld voor deze specifieke locatie.

3.13

Windhinder, privaatrechtelijke belemmering en bezonning

3.13.1

Windhinder

Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, als de aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100: 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' . Deze norm geeft richtlijnen in welke situaties windklimaatonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek met CFD of windtunnelsimulatie noodzakelijk geacht. Gezien de geplande bouwhoogte van 70 meter is door bureau Peutz een indicatief onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande bebouwing DVU locatie te Eindhoven. Het onderzoek is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. In het onderzoek zijn de windsnelheden rondom het project met het CFD-model voor 12 windrichtingen berekend. Met behulp van de windstatistiek voor de bouwlocatie, zoals berekend in navolging van de NPR 6097, is vervolgens per windrichting de overschrijdingskans voor de kritische uurgemiddelde windsnelheden van 5 en 15 m/s voor respectievelijk windhinder en windgevaar bepaald.

De totale overschrijdingskans is de som van de overschrijdingskansen per windrichting, ook wel de hinderkans en de gevaarkans genoemd. Deze zijn vervolgens getoetst aan de NEN 8100 om het lokale windklimaat te beoordelen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat rond de geplande nieuwbouw een overwegend goed windklimaat te verwachten is. Bij de noordwesthoek van de geplande nieuwbouw ontstaat plaatselijk een matig windklimaat. Het matige windklimaat strekt zich uit over het voet- en fietspad. Deze situatie voldoet niet zonder meer aan de criteria van de gemeente Eindhoven. Door toevoeging van extra begroeiing bij de gebouwhoek verbetert het windklimaat sterk, en kan worden beoordeeld als goed. Daarmee voldoet het windklimaat aan de criteria van gemeente Eindhoven. Bij de zuidoosthoek van de geplande nieuwbouw ontstaat plaatselijk een matig windklimaat. Doordat dit op eigen terrein plaatsvindt, hoeft dit niet getoetst te worden aan de criteria van de gemeente Eindhoven. Door het toevoegen van extra begroeiing bij de gebouwhoek verbetert het windklimaat sterk, en is alleen zeer plaatselijk sprake van een matig windklimaat. Voor windgevoelige functies, zoals gebouw entrees, wordt het criterium slenteren gehanteerd. Het windklimaat voor de gevels kan grotendeels worden beoordeeld als goed volgens het criterium slenteren.

Op voorhand zijn de noordwest- en zuidoosthoek minder geschikt voor windgevoelige functies. De toekomstige entrees van de gebouwen zijn niet op deze hoeken voorzien, maar meer in het midden van de gevels. Uit het onderzoek blijkt dat het aspect windhinder de realisatie van onderdelen van dit bestemmingsplan niet in de weg staat. 66

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

3.13.2

Bezonning

Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Deze beleidsruimte heeft de gemeente Eindhoven ingevuld door in 2017 de 'beleidsregels voor bezonning woningen' vast te stellen. Volgens deze beleidsregels is ten aanzien van zonlicht in de woning onder andere het volgende bepaald: In de periode van 19 februari t/m 21 oktober moet minimaal 2 uur zonneschijn per dag aanwezig kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. In de gemeentelijke beleidsregels ten aanzien van zonlicht op het balkon is het volgende bepaald: In de periode van 21 maart t/m 21 september moet minimaal 2 uur zonlicht aanwezig kunnen zijn op enig punt op het balkon. Zonlicht op het balkon mag in de nieuwe situatie in tijdsduur niet meer dan 50% verminderen dan in de bestaande situatie. Voor de planontwikkeling is onderzoek gedaan naar de bezonning van de woningen rondom het plangebied. In het bezonningsonderzoek, dat is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting, is het aantal uren zonlicht onderzocht.

In de conclusie van het onderzoek is aangegeven dat voor het grootste deel er niet veel verandert en dat alle woningen meer als voldoende zon per dag behouden. De schaduwwerking die zich voordoet, als gevolg van het initiatief, ontstaat voornamelijk in de ochtend- en/of avonduren. Gezien de gestelde beleidskaders vanuit de gemeente Eindhoven voldoet de omliggende bebouwing aan de minimaal gestelde norm en geeft de ontwikkeling geen belemmeringen voor de omgeving.

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

67

68

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Als een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader zijn met name 11.2 en 11.3 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.

Het gaat daarbij om: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. De voorgenomen ontwikkeling en realisatie van 165 wooneenheden met aanvullend enkele voorzieningen, kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit milieueffectrapportage onder D 11.2. Weliswaar blijft de omvang ervan onder de aangegeven drempelwaarden uit kolom 2, maar op grond van het Besluit m.e.r. is alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Hiertoe is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. waarin is aangetoond dat vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling, geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen en een verdere MER-beoordeling niet aan de orde is. De mer-aanmeldingsnotitie wordt afzonderlijk door het bevoegd gezag goedgekeurd. De notitie is voor de volledigheid als bijlage 18 bij dit bestemmingsplan opgenomen

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

69

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.

bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Voor dit bestemmingsplan is de staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG aangepast. Bedrijven die in het algemeen vanwege de aard van de activiteiten niet passend zijn op een bedrijventerrein, zijn niet in de staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen (denk bijvoorbeeld aan bioscopen, dierentuinen, sporthallen, kantoren, etc.). Daarnaast worden bedrijven die gezien 70

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

hun aard en activiteiten niet in onderhavig plangebied thuishoren en/of voor kunnen komen, uitgesloten (bijvoorbeeld visserij- en visteeltbedrijven, aardolie- en gaswinning, etc.). Vervolgens is een selectie gemaakt van de bedrijven behorende tot de voor het plangebied, al dan niet met ontheffing, toegelaten milieucategorie (categorieën 1 t/m 4.2).

Toepassing plangebied Functies plangebied als milieubelastende activiteit Het centrumgebied van Eindhoven wordt gekenmerkt door een sterke functiemenging. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt niet in het centrale deel van het centrum, maar ligt aan de buitenste rand van het overgangsgebied van het centrum naar woningbouw, dat nog steeds behoort tot het centrum. Het gaat hierbij dan om de rand aan de zijde van het centrale centrumgebied. In de omgeving zijn diverse kantoorpanden aanwezig, die worden afgewisseld met woontorens. Op de begane grond en onderste verdiepingen van deze woontorens zijn vaak nog andere functies aanwezig in de vorm van detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, horeca en/of medisch-sociale voorzieningen. Het plangebied is dan ook te typeren als een 'gemengd gebied'. In de VNG-brochure is voor dergelijke gebieden met een sterke functiemenging de zogenaamde A,B,C-lijst opgenomen. Voor categorie A inrichtingen geldt dat deze aanpandig aan woningen worden gerealiseerd. Categorie B en C inrichtingen dienen bouwkundig afgescheiden te worden van woningen. Gezien er binnen het plangebied sprake is van sterke functiemenging is voorgestane ontwikkeling getoetst op basis van de A,B,C-lijst.

In voorliggende bestemmingsplan is een mengeling aan functies mogelijk aan de noordzijde van het plangebied (langs de P Czn Hooftlaan) op de begane grond en eerste verdieping van de toekomstige woontoren en in het voormalig gebouw van de Raad van Arbeid langs de Stratumsedijk. Het gaat hierbij met name om kantoorfuncties, dienstverlenende functies, kleinschalige horeca met een maximale oppervlakte van 100 m² en medische functies. Grootschalige horecafuncties en/of detailhandel kunnen zich niet in het plangebied vestigen. Dit betekent dat categorie C-bedrijven niet zijn toegestaan binnen het plangebied. Een lijst met de toegestane A en B categorieën is als bijlage bij de planregels opgenomen. In de planregels is bepaald dat alleen de op deze lijst benoemde bedrijven of bedrijven die qua milieuhinder vergelijkbaar zijn met de benoemde bedrijven, zijn toegestaan in het plangebied. Als Categorie B functies in combinatie met woningen worden gerealiseerd geldt dat deze bouwkundig dienen te worden afgescheiden van woningen. Bij nieuwbouw kan hier voldoende rekening mee worden gehouden.

Functies plangebied als milieugevoelige activiteit Ten zuidwesten van het plangebied is een kantoor in combinatie met wonen mogelijk. Deze functie geeft geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het plangebied. Aan de overzijde van de omliggende wegen zijn verder woonfuncties en gemengde functies toegestaan. De realisatie van zoneringsplichtige inrichtingen en/of hinderlijke bedrijven is in de omgeving van het plangebied niet mogelijk. Vanwege de ligging van het plangebied in een zogenaamd 'gemengd' gebied gelden ten aanzien van de realisatie van woningen in het plangebied vanuit Bedrijven en Milieuzonering zijn er geen beperkingen.

Belemmering plangebied naar omliggende bedrijven Het plangebied en de omgeving zijn te karakteriseren als een gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied liggen met name kantoor- en/of woonfuncties mogelijk. Voor een kantoor geldt een afstand van minimaal 10 meter tot een milieugevoelige functie. In een vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

71

gemengd gebied wordt deze afstand verkleind naar 0 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. De omliggende bedrijven buiten het plangebied worden niet belemmerd in hun activiteiten door de beoogde ontwikkeling.

Conclusie Op basis van deze systematiek en met het opnemen van een lijst met toegestane categorieën van bedrijven, is er sprake van een goed leef- en woonklimaat bij de woningen binnen en buiten het plangebied.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken.

Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van geluidgevoelige functies (wonen) mogelijk binnen de geluidszone van verschillende wegen, waardoor een akoestisch onderzoek noodzakelijk is. 4.3.2

Wegverkeerslawaai

Het plan ligt in de zone van de volgende wegen: Stratumsedijk: 350 meter (3 of meer rijstroken, stedelijk gebied); P. Czn Hooftlaan: 200 meter (1 of 2 rijstroken, stedelijk gebied); Dr. Schaepmanlaan: 200 meter (1 of 2 rijstroken, stedelijk gebied); Elzentlaan: 350 meter (3 of meer rijstroken, stedelijk gebied); Sint Jorislaan: 200 meter (1 of 2 rijstroken, stedelijk gebied). In het kader van "Duurzaam Veilig" zijn alle overige wegen in en nabij het plangebied 30 km per uur wegen geworden. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geen zone, zodat deze verder buiten beschouwing kunnen blijven. Vanuit de Wgh is toetsing aan de grenswaarden niet aan de orde, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen vanwege het verkeer op de 30 km/uur-wegen berekend. In het akoestischonderzoek naar de geluidsbelasting van de wegen op de toekomstige woningen zijn de volgende 30 km/uur-wegen meegenomen: Bomanshof Bomansplaats Vondellaan Tesselschadelaan Stratumsedijk (gedeelte ten noorden van P. Czn Hooftlaan) Hertogstraat Het onderzoek is als bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen. 72

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

Uit de berekeningen blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Stratumsedijk en de P. Czn Hooftstraat de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden. Aangezien het treffen van geluidmaatregelen onvoldoende effect heeft of niet reëel zijn, is het noodzakelijk om hogere waarden vast te stellen. Het aantal vast te stellen hogere waarden dient op basis van het definitieve bouwplan te worden bepaald. Het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden dient gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage te worden gelegd. De hogere waarden worden door het college van Eindhoven vastgesteld. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de gecumuleerde geluidbelastingen berekend vanwege omliggende 30 km/uur-wegen gezamenlijk. Toetsing aan de grenswaarden is voor een 30 km/uur-weg niet aan de orde. Uit de berekeningen blijkt dat het wegverkeer op deze wegen leidt tot een geluidbelasting tot maximaal 51 dB ter plaatse van de nieuwe woningen. Dergelijke geluidbelastingen worden niet als belemmerend geacht voor de realisatie van de nieuwe woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting berekend, die varieert van 40 dB tot maximaal 64 dB. De daarbij behorende milieukwaliteitsmaat (MKM Lden) varieert tussen 'goed' en 'tamelijk slecht'.

Bij het vaststellen van hogere waarden dient de gemeente Eindhoven over de akoestische milieukwaliteit een oordeel te geven.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

73

minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

74

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Het plan omvat de realisatie van maximaal 165 woningen, maximaal 1.540 m² gezondheidszorg (750 m² DVU en 790 m² gezondheidszorg (10 behandelkamers)) en 100 m² oppervlakte voor een kleine bijeenkomstruimte of een horeca voorziening (lunchroom/ café/ bar). Dit levert circa 84 extra verkeersbewegingen per etmaal (mtv/etmaal, worst-case) voor een gemiddelde weekdag op de omliggende wegen (bron: verkeersanalyse, bijlage 5).

Niet in betekenende mate Met de zogenaamde NIBM-tool (beschikbaar via Infomil) kan op eenvoudige wijze een berekening worden uitgevoerd om na te gaan of er sprake is van een 'niet in betekenende mate' plan. Het tool berekent een volledig worstcase-bijdrage aan luchtkwaliteit. Uit een berekening met de NIBM-tool (versie 23-04-2022) blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer "niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Figuur: NIBM-tool

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden. De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL. De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken. Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de volgende grenswaarden voor het plangebied bepaald:

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

75

2020

2030

Jaargemiddelde maximale grensw aarde

NO2

19 µg/m³

13 µg/m³

40 µg/m³

PM10

17 µg/m³

14 µg/m³

40 µg/m³

PM2,5

10 µg/m³

8 µg/m³

25 µg/m³

Tabel: luchtkwaliteitswaarden, afgerond op hele waarden (ID 32904)

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk 19 ug/m3, 17 ug/m3 en 10 ug/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (25 ìg/m3) worden niet overschreden. De algemene trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen gaan dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook niet te verwachten. Conclusie Aangezien het aantal verkeersbewegingen een geringe toename van concentraties geeft, kan gesteld worden dat er sprake is van een “niet in betekende mate“ project. De realisatie van het plan leidt niet tot een overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Aan de jaargemiddelden en grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied 76

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen. In de kern komt het neer op het navolgende : Er is geen inrichting in of nabij het plangebied die invloed heeft op het plan; Nabij of binnen het plangebied liggen geen buisleidingen die invloed hebben op het plan; Nabij het plangebied zijn geen gemeentelijke wegen die invloed hebben op het plan; Nabij het plangebied zijn geen snelwegen gelegen die invloed hebben op het plan; Op circa 3 km van het plangebied is gelegen de snelweg A2; Op circa 1,2 km van het plan is de spoorlijn Boxtel-Eindhoven-Weert gelegen.

Figuur: Uitsnede risicokaart (plangebied ligt in zwarte cirkel)

Spoorlijn Boxtel-Eindhoven-Weert Op ongeveer 1,2 km ten noorden van het bouwplan is de spoorlijn Boxtel-Eindhoven-Weert gelegen. In de volgende tabel zijn het aantal transporten gevaarlijke stoffen weergegeven die over de spoorlijn gaan.

Tabel: Vervoerscijfers gevaarlijke stoffen spoorlijn Boxtel-Eindhoven-Weert Omdat de afstand tussen de spoorlijn en het bouwplan groter is dan 200 meter is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroute niet benodigd. Uit de voorgaande tabel blijkt dat het invloedsgebied van zowel brandbare als toxische stoffen die over de spoorlijn Boxtel-Eindhoven-Weert worden vervoerd niet over het bouwplan is gelegen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor levert vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

77

geen belemmering op voor het bouwplan.

Rijkswegen A2/A67 In het Basisnet Weg is het aantal toegestane transporten gevaarlijke stoffen weergegeven. De volgende tabel geeft een overzicht van de vervoersgegevens van gevaarlijke stoffen over de Rijkswegen A2 en A67.

Het bouwplan is op ongeveer 3 kilometer of meer gelegen van de Rijkswegen A2 en de A67. Omdat de afstand veel groter is dan 200 meter is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroutes eveneens niet benodigd. Uit de vorige tabel blijkt dat het invloedsgebied voor toxische gassen (stofgroep GT4 en GT5) die worden vervoerd wel over het bouwplan is gelegen. Op basis van artikel 7 van het Bevt wordt in de paragrafen hierna inzicht gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.5.2

Mogelijke rampenscenario's

Over de Rijksweg worden zowel brandbare als toxische stoffen vervoerd, waarbij alleen het invloedsgebied van toxische stoffen over het bouwplan is gelegen. Hierna is het rampenscenario voor het toxisch scenario beschreven. Opgemerkt wordt dat het bouwplan wordt gerealiseerd in een stedelijke omgeving, waardoor het bouwplan is omringd door bestaande gebouwen. Bij een eventueel incident zorgt de bestaande, omliggende bebouwing voor afscherming. Toxisch scenario Voor toxische stoffen is een toxisch scenario maatgevend. Door een incident met toxische stoffen scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische stoffen lekken in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. Bij toxische gassen komen als gevolg van een brand toxische dampen direct vrij. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. 4.5.3

Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De gewenste functie in het bouwplan zijn niet specifiek bedoeld voor het huisvesten van minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat de aanwezige personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Toxisch scenario 78

vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident met toxische stoffen is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Geadviseerd wordt om de ventilatievoorzieningen in het bouwplan afsluitbaar uit te voeren. Daarnaast is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Bovendien is alarmering via de telefonische dienst NL-Alert mogelijk. 4.5.4

Bestrijdbaarheid

Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. 4.5.5

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. Voor het plangebied zijn in de visie geen specifieke aspecten of uitgangspunten beschreven. Ten behoeve van het initiatief dienen bluswatervoorzieningen in de omgeving van het plangebied aanwezig te zijn. Rondom het plangebied zijn verschillende bluswatervooraansluitingen aanwezig. De specifieke wensen en plichten voor het initiatief worden tijdens het vooroverleg met de veiligheidsregio besproken. 4.5.6

Conclusie

Het bouwplan bevindt zich niet binnen 200 meter van transportroutes van gevaarlijke stoffen over de weg of het spoor, waardoor het inzichtelijk maken van de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd is. Uit een nadere beschouwing blijkt dat het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen die over het spoor worden vervoerd niet tot het bouwplan reiken. Het invloedsgebied van toxische stoffen die over het spoor worden vervoerd is niet over het bouwplan gelegen. Het invloedsgebied van toxische stoffen die over de Rijkswegen A2 en A67 worden vervoerd zijn over het bouwplan gelegen. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is wel een motivering opgesteld die ingaat op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Geadviseerd wordt in een vroeg stadium van de ruimtelijke procedure de gemeente Eindhoven, als bevoegd gezag, en de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in staat te stellen een advies uit te brengen. vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven

79

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13426321/1