21bst00759 - Bijlage 1 - Lichthoven fase 2
Tekst van het document
4. de infrastructuur Het infrastructuurnetwerk bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen. De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in noordwest Europa. De provincie kiest hier voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische clusters van Noord-Brabant. Voor het personenvervoer zijn het hoofdwegennet en het OV-netwerk BrabantStad de dragers. Het goederenvervoer wordt zoveel mogelijk via de te ontwikkelen Goederenruit (spoor en waterwegen) geleid. Zo wordt ruimte gemaakt voor het versterken van de (inter)nationale ontsluiting (weg, water, spoor en lucht) van de Brabantse steden.
Uitwerking structuurvisie De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld. Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven. Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden.
Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.
3.3.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 8 december 2020 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen ten opzichte van de Verordening Ruimte zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de voorheen geldende verordeningen zijn verwerkt. De wijzigingen zijn in de toelichting van de verordening toegelicht en zijn ook schematisch weergegeven in het Nu –Straks overzicht, dat ook als bijlage in de toelichting van de verordening is opgenomen. 34
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
Op hoofdlijnen gaat het om: een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen; aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. 3.3.3.1 stedelijke ontwikkeling De projectlocatie maakt deel uit van het in de Interim omgevingsverordening aangewezen Stedelijk gebied, in het bijzonder als stedelijk concentratiegebied.
Er is een basisregeling geformuleerd voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in Stedelijk gebied worden benut of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieveof kwantitatieve overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag in Verstedelijking afweegbaar. Bij stedelijke ontwikkelingen is de relatie gelegd met de afspraken die in het regionaal overleg zijn gemaakt. Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik is dat als basisprincipe is opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit, is hierbij uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen Stedelijk gebied en dat de ruimte binnen Stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera. Vanuit de ladder voor verstedelijking die in het besluit ruimtelijke ordening is opgenomen gelden dienaangaande ook voorwaarden.
Regionaal overleg Omdat de stedelijke ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen ook bovengemeentelijke gevolgen kan hebben, worden hierover binnen het regionale overleg afspraken gemaakt. Het is belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen op een juist niveau zijn vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
35
afgestemd met andere initiatieven zowel vanuit kwantiteit als vanuit kwaliteit. In dit artikel wordt de koppeling met die afspraken gelegd, waardoor deze doorwerking krijgen bij de ontwikkeling van plannen. Onderbouwing De onderbouwing van een plan is maatwerk. Bij woningbouw zijn omvang en ligging van de ontwikkeling belangrijke punten. De bouw van een enkele woning heeft andere gevolgen dan een grote herstructurerings- of inbreidingslocatie langs het spoor of drukke wegen. Bij woningbouw zijn omvang en ligging van de ontwikkeling belangrijke punten. Maar ook hoe met de inrichting gezondheid bevordert kan worden, bijvoorbeeld door een snelle fietsverbinding met voorzieningen of doordat een groene omgeving uitnodigt tot bewegen en ontmoeten. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik is het belangrijk dat een deel van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen en kantorenlocaties wordt gerealiseerd door verouderde locaties te herstructureren en de ruimte op bestaande locaties beter te benutten. Voorbeelden van mogelijkheden om ruimte intensiever en meervoudig te gebruiken zijn bijvoorbeeld de aanleg van ondergrondse of inpandige parkeervoorzieningen, het meer in de hoogte bouwen, het terugdringen van restruimte en gezamenlijk parkmanagement. Omdat er bij deze ontwikkeling extra woningen worden toegevoegd is de verantwoordingsplicht uit de Verordening ruimte van toepassing.
In de paragrafen 3.2.3, 3.5 en 3.11 wordt hierop ingegaan. Verder is het belang 'zorgvuldig ruimtegebruik' in de Verordening ruimte aangemerkt als een provinciaal belang. Stedelijke ontwikkelingen dienen te worden gemotiveerd met in achtneming van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.3.3.2 natuur en stiltegebieden Op kaart 4 van de Interim omgevingsverordening staan de structuren en aanduidingen rondom natuur en stiltegebieden. Voor de Dommel en in een 50 meter brede zone zijn de gebiedsaanduidingen van toepassing, zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven.
Afbeelding: kaart 4 van de Interim omgevingsverordening 36
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
Natuur Netwerk Brabant is het Natuur Netwerk Nederland dat in Noord-Brabant ligt (voorheen Ecologische Hoofd Structuur). De aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant' geldt voor het water van de Dommel. De aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' is breder, deze heeft ook betrekking op de gronden ter weerszijden van de Dommel. De breedte van de aanduiding is 50 meter. Natuur Netwerk Brabant Voor de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant' zijn in Paragraaf 3.2.3 van de Interim omgevingsverordening regels opgenomen. De basisregels zijn geformuleerd in artikel 3.15: In het eerste lid is bepaald dat een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: c. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; d. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; a. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. In het tweede lid is geregeld dat de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan gelden als ecologische waarden en kenmerken.
In dit bestemmingsplan wordt aan artikel 3.15 van de Interim omgevingsverordening voldaan door de bepalingen in de bestemming 'Natuur'. In artikel 3.18 zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van nieuwe ontwikkeling in het NNB. In het derde lid is bepaald dat een bestemmingsplan kan bepalen dat nieuwvestiging is toegestaan als: a. het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door Stedelijk gebied loopt; b. de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone Een deel van de projectlocatie is aangewezen als Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone, waarvoor in artikel 3.25 regels zijn gesteld. In dat artikel is bepaald dat een bestemmingsplan regels stelt om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone,. De regels dienen in ieder geval: a. het oprichten van bebouwing beperken; b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken. Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant van overeenkomstige toepassing. In de toelichting is daarover verduidelijkt dat een gerealiseerde ecologische verbindingszone in de praktijk niet altijd over de volle lengte een breedte van 25 meter (resp.
50 meter) zal hebben. Sommige onderdelen kunnen smaller zijn, zeker als met stapstenen wordt gewerkt. Dit is binnen de gestelde regels mogelijk mits in het bestemmingsplan concrete begrenzing van de gerealiseerde ecologische verbindingszone wordt opgenomen met een daarbij passend beschermingsregime. Bij een ecologische verbindingszone gaat het namelijk niet alleen om de aanleg, maar ook om het behoud en beheer. De begrenzing van de EVZ in de Interim omgevingsverordening is in dit geval onjuist, omdat de ecologische verbindingszone al is gerealiseerd maar de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone' is breder dan de gerealiseerde EVZ. Deze is tevens geprojecteerd op gronden die geen deel van de EVZ uitmaken. De gronden buiten de gerealiseerde EVZ hebben geen functie in het behoud en het beheer van de EVZ en vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
37
ontwikkeling van de gronden buiten de gerealiseerde EVZ leidt er niet toe dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone. Om die reden wordt de provincie verzocht de EVZ te herbegrenzen. De grondslag en bijkomende voorwaarden voor deze herbegrenzing zijn opgenomen in artikel 5.3, Lid 1 IOV. Dat artikel(lid) luidt:'Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet: a. b. c. d. e.
de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering; de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen; de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening; er is sprake van kennelijk e onjuistheden in de begrenzing; de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld.
In dit geval is sprake van de situatie als genoemd onder c en onder d. De wijziging van de NNB past binnen de uitgangspunten van deze verordening. De gerealiseerde evz kan blijven functioneren. De onderbouwing hiervan is te vinden in bijlage 1. Daarnaast is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing” en (op termijn) onder e: “de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld“.
Dat blijkt dat sprake is van een onjuiste begrenzing wordt bevestigd door de provinciale kaart met betrekking tot natuurbeheer. Hieruit blijkt dat sprake is van een gerealiseerde ecologische verbindingszone, die niet over het plangebied valt. De zone beperkt zich tot de Dommel.
Afbeelding: ecologische verbindingszone is beperkt tot de Dommel en is gerealiseerd
En de planologische bescherming is beperkter dan hetgeen staat aangegeven op ruimtelijke 38
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
plannen met betrekking tot 'te realiseren evz'.
Afbeelding: de planologische bescherming ligt niet over het plangebied.
Om die reden wordt de provincie verzocht ter hoogte van de bestemming 'Gemengd' de aanduiding EVZ te verwijderen wat betreft de gronden die op de verbeelding benoemd zijn als 'overige zone - in omgevingsverordening te verwijderen nnb - evz'. Het verzoek tot herbegrenzing maakt onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure. Dit wordt aangemerkt als een pre verzoek. Het formele verzoek wordt gedaan aan GS na sluiting van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan (zie artikel 6.2, lid 3 IOV). GS besluiten vier weken na ontvangst van het verzoek (zie artikel 6.2, lid 4). Dit betekent dus na de ontwerpfase, maar voor de vaststelling van het bestemmingsplan (zie artikel 6.2, lid 5). Zodra GS een besluit hebben genomen dan wordt juridisch gezien de begrenzing geacht te zijn aangepast. Tevens wordt de begrenzing per direct aangepast op de digitale verbeelding. Bij een eventueel vervolg in de rechtsbeschermingsprocedure is dan dus de begrenzing aangepast. In het besluit tot herbegrezing is mede in overweging te nemen dat door Royal HaskoningDHV een beoordeling heeft plaatsgevonden van de effecten op ecologische verbindingszone Dommel (zie bijkage 1), waaruit blijkt dat de zone op deze locatie geen essentiële functie voor de aangewezen doelsoorten van de EVZ heeft.
Het project heeft daarmee geen significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het aangewezen Natuurnetwerk Brabant. Binnen het terrein van de stedenbouwkundige ontwikkeling worden daarnaast natuurwaarden aangebracht, in de huidige situatie is het terrein in gebruik als parkeerplaatsvoorziening, met alleen groene waarden aan de randen van het terrein. Om te borgen dat het terrein, met name de oeverzone en Dommel, in haar huidige omvang en kwaliteit aanwezig blijft, worden volgende mitigerende maatregelen getroffen: een fysieke afscheiding wordt gerealiseerd, zodat de waarden niet degraderen (met andere woorden: er dient voorkomen te worden dat het gebied betreden wordt om zo de waarden van de oeverzone en de verbindingsfunctie te handhaven), uitstralende verlichting wordt niet toegestaan; uitgangspunt met betrekking tot het aanbrengen van verlichting, bijvoorbeeld langs wandelpaden (ook in de zone parallel langs het spoor in het plangebied) of parkeerplaatsen, moet zijn dat de verlichting laag en objectgericht wordt geplaatst, er geen boomkruinverlichting wordt toegepast, en geen vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
39
verlichting uitstraalt op het water van de Dommel (aandachtspunt hierbij is het toepassen van lage, weinig uitstralende verlichting van de trap aan de oostgevel van de nieuwbouw). Om de huidige natuurwaarden in het gebied te versterken, worden volgende maatregelen getroffen: Verblijfsmogelijkheden voor broedvogels in de vorm van nestkasten worden gerealiseerd; Voor diverse vleermuissoorten worden kasten aangebracht; Inheemse beplantingen en heesters worden aangebracht; Het parkeerdek en dakterras wordt groen ingericht (sedumdak). Het toepassen van ‘kleinschalig herbegrenzen’ is daardoor mogelijk. 3.3.3.3 regionale waterberging Op kaart 5 van de Interim omgevingsverordening staan de structuren en aanduidingen rondom grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging. Ter plaatse van de Dommel is een aanduiding voor 'regionale waterberging' van toepassing, zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven.
Afbeelding: kaart 5 van de Interim omgevingsverordening Een deel van de projectlocatie is aangewezen als regionale waterberging, waarvoor in artikel 3.35 regels zijn gesteld. In dat artikel is bepaald dat een bestemmingsplan regels stelt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Een bestemmingsplan: a. bepaalt dat uitsluitend het oprichten van een gebouw ten dienste van de waterberging is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter; b. stelt beperkingen aan het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden, voor zover deze activiteiten niet worden uitgevoerd in het kader van normaal beheer en onderhoud. Een bestemmingsplan kan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toestaan als het plan een onderbouwing bevat dat hierdoor het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt belemmerd. Het waterschap heeft op basis van de Waterwet en de Waterschapswet voor het gehele gebied leggers voor oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en keringen vastgesteld. De legger is een verzameling van tekeningen en documenten waarop het hele beheergebied van het waterschap staat. Daarbij horen alle stuwen, gemalen, duikers, waterkeringen (zoals een dijk), waterbergingsgebieden en waterlopen. We gebruiken de legger als wettelijk middel om ons gebied te beheren en te onderhouden. 40
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
Een legger bevat specifieke informatie over: a. de ligging, afmetingen en vorm van de watergangen, waterkeringen en waterbergingsgebieden b. de beschermingszones langs waterlopen en waterkeringen c. wie verplicht is het onderhoud uit te voeren voor oppervlaktewateren, waterkeringen en kunstwerken Uit de leggerkaart blijkt dat de in de Interim omgevingsverordening weergegeven 'regionale waterberging' bestaat uit een 'natuurlijk overstromingsgebied'.
Afbeelding: leggerkaart 2019 Het waterschap heeft in haar Waterbeheerplan 2016-2021 aangegeven dat één van de maatregelen om droge voeten te realiseren, het aanleggen van gestuurde waterbergingsgebieden is. Het bergen van water is het tijdelijk opvangen van een teveel aan water in tijden van hoogwater. Bij de realisatie van gestuurde waterbergingsgebieden kiezen we in eerste instantie voor al bestaande overstromingsgebieden. De lager gelegen terreinen in het buitengebied zijn dan een logische keuze. Dit zijn vrijwel altijd terreinen die liggen in de beekdalen. Het landschap is daar het meest geschikt voor waterberging. Een waterbergingsgebied wordt langs een beek of rivier aangelegd. De gronden direct langs de beek liggen het laagst, ze overstromen het eerst bij hoogwater. De overstromingsgebieden zijn bepaald aan de hand van een model. Met hulp van hydrologische modellen kan worden gezien welk gebied zal overstromen bij een bepaald waterpeil. Deze modellen benaderen de werkelijkheid zo goed mogelijk. Bij een echte hoogwaterperiode controleren de medewerkers van het waterschap in het veld hoe de feitelijke situatie is. Als blijkt dat er afwijkingen zijn, past het Waterschap haar gegevens aan. Op onderstaande uitsnede van de kaart is te zien dat een deel van de aanduiding (26 m2) is gelegen op bestaande, niet laag gelegen verharding.
Deze gronden zijn feitelijk geen deel van het natuurlijke overstromingsgebied.
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
41
Om die reden wordt de provincie verzocht ter hoogte van de bestemming 'Gemengd' de aanduiding Regionale waterberging te verwijderen wat betreft de gronden die op de verbeelding benoemd zijn als 'overige zone - in omgevingsverordening te verwijderen Regionale waterberging'. Het verzoek tot herbegrenzing maakt onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure. Dit wordt aangemerkt als een pre verzoek. Het formele verzoek wordt gedaan aan GS na sluiting van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan (zie artikel 6.2, lid 3 IOV). GS besluiten vier weken na ontvangst van het verzoek (zie artikel 6.2, lid 4). Dit betekent dus na de ontwerpfase, maar voor de vaststelling van het bestemmingsplan (zie artikel 6.2, lid 5). Zodra GS een besluit hebben genomen dan wordt juridisch gezien de begrenzing geacht te zijn aangepast. Tevens wordt de begrenzing per direct aangepast op de digitale verbeelding. Bij een eventueel vervolg in de rechtsbeschermingsprocedure is dan dus de begrenzing aangepast. In het besluit tot herbegrezing is mede in overweging te nemen dat het gemeentelijke beleid voorziet in extra maatregelen voor waterberging bij nieuwe ontwikkelingen, zoals nader toegelicht in paragraaf 3.4.3.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Interimstructuurvisie 2009
In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.
42
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
3.4.1.1 Ruimtelijke hoofdstructuur De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur. Met andere woorden de kaart geeft de ontwikkelingen aan binnen de hoofdstructuur. Het bestemmingsplangebied ligt buiten een transformatiegebied.
Figuur: Ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven 3.4.1.2 Gebruik van de ruimte De navolgende kaart biedt inzicht in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik.
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
43
Figuur: Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven
Onderhavig plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als a. b. c. d.
Centrumvoorzieningen Werken Wonen Onderwijs
ad a. Centrumvoorzieningen Hieronder vallen goed bereikbare concentraties van centrumstedelijke voorzieningen op het gebied van detailhandel, horeca, dienstverlening, cultuur, welzijn en zorg. ad b. Werken Hieronder vallen werkgerelateerde functies: industrie, research en ontwikkeling, handel, kantoren, grootschalige en perifere detailhandel, transport, bouwnijverheid, dienstverlening. Tevens alle productieactiviteiten van kunst en design en ook alle voorzieningen die bij een functioneel en modern bedrijventerrein horen (o.a. parkmanagement). ad c. Wonen Deze gronden zijn voornamelijk bedoeld voor wonen, inclusief alle afgeleide wijk- en buurtgerichte functies op het gebied van (middelbaar-/ basis-)onderwijs, zorg, opvang, cultuur, religieuze voorzieningen, ontspanning en vrije tijd, groen (o.a. buurt- en wijkparken, sportfaciliteiten en –velden, buurtontmoetingsruimten), detailhandel en werken (woonwerkcombinaties en kleine bedrijven met milieucategorie 1, 2 en gedeeltelijk 3). Deze functies zijn noodzakelijk voor het functioneren van een gebied als woongebied. Zij vallen dus onder deze definitie en worden niet afzonderlijk in beeld gebracht, mede omdat hun ruimtebeslag relatief beperkt is. 44
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
ad d. Onderwijs Deze gronden zijn bedoeld voor geclusterde onderwijs- en onderzoekfaciliteiten voor voortgezet (speciaal) onderwijs en op MBO, HBO en universitair niveau en daarbij horende voorzieningen als kleine aantallen studentenwoningen, ex-pat hotel, detailhandel, horeca, congresfaciliteiten en sportvoorzieningen. Natuur Dit zijn gebieden voor groene en ecologische ontwikkeling. Het extensieve (recreatief ) medegebruik is gericht op natuur- en landschapsbeleving aangezien het onderdelen betreft van de Groene en Ecologische Hoofdstructuur. De Dommel is aangewezen voor 'natuur'.
3.4.2
Binnenstadsvisie
De Binnenstadsvisie is door de gemeente Eindhoven vastgesteld op 27 september 2016 om te bepalen hoe de binnenstad van Eindhoven een boost kan worden gegeven. De binnenstad is het gebied waar de stedelijke dynamiek het grootst is. De grote aantallen bezoekers, de hoge concentratie winkels en horeca, overige voorzieningen (denk bijvoorbeeld aan cultuur), hotels en sterk verdicht wonen (vaak in hoogbouw) ‘creëren’ deze stadsdynamiek. De omgeving van het centraal station hoort ook bij de binnenstad. Dit vanwege haar functie als belangrijke vervoers- en verbindingsplek en als entree voor de rest van de (binnen)stad. We moeten het centrum, en specifiek de stationsomgeving, doorontwikkelen tot een internationaal en inspirerend knooppunt. Het wordt het scharnier punt tussen het centrum, de TU/e campus, de Eindhovense stadsdelen en de regio. De stationsomgeving moet een kwaliteitsslag maken. Deze omgeving wordt een visitekaartje van de stad en krijgt de uitstraling die daarbij past. Je treft hier een interessante mix van functies aan voor kort of langer verblijf. Het gebied verbindt Eindhoven efficiënt met de buitenwereld. Het Centraal Station is het iconisch ankerpunt van het centrum van Eindhoven. De stationsomgeving vormt het scharnierpunt tussen de binnenstad, de kenniscampussen en de woongebieden. Daarnaast is het de plek van komen en gaan.
De plek die Eindhoven regionaal, nationaal en internationaal verbindt. Het station fungeert als een geoliede machine. Er is veel aandacht voor connectiviteit in een aangenaam en gezond verblijfsklimaat. We zien een iconische stationsomgeving van hoogstedelijke kwaliteit. Verplaatsen, ontmoeten en werken in een vriendelijke omgeving met veel groen. Ondersteunende functies, passend bij de Triple-A locatie, zorgen voor levendigheid en reuring verspreid over de dag, in goede aansluiting op omliggende horeca en retail. Een nieuw te realiseren ‘convention center’ zorgt, met het hosten van internationale topcongressen en -beurzen, voor een aantrekkelijke en zakelijk bruisende dynamiek. Samen met de Commissie Rijks Adviseurs werken we maatregelen uit voor de noordzijde van het station. Deze zijn gericht op een beter verblijfs- en voetgangersklimaat en het opheffen van barrières. Vanuit Brainport City wordt gekeken naar de ontwikkelpotentie van stationsplein zuid en hoe we de kwaliteiten van deze unieke plek optimaal kunnen benutten.
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
45
3.4.3
Waterberging
De gemeente heeft voor haar gehele grondgebied een integrale, regeling in voorbereiding. Daartoe is het 'Paraplubestemmingsplan waterberging 2020' in procedure gebracht. Het parapluplan zal worden vastgesteld na vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan 'Lichthoven fase 2' en zal ook betrekking hebben op de gronden van de onderhavige ontwikkeling. In dat parapluplan wordt geregeld dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen vast dient te staan dat wordt voorzien in een waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid. De inhoud van de waterberging en de omvang van de andere maatregelen worden vastgesteld met toepassing van de beleidsregel "Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen" behorende bij de bijlage uit het Gemeentelijk Rioleringsplan Eindhoven 2019-2022 met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode kan worden gewijzigd en aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende bijdrage aan de klimaatbestendigheid. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de waterberging, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.
In het bouwplan voor Lichthoven fase 2 is al rekening gehouden met deze eisen en maatregelen, zodat wordt voldaan aan het paraplubestemmingsplan en de beleidsregel. De desbetreffende bepalingen zijn in de planregels van het voorliggende bestemmingsplan opgenomen in 9.4.
3.5
Volkshuisvesting
3.5.1
Regionaal beleid
De negen gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) staan samen aan de lat om een woon- en leefklimaat van hoge kwaliteit te realiseren en de veranderende kwalitatieve en kwantitatieve vraag zo goed mogelijk te bedienen. Dit is een voorwaarde voor een aantrekkelijke vestigingsplek voor nieuwe inwoners en om te kunnen blijven concurreren met andere (inter)nationale topregio's. Dit gaat niet alleen. We hebben elkaar maar vooral bewoners en partners, zoals corporaties, ontwikkelaars, beleggers, bouwondernemingen en makelaars, nodig. Die investeren mee in de kwaliteit van de regio en het woonklimaat. Als samenwerkende partners in een creatieve regio zoeken we daarbij ook naar mogelijkheden om innovaties in het bouwproces te realiseren. Het Regionaal Ruimtelijk Overleg (gemeenten, provincie) heeft op 13 december 2017 het 'Afsprakenkader Wonen 2017' bekrachtigd dat door de afzonderlijke negen gemeenteraden is vastgesteld. Hierin zijn o.a. de volgende afspraken over woningbouwontwikkelingen opgenomen: 1. We geven ruim baan aan initiatieven die uitgaan van herstructurering, transformatie en inbreiding. Dit betreft de locaties binnen het 'bestaand stedelijk gebied' zoals dat is aangegeven in de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant. 2.
Alle overige initiatieven stemmen we op elkaar af, waarbij het uitgangspunt is dat er geen nieuwe uitleglocaties worden ontwikkeld, tenzij het regionaal portefeuillehoudersoverleg hierover een unanieme beslissing neemt. Uitleglocaties liggen immers buiten het bestaand stedelijk gebied zoals aangegeven in de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant. 3. In principe beschouwen we de kwantitatieve provinciale prognoses 2017 als richtinggevend op het niveau van het Stedelijk Gebied. De indicatieve prognose voor Eindhoven is gemiddeld 1182 woningen per jaar voor de komende 10 jaar. Hierbij maken we zo optimaal mogelijk gebruik van de ruimte die de Brabantse Agenda Wonen biedt. Door de woningbouwontwikkelingen goed te monitoren kunnen we ingrijpen op het moment dat dat nodig is en voorkomen we dat goede plannen voor de korte termijn (2021) worden tegengehouden op basis van de programmering op langere termijn (2030). Hierdoor ontstaat meer ruimte om snel in te kunnen spelen op marktontwikkelingen. 46
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
4. Het Stedelijk Gebied Eindhoven heeft een bestuursopdracht voor de aanpak van negen majeure projecten gegeven. Deze opdracht wordt in 2018 concreet uitgewerkt en vervolgens jaarlijks gemonitord in SGE-verband en met de provincie. Het gaat hierbij vooral om een nadere positionering en profilering van de locatie in de regio, de daarop afgestemde programmering en de fasering in tijd. Voor Eindhoven zijn Blixembosch, Tongelrese Akkers en Bosrijk/Meerrijk aangewezen als majeure projecten. Adviesbureau Companen heeft in het onderzoeksrapport 'Marktmechanismen op de Eindhovense woningmarkt' (13 november 2018) inzicht geboden in het functioneren van de Eindhovense woningmarkt en biedt concrete handvatten voor het nader uitwerken van vervolgstrategieën voor de woningbouwprogrammering en het gemeentelijke woonbeleid. Daaruit blijkt dat Eindhoven stevig groeit, als gevolg waarvan de gewenste jaarlijkse toevoeging door nieuwbouw en transformatie het niveau van 3.000 woningen per jaar overschrijdt. Er ligt een grote opgave in het centrumstedelijke woonmilieu en in de overige wijken binnen de ring. In dit gebied ligt nu een kwart van de woningvoorraad van Eindhoven. Van de aanvullende woningbehoefte concentreert zo’n 45% zich in deze stedelijke woonmilieus.
In de planvoorraad is de concentratie op het (centrum)stedelijk wonen binnen de ring nog groter; bijna 70% van de toe te voegen woningen wordt voorzien in het gebied binnen de ring, waarbij een groot accent ligt op het centrumstedelijke woonmilieu. Onderhavige ontwikkeling voorziet in 175 woningen. Dit past dan ook binnen de kwantitatieve prognose voor Eindhoven. Bovendien is de locatie gelegen binnen het 'bestaand stedelijk gebied' zoals aangegeven in de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant. Daarmee past het binnen de afspraken voor woningbouwontwikkelingen. 3.5.2
Lokaal beleid
Woonvisie De Woonvisie is op 15 december 2015 vastgesteld. In de woonvisie gaat de gemeente in op haar ambities op het gebied van bouwen en wonen. Daarmee maken we de richting waarin we ons willen ontwikkelen duidelijk aan de stad, haar bewoners en alle partijen die een rol spelen in de verdere ontwikkeling van de stad. Ambitieuze stad Eindhoven groeit en dat creëert een nieuwe vraag naar wonen. Eindhoven wil verder verstedelijken. Onder stedelijkheid verstaan we een gemengde en gevarieerde omgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En een stad die tegelijk ook groen en gemoedelijk blijft. We staan voor de unieke kans om de stad als geheel, en het gebied binnen de Rondweg in het bijzonder, de komende jaren te laten groeien. We verwachten dat het inwonersaantal van Eindhoven de komende 10 jaar fors zal toenemen, harder dan de prognoses nu voorspellen. De bijzondere bevolkingsopbouw van Eindhoven (een relatief jonge bevolking) draagt daaraan bij. Die groei moet ook op het vlak van wonen gefaciliteerd worden. Tot 2030 willen we minstens twee derde van de extra woningcapaciteit binnen de Rondweg realiseren. Voor het gebied binnen de Rondweg staan met projecten als Strijp S, Stationsomgeving, NRE en Philips Lighting in deze periode al circa 5.000 nieuwe woningen in de planning.
Daarnaast is de wens dat boven winkels wooneenheden worden gerealiseerd en kantoren worden omgebouwd tot woningen. Hierin is de markt aan zet. Eindhoven formuleert in deze Woonvisie geen concreet woningbouwprogramma, gegoten in cijfers en categorieën. Dat zou niet passen bij de rol van een gemeente anno 2015. We willen ruimte geven aan de markt om gewenste ontwikkelingen te realiseren. Zonder op voorhand aan te geven wat-waar-wanneer gebouwd moet worden. Dat doen we door gebruik te maken van een model voor de onderbouwing van de wenselijkheid van nieuwe initiatieven. Daarin vraagt de gemeente van initiatiefnemers (projectontwikkelaars, corporaties, gemeentelijke grondexploitaties) om in te gaan op een aantal punten zoals bijvoorbeeld het marktsegment, het woonmilieu en de periode van oplevering. Solidaire stad vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
47
Wij willen dat Eindhoven een samenleving is, waarvan iedereen onderdeel is. De meeste inwoners kunnen zelfstandig hun plaats vinden in die samenleving, sommigen hebben een steuntje in de rug nodig. We zorgen dat er voor hen een vangnet is. We hebben oog voor mensen in lastige situaties: asielzoekers, daklozen, mensen in psychische nood en ex-gedetineerden. Door de decentralisatie in de zorg moeten meer mensen met een beperking een plek in de wijk vinden. De vergrijzing zet de komende jaren stevig door. Veel ouderen, met of zonder zorgvraag, zullen langer thuis blijven wonen. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie in bepaalde wijken is ongewenst. De sociale woningvoorraad is onderdeel van de sociale basisinfrastructuur. In theorie is in Eindhoven de sociale woningvoorraad in balans met de doelgroep. Twee ontwikkelingen vragen echter om aandacht: de samenstelling van de sociale woningvoorraad en de positie van de 13.500 huishoudens met een middeninkomen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe woningwet 2015 moeten woningcorporaties hun woningen 'passend toewijzen'. Minimaal 80% van de vrijkomende sociale huurwoningen moet aan huishoudens met een laag inkomen worden toegewezen. Daarnaast is er ruimte om 10% van de woningen toe te wijzen aan huishoudens met een middeninkomen.
De resterende 10% sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen, maar daarbij moeten zij wel voorrang geven aan mensen die door bijvoorbeeld fysieke of psychische beperkingen moeilijk aan voor hen passende huisvesting kunnen komen. Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens groeit. Dit betekent een grote uitdaging. Niet alleen in woonwensen maar ook in betaalbaarheid, want alleen wonen is relatief duur. We zetten in op transformatie en ander gebruik. Bij de transformatie van grotere kantoren, zorg- en onderwijsgebouwen kunnen (collectief) particulier opdrachtgeverschap en nieuwe woonconcepten een oplossing bieden. Ook het gebruik van eengezinswoningen door bijvoorbeeld twee eenpersoonshuishoudens, met name in het gebied buiten de Rondweg, behoort tot de mogelijkheden. Innovatieve stad We gaan partijen uitdagen om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. En ook in de aanpak van de bestaande voorraad en in de transformatie van kantoren en zorggebouwen is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen. Een andere ontwikkeling is het zogenaamde flexwonen. Tot voor kort kende de woningmarkt een vrij overzichtelijk aanbod: koop- of huurwoningen, zelfstandige of onzelfstandige woonruimten, grondgebonden woningen of appartementen. Maar de vraagkant is de afgelopen jaren sterk veranderd.
Er komen steeds meer groepen die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte. Denk bijvoorbeeld aan studenten, expats, arbeidsmigranten, mensen die een echtscheiding achter de rug hebben, ex-gedetineerden en mensen die uit een opvangvoorziening komen. Deze mensen zijn op zoek naar goede tijdelijke huisvesting, met passende voorzieningen, die snel beschikbaar is en tegen een prijs die past bij hun budget. Dit flexwonen wordt een belangrijke nieuwe woonvorm in Eindhoven. Het biedt tevens kansen voor de transformatie van leegstaand vastgoed. Verder willen we in de koopsector dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door het stimuleren (collectief) particulier opdrachtgeverschap. En we willen dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor de huishoudens met een hoger inkomen. Ook in de huursector is er sinds de herziening van de Woningwet meer aandacht voor mede-eigendom en zelfbeheer, bijvoorbeeld via het model van wooncoöperaties. Wooncoöperaties zijn een soort tussenvorm van huur en koop. Samen met de corporaties willen we de vraag naar deze eigendoms- en beheervorm en de mogelijkheden in Eindhoven onderzoeken.
48
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
3.6
Archeologische en cultuurhistorische waarden
3.6.1
Archeologie
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet. Gemeentelijk beleid De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012' , dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld.
De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise. De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken. De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Op de archeologische waardenkaart van de gemeente Eindhoven staat de locatie niet als archeologisch waardevol gebied aangegeven. Het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Wanneer bij graafwerkzaamheden toch onverhoopt waardevolle resten worden aangetroffen, dienen deze wel te worden gemeld.
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
49
Afbeelding: Archeologische waardenkaart Eindhoven met plangebied in rood
3.6.2
Cultuurhistorie
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stadsen dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede getoond van de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven.
50
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
Afbeelding: Cultuurhistorische waardenkaart met plangebied in rood
Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Eindhoven beschikt de locatie niet over beschermde cultuurhistorische waarden. 3.6.3
Niet gesprongen explosieven
De locatie is verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. Er heeft derhalve onderzoek plaatsgevonden naar niet gesprongen explosieven. Zie bijlage 2 voor het volledige onderzoek van Bombs away, 2019. In de geraadpleegde literatuur en archieven zijn meerdere indicaties aangetroffen waaruit blijkt dat de omgeving van het onderzoeksgebied Stationsplein Zuid-Oost/Lichthoven getroffen is tijdens het geallieerde bombardement op de Philipsfabrieken op 6 december 1942 en het Duitse bombardement op 19 september 1944. Op dit moment is een gedeelte van het huidige onderzoeksgebied verdacht op de aanwezigheid van submunitie en afwerpmunitie afkomstig van de bombardementen die op 6 december 1942 en 19 september 1944 plaatsvonden. De verdachte gebieden die in het onderzoeksgebied vallen zijn afgebakend door een straal van 50 meter rondom de op de luchtfoto's waargenomen buitenste verwoeste panden, kraters, bominslagen en blindgangers te trekken. Het gebied dat tussen de verdachte gebieden valt, is aangemerkt als zogenaamd 'aandachtsgebied'. Er zijn op dit moment te weinig indicaties om het als verdacht gebied te bestempelen. De minimale diepteligging van de afwerpmunitie is net onder het maaiveld, indien de bodem sinds 1940-1945 niet geroerd is.
Indien de bodem wel geroerd is, dan kan worden aangenomen dat er in de bodem vanaf het maaiveld tot de diepte waar de bodemroerende activiteiten hebben plaatsgevonden zich geen CE meer bevinden. De maximale diepteligging is vastgesteld op 4,5 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog. Dit is gebaseerd op geotechnische sondeergegevens die op dit moment beschikbaar waren van het huidige onderzoeksgebied. In onderstaand figuur is de locatie weergegeven van het verdachte gebied op afwerpmunitie.
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
51
Afbeelding: CE-Bodembelastingkaart van het onderzoeksgebied Stationsplein Zuid-Oost/Lichthoven. Het onderzoeksgebied is gedeeltelijk verdacht op afwerpmunitie en submunitie afkomstig van de bombardementen die op 6 december 1942 en 19 september 1944 plaatsvonden in Eindhoven. Bron: combinatie Bombs Away B.V. en IDDS Explosieven, 2019
Voor het verdachte gebied geldt het volgende De werkzaamheden die plaatsvinden op/boven het maaiveld in het verdachte gebied kunnen regulier plaatsvinden, dus zonder vervolgstappen in de opsporing van CE. Voor de werkzaamheden die plaatsvinden in de bodem dienen vervolgstappen te worden ondernomen in de opsporing van Conventionele explosieven (CE) Het advies van de combinatie Bombs Away B.V. en IDDS Explosieven (2019) is om een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) uit te laten voeren, waarbij de naoorlogse werkzaamheden inzichtelijk worden gemaakt. Dit kan resulteren dat er naoorlogs in het gebied zoveel grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden dat de kans op het aantreffen van CE niet of nauwelijks meer aanwezig is. Er kan uit de PRA ook naar voren komen dat er alleen oppervlakkige naoorlogse werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dan komt in de PRA alsnog een advies voor eventuele vervolgstappen in de opsporing van CE. De gemeente Eindhoven heeft aangegeven deze vervolgstappen te ondernemen voorafgaand aan het bouwrijp maken van de locatie. De locatie is verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. Hiertoe dienen maatregelen genomen te worden alvorens de grond bouwrijp wordt gemaakt. Met deze te nemen maatregelen worden negatieve effecten niet verwacht. Voor het bestemmingsplan vormt dit aspect geen belemmering.
3.7
Verkeer en parkeren
De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het plangebied beschreven. 52
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
Autoverkeer De wegencategorisering is in Eindhoven op Weg geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'. De Stationsweg ter hoogte van de projectlocatie is als 'wijk- en buurtontsluitingsweg' aangewezen. De ontwikkeling van het parkeerterrein aan de Stationsweg, parking Fuutlaan in het centrum van Eindhoven, heeft gevolgen voor de verkeersgeneratie. RoyalhaskoningDHV heeft in een notitie weergegeven wat het verkeersgenererend effect van de toekomstige functies zal zijn (zie bijlage 3). Omdat bij het opstellen van de notitie nog geen definitieve keuze gemaakt was over het aantal aan te leggen parkeerplaatsen, hebben zij 2 situaties uitgewerkt. Eén situatie waarbij 235 parkeerplaatsen gerealiseerd worden; Eén situatie waarbij 315 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, uitgaand van één parkeerplaats op 130 m2 bvo. In beide gevallen is het uitgangspunt dat het bestaande parkeerterrein verdwijnt, uiteraard inclusief de “bijbehorende” verkeersgeneratie. De situatie waarbij 235 parkeerplaatsen worden gerealiseerd resulteert in 118 extra verkeersbewegingen. De situatie waarbij 315 parkeerplaatsen worden gerealiseerd resulteert in 343 extra verkeersbewegingen.
De gemeente Eindhoven heeft in juni 2019 zelf ook onderzocht of de capaciteit van de Stationsweg toereikend is voor de bouwontwikkeling en functiewijziging die gepaard gaat met de ontwikkeling van Lichthoven fase 2 (zie bijlage 4). Ook daarin wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling - zeker gezien de historie van de verkeersdruk op de Stationsweg - niet tot problemen zal leiden. Het Voorlopig Ontwerp (VO+) van 20 maart 2020 gaat uit van 252 parkeerplaatsen, wat past binnen de marges van bovengenoemde notities zodat vast staat dat het bouwplan verkeerskundig aanvaardbaar is. Fietsverkeer De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. Hiertoe heeft zij een fietsroutenetwerk vastgesteld. Dit bestaat uit primaire stedelijke (en regionale) fietsroutes en secundaire fietsroutes. Op een primaire fietsroute moet een fietser zoveel mogelijk non-stop en comfortabel kunnen fietsen. Hiervoor gelden hoge kwaliteitseisen zoals brede, vrijliggende fietspaden in asfalt en voorrang op het kruisende verkeer. De secundaire fietsroutes in Eindhoven hebben geen specifieke inrichtingseisen. Toch is het mogelijk om ook hier speciale fietsvoorzieningen aan te brengen voor het stimuleren van het fietsgebruik. Lichthoven fase 2 wordt ontsloten door diverse fietsroutes. Primaire fietsroutes zijn: de Stationsweg, Fuutlaan, Dommeltunnel en de Nachtegaallaan.
De Parklaan is een secundaire fietsroute. De Dommeltunnel is de meest gebruikte fietsroute in de omgeving van Lichthoven fase 2, met ruim 5.000 fietsers per etmaal. De Fuutlaan ter hoogte van de Ring telt gemiddeld 2.060 fietsers per etmaal. Openbaar vervoer Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Het plangebied Lichthoven is goed bereikbaar met het openbaar vervoer, door z'n strategische ligging pal naast het Centraal Station en de nabijheid van het busstation aan de noordzijde daarvan. Grenzend aan Lichthoven, aan de zuidzijde van het Centraal Station, bevindt zich een taxistandplaats. Door de bijzonder goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer wordt het aantal autoritten van en naar Lichthoven beperkt. Autoparkeren De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een bouwplan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Uitgangspunt daarbij is dat deze op eigen terrein worden gerealiseerd. Bij besluit van 24 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2019 vastgesteld. vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
53
De parkeernormen uit 2016 waren erop gericht dat er voldoende parkeergelegenheid is, bij voorkeur op eigen terrein. De afgelopen jaren bleek dit uitgangspunt steeds meer problemen op te leveren. Gebiedsontwikkelingen in het centrum hebben reeds een hoge planexploitatie, waarbij de huidige parkeernormen op eigen terrein niet langer reëel zijn. Met huidige Nota Parkeernormen 2019 is het mogelijk geworden om op een andere manier in de parkeerbehoefte te voorzien, waarbij tegelijkertijd duurzame vormen van mobiliteit in de stad worden gestimuleerd. Vooral in en nabij het centrum is van belang om met andere mobiliteitsoplossingen te komen. In en rondom het centrum zijn veel betaalde openbare parkeerplaatsen aanwezig. Daarvan is tijdens piekuren ca. tweederde tot driekwart bezet. Daarnaast zijn nog vele private parkeerplaatsen aanwezig. Uitbreiding van parkeren in en rond het centrum is bij groei van de behoefte niet gewenst, omdat het wenselijk is de bestaande parkeercapaciteit beter en efficiënter te benutten.
In het centrum is maatwerk met een combinatie van mobiliteitsvormen zeer goed mogelijk.De gemeente Eindhoven wil de vraag naar parkeergelegenheid faciliteren op een zodanige wijze dat de bereikbaarheid van de stad in zijn geheel als de verschillende delen daarvan (het centrum, de woonwijken, de bedrijventerreinen e.d.) kan worden gewaarborgd en de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft of verbetert. Bovendien wil de gemeente zorgen voor voldoende flexibiliteit om initiatieven in de stad te faciliteren. Nieuwe woon- en werkvormen moeten mogelijk zijn en het bijbehorende parkeeraanbod dient daarmee in overeenstemming te worden gebracht. Een tekort aan parkeercapaciteit kan een bron van overlast in een (centrum)gebied of (woon)buurt zijn. Een goede sturing en afweging van belangen is noodzakelijk bij het oplossen van het parkeervraagstuk. Parkeernormen zijn daarbij een hulpmiddel. Het doel van het toepassen van de gemeentelijke parkeernormen is ervoor te zorgen dat een (nieuwe of her)ontwikkeling op de beleidsmatig gewenste wijze voorziet in de parkeeropgave en daarmee niet leidt tot parkeeroverlast in de omgeving, waarbij de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling zo veel mogelijk wordt beperkt.
De gemeente Eindhoven kan bij bestuurlijk besluit in bijzondere gebieden of situaties afwijken van de geldende normen op basis van de bereikbaarheid en / of ruimtelijke situatie. De afwijkende parkeernorm zal in dat geval in het bestemmingsplan voor het betreffende ontwikkeling worden vastgelegd. Gemotiveerde afwijking van de normen Op grond van de Nota Parkeernormen 2019 bedraagt het benodigd aantal parkeerplekken 288 parkeerplekken en wordt dit wegens de mobiliteitscorrectie van 50% (binnen 800m van station Eindhoven) verminderd tot 144 parkeerplekken. De ontwikkeling van Lichthoven fase 2 voorziet in 252 parkeerplaatsen, dus 108 plaatsen meer dan de norm toelaat. EDGE Eindhoven wordt de nieuwste ontwikkeling van EDGE in het stadscentrum van Eindhoven. Het kantoor zal worden ontwikkeld middels een unieke combinatie van zowel duurzaamheid, gezondheid en technologie waarmee een nieuwe standaard voor de Eindhovense kantorenmarkt zal worden neergezet. Met dit hoogwaardige kantoorconcept zal onze doelgroep bestaan uit zowel de landelijk bekende corporate gebruikers als wel de 'high-potentials' uit de regio. Waar Eindhoven een Nederlandse G5 stad is, is dit ook een stad die van oudsher een bedienende functie heeft voor de hele regio Brabant.
De landelijke gebruikers die in beeld zijn voor het in dit bestemmingsplan te ontwikkelen kantoorprogramma moet hier niet alleen gedacht worden aan de top 4 accountants maar ook aan de grote banken en advocatenkantoren en grote 'tech' bedrijven. Na gesprekken van de ontwikkelaar met voorgenoemde bedrijven komt de sterke bedienende regionale functie van Eindhoven goed naar voren waarbij het lokale 'hoofdkantoor' in Eindhoven vooral als doel heeft de gehele regio Brabant van dienst te zijn. Voorgenoemde functie gaat veelal gepaard met een hoge parkeernorm, waar op het moment op de huidige vestiging locaties in wordt voorzien. De strategie is om gelegen op stationslocaties het gebruik van openbaar vervoer te stimuleren en het autogebruik zodoende terug te dringen, dit wordt ook in de gesprekken met potentieel toekomstige gebruikers onder 54
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
de aandacht gebracht. In steden als Amsterdam en Rotterdam komt deze trend aan de voorkant zelfs al terug via de gebruiker. Echter, in Eindhoven zien wij (vooral door de eerder genoemde uitdrukkelijke regionale functie) nog steeds een zeer sterke afhankelijkheid van een uitgebreide parkeervoorziening waarbij het merendeel van de werkdag met de auto op externe locaties wordt doorgebracht. Deze afhankelijkheid van de auto gaat ook gepaard met een hogere parkeernorm. Gezien het hogere huurniveau, kwaliteitsniveau en de veelal langere huurtermijnen worden met deze kantoorontwikkeling met name deze grotere landelijke gebruikers bediend. In overleg tussen de gemeente en de ontwikkelaar EDGE is dan ook overeen gekomen uit te gaan van een parkeernorm van 1:130 m2 BVO (ongeacht de functie), met een maximum van 252 parkeerplaatsen. Deze norm en dit aantal is in de bestemmingsregels opgenomen. Fietsparkeren De Nota Parkeernormen 2019 voorziet tevens in normen voor fietsparkeren. Hieronder is de berekening weergegeven van de benodigde omvang van de fietsparkeervoorzieningen.
In totaal zijn 1.052 fietsparkeerplekken nodig. Het bouwplan voorziet op eigen terrein in 610 plekken voor de kantoren en 438 voor de woningen. Daarnaast worden 36 bezoekersplekken in de openbare ruimte gerealiseerd. Er wordt dan ook voldaan aan de normen voor fietsparkeren.
3.8
Groen
3.8.1
Groenbeleidsplan
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen 'het verhaal van de stad', wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport.
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
55
Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds.
De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Figuur: Ruimtelijke Strategieënkaart
Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als "Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend". In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie(en) aangehouden: 56
vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven
Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.
Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.