CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

21bst00759 - Bijlage 1 - Lichthoven fase 2

Raadsvergadering 22 juni 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Lichthoven fase 235.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Groenplan Voor dit project is een Groenplan opgesteld (zie bijlage 5). Dit Groenplan is opgesteld conform het 'Format Groenplan bij ruimtelijk initiatief'; d.d. januari 2018 van de Gemeente Eindhoven. Het Groenplan onderbouwt hoe er wordt om gegaan met de aanwezige groenwaarden op de kavel van het project. Dit betekent voor dit plan het volgende: 1. Het huidige groen wordt aangetast binnen het nieuwe ontwerp. 2. Het huidige groen daarom gecompenseerd wordt binnen het plangebied. 3. Er worden voorstellen gedaan hoe er aan de randen van het plangebied extra gecompenseerd kan worden. 4. Er wordt niet gecompenseerd op een alternatieve locatie. Tijdens de ontwerpfase van het project zijn er twee onderzoeken gedaan naar de aanwezige groenwaarden binnen het plangebied. Zijnde (1) een QuickScan Wet natuurbescherming (dit ook in het kader van BREEAM credit LE3) en (2) een Boom Effect Analyse. Aan de hand van deze twee rapporten wordt de bestaande situatie in het plangebied samengevat omschreven. De volledige rapporten bijgevoegd in bijlage 6 en bijlage 7. In de bestaande situatie is sprake van een vrijwel geheel verhard terrein met een hoge mate van versnippering, welke momenteel geheel in gebruik is als parkeerterrein in het centrum van Eindhoven. Aan de west- en oostzijde van het plangebied zijn groenstroken aanwezig met bomenrijen.

Aan de noordzijde grenst het plangebied aan het spoor (afgescheiden door hekken) en is een bomenrij (met 11 zomereiken, waarvan 5 eiken een boomgroep vormen die sterk afhankelijk zijn van elkaar) aanwezig, deze ligt echter net buiten het plangebied. Direct tegen de hekken aan de zuidzijde staan enkele struiken. De zuidzijde van het plangebied wordt begrensd door de Stationsweg en een rij van 7 platanen op het trottoir naast een groenstrook, welke eveneens buiten het plangebied ligt. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de rivier de Dommel met stromend en stilstaand water, rietstroken, een groep bomen (4 witte paardenkastanjes en 2 piramidale zomereiken) op een groenstrook en een bosschage. De Dommel en haar oever valt buiten het plan. Ten westen wordt het parkeerterrein geflankeerd door 5 witte paardenkastanjes en 1 ruwe berk. Conform de Boom Effect Analyse kunnen 17 bestaande bomen behouden blijven als het huidige ontwerp wordt gerealiseerd. Hierbij kunnen er 10 bomen behouden blijven zonder het treffen van aanvullende maatregelen en worden er, ten behoeve van het behoud ervan, 7 bomen (de platanen aan de Stationsweg) gekandelaberd. Dit betekent dat er 13 bomen geveld worden als het huidige ontwerp gerealiseerd wordt.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

57

In het groenbeleidsplan de Gemeente Eindhoven is vastgesteld dat er tenminste 8 m2 per nieuwe woning aan groen moet worden gecompenseerd. Daarnaast dient er in het geval van mixed-use gebouwen, 10% van het BVO van de nieuwbouw, aan groen moet worden gecompenseerd. De benodigde compensatie voor dit project is weergegeven in Tabel 3 van het Groenplan. In het Groenplan wordt voorts ingegaan op de bomencompensatie en de beschrijving van het groen op daken, dakterrassen en het dek. In het kader van BREEAM worden ecologische maatregeln getroffen. De in het Groenplan gepresenteerde fysieke ontwerp van de daken, daktuinen en openbare ruimte dient als framework voor de nadere planuitwerking. Tot nu toe heeft de projectarchitect (MVSA) deze onderdelen uitgewerkt in samenspraak met alle betrokken adviseurs (zoals ecoloog, duurzaamheidsadviseur en constructeur). In samenspraak met de Gemeente Eindhoven en AM traject (beoogd ontwikkelaar voor Lichthoven Fase 1) is landschapsarchitect ZUS (Zones Urbaines Sensibles) een ontwerp aan het uitwerken is voor het gebied Lichthoven, waar onder andere EDGE Eindhoven deel van uit maakt. ZUS zal tijdens het fysieke ontwerp van het totaalgebied ? waaronder het openbare dek, daktuinen en atriumgevels van EDGE Eindhoven ? verder uitwerken.

Voorwaarde hierbij is dat de genoemde vierkante meters groencompensatie, het aantal bomen en de te treffen ecologische maatregelen zoals beschreven in dit document aangehouden dienen te worden.

58

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

3.8.2

Beleid Bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: - bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of of de Verordening Bomen 2015. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Verordening Bomen Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop.

Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie. Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basisbomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op percelen van 500 m2 of groter. Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels Bomen De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden.

De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden. Het plangebied Blijkens De Groene Kaart is het plangebied geen onderdeel van een 'gebied stad, groen beeldbepalend'. Op de kaart is voor de projectlocatie geen beschermde bomen of structuren vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

59

weergegeven. Gevolgen voor het project HIervóór is al ingegaan op de Boom Effect Analyse en het Groenplan, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.

3.9

Horeca

Op 11 maart 2014 heeft de gemeenteraad het nieuwe horecabeleidsplan 'Kennis maken met een gastvrije stad' vastgesteld. De nota is op 2 november 2016 gepubliceerd. Eindhoven wil aantrekkelijk zijn om er te komen, verblijven, studeren, wonen en werken. Horeca speelt hierbij een belangrijke rol. Het horecabeleidsplan bevat een aantal speerpunten om ervoor te zorgen dat de horeca in Eindhoven kan meebewegen met de ontwikkelingen in de stad. De gemeente wil de vestiging van kwalitatief goede horecabedrijven stimuleren. Daarbij is een wederzijdse versterking van de nabije andere functies belangrijk. Om dit bewerkstelligen maakt het horecabeleidsplan onderscheid gebiedtypen en in typen horeca. Typen horeca Het horecabeleidsplan maakt onderscheid in twee typen horeca: Nat & Droog Het al dan niet schenken van alcohol is vanuit de taken van de overheid zeer bepalend. Om die reden is een eerste onderscheid naar nat en droog logisch. Indien een horecabedrijf geen alcoholische dranken verstrekt, wordt deze gerekend tot de droge horeca. Natte horeca verstrekt alcoholische dranken. Dag, Avond & Nacht Naast de indeling op basis van het schenken van alcoholhoudende dranken moeten we echter ook kijken naar de exploitatietijden. Op basis hiervan kan worden gekeken naar de tijden waarop een horecabedrijf invloed heeft op zijn omgeving.

Ook dit heeft weer een verband met wanneer de overheid welke taak heeft. Hierin kunnen in beginsel drie typen worden onderscheiden: dag-, avond en nachthoreca. Van belang is hierbij de combinatie met nat of droog. Regels over het schenken van alcohol en openingstijden zijn opgenomen in de drank- en horecawet en in de APV. In het bestemmingsplan worden hierover geen regels opgenomen. Wel wordt in het bestemmingsplan opgenomen welke vorm van horeca is toegestaan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de Lijst van horeca-activiteiten.

Gebiedstypen In het horecabeleidsplan wordt onderscheid gemaakt in drie gebiedstypen: 1. Stimuleringsgebied: gebieden waar uitbouw van de horecasector mogelijk is. 2. Toelatingsgebied: gebieden waar per aanvraag wordt bezien of nieuwe horeca of uitbreiding van bestaande horeca inpasbaar is. Dit is afhankelijk van onder andere infrastructuur, woonbelangen, levendigheid, leefbaarheid en milieu-aspecten. 3. Restrictiegebied: gebieden waar (vanuit leefbaarheid) een vermindering van het aantal horecavestigingen wordt nagestreefd. Per deelgebied of cluster wordt aangegeven welk gebiedstype van toepassing is. Het plangebied Het stationsgebied is in het Eindhovense horecabeleidsplan aangemerkt als een ‘stimuleringsgebied’ waarbinnen uitbouw van de horecasector mogelijk is: ‘Gebiedsontwikkelingen als Emmasingelkwadrant, Stationsgebied, Strijp S bieden in ieder geval fysiek ruimte en decor voor horecaontwikkelingen. Uitbreiding van de horeca in het 60

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

stationsgebied, door enkele nieuwe (kleinschalige) horecagelegenheden in dit project past dan ook binnen het Eindhovense horecabeleid. De horeca in en rondom het station is met name gericht op het ‘bedienen’ van de gebruikers van het gebied, waarmee wordt gedoeld op de kantoren, woningen en commerciële functies. In de plint van de bebouwing, langs de Stationsweg, voorziet het plan in ca. 1.000 m2 bvo commerciële functies. Het doel daarvan is een levendige plint langs de Stationsweg te realiseren. Het bestemmingsplan laat daarom ruimte om meerdere soorten plintinvulling te realiseren, zoals ca. 300 m2 horeca. Daarvoor is nog geen concrete invulling vastgesteld. Naar verwachting wordt de plint aan de westzijde ingevuld door het bedrijfsrestaurant voor de kantoren. In dat geval is geen sprake van zelfstandige horeca. Gedeeltelijke zelfstandige exploitatie als horeca (dag en avond, zoals restaurant, café; ca. 200 m2) is echter niet uitgesloten, omdat ook dat bijdraagt aan een levendige plint.

3.10

Bedrijvigheid

Op 15 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Bedrijventerreinennota met de titel 'Aan de slag voor waardevolle locaties' vastgesteld. Deze is gepubliceerd op 2 november 2016. Met deze nota wordt richting gegeven aan het beleid voor en de ontwikkelingsrichting van de bedrijventerreinen. De nota heeft betrekking op de 16 grootste (>5 ha) bedrijventerreinen van Eindhoven, inclusief campussen. Het gaat daarnaast in op een 32-tal kleinere bedrijfslocaties en de Locatie Strijp S. Het onderhavige plangebied is niet gelegen op een groot bedrijventerrein, een kleinere bedrijfslocatie of Strijp S, zodat de nota niet relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan.

3.11

Kantoren

De Kantorenstrategie 2012-2020 (vastgesteld op 26 juni 2012) is niet langer (alleen) gebaseerd op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt. Juist op de bestaande markt zijn maatregelen nodig om deze gezonder te maken. Dat vraagt enerzijds om een positieve en actieve grondhouding van gebouweigenaren. Anderzijds is er vaak nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met de leegstand aan de slag wil gaan. De gemeente Eindhoven speelt daarbij in toenemende mate een stimulerende en faciliterende rol. De Eindhovense werkwijze is afgestemd met de andere ‘kantoorgemeenten’ in de stedelijke regio. Dit is vastgelegd in een 'Regionale programmering kantoorlocaties' d.d. november 2013. Het grootste deel van de werkgelegenheid in de regio Eindhoven is gehuisvest in een kantooromgeving. Door diverse oorzaken is de Nederlandse en ook de regionale kantorenmarkt de laatste jaren flink uit balans geraakt. De aanbodpercentages liggen op dit moment rond de 16%; ruim twee keer zoveel als bij een gezonde kantorenmarkt hoort. Het totale aanbod van kantoren in Eindhoven bedroeg op 1 januari 2015 circa 250.000 m². Dit overaanbod aan kantoorruimte is voor een groot deel structureel van aard. Dit is een bedreiging voor de economische ambities van (de regio) Eindhoven en vraagt dus om gericht handelen.

In het nieuwe beleid wordt niet alleen op nieuwbouw gestuurd, maar ook op de bestaande kantorenmarkt. De focus ligt daarbij op het terugdringen van kantorenleegstand in bestaande gebouwen. Met deze aanpak hoopt het college vraag en aanbod op de Eindhovense kantorenmarkt in kwantitatieve én kwalitatieve zin beter op elkaar af te stemmen, zodat een goede balans ontstaat met toekomstbestendige locaties, die bijdragen aan de realisatie van de Brainport-ambities van stad en regio. vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

61

Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden, te weten Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum. Deze verschillende kantorenmilieus voorzien in een specifieke en onderscheidende behoefte. Het is belangrijk om deze onderscheidende kwaliteiten de komende jaren verder uit te bouwen. Het is daarnaast belangrijk dat ongebreidelde groei van de kantorenvoorraad, door toevoeging van niet duurzame/toekomstbestendige nieuwbouw, wordt voorkomen. Kantoorgebruikers die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting worden daarom zoveel mogelijk bediend op de bestaande kantorenmarkt. Geredeneerd vanuit de stad én de kantoorgebruiker, is het stationsgebied de belangrijkste kantoorlocatie in Eindhoven om verder tot ontwikkeling te brengen. Binnen het stationsgebied wordt prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van Stationsgebied Zuidoost, pas daarna volgt de VVV-locatie en (ver) na 2020 de locaties aan de noordzijde van het station (zowel gemeentelijke- als private locaties). In het beleid is in het Stationsgebied/centrum de nieuwbouwbehoefte geprognostiseerd op ca. 65.000 m2 in de periode 2011-202 en ca. 32.500 m2 in de periode 2021-2030. Voor wat betreft de periode tot 2020 is de verwachting dat het grootste deel van de kantoorgebruikers in Eindhoven (40 tot 50%) voorkeur heeft voor vestiging in het centrum / stationsgebied.

Dit gebied heeft een prettige verblijfsomgeving voor werknemers en andere bezoekers en komt daarmee het meest tegemoet aan de tegenwoordige behoefte aan een goed voorzieningenniveau én een goede bereikbaarheid. In de Kantorenstrategie werd de ontwikkeling van Lichthoven (Stationsgebied Zuidoost) verwacht te kunnen worden gerealiseerd vóór 2015 met een omvang van 30.000 m2. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt daaraan alsnog invulling gegeven.

Trends en ontwikkelingen op de Eindhovense kantorenmarkt, 8 januari 2019 Het Stationsgebied sluit qua type locatie het best aan bij de eisen die kantoorgebruikers daar vandaag de dag aan stellen. De toename van de vraag naar courante kantoren maakt het in dit gebied mogelijk om verouderde kantoorgebouwen te herontwikkelen c.q. renoveren. Dat gebeurt momenteel o.a. aan de Fellenoord waar OVG het oude Rabopand geschikt maakt om de Belastingdienst in te huisvesten. Er ontstaat hier ook ruimte om nieuwbouwplannen te realiseren. Dat is o.a. mogelijk op de VVV-locatie; in ‘District E’ is zo’n 8.000 m² kantoorruimte gepland, met daarnaast nog een flink aantal woningen. In het aangrenzende plan Lichthoven (fase 1, naast Student Hotel) is nog ruimte voor de nieuwbouw van maximaal zo’n 30.000 m² kantoorruimte. Op de naastgelegen fase 2 kan maximaal eenzelfde metrage worden gebouwd, in combinatie met woonfuncties. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt daaraan invulling gegeven.

3.12

Prostitutie

Er bevinden zich in het plangebied geen prostitutiebedrijven en deze worden in het betemmingsplan ook iet mogelijk gemaakt.

3.13

Kabels, leidingen en straalpaden

Er bevinden zich in het plangebied geen hoofdtransportleidingen, zodat daaruit geen belemmeringen voor het project aan de orde zijn.

62

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuparagraaf

Milieueffectrapportage

Ten behoeve van het op te stellen bestemmingsplan dient een m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden doorlopen en een m.e.r.-beoordelingsnotitie te worden opgesteld. Dit is uitgevoerd door RoyalHaskoningDHV en de bevindingen zijn vastgelegd in de rapportage m.e.r. beoordeling EDGE Eindhoven (bijlage 8). Het voornemen bestaat om Edge Eindhoven duurzaam te klimatiseren met een open bodemenergie-systeem. Als onderdeel van de aan te vragen Waterwetvergunning voor de plaatsing van een open bodemenergiesysteem voor Edge Eindhoven is een aparte effectenstudie (If Technologie, 2019) en m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (IF Technologie, 2019). 4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit het Besluit m.e.r.

blijkt dat de voorgenomen activiteit en het besluit zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder categorie D 11.2 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" . Daarmee geldt de verplichting een m.e.r.-beoordeling te doen; een procedure waarin aan de hand van een globale inschatting van de mogelijke milieueffecten beoordeeld wordt of een volledige m.e.r.-procedure nodig is en of een MER opgesteld moet worden. Het bevoegde gezag, in dit geval de gemeente Eindhoven, legt dit in een m.e.r.-beoordelingsbesluit vast. De m.e.r.-beoordelingsnotitie met daarin de inschatting van milieueffecten dient daarvoor als basis. I 4.1.2

Conclusie

In de m.e.r. beoordelingsnotitie die aan deze plantoelichting is toegevoegd zijn de mogelijke milieueffecten van Edge Eindhoven in beeld gebracht en afzonderlijk beoordeeld. Daaruit blijkt dat, met inachtneming van eventuele mitigerende maatregelen, er geen sprake is vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

63

van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Op grond van het Besluit m.e.r. is er geen verplichting om voor de vaststelling van het bestemmingsplan een m.e.r.-procedure op te starten. Tabel overzicht milieueffecten

64

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

65

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure wordt een gebied met een matige tot sterke functiemenging aangeduid als een gemengd gebied. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. De onderhavige projectlocatie is aan te merken als gemengd gebied. In de directe omgeving zijn geen bedrijven met een milieuzonering aanwezig die Het programma Lichthoven fase 2 bestaat uit een mix van circa 27.500 m2 kantoor en circa 15.000 m2 woningen met in de plint voorzieningen voor de gebruikers en de directe omgeving. In de plint worden geen bedrijfsactiviteiten voorzien zoals opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals die door de gemeente Eindhoven wordt gebruikt. Het gaat hier uitsluitend om voorzieningen als lichte horeca, sportvoorzieningen en dienstverlenende instellingen/beroepen.

Deze functies verhouden zich goed met de functie Wonen en krijgen een gemengde bestemming. Aan de zuidzijde van de Effenaar zijn woningen toegelaten volgens het bestemmingsplan. Deze woningen bevinden zich op een afstand van 16 meter vanaf het terrein van de Effenaar. Omdat woningen op deze korte afstand liggen zal de Effenaar zelf voldoende geluiddicht zijn uitgevoerd dat geluid uit het gebouw zelf geen relevante rol speelt bij de bestaande bebouwing en dus ook niet bij de nieuwbouw. Op het buitenterrein vinden laad/losactiviteiten plaats. Het gaat dan met name om de maximale geluidsniveaus. Hier geldt dat de afstand tot de bestaande bebouwing al beperkend is. Met name in de avond- en nachtperiode zal het laden en lossen en rijden met voertuigen leiden tot overschrijdingen van de toetswaarden uit het Activiteitenbesluit. Er is een maatwerkvoorschrift dat een geluidbelasting tot 54 dB(A)-etmaalwaarde voor de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus toestaat. Er is geen maatwerkvoorschrift voor de maximale geluidsniveaus. Dit betekent dat de nieuwbouw daarmee niet zorgt voor nieuwe belemmeringen voor de Effenaar.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen voor de geluidbelasting op de gevel. In 1.34 is gedefineerd wat wordt verstaan onder 'gevel'. In een loggia is sprake van buitenlucht waardoor de 'schermen' van de loggia niet als gevel kunnen worden gezien in deze definitie. Het gaat dus in feite om de gevels met de thermische schil. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt 66

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. In het voorliggende bestemmingsplan wordt een nieuwe geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt, doordat een woongebouw met 175 appartementen kan worden ontwikkeld. Het geluidsonderzoek is opgenomen als bijage 9. 4.3.2

Wegverkeer

Langs de zuidgevel van de geplande woontoren loopt de Stationsweg. In het westen begint de Stationsweg als Stationsplein, om ten oosten over te gaan in de Fuutlaan. De maatgevende bijdrage voor de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer komt door deze weg. Een minimale bijdrage is te verwachten van de westelijk gelegen Vestdijk en Vestdijktunnel, en de noordelijk gelegen Fellenoord en Professor Doctor Dorgelolaan. Overige wegen zijn niet maatgevend of betreffen 30 km/u wegen, welke voor de toetsing Wet geluidhinder niet worden meegenomen. Voor de gecumuleerde geluidsbelasting op de gevel zijn deze wegen wel meegenomen. Bij de berekeningen voor het wegverkeer is uitgegaan van een 'dove' uitvoering van de oostgevel. Hier bevinden zich alleen niet te openen ramen. Er vindt daarom geen toetsing op deze gevel plaats voor de Wet geluidhinder. Voor de bepaling van de geluidwering van de gevel (toetsing Bouwbesluit) is deze gevel wel meegenomen. De geluidsbelastingen zijn per woning weergegeven en getoetst aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Hierbij is voorafgaand aan de toetsing, volgens artikel 110g Wgh, een aftrek toegepast van 5 dB. De Stationsweg, met in het verlengde het Stationsplein en Fuutlaan, is de maatgevende bron voor de geluidsbelasting op de zuid- en westzijde.

Voor alle woningen aan de zuidkant en de noordelijk georiënteerde woningen met een gevel aan de westkant vindt overschrijding plaats van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogte van deze overschrijding varieert van 5 dB op de bovenste verdiepingen tot 11 dB op de lagere verdiepingen. In onderstaande tabel is voor de Stationsweg het aantal woningen met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde aangegeven.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

67

Tabel: aantal woningen met overschrijding van de voorkeursgrenswaarde

Voor alle overige wegen, waarvoor de planlocatie in de geluidzone ligt, geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Dit betreft de Vestdijk met Vestdijktunnel, de Fellenoord en Professor Doctor Dorgelolaan. Deze wegen, en de overige wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u, zijn wel meegenomen voor de cumulatieve geluidsbelasting. 4.3.3

Railverkeer

Het plan wordt gerealiseerd op een afstand van 200 meter van station Eindhoven Centraal. Er liggen meerdere perrons en sporen ten noorden van de locatie, welke zowel overdag, 's avonds en 's nachts worden gebruikt. De grenswaarde voor railverkeer is 55 dB. Deze waarde wordt overschreden ter plaatse van 68 woningen. Dit zijn voornamelijk de woningen gelegen aan de noordgevel (62 van de in totaal 80 woningen) en een aantal woningen aan de zuidkant met een zijgevel aan de westkant (6 van de in totaal 20 woningen). De overschrijding op deze woningen bedraagt 1 - 7 dB. In onderstaande tabel is het aantal woningen met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde opgenomen.

Tabel: aantal woningen met overschrijding van de voorkeursgrenswaarde

68

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

4.3.4

Industrielawaai

Tussen het spoor en het plangebied ligt het spooremplacement Eindhoven. Dit terrein wordt gedurende de dag, avond en nacht gebruikt als rangeerterrein en voor diverse onderhoud- en herstelwerkzaamheden. Het emplacement is een Wm-inrichting en heeft een vergunning voor het geproduceerde geluid. Voor het emplacement zijn de geluidsbelastingen ten gevolge van de activiteiten en de rijbewegingen op het emplacement apart bepaald, conform het beleid van de gemeente Eindhoven. Hiervoor is een aantal toetspunten gemodelleerd die representatief zijn voor de nieuwe woontoren (hoogtes van 5 tot 65 meter). De ligging van de toetspunten is weergegeven in onderstaande figuur.

Afbeelding: Ligging toetspunten rondom nieuwe woontoren voor geluid van emplacement

Ten gevolge van het geluid van de rijbewegingen is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarde gesteld in de Randvoorwaarden geluid van 55 dB(A). De hoogste etmaalwaarde bedraagt 55 dB(A). Het geluid vanwege de activiteiten op het emplacement bedraagt ten hoogste 54 dB(A) etmaalwaarde (44 dB(A) in de nachtperiode) op de gevels aan de noordzijde en 52 dB(A) etmaalwaarde (42 dB(A) nachtperiode) op de oostgevel. Hiermee wordt de grenswaarde voor de nachtperiode met 4 dB(A) respectievelijk 2 dB(A) overschreden. Overschrijdingen van de grenswaarde zijn bij nieuwe bestemmingen niet toegestaan, omdat hierdoor het gebruik van het emplacement beperkt wordt. Daarom is gekeken naar oplossingen om de geluidsbelasting te reduceren tot de grenswaarde. In het ontwerp is gekozen voor uitvoeren van de oostgevel van de woontoren met balkons voorzien van een gesloten borstwering en een verdiepingshoge afscherming, zodat de geluidsbelasting op de achterliggende gevel voldoet aan de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode. Voor de noordgevel wordt gebruik gemaakt van loggia's voorzien van schuiframen, om zo op de achterliggende gevel te kunnen voldoen aan de grenswaarde van 40 dB(A) in de vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

69

nachtperiode. Overige geveldelen waar een overschrijding plaatsvindt worden doof uitgevoerd. 4.3.5

Luchtvaartlawaai

Op 29 december 2007 is het Besluit tot aanwijzing van het militaire luchtvaartterrein Eindhoven in werking getreden. Met dit aanwijzingsbesluit uit 2007 was de 35 Ke geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele verkeer. Het gebied Lichthoven ligt in zijn geheel buiten deze vastgestelde geluidszone (35 Ke-contour). Deze geluidszone is op 5 augustus 2009 vervangen door een tijdelijke geluidszone na gedeeltelijke vernietiging van het aanwijzingsbesluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plangebied is ook geheel gelegen buiten deze tijdelijke geluidszone. Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied. 4.3.6

Conclusie

Voor de nieuwbouw van de woontoren in het bestemmingsplan Lichthoven fase 2 is vanwege de omliggende geluidbronnen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor 84 woningen ten gevolge van spoorweglawaai. Voor deze woningen zijn geen bron- of overdrachtsmaatregelen mogelijk om de geluidsbelasting terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarde. Er zal een hogere waarde aanvraag gedaan moeten worden voor de woningen met een overschrijding voor spoorweglawaai. Om te voldoen aan de eisen uit het Hogere waarde beleid zijn alle woningen voorzien van een geluidluwe zijde. Vanwege het emplacement is op de noord- en oostgevel een overschrijding van de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode voor het langtijdgemiddeld niveau. Er is geen ontheffing mogelijk van deze waarde. De oostgevel wordt daarom grotendeels doof uitgevoerd (met niet te openen ramen) en ter plaatse van de balkons wordt een verdiepingshoge afscherming aan de spoorzijde gerealiseerd om het geluidniveau op de achterliggende gevel te reduceren tot 40 dB(A) in de nachtperiode. Op de noordgevel wordt door middel van afsluitbare loggia’s gezorgd dat de geluidsbelasting wordt teruggebracht tot ten hoogste 40 dB(A) in de nachtperiode op de achterliggende gevel. Overige delen van de noordgevel, waarbij een overschrijding van de 40 dB(A) nachtwaarde plaatsvindt, worden doof uitgevoerd.

Hiermee past het plan binnen de kaders van de Wet geluidhinder en voldoet deze aan de grenswaarden uit de vergunning van het emplacement. Ook zorgt de nieuwbouw van Lichthoven fase 2 niet voor nieuwe belemmeringen met betrekking tot geluid voor de Effenaar.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het 70

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex. 4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3.000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. 4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

71

4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Edge Technologies is voornemens het parkeerterrein bij de Stationsweg (Parking Fuutlaan) in het centrum van Eindhoven te ontwikkelen. Het plan, EDGE Eindhoven, bestaat uit een kantoorgebouw van circa 27.500 m2, circa 15.000 m2 appartementen en een ondergrondse parkeervoorzieningen voor de gebruikers. In de quickscan luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseffecten van de verkeerstoename van het voornemen getoetst aan de wettelijke kaders voor luchtkwaliteit. Er zijn twee mogelijke scenario’s voor de ontwikkeling van het verkeer. Omdat in deze fase van de planvorming nog geen keuze is gemaakt, zijn beide scenario's bekeken. In het eerste scenario worden 315 parkeerplaatsen gerealiseerd, in het tweede scenario worden 235 parkeerplaatsen gerealiseerd, met minder ruimte voor parkeergelegenheid voor woningen. Dit leidt tot 343 extra verkeersbewegingen per dag in het eerste scenario en 118 extra verkeersbewegingen per dag in het tweede scenario. Zie bijlage 10 voor de volledige quickscan. Conclusie Uit de NSL-Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties rond het plangebied momenteel net onder de grenswaarden uit de Wm liggen, maar dat de concentraties, onder invloed van dalende achtergrondconcentraties en emissiefactoren, in de toekomst zullen dalen.

De ontwikkeling in het plangebied heeft in beide scenario’s in relatie tot de bestaande situatie, een beperkt effect op de verkeersafwikkeling en de bijdrage aan de lokale luchtkwaliteit. Gezien dit beperkte effect en door de ruimte tussen de heersende concentraties en de grenswaarden uit de Wm, zal de ontwikkeling van EDGE Eindhoven niet leiden tot een benadering of overschrijding van de grenswaarden uit de Wm. Ook valt de bijdrage aan NO2 en PM10 ruim binnen de grens voor een Niet In Betekenende Mate bijdrage. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat het plan zowel op grond van art 5.16, lid 1 sub a als op grond van art. 5.16 lid 1 sub c voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven 72

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied Door dGmR is onderzoek gedaan naar externe veiligheid voor Lichthoven fase 2 (zie bijlage 11) .

Afbeelding: ligging planlocatie ten opzichte van risicobronnen

Bovenstaande afbeelding toont de ligging van de planlocatie ten opzichte van de risicobronnen in de omgeving. Ten noorden van de planlocatie ligt het doorgaande spoor Eindhoven - Roermond, waarover geklasseerde goederen worden vervoerd. Het kantoor staat op circa 38 meter vanaf het doorgaande spoor, de woontoren staat op circa 72 meter van het spoor. Langs deze spoorlijn geldt een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter en vanaf het midden van het spoor geldt een veiligheidszone van 1 meter. De planlocatie ligt buiten deze afstanden. Wel moet het groepsrisico kwantitatief worden bepaald, omdat de planlocatie binnen 200 vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

73

meter van het spoor ligt. Nabij de planlocatie takt een deel van het spoor af naar het spooremplacement Eindhoven. Het emplacement wordt in principe niet gebruikt voor handelingen met wagons met geklasseerde stoffen. Uitsluitend in overmachtsituaties mag het emplacement (incidenteel) worden gebruikt voor tijdelijk parkeren van een trein met gevaarlijke stoffen en het kopmaken. In de vergunning van ProRail is vastgelegd dat de 10-6 PR-contour binnen de inrichting moet blijven. Uit de jaarlijkse verantwoording van ProRail blijkt dat dit zo sporadisch voorkomt dat het groepsrisico beduidend onder de oriëntatiewaarde blijft. Gezien de afstand tot de risicobron zal alleen een gifwolk vanaf het emplacement tot de planlocatie reiken. Omdat de aanwezigen op de planlocatie voornamelijk inpandig verblijven is aannemelijk dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft. Externe risico's van het emplacement zijn daarom niet nader beschouwd. Bovendien zouden eventuele maatregelen van dezelfde aard zijn als de maatregelen die met betrekking tot de transporten van giftige stoffen over het spoor worden genomen. Op 450 m ten noordoosten van de planlocatie ligt de campus van de TU/e. Binnen deze campus worden in meerdere gebouwen geklasseerde stoffen opgeslagen.

Omdat deze opslagen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, gelden alleen veiligheidsafstanden en hoeft het groepsrisico niet te worden verantwoord. De afstand tot de dichtst bijzijnde opslag is 450m, terwijl de voorgeschreven afstanden in artikel 4.1 van het Activiteitenbesluit variëren van 7,5m tot 20m afhankelijk van de opgeslagen stoffen. Daarom heeft deze opslag geen beperkingen voor de planlocatie. Ter plaatse van de planlocatie wordt voor alle beschouwde risicobronnen voldaan aan het plaatsgebonden risico. Met betrekking tot transport over het spoor moet het groepsrisico worden berekend. Risicoberekening Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico van het transport over het spoor is bepaald met RBMII-versie 2.3, voorgeschreven door de Handleiding risicoberekeningen transport (HART). Dit model maakt gebruik van transportgegevens en aanwezigheidsgegevens van de directe omgeving. De transportgegevens voor het te beschouwen stuk van de Betuwelijn staan aangegeven in bijlage 2 van Regeling basisnet, de aanwezigheidgegevens zijn gebaseerd op het populatiebestand dat door de gemeente Eindhoven is aangeleverd. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico toeneemt van 9,2 naar 9,3 keer de oriëntatiewaarde. Hierbij is nabijgelegen bebouwin, zoals District E maatgevend. Daarmee vergeleken neemt het risico nauwelijks toe met de realisatie van Lichthoven fase 2.

Bij een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde is een volledige verantwoording conform artikelen 7 en 8 van het Bevt vereist. Daarbij dient rekening te worden gehouden met: 1. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute, de verwachte verandering in dichtheid en de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde. 2. het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde. 3. de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de vooren nadelen daarvan. 4. de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte. 5. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor, en 6. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoor een ramp voordoet.

74

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid (mei 2009)

De gemeente Eindhoven heeft aanvullend op het landelijke beleid een eigen beleidsvisie externe veiligheid ontwikkeld. Voor ontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor (Zone I) geldt: Binnen deze zone moet rekening worden gehouden met extra veiligheid verhogende maatregelen om zelfredzaamheid en beheersbaarheid te garanderen (bovenwettelijke plusmaatregelen en beter dan het basisbeschermingsniveau). Binnen deze zone geldt: Een kwetsbaar objectvrije zone (KOV): een zone langs de transportaders (weg en spoor) waar geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Deze zone wordt vastgesteld in het Basisnet. Een plasbrand aandachtsgebied (PAG) van 30 meter waarbinnen geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn en uitsluitend functies met een relatief lage personendichtheid. Deze zone hangt samen met het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen en wordt vastgesteld in het Basisnet. Indien sprake is van omstandigheden waardoor de reikwijdte van een plasbrand groter kan zijn (bijvoorbeeld de verhoogde ligging van het spoor) dient het aandachtsgebied overeenkomstig deze afstand te worden verruimd. Uitsluitend functies met een hoge mate van zelfredzaamheid zijn toegestaan. Nieuwe functies en uitbreiding bestaande functies met een beperkte zelfredzaamheid (zoals kinderdagverblijven, ziekenhuizen, basisscholen en peuterspeelzalen) zijn niet toegestaan.

Het basisniveau voor beheersbaarheid is/wordt gerealiseerd en de zelfredzaamheid is voldoende (zo veel mogelijk "intrinsiek veilig" gewaarborgd). Evenementen waarvoor een vergunning in kader van de Algemene plaatselijke verordening en/of een Wro-besluit noodzakelijk is, zijn niet toelaatbaar. Hiervan zijn uitgezonderd evenementen: 1. in gebouwen die hiertoe expliciet zijn bestemd en waarvoor een (Wm) vergunning is afgegeven; 2. die zich uitstrekken over een groter gebied van de stad, mits de locaties met verhoogde 3. personendichtheid (start/finish, tenten, tribunes) zich niet in deze zone bevinden. Daarnaast heeft de gemeente voor dit project aanvullend een Notitie t.b.v. indicatieve beoordeling/voorwaarden Externe Veiligheid en Veiligheidsrisico's bij project Lichthoven II (versie 10 april 2018) opgesteld. 4.5.3

Groepsverantwoording

De gemeente Eindhoven dient als bevoegd gezag het groepsrisico als gevolg van het transport van geklasseerde stoffen over het spoor conform het Bevt te verantwoorden. Omdat het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt, is een uitgebreide verantwoording vereist conform artikelen 7 en 8 uit het Bevt. Bij deze verantwoordingsplicht moeten naast de resultaten van de risicoanalyse (criteria 1 en 2) de volgende criteria aan de orde komen: Voor- en nadelen van ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico (nut en noodzaak van de ontwikkeling). Mogelijkheden tot beperking groepsrisico (nu en in de toekomst). Mogelijkheden tot voorbereiding en bestrijding van een ramp (veiligheidsketen) Mogelijkheden voor zelfredzaamheid en vluchtmogelijkheden aanwezigen. Ruimtelijke alternatieven De gemeente Eindhoven heeft in haar kader en ambitiedocument EZS1601R002 de wens uitgesproken om het stadshart flink te verdichten voor de functies wonen, werken en vrijetijdsbesteding. Het hart van de stad rondom het spoor is de dagelijkse entree van de stad voor veel bezoekers, werknemers en studenten. Lichthoven is hier vanzelfsprekend een onderdeel van. Het gebied sluit ook goed aan bij de overige verdichting in de spoorzone (Knoop-XL). Van een alternatieve locatie is dus geen sprake. vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

75

De totale ontwikkeling bestaat uit acht bouwblokken, waarvan TSH (The Student Hotel) reeds gerealiseerd is. Fase 2 bestaat uit 4 bouwblokken, waarbij kantoren en woningen gerealiseerd worden. Het plan betreft een deel van fase 2. De ambitie van het plan is om het Stationsplein met bijbehorende ontwikkelingen te verbinden met de Dommel. De inrichting van de publieke ruimte in het gebied schept hierbij oriëntatie en gewaarwording voor passanten en omwonenden. De woonfuncties bevinden zich aan de Stationsweg, de kantoorfuncties aan het spoor. Hiernaast bestaat er ook nationaal belang bij de ontwikkeling van het project. Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), Brainport, de Greenports en de Valleys van nationaal belang. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land. Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. high-tech systemen, medische technologie, automotive en hoogwaardige technische opleidingsinstituten als belangrijkste thema’s. In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen.

Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieus, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur, sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor. Het plan draagt met hoogwaardige kantoorruimte en kwalitatief goede woningen bij aan de behoeften voor wonen en werken in dit gebied. Ook binnen het plan is naar optimalisatie gestreefd door het gebouw met de meeste aanwezigen in de nacht zo ver mogelijk van het spoor te plaatsen. Beperking van het groepsrisico De bijdrage van het plan aan het groepsrisico is minimaal vergeleken met de ontwikkeling van District E in de omgeving van de planlocatie. Het plan is zodanig van opzet dat 's nachts, wanneer de meeste treinen met geklasseerde stoffen langs rijden de grootste populatiedichtheid verder van het spoor ligt. In die zin is de locatie al geoptimaliseerd ten opzichte van het groepsrisico. Een beperktere invulling van het plangebied met minder woningen is financieel niet haalbaar. Gezamenlijke kosten zouden dan over minder woningen worden verdeeld wat tot prijzen leidt die niet marktconform zijn. Bestrijding van een ramp De voorgenomen ontwikkeling betreft zelf geen externe risicobron.

Wel leidt de realisatie van het plan tot een mindere bereikbaarheid van het spoor en daarmee mindere bestrijdbaarheid van een calamiteit op het spoor. De initiatiefnemer heeft met initiatiefnemers van naastgelegen ontwikkelingen afgesproken dat buiten het plangebied om een toegang naar het spoor blijft. Binnen het plangebied kunnen hulpdiensten langs het spoor rijden, zodat het spoor voldoende bereikbaar voor hen blijft. De loopafstand vanaf de opstelplaats tot de calamiteit op het spoor mag maximaal 100 meter zijn, dus om de circa 200 meter moet een toegang naar het spoor zijn. Toegangspoorten tot het spoor liggen (net) buiten het plangebied. Het plangebied grenst voor circa 120 meter aan het spoor. De planlocatie is bereikbaar vanaf de zuidzijde (Stationsweg). Hulpvoertuigen kunnen vanuit het oosten, westen of zuiden de locatie benaderen. Het spoor vormt een belemmering aan de noordzijde, hoewel meerdere tunnels onder het spoor door liggen. Inherent aan een locatie in 76

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

het centrum is de verminderde doorstroming tijdens de spits. De lagere verdiepingen van het gebouw, waarin ook de bediening van het ventilatiesysteem is, zijn goed bereikbaar voor hulpdiensten. Voor hogere verdiepingen is dit niet het geval, maar zijn de gebouwen voorzien van droge blusleidingen. Zelfredzaamheid De relevante externe risicoscenario's zijn: planbrand Koude BLEVE Gifwolk Kantoor Het kantoor staat op circa 38 meter van het doorgaande spoor. Alleen overdag zijn mensen aanwezig en is er ook een BHV-organisatie. In geval van een plasbrand of een dreigende warme BLEVE in de directe omgeving (200 m) van het plangebied, moet men het kantoorgebouw ontvluchten. Binnen een minuut kan men een groot deel van het gebouw ontruimen en is men binnen de trappenhuizen. Deze trappenhuizen zijn brandwerend uitgevoerd. Via deze trappenhuizen is het gebouw binnen 20 minuten te ontruimen, wat voor deze scenario’s voldoende is. Vanuit de trappenhuizen kan men het gebouw via de begane grond (binnenplaats) verlaten en in noodgevallen ook via de parkeerkelder. Zowel via de binnenplaats als via de parkeerkelder kan men van het spoor wegvluchten. In geval van een gifwolk en in geval van een BLEVE op meer dan 200 meter, kan men veilig schuilen in het gebouw mits men afstand houdt tot de ramen aan de kant van de BLEVE vanwege vliegvuil.

In geval van een dreigende gifwolk schakelt de BHV-organisatie de mechanische ventilatie uit en zorgt dat ramen en deuren gesloten zijn. Woontoren De woontoren staat op circa 72 meter vanaf het doorgaande spoor. In de woontoren zijn dag en nacht mensen aanwezig. Minder zelfredzame personen, zoals ouderen of kinderen, zijn in de woontoren niet uitgesloten, maar dit komt waarschijnlijk niet grootschalig voor. De woningen zijn niet geschikt voor grote gezinnen. In de woontoren is geen BHV-organisatie aanwezig, waardoor de aanwezigen op zichzelf zijn aangewezen. De woontoren staat op zodanige afstand van het spoor dat een plasbrand op deze locatie geen extern risico meer vormt. In de woontoren is men in geval van een plasbrand veilig. In geval van een warme BLEVE binnen 200 meter moet men de woontoren ontvluchten. Hiervoor maakt iedereen gebruik van hetzelfde centrale trappenhuis. Dit trappenhuis is brandwerend gescheiden en de buitenwanden zijn van beton. Daarmee biedt het trappenhuis bescherming in geval van een drukgolf. Via dit trappenhuis veilig verder weg vluchten is mogelijk. Vanuit de woontoren komt men normaliter via het trappenhuis aan de spoorzijde uit het gebouw en moet men om het gebouw heen verder vluchten. De afstand tot het spoor is hier circa 72 meter en men is hier afgeschermd van het spoor door het kantoorgebouw.

Mocht deze vluchtroute door de locatie van de calamiteit niet veilig zijn, kan men ook via de kelder het plangebied verlaten aan de zijde van de Stationsweg (van het spoor af). In geval van een gifwolk en in geval van een BLEVE op meer dan 200 meter, kan men veilig schuilen in het gebouw mits men afstand houdt tot de ramen aan de kant van de BLEVE vanwege vliegvuil. In geval van een dreigende gifwolk moet men ramen en deuren sluiten. Voor het centrale deel van het pand dient de mechanische ventilatie te worden uitgeschakeld. Er wordt nog gekeken hoe dit wordt georganiseerd; mogelijk dat een aantal bewoners van de woontoren hierbij wordt vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

77

betrokken, omdat de kans op een calamiteit het grootst is in de nachtperiode. De kans op een relevante concentratie toxische gassen is echter zeer klein, omdat de inlaat van het ventilatiesysteem op het dak staat (bijna 70 m boven maaiveld) en gassen daardoor behoorlijk

Advies Veiligheidsregio Het advies van de Veiligheidsregio is op 29 oktober 2019 ontvangen. De Veiligheidsregio kan instemmen met onderhavig en adviseert de gemeente: Uit analyse van het risicoprofiel van 2019 blijkt dat het repressieve materieel niet toereikend is om het scenario 'ongeval spoorvervoer en incidenten tunnels' te bestrijden. De veiligheidsregio heeft samen met de gemeente gesproken over veiligheidsbevorderende maatregelen voor de gehele spoorzone. In de volgende inrichtingsprincipes ziet de veiligheidsregio nog kansen voor mogelijkheden tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bebouwing en omgeving bieden bescherming Realisatie van een adequaat afvoersysteem dat ervoor zorgt dat brandbare en toxische vloeistoffen snel worden afgevoerd. Afhankelijk van de hoeveelheid aan gelekte stof en de soort gelekte stof, kunnen de hulpverleningsdiensten besluiten om op te treden. Realisatie van een automatisch blussysteem dat ervoor zorgt dat een beginnende brand snel geblust kan worden. Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten Geen ontvluchtingswegen situeren richting de risicobron. Brandwerende gevels voor bouwdelen in PAG (plasbrandaandachtsgebied) en nabij PAG Materialen in de gevel moeilijk brandbaar maken zodat voortplanting van brand over de gevel wordt voorkomen.

Hittewerende beglazing en kozijnen, zodat mensen die in het gebouw verblijven meer tijd hebben om te vluchten. De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpverleningsdiensten mogelijk Conform de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zijn de volgende hoeveelheden water noodzakelijk om het scenario in de eerste fase van het incident te bestrijden; -

Warme Bleve

6000 liter per minuut.

-

Plasbrand

4500 liter per minuut

-

Uitdampen van een gevaarlijke stof 4500 liter per minuut Afhankelijk van de soort stof, het verloop van een incident en de ligging van de wagons en de bereikbaarheid, kan de brandweer overgaan tot het stabiliseren van het incident. Deze hoeveelheden water moeten binnen 200 meter en bij elke toegangsdeur van het spoor beschikbaar zijn. Een ander belangrijk aandachtspunt is dat deze hoeveelheden water binnen 20 minuten na het incident beschikbaar zijn. Voor de bereikbaarheid van het spoor hanteren wij een maximale loopafstand van 100 meter in de breedte. Dit is gerekend vanaf de opstelplaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749348/1