23bst01448 - Bijlage 3a - Bp V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk)
Tekst van het document
1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.
1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 80
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.
2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.
2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.
2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
81
3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.
3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).
4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
82
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin. 4.6.1
Planbeschrijving
De DvU-locatie ambieert een transformatie van een volledig bebouwde en verharde kavel naar een ensemble van losse gebouwen rondom een grote groene binnentuin. Deze opzet levert daarmee een actieve bijdrage aan de verdere vergroening van de stad. Er wordt een leefomgeving geboden waar ontmoeting en verbondenheid centraal staan. De centrale binnentuin faciliteert die wens optimaal. Een plek voor bewoners, bezoekers en medewerkers van DvU en voor de toekomstige gebruikers van het gemeentelijk monument. Een omgeving waarin mensen ervaringen uitwisselen en belevenissen delen. Door de aanwezigheid van de zorgorganisatie DvU is het maatschappelijk betrokken ondernemen mede bepalend voor de identiteit van dit gebied. Voor een duurzame en levendige toekomst van de (binnen)stad is het intensiveren van haar woonfunctie en woonkwaliteit van evident belang. De twee woongebouwen dragen daar aan bij door een evenwichtige differentiatie aan woontypes, de hoogwaardige architectuur en het substantiele woningaantal van ca 120 appartementen. De inzet van een groene publieke binnentuin tijdens de daguren draagt bij aan het versterken van een duurzame sociale en gezonde leefomgeving in het hart van de stad Eindhoven. Een bijzondere entreetuin voor de gebouwen rondom en een uitnodigende groene oase voor verblijf en ontmoeting.
Ten aanzien van duurzaamheid wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van deze toelichting.
Circulair: Bij de ontwikkeling van DVU wordt zoveel mogelijk hergebruikte en herbruikbare materialen toegepast. Daarnaast worden de gebouwen en het semi openbaar gebied zo ontworpen dat materialen in de toekomst ook hoogwaardig hergebruikt kunnen worden. Circulair ontwerpen gaat over het bewustzijn van de totale levencyclus van het gebouw en openbare ruimte; het reduceren van de total cost of ownership, inclusief onderhoud, beheer, en end-of-life. In DVU wordt gebruik gemaakt van duurzaam gecertificeerd hout. Om het milieu te sparen worden zoveel mogelijk alternatieven toegepast voor de kenmerkende, maar uitlogende zink en lood. De toe te passen materialen worden geselecteerd op basis van hun lange levensduur, circulaire eigenschappen, hernieuwbaarheid en het hoogwaardig karakter. Bij het ontwerpen van het gebouw zal ook gekeken worden naar de bouwmethodiek, waarbij zoveel mogelijk demontabele bouw met droge knopen of prefab elementen worden toegepast die bijdragen aan een circulaire economie. Bij de sloop van de bestaande gebouwen wordt gestreefd naar maximaal hoogwaardig hergebruik van de bouwmaterialen/grondstoffen waardoor de sloopmaterialen te herbruiken zijn waar ze in eerste instantie voor gemaakt zijn. De materialen die niet één op één te herbruiken zijn, zullen zoveel mogelijk in een aangepaste vorm voor een andere bestemming gebruikt worden.
De huidige bestaande gebouwen bevatten geen onderdelen die kwalitatief hoogwaardig genoeg zijn voor toepassing in de nieuwbouw. Echter de uitkomende materialen worden vakkundig gedemonteerd, waar nodig gerepareerd en worden verkocht waardoor de materialen een tweede leven krijgen. De afvalstoffen die tijdens de sloop of bouw vrijkomen worden op de bouwplaats gescheiden en gescheiden van elkaar afgevoerd. vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
83
4.7
Bodem
4.7.1
Verkennend bodemonderzoek
Voor het plangebied is een bodemonderzoek verricht. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725 en NEN 5740 en als bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond bijmengingen waargenomen aan beton, bakstenen en/of kolengruis. Voor het overige zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Asbestverdacht materiaal is niet aangetroffen. In onderstaande tabel zijn de analyseresultaten samengevat.
Onderzoeksresultaten grond en grondwater Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde waarden aangetoond. Vervolgonderzoek hiernaar wordt niet zinvol geacht. Geadviseerd wordt naar aanleiding van het aantreffen van een puinlaag en bodemvreemde bijmengingen om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren conform NEN 5707 en/of NEN 5897. 4.7.2
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
In april 2022 is ter plaatse van het plangebied een 'verkennend bodem- en asbestonderzoek' uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725, NEN 5740, NEN 5707 en NEN 5897. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is. Daarnaast is het doel een indicatieve uitspraak te doen over het eventuele asbestgehalte in de bodem. Het onderzoek is als bijlage 14 bij deze toelichting opgenomen. Tijdens het verkennend onderzoek is een puinlaag onder de asfaltverharding aangetroffen. Deze puinlaag is onderzocht op asbest in aanvulling op het verkennend onderzoek asbest in grond. Verk ennend bodemonderzoek Ter plaatse van de twee deellocaties waar ondergronds tanks hebben gelegen zijn in de grond en het grondwater geen verhogingen gemeten. De opgestelde hypothese VEP-OO kan verworpen worden. Verk ennend asbestonderzoek Tijdens de terreininspectie is een puinlaag onder de asfaltverharding aangetroffen. Deze puinlaag is onderzocht op asbest in aanvulling op het verkennend onderzoek asbest in grond. In de grond en het puin is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen.
Er is geen sprake van een verontreiniging met asbest, de hypothese onverdachte locatie kan gehandhaafd blijven. Conclusies:
84
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
Op de locatie is ter plaatse van de 2 onderzochte tanks geen minerale olie verontreiniging aanwezig. Daarnaast is er geen asbest op de locatie aangetoond in de grond en de puinlaag. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat geen belemmering voor de bouwplannen op de locatie. Indien grond wordt afgevoerd naar buiten het plangebied, dient deze grond onderzocht te worden op PFAS. Aanbevelingen: Conform de eisen van de gemeente Eindhoven dient na sloop van de gebouwen nog een actualisatie onderzoek uitgevoerd te worden. Hierbij dient alleen de bovengrond onderzocht te worden. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de herontwikkeling d.m.v. een detectie-onderzoek vast te stellen of de betreffende tanks nog in de bodem aanwezig zijn. 4.7.3
NGE's
Gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge’s (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge’s worden aangetroffen worden deze geruimd.
Figuur: Uitsnede kaart: Blindgangers, niet gesprongen explosieven Deze ontwikkeling valt binnen deze verdachte gebieden. De graafwerkzaamheden (dieper dan 0,5 m-mv) dienen daarom onder begeleiding van een deskundig bedrijf (CS-VROO) uitgevoerd te worden. Alternatief is om vooraf een risicoanalyse (RA) te laten uitvoeren.
4.8
Natuur
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
85
4.8.1
Gebiedsbescherming
Als een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, bevindt zich op circa 3,4 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie ligt niet in een Natura 2000-gebied. Als er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Eventuele verhoging van stikstofdepositie door bijvoorbeeld een toename van verkeer, uitstoot door machines, of uitstoot door de te realiseren bebouwing, kan gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Om te bepalen of er significante gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden, is een onderzoek naar de toename van stikstofdepositie benodigd (zie bijlage 17). Met het voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator is de stikstofdepositie (in mol/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de planontwikkeling berekend. In de referentiesituatie is sprake van gasverbruik en verkeersaantrekkende werking. Naar schatting komt hierbij een emissie vrij van ruim 1.100 kg NOx/jaar.
In vergelijking tot de referentiesituatie leidt de gebruiksfase van het plan tot een lagere depositie in mol/ha/jaar. Per saldo is sprake van een maximale bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar (de afname bedraagt 0,03 mol N/ha/jaar). Hierbij zijn worst-case uitgangspunten gedaan. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000- gebieden. Voor de bestemmingsplanprocedure is een passende beoordeling niet noodzakelijk en zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect stikstofdepositie of de bescherming van Natura-2000 gebieden. De onderzoekslocatie ligt op circa 360 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland; De Dommel. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland daarom niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. 4.8.2
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Middels een quickscan is in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De quickscan is als bijlage 15 bij deze toelichting opgenomen. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. 86
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
Tabel: Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen 4.8.3
Conclusie
In de quickscan flora en fauna wordt aangegeven dat voor uitvoering van de plannen middels nader veldonderzoek duidelijkheid dient te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en (bij aantasting van het monumentale pand) gewone grootoorvleermuis. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te voeren. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag buiten het broedseizoen te verwijderen Voor overige beschermde soorten zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming gezien de aard van de voorgenomen ingreep of wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. In juli 2021 is een aanvullend ecologisch onderzoek opgesteld naar aanleiding van de voornoemde quickscan. Het aanvullend onderzoek is als bijlage 16 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot verstoring en het verloren gaan van drie zomer- paar- en milde winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en een zomer- en mogelijk milde winter-verblijfplaats van de laatvlieger.
Ten behoeve van de voorgenomen plannen moeten maatregelen genomen worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van deze verblijfplaatsen te garanderen. Deze maatregelen bestaan uit het realiseren van tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen, verstorende werkzaamheden uitvoeren buiten de gevoelige periodes voor desbetreffende soorten en het realiseren van nieuwe permanente voorzieningen voor de aangetroffen soorten en functies. De maatregelen zijn vastgelegd in een activiteitenplan en ter goedkeuring voorgelegd aan de vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
87
provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. Er worden mitigerende maatregelen genomen in de nieuwbouw voor zowel de dwergvleermuis als ook voor de laatvlieger. Deze maatregelen zijn opgenomen in het ecologisch werkprotocol bij de ontheffingsaanvraag. Voor nu zijn er al tijdelijke voorzieningen (vleermuiskasten) aan het monument. Er is nog geen vergunning verleend.
88
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
Hoofdstuk 5
5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.
5.2
Beleid
5.2.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit is gedaan voor de periode 2022 - 2027, maar ook verder vooruit. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen.
Hierbij is gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende 'water' gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). 5.2.2
Provinciaal beleid
5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (hierna: RWP) is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
89
5.2.3
Beleid Waterschap
5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd, die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
90
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits "vasthouden-bergen-afvoeren". Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap. 5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur.
In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem.
Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
91
compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die ervoor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4
Gemeentelijk beleid
5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken.
Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave. 5.2.5
Waterplan
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.
5.3
Eindhovense klimaattoets
Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan. 5.3.1
Klimaatadaptiebeleid
In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau. De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid: Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren. Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en 92
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
voorkom daarmee droogte. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag. Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm. 5.3.2
Waterbergingsnorm
5.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is. Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing.
Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem. Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/. 5.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.
In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging. De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief te handelen.
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
93
5.3.2.3 Stimulans klimaatadaptatiebeleid De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel. Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein. 5.3.3
Toelichting rekentool
De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning. De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend. Principewerking van de rekentool De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden.
Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen. De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie. De tool doorloopt hierbij vier stappen: 1. 2. 3. 4.
5.4
Wat zijn de kerngegevens van het project? Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd? Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op? Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.
Beschrijving watersysteem plangebied
Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een waterparagraaf opgesteld. Hierna wordt ingegaan op de verschillende aspecten die van belang zijn voor het bestemmingsplan. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 19 van dit bestemmingsplan. 94
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
5.4.1
Checklist watersysteem
Checklist Watersysteem Hoofdw atergang cq open w ater
Nee
zijw atergang
Nee
Keurgebied binnen plangebied?
Nee
Binnen 25-100 jaarszone?
Nee
Binnen boringsvrije zone?
Nee
Ecologische verbindingszone?
Nee
Binnen reserveringsgebied w aterberging 2050?
Nee
Attentiegebied EHS
Nee
Rioolw atertransportleiding
Nee
Waterschap gemaal
Nee
Landelijke afvoernorm binnen plangebied
1,5 l/s/ha
Verdachte/verontreinigde locaties?
Zie paragraaf Bodem
Infiltratie praktisch mogelijk?
Ja, bij toepassing van grondverbetering
Uitw erkingsplicht / w ijzigingsbevoegdheid Nee
5.4.2
Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.415 m². Het maaiveldniveau bevindt zich op ongeveer 17,5 meter +N.A.P. (bron: AHN, 2022) en is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterbergingsgebied. 5.4.3
Oppervlaktewater
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 300 meter een A-watergang: de Dommel. 5.4.4
Verharding
Het verharde oppervlak in het plangebied bedraagt ca. 4.625 m². Dit is 85% van het plangebied. 5.4.5
Bodemopbouw
Ter plaatse van de locatie kan de bodemopbouw voornamelijk gecategoriseerd worden als de formatie van Boxtel (zand). 5.4.6
Grondwater
Ten oosten van het plangebied bevindt zich peilbuis B51G2440-001 op een afstand van 150 meter. Deze peilbuis bevindt zich in een vergelijkbare positie als het plangebied. De GHG die gemeten is in de peilbuis is 16,8 m NAP. Met het maaiveld op 17,5 m NAP wordt de ontwateringsafstand dan 0,7 meter. 5.4.7
Riolering
Het vuilwater van het plangebied dient doormiddel van een gescheiden rioolstelsel aangesloten te worden op het omliggende stelsel van de gemeente. De verdere uitwerking hiervan dient in samenspraak met de gemeente Eindhoven te worden uitgevoerd.
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
95
5.5
Toekomstige situatie van het watersysteem
Bij stedelijke uitbreidingen is vaak sprake van een toename van verhard oppervlak. Hierdoor kan het hemelwater niet infiltreren en wordt het versneld afgevoerd naar riolering of oppervlaktewater. Dit is ongewenst en dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Uitgangspunt is dat het hemelwater zoveel mogelijk in het plangebied blijft. De wijze waarop kan per situatie verschillen en is gebiedsafhankelijk. 5.5.1
Verharding
De ontwikkeling heeft betrekking op de sloop van twee kantoorpanden, de realisatie van twee nieuwe appartementencomplexen voor woningen met op de begane grond commerciële ruimte en ruimte voor medische functies (DvU en tandartspraktijk), de herontwikkeling van een bestaand monumentaal pand en de realisatie van een parkeerkelder. Om kleine wijzigingen in het ontwerp mogelijk te maken is, in het kader van dit onderzoek, rekening gehouden met enige flexibiliteit. De worst-case situatie (binnen deze bandbreedte) is voor dit onderzoek het uitgangspunt geweest. De waterparagraaf is als bijlage 19 bij deze toelichting opgenomen. De verdeling van de oppervlaktes ten opzichte van de huidige en toekomstige situatie zijn weergegeven in onderstaande tabel:
Oppervlaktes:
Huidige situatie:
Toekom stige situatie:
Verharding (100% verhard)
2.200
1.647
Dak (100% verhard)
2.425
2.023
Parkeren (100% verhard)
0
235
Half verharding (50% verhard)
0
0
Erf / tuin (50% verhard)
0
0
Groen (0% verhard)
790
1.510
Totaal
5.415
5.415
Verhard oppervlak
4.625
3.905
Op basis van deze tebel is er sprake van een verhardingsafname van (3.905 – 4.625 = -) 720 m2. 5.5.2
Berging
De eis van het waterschap De Dommel ten aanzien van een toename aan verharding is dat voor het oppervlak aan nieuwe verharding, dat gaat lozen op oppervlaktewater, een compenserende waterberging moet worden aangelegd. Aangezien er in deze ontwikkeling sprake is van een verhardingsafname, vervalt deze eis. De gemeente Eindhoven hanteert echter een zwaarder wegend beleid over de watercompensatie. Volgens het beleid van de gemeente moet al het toekomstige verhard oppervlak worden gecompenseerd volgends de norm 60 mm/m2. De gemeente Eindhoven heeft een rekentool gemaakt waarin de waterbergingsopgave wordt berekend. Deze rekentool is doorlopen en te zien in bijlage 3 van de waterparagraaf (bijlage 19). De totale waterbergingsopgave in het plangebied komt neer op 211,2 m3.Het streven van de gemeente om hemelwater zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, bij voorkeur door het in de bodem te infiltreren. Hierdoor wordt de volgende volgorde aangehouden: vasthouden – infiltreren in bodem – afvoer naar oppervlaktewater (aanliggend) – afvoer naar gemeentelijk hemelwaterriool. Een infiltratievoorziening dient te voldoen aan de volgende eisen: 96
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
De bodem van de voorziening ligt boven de GHG; De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Als een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze in verband met verstoppingen een minimale diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om water van alle neerslaggebeurtenissen die groter zijn dan de berging af te kunnen voeren zodat wateroverlast in het plangebied kan worden voorkomen. Volgens het beleid van de gemeente moet al het toekomstige verhard oppervlak worden gecompenseerd volgens de norm 60 mm/m2. Doordat de rekentool van de gemeente Eindhoven ook kijkt naar andere opties dan alleen waterberging op het gebied van watercompensatie geeft de tool een beter inzicht in welke uitwerkingsoplossingen gecombineerd kunnen worden.Deze rekentool is doorlopen en te zien in bijlage 3 van de Waterparagraaf, die als bijlage 19 bij dit bestemmingplan is opgenomen, en in de volgende tabel. Oppervlaktes:
Huidige situatie:
Toekom stige situatie:
Verharding (100% verhard)
2.200
Dak (100% verhard, traditioneel)
2.425
758
Parkeren (100% verhard)
0
889
Half verharding (50% verhard)
0
235
Erf / tuin (50% verhard)
0
0
Groen dak (>=60mm w aterberging per m²)
1.215
Groen dak (>=30mm w aterberging per m²)
1.569
Groen (0% verhard)
790
749
Totaal
5.415
5.415
Verhard oppervlak
4.625
1.882
Water met bergende functie
Uit de rekentool blijkt dat het mogelijk is om in het plangebied te voldoen aan de benodigde waterbergingseis. 5.5.3
Waterkwaliteit
Afvalwater In het plangebied worden maximaal 165 nieuwe woningen gerealiseerd. Uitgaande van een gemiddelde woningbezetting van 2,2 bewoners (bron: Leidraad Riolering) en een gemiddelde vuilwaterproductie van 120 liter per persoon per dag, met een piek van 12 liter per persoon per uur dient er vanuit het plangebied dagelijks (165 x 2,2 x 120 l/dag =) 43,6 m³ vuilwater te worden afgevoerd naar het rioolstelsel. De piekbelasting bedraagt (165 x 2,2 x 12 l/uur =) 4,4 m³/uur. Daarnaast zal er ook vanuit de toegestane functies (gezondheidszorg en horeca) ook vuilwater worden afgevoerd. Het plangebied heeft (750 + 790 + 100 =) 1.640 m2 aan extra bestemmingen. Gezien de aard van de functie wordt er geen grote productie van vuilwater verwacht. Voor de berekening wordt een vuilwaterproductie van 1 m3/h/ha gehanteerd. Dit betekent dat er (1 x 0,1640 =) 0,1640 m3/h en (0,1640 x 24 =) 3,9 m3/dag zal worden geproduceerd. De totale piekafvoer van vuilwater in vanuit het plangebied zal 4,6 m3/uur bedragen. De totale afvoer per dag van vuilwater vanuit het plangebied zal 47,5 m3/dag bedragen. Het vuilwater vanuit het plangebied dient te worden aangesloten op een gemeentelijk vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven
97
rioolstelsel. De verdere uitwerking hiervan dient in samenspraak met de gemeente Eindhoven te worden uitgevoerd. Hemelwater Het streven van de gemeente Eindhoven is om hemelwater zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, bij voorkeur door het in de bodem te infiltreren.Voor het vasthouden van het hemelwater heeft een bovengrondse waterberging de voorkeur. De meest voorkomende bovengrondse waterbergingen zijn oppervlaktewater en wadi’s. Beide bergingen kunnen op dezelfde manier worden bepaald. Door het volume uit te rekenen wat boven de GHG is gelegen kan worden bepaald welk volume van de constructie kan worden gebruikt als waterberging. In het plangebied is het aanleggen van oppervlakte water geen optie. Doordat er in het plangebied geen bestaande watergangen aanwezig zijn is er geen locatie waarop mogelijke oppervlakte water op kan aansluiten. In het plangebied is vanwege de parkeerkelder het aanleggen van een wadi niet mogelijk. Binnen het plangebied kan het water worden geborgen op het dak van de parkeerkelder en het dak van het gebouw. De bergingscapaciteit verschilt tussen de 30 l/m2 en 60 l/m2. De verdeling van de oppervlaktes is weergeven in bijlage 3 van de waterparagraaf (bijlage 19). Ten aanzien van het materiaalgebruik dient aandacht te worden geschonken aan het gebruik van milieuvriendelijke materialen.
Verder mogen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 5.5.4
Advies / overleg Waterschap
In het kader van de procedure van het vooroverleg wordt het onderhavige bestemmingsplan toegezonden aan het Waterschap. De resultaten van het advies van het Waterschap worden te zijner tijd in deze paragraaf samengevat en beantwoord.
98
vastgesteld V Stratum binnen de Ring II (Stratumsedijk) Gemeente Eindhoven