CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

21bst00759 - Bijlage 1 - Lichthoven fase 2

Raadsvergadering 22 juni 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Lichthoven fase 235.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Iedereen is bekend met de risico's en weet hoe te handelen als het mis gaat Neem de worst case scenario's op in de noodplannen en beoefen deze. Communiceer met enige regelmaat de risico's naar de gebruikers van het plangebied. Gebruik hiervoor de recent ontwikkelde handreiking 'risicocommunicatie aan het spoor'. Gebruik vanaf de inwerkingtreding van de omgevingswet de nieuwe mogelijkheden van deze wet om risicocommunicatie als bestuurlijke zorgplicht op te nemen in het omgevingsplan en een bijbehorende programma. Voorzieningen in de zorg zijn toegankelijk voor en afgestemd op inwoners en bezoekers. Maak inzichtelijk welke zorgbehoefte de gebruikers van het plangebied hebben. 78

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

Ondanks dat er maatregelen worden getroffen om de zelfredzaamheid te vergroten en de mogelijkheden tot bestrijdbaarheid te verbeteren, blijven wij risico's zien voor de inrichting van een fysiek veilige leefomgeving. Het uitvoeren van deze maatregelen wil dus niet zeggen dat de fysieke veiligheid in het gebied voor 100% wordt geborgd.

4.5.4

Conclusie

Ter plaatse van de planlocatie wordt voor alle beschouwde risicobronnen voldaan aan het plaatsgebonden risico. Daarnaast moet het risico als gevolg van het spoor door de gemeente verantwoord worden (zie hierboven). Concluderend kan worden gesteld dat de wijze waarop rampen worden bestreden niet verandert ten opzichte van de bestaande situatie. De relevante risico's voor de planlocatie betreffen een plasbrand, een koude BLEVE en een gifwolk. In geval van een plasbrand of BLEVE kan men uit het kantoor altijd van de bron af vluchten via de uitgang aan de zuidzijde van het kantoor. De woontoren staat verder van het spoor en wordt afgeschermd door het kantoor, zodat het externe risico hier beperkt is. In geval van een gifwolk is men in het pand beschermd als men de ramen en deuren sluit en de ventilatie uitzet. De Veiligheidsregio heeft haar advies uitgebracht en deze wordt opgevolgd. Externe veiligheid is hiermee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat de gemeente Eindhoven wil en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

79

Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden.

Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2. Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3. Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? biodiversiteit 80

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken.

Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek voor Eindhoven Daarnaast is er nog een aantal factoren die specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk zijn en die extra gewaardeerd worden. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Innovatie sluit hier goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

81

4.6.1

Planbeschrijving

Het voornemen bestaat om Edge Eindhoven duurzaam te klimatiseren. Zo zal er op het dak tweehonderdtachtig vierkante meter aan PV panelen worden geplaatst om het energiegebruik terug te dringen. Deze panelen worden op de hoogste vrije daken met de meeste zonuren geplaatst voor een optimaal rendement. Daarnaast hebben we in Nederland steeds vaker te maken met extreme weersomstandigheden. Wateroverlast als gevolg van hevige regenval gevolgd door lange droge perioden is een toenemend probleem in stedelijke gebieden. De groene daken en landschappelijke elementen op het dek zorgen voor een vertraagde afvoer van het overtollige hemelwater. Het regenwater wordt opgeslagen in buffertanks in de parkeergarage. Ten tijde van droogte wordt dit water gebruikt om de beplanting op het dek en de daken te irrigeren. Naast een prettige omgeving en vertraagde waterafvoer voorkomt vegetatie ook opwarming van de stedelijke ruimte. Een duurzaam gebouw is niet alleen energiezuinig, maar dient ook de gebruiker. Om een goed binnenklimaat voor een optimale werkomgeving te garanderen maken we bij Edge Eindhoven gebruik van klimaatplafonds. Met dit systeem creëren we een gelijkmatig gekoelde ruimte zonder overlast van tocht of geluid. Doormiddel van CO2 sensoren wordt de werkomgeving constant gemonitord en de energiezuinige ventilatie aangepast en bezetting en behoefte.

Zowel binnen als buiten is gebruikt gemaakt van LED verlichting. Deze verlichting is niet alleen energie zuinig, maar heeft ook een lange levensduur. Om het energieverbruik nog verder terug te dringen vindt verwarming van het gebouw plaats door middel van een collectieve elektrische warmtepomp in combinatie met warmte-koudeopslag (WKO). In de winter wordt het gebouw verwarmd met een warmtepomp die warmte onttrekt aan het opgepompte grondwater uit de warme bron. Het grondwater koelt af en wordt weer teruggepompt in de koude bron. In de zomer wordt dit afgekoelde water weer opgepompt en gebruikt als passieve koeling. Het daardoor opgewarmde water wordt weer teruggebracht. Tenslotte wordt er veel extra groen op het dak, dek en in het atrium gerealiseerd. Dat verbetert de biodiversiteit en reduceert hittestress.

4.7

Bodem

Door Tauw is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Edge (Stationsweg 120) in Eindhoven. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 12 bij deze toelichting. Uit het onderzoek is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met cadmium, kwik, lood, zink, PAK, PCB en/of minerale ogen. De zintuigelijk schone ondergrond (0,5-1,0) is matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met minerale olie. Nader onderzoek door het separaat analyseren op PAK van het mengmonster heeft vervolgens aangetoond dat de deelmonsters maximaal licht verontreinigd zijn met PAK. De overige ondergrond (< 4,0 m-mv) is voornamelijk licht verontreinigd met kobalt met plaatselijk een lichte verontreiniging met kwik en minerale olie. De grond tot 4,0 m -mv is indicatief toepasbaar in klasse Industrie. De ondergrond (4,0-4,5 m -mv) is toepasbaar als klasse wonen en de ondergrond dieper dan 4,5 m -mv is indicatief altijd toepasbaar. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Er is analytisch geen asbest aangetoond. Op basis van de bovenstaande resultaten worden er geen milieuhygiënische belemmeringen geconstateerd voor de aanvraag van de Omgevingsvergunning bouw. Met het onderhavig 82

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit op de locatie in voldoende mate vastgesteld. Indien bij (graaf)werkzaamheden grond vrijkomt op de locatie, is deze niet zondermeer geschikt voor hergebruik buiten de locatie. Voor toepassing van grond buiten de locatie is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

4.8

Windklimaat

Hoewel aan windhinder en windgevaar geen formele landelijk vastgestelde eisen worden gesteld, is het windklimaat wel degelijk van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon-leefklimaat. Voor Lichthoven fase 2 is onderzoek gedaan naar het windklimaat om te kunnen onderbouwen wat het effect van het gebouw heeft op de locatie. Er is gekeken naar windgevaar en naar windhinder.

Afbeelding: Onderzoeksresultaten Windgevaar

Uit het onderzoek blijkt er rondom EDGE sprake is van een prima windklimaat. Er zijn 2 gebieden rondom EDGE met klasse C, wat acceptabel is als slentergebied.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

83

Afbeelding: Onderzoeksresultaten windhinder

A is het gebied tussen de toren en de overige gebouwdelen van EDGE. Door hier rekening te houden met het plaatsen van de entrees kan dit worden ondervangen. Voor het tussenliggende gebied met klasse B en C kan door lokaal maatregelen te treffen het klimaat worden verbeterd. B is het gebied ten zuidoosten van de toren. Dit is openbaar gebied en prima als slentergebied.Ter plaatse van C heerst kalsse A wat een prima windklimaat is. Conclusie: Er is ter plaatse geen sprake van windgevaar en over het algemeen heerst er een goed windklimaat. er zijn dan ook geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Het volledige windonderzoek is opgenomen als bijlage 13 bij de toelichting.

84

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

4.9

Trilling en laagfrequent geluid

In Nederland bestaat geen specifiek juridisch kader voor trillingen zoals geldt voor geluid met de Wet Geluidhinder. Het juridisch kader wordt door wetgeving bepaald, welke niet specifiek voor trillingen is bestemd. Partijen kunnen elkaar in geval van trillingshinder of -schade civielrechtelijk aanspreken op basis van onrechtmatige daad. Hierbij wordt aangetekend dat in dergelijke geschillen de rechter tegenwoordig verder kijkt dan het pure causale verband tussen trillingen en het geclaimde gevolg (hinder of schade). Van minstens even groot belang voor de uitkomst van dergelijke zaken is de mate waarin partijen deskundig zijn en zich redelijk en zorgvuldig hebben opgesteld. Partijen die terzake deskundig zijn (grote opdrachtgevers van infrastructurele werken, bouwbedrijven, grote beheerders van infrastructuur) hebben een zwaardere plicht waar het betreft het informeren van de andere partij, het instellen van onderzoeken en het overwegen van alternatieven. Het principe dat de partij die eist ook moet bewijzen geldt altijd maar in de praktijk wordt deze bewijsplicht door de rechter aanzienlijk lichter gewogen, zeker als de deskundige partijen zich weinig zorgvuldig hebben opgesteld. In het ruimtelijk spoor is het kader de Wet ruimtelijke ordening. Daarom dienen voor het aspect trillingen bestemmingen ruimtelijk zorgvuldig te worden gescheiden.

Verder is de jurisprudentie met betrekking tot meetrichtlijnen en normstelling van belang. In de gebruiksfase van de infrastructuur is de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" als normstelling te hanteren. Ook is de SBR A richtlijn "schade aan gebouwen" als normstelling te hanteren met betrekking tot de aanlegfase. De beoordelingssystematiek in de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" kent streefwaarden. Op 3 maart 2020 heeft RoyalHaskoning DHV de rapportage "Beschouwing aspect trillingen en laagfrequent geluid EDGE Eindhoven opgesteld (zie bijlage 14). De trillingen waar het om gaat zijn afkomstig van de spoorlijn Tilburg/'s-Hertogenbosch - Eindhoven - Maastricht. Op deze lijn rijden niet alleen reizigers, maar ook goederentreinen. Onderzocht is of trillingen afkomstig van het spoor voldoen aan de daarvoor geldende richtlijnen. Op basis van trillings- en laagfrequent geluidmetingen in het maaiveld en een worst case beschouwing voor de noordzijde van de gebouwen worden de volgende conclusies geformuleerd: De maximale trillingssterkte Vmax bedraagt in het maaiveld maximaal 0,12.

De hoogste waarden worden door de goederentreinen veroorzaakt; De maximale trillingssterkte Vmax (0,14) in de kantoortoren ten gevolge van de passages van de treinen voldoet naar verwachting aan de streefwaarde A1 (0,15) voor kantoorfunctie en bijeenkomstfunctie; De maximale trillingssterkte Vmax (0,11) in de woontoren ten gevolge van de passages van de treinen voldoet naar verwachting aan de streefwaarde A2 (0,2) voor woonfunctie. Op basis van de meetwaarde van de gemiddelde trillingssterkte Vper, meet < 0,02 is de verwachting dat de gemiddelde ssterkte Vper in dag-, avond- en nachtperiode in de woontoren voldoet aan de streefwaarde voor woonfunctie (A3=0,05); Hiermee voldoen op basis van het ontwerp d.d. 9-9-2019 naar verwachting alle functies in het plan Lichthoven fase 2 aan de beoordelingssystematiek van de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen"; Op basis van subjectieve waarnemingen op locatie door de meettechnicus is geen herkenbaar laagfrequent geluid vastgesteld. In de spectra van de geluidmetingen zijn geen relevante pieken aanwezig. De spectra kunnen als relatief vlak worden beoordeeld. Het geluid vertoont geen relevante kenmerken van laagfrequent geluid. Trilling en laagfrequent geluid vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

85

4.10

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.10.1

Wet natuurbescherming

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. Gelijktijdig met de in werkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd.

Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag. Houtopstanden De regeling zoals die was vervat in de voormalige Boswet is grotendeels ongewijzigd overgenomen in de Wnb en is gericht op het behoud van het bosareaal en is van toepassing op alle bossen en houtopstanden buiten de door de gemeenteraad in dat kader vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, die een grotere oppervlakte beslaan dan 1.000 m2 en op rijbeplantingen van meer dan 20 bomen. De projectlocatie valt binnen de bebouwde kom. Wnb en onderscheid in gebieden De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland, bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn.

De provincies kunnen voor de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland, de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen zorg dragen door die gebieden op te nemen in de provinciale ruimtelijke verordeningen door daarin te bepalen dat die in de door de gemeente vast te stellen bestemmingsplannen dienen te worden beschermd. Voor de Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden voorziet de Wnb zelf in verschillende beschermingsregimes, waaronder een vergunningenregime, een 86

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

toetsingsregime voor (bestemmings)plannen aan de zorgplicht, het programma en het beheerplan. Het aanwijzen van andere soorten natuurgebieden is op grond van deze Wnb niet uitgesloten. Artikel 1.12, lid 2 Wnb ziet op het tot stand brengen en het in stand houden van het Natuur Netwerk Nederland. Dit netwerk stond voorheen bekend onder de benaming 'Ecologische hoofdstructuur (EHS)'. Het Natuur Netwerk Nederland is zowel voor de soortenbescherming als voor de gebiedsbescherming van belang. In het Natuurpact zijn de afspraken vastgelegd tussen de rijksoverheid en de provincies over de omvang van het netwerk. De gebieden die tot dit netwerk behoren zijn inmiddels door de provincies als zodanig aangewezen. Deze gebieden gelden op grond van het overgangsrecht, (artikel 9.11 Wnb) als gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Zowel de Wnb als het Barro bevatten bepalingen die gericht zijn op de aanwijzing en de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland. Opgemerkt moet worden dat deze regelingen niet eenduiding zijn als het gaat om het bestuursorgaan dat bevoegd is om tot aanwijzing te besluiten.

Uittgangspunt voor bestemmingsplannen waarin gebieden zijn begrepen die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland is dat deze geen mogelijkheden mogen bieden voor ruimtelijke ontwikkelingen die (per saldo) een siginficante aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en/of kemerken en/of een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden en/of van de samenhang tussen die gebieden. Alleen als sprake is van een groot openbaar belang én er geen reële alternatieven zijn én mits de negatieve effecten worden gecompenseerd kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Provincies en gemeenten zijn voorts bevoegd om het beschermingsregime verder te laten reiken dan de gebieden die behoren tot dit netwerk. Het gaat dan om ingrepen die weliswaar buiten die gebieden plaatsvinden maar die wel gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke waarden en kenmerken ervan. Ook al is een dergelijk aanvullend beschermingsregime niet van kracht dan nog dient een ruimtelijke ingreep die plaatsvindt buiten de begrenzing van het natuurnetwerk beoordeelt te worden of die zich al dan niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Hierop is al ingegaan in paragraaf 3.3.3.

Voor het plangebied zijn geen bepalingen aan de orde met betrekking tot: Bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen Nationale parken Bijzondere nationale natuurgebieden Natura 2000-gebieden Beschermingsregimes voor bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden De zorgplicht Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is. 4.10.2

Conclusie

Voor het bestemmingsplan is onderzoek verricht naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en is een analyse gemaakt van de mogelijke effecten op die soorten als gevolg van de werkzaamheden en de plannen. Er is onderzocht of er door de ontwikkeling effecten op beschermde natuurwaarden zijn te verwachten (zie bijlage 15). Beschermde soorten vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

87

Uit de resultaten van de quickscan is gebleken dat de aanwezigheid van beschermde soorten kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Geadviseerd wordt om bij de ontwikkeling aan te sluiten op de kansenkaart biodiversiteit van de gemeente. Zorgbeginsel Binnen het gebied is een geringe kans op algemeen voorkomende soorten waarmee rekening moet worden gehouden. Aangetroffen dieren die niet uit zich zelf het werkgebied kunnen verlaten, dienen – onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten het werkgebied te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten het werkterrein intact te worden gelaten. De noodzakelijk kap moet buiten de kwetsbare periode (dus tussen november en februari) worden uitgevoerd en voorafgaand aan de kap (of het anderszins vrijstellen van een werkplek) is het verstandig een ecoloog te laten beoordelen of effecten zijn te verwachten en eventueel maatregelen te (laten) nemen om die effecten te verminderen. Natura 2000 Het beschermde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer vierenhalve kilometer van de planlocatie. Door de uitbreiding van de bebouwing neemt de emissie van stikstof toe.

Om te kunnen bepalen of hier sprake is van een significante toename, is een Aeriusberekening gemaakt. Op basis van de AERIUS2019.0 berekening kan worden geconcludeerd dat de emissies als gevolg van de bouwwerkzaamheden geen stikstofdepositiebijdrage hebben van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook de emissies als gevolg van de beoogde situatie brengen geen stikstofdepositiebijdrage met zich mee van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee zijn significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de beoogde ontwikkeling uitgesloten. Andere effecten op Natura2000 gebieden en het Natuurnetwerk zijn niet te verwachten. Er is geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig of een verklaring van geen bedenkingen voor het voornemen (zie ook bijklage 16 en bijlage 17. Natuurnetwerk Nederland Op korte afstand van de planlocatie liggen gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de afstand, aard en de omvang van het voornemen, wordt een effect niet uitgesloten. De effecten kunnen eenvoudig gemitigeerd worden door het gebruik van bouwlampen – nabij de Dommel – te beperken. Ook kan overwogen worden om de oever van de Dommel te versterken door hier een natuurlijke uitbreiding van de begroeiing te stimuleren.

Conclusie Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat er geen kans is op een verblijfplaats van beschermde soorten. Aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Ook is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

88

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan Lichthoven fase 2) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium 'hydrologisch neutraal' conform het landelijke en lokale waterbeleid.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd.

Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

89

Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water. 5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water' Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen. Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu.

Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld. Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt. Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan.

90

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. 5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht.

Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron.

Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.4

Gemeentelijk beleid

5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019-2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

91

beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave. 5.2.4.2 Beleidsregel ‘Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen’ Met bovenstaande beleidsregel wordt beoogd Eindhoven klimaatrobuuster te maken, zodat risico op schade in de nabije toekomst wordt beperkt. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. Uitgangspunten voor de beleidsregel: 1. Deze beleidsregel wordt integraal onderdeel van de planologische procedures en wordt operationeel in het intake- en vergunningenproces. 2. Met de kennis en ervaring die op dit moment in Nederland en bij de gemeente Eindhoven beschikbaar is, zijn de klimaatrobuuste ontwerpnormen en richtlijnen in deze beleidsregel tot stand gekomen.

Als uitgangspunt wordt voorkeursvolgorde gehanteerd van gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 3. De Omgevingsvisie en het Omgevingsplan bieden in de toekomst het juridisch kader om klimaatrobuustheid te borgen. Deze beleidsregel richt zich daarom op de periode tot en met in werking treden van de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan en worden hierin integraal overgenomen. Klimaatrobuuste normen en richtlijnen: 1. Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren: a. Voorkeursvolgorde voor regenwater wordt gehanteerd van gebruiken, vasthouden (infiltreren), bergen, afvoeren; b. Iedere op de gemeentelijke riolering afwaterende m2 verharding binnen het plangebied van nieuwbouw en/of herontwikkeling moet gecompenseerd worden met een voorziening boven, op of onder maaiveld, die tot maximaal 75mm water kan bergen en vertraagd kan leeglopen in minimaal 10 en maximaal 72 uur. De maximale bergingsopgave van 75mm geldt voor groenarme wijken en daarbij volledig ondergronds aanbrengen van de benodigde berging. c.

Waterbergingsvoorzieningen zijn bij voorkeur groene maatregelen (groende daken, verlaagd uitgevoerde boom en/of beplantingsvakken) of, indien het niet anders kan, civieltechnische maatregelen met vertraagde leegloop. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm; d. Richtlijn is dat hulpdienstroutes nog steeds functioneren bij extreme neerslag; e. Richtlijn voor nieuwbouw is 30 cm hoogteverschil creëren tussen woning (dorpel) en straatpeil als het plan dat toelaat, of eigen verantwoordelijkheid nemen om maatregelen te treffen om wateroverlast in de woning te voorkomen bij extreme neerslag. f. Water vanaf particulier terrein mag niet tot schade of overlast lijden bij omliggende percelen. 2. Infiltreer regenwater zoveel en waar mogelijk op de plek waar het valt en voorkom daarmee droogte: a. Bij elk project in de openbare ruimte dient minimaal 10% onthard te worden waarbij zorg wordt gedragen voor een optimale standplaats (voldoende ruimte voor wortelgroei, infiltratie van water en aanvoer van nutriënten in de bodem) voor vitaal groen (bomen en beplanting). Afwatering naar groen (waar het type groen dat toelaat) is belangrijk voor infiltratie. 92

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

3. Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag: a. Tenminste 50% schaduw op het gedeelte van de weg waar gelopen wordt, op het heetste moment van de dag rekening houdend met de schaduwstand in zomer: met voorkeur voor natuurlijke schaduw (planten en bomen) in plaats van bouwkundige constructies (o.a. luifels). b. Hoeveelheid schaduw op totale straat en/of plein, afhankelijk van gebruiksfunctie langzaam of snel verkeer en verblijfmogelijkheid. c. Bij de materiaalkeuze aandacht voor kleur en dichtheid in verband met opwarming en warmteafgifte en albedo-effect: Onderscheid is daarbij in gevel en vloer met aandacht voor weerspiegeling. d. Binnen het plangebied natuurlijke koele verblijfsplekken realiseren die maximaal 300 meter uit elkaar liggen op basis van de werkelijke loopafstand. Deze norm is gebaseerd op de kwetsbare groep (beperkt mobiele ouderen) en hoge intensiteit van de plek. e. In een woongebied verminderen van hitte gedurende de nacht binnenshuis door aangepaste bouw waardoor hitte eiland effect wordt beperkt. Bovenstaande ambitie is terug te vinden in de beleidsstukken ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-1922’, ‘Groenbeleidsplan’ en ‘Klimaatplan’ van de gemeente Eindhoven en is in de planregels vertaald in 9.4. 5.2.5

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het 'Visiedocument' (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen 'Taken en Bevoegdheden' en 'Maatregelen' zijn achterhaald.

5.3

Huidige situatie

5.3.1

Gebiedsbeschrijving

Het plangebied Lichthoven fase 2 ligt ten zuiden van het spoor aan de Stationsweg op ca. 200m van het centraal station Eindhoven. Het plangebied wordt ten oosten begrensd door de Dommel en ligt ten westen van The Student hotel. Momenteel is het terrein in gebruik als parkeerterrein. In figuur 2 wordt de ligging van het plangebied weergegeven.

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

93

Afbeelding: Ligging plangebied (bron: Globespotter)

Het totale plangebied heeft een oppervlak van ca. 5.855 m2. Het plangebied ligt in de huidige situatie op een gemiddelde hoogte van NAP +16,65m. 5.3.2

Oppervlaktewater

Ten oosten van het plangebied is de Dommel gelegen. Het gemiddelde peil in de Dommel in de zomer ligt op NAP +14,11m; in de winter is het gemiddelde peil NAP +14,16m. De verwachting is dat het peil in de Dommel bij een T=100-situatie tot NAP+15,81m zal stijgen (bij T=1-situatie tot NAP +14,83m; bij T=10 tot NAP +15,6m). Ter hoogte van het plangebied behoort de westzijde van de Dommel tot een ecologische verbindingszone (EVZ); een deel van deze zone is al reeds gerealiseerd. De EVZ behoort bij de aanpassing van de Dommeltunnel onder het spoor door. Het waterschap heeft aangegeven dat in elk geval 25m aan weerszijden vrijgehouden dient te worden voor de EVZ. Verder is ter hoogte van het plangebied momenteel de ondergrondse Gender gelegen. In de toekomst is het de bedoeling dat de verbinding tussen de Gendervijver aan de Willem de Rijkelaan en de Dommel aan de Dommelstraat deels ondergronds- maar ook deels bovengronds wordt aangelegd. In de huidige situatie zijn twee ondergrondse tracedelen reeds gerealiseerd; vanaf de Gendervijver tot en met de Willemstraat en ter hoogte van het 18 Septemberplein. De overige delen dienen nog uitgevoerd te worden. Ter plaatse van het Stationsplein en Stationsweg zal de Gender bovengronds aangelegd worden met een stuwpeil van NAP +14,8m met fluctuaties tot NAP +15,0m. Het bodempeil van de nieuwe Gender komt op een hoogte van NAP +13,8m te liggen.

Bij de uitwerking van de kabel & leidingtraces dient rekening gehouden te worden met een 5 tot 7m brede Gender in de Stationsweg. Kruisende leidingen dienen onder de bodem van de Gender aangelegd te worden in overleg met de gemeente. De nieuwe Gender zal aan de oostzijde van het plangebied uitmonden in de Dommel. In onderstaand figuur is een overzicht gegeven van de Gender met de nog aan te leggen trace.

94

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

Afbeelding: Huidige situatie Gender met nog aan te leggen tracédelen (bron: watertoets Edge Eindhoven, september 2019)

Afbeelding: Overzicht Stationsweg met huidige Dommel, EVZ en toekomstige Gender (bron: watertoets Edge Eindhoven, september 2019)

Ter plaatse van het plangebied ligt in de huidige situatie een hemelwaterleiding van ø300/450mm, voorheen in gebruik als gemengd stelsel. De overkluisde Gender stort momenteel middels een kleine leiding (ø315mm) over op de Dommel. Om ervoor te zorgen dat het water in de Gender en de Gendervijver voldoende ververst wordt, wordt vanuit het afwateringskanaal water ingelaten met een debiet van 0,15m3/s. vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

95

5.3.3

Riolering

In het plangebied is in de huidige situatie alleen een 200mm diameter leiding aanwezig. Deze leiding wordt momenteel gebruikt om het hemelwater af te voeren van de parkeerplaatsen. De 200mm diameter leiding is aangesloten op de hemelwaterleiding van 300/450mm diameter in de Stationsweg, voorheen in gebruik als gemengd stelsel. Vanuit dit gemengde stelsel stort het hemelwater over op de Dommel middels een kleine leiding (315mm diameter). In onderstaand figuur is een overzicht gegeven van de bestaande riolering in en rondom het plangebied.

Afbeelding: Huidige situatie bestaande riolering in het plangebied 5.3.4

Bodem en grondwater

De gegevens met betrekking tot de bodemopbouw en geohydrologie zijn ontleend aan beschikbare onderzoeksgegevens, de Grondwaterkaart van Nederland (dienst Grondwaterverkenning TNO) en Dinoloket (Hydrogeologisch model REGIS II).

Afbeelding: Dwarsdoorsnede regionale bodemopbouw (bron: Dinoloket)

In bovenstaand figuur is een dwarsdoorsnede van de regionale bodemopbouw weergegeven uit het digitaal grondwatermodel REGIS II van Dinoloket. Opgemerkt wordt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een voormalig beekdal van de Gender. Hierdoor kan de lokale 96

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie anders zijn dan in de directe omgeving zoals is weergegeven in de regionale bodemopbouw. Uit de gegevens blijkt dat per plaatse van het plangebied een slecht doorlatende, holocene toplaag aanwezig is met een dikte van circa 2 à 3 meter. De bodem bestaat uit een deklaag van ca. 20m tot 25m dik, bestaande uit matig fijne tot matig grove zandlaag (Formatie van Boxtel). Op 15 tot 20 meter minus maaiveld worden ook leemlagen aangetroffen. Onder de deklaag bevindt zich het eerste watervoerend pakket (formatie van Sterksel). De grondwaterstromingsrichting in de deklaag lijkt noordoostelijke richting te zijn in combinatie met de drainerende werking van de Dommel. De grondwaterstromingsrichting in het eerste watervoerende pakket is regionaal noordoostelijk maar kan in de omgeving beïnvloed zijn door lokale grondwateronttrekkingen zoals de WKO ter plaatse van het Centraal station. Op basis van het grondwatermeetnet van de gemeente Eindhoven (peilbuis B07 Hermanus Boexstraat, peilbuis B51G2567 Mathildestraat en peilbuis B51G2460 Fuutlaan) is de gemiddelde grondwaterstand bepaald op +14,7m NAP. In figuur 7 is een overzicht gegeven van de gemiddelde grondwaterstand rondom het plangebied. Het plangebied ligt ten westen van de Dommel. De gemiddelde waterstand in de Dommel ligt in de zomer op NAP +14,11m (winterpeil NAP +14,16m).

Regionaal gezien heeft de Dommel een drainerende werking resulterend in relatief lagere grondwaterstanden in de directe omgeving van de waterloop. Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats en het is niet gelegen in een boringsvrije zone van het grondwaterbeschermingsgebied. In onderstaand figuur is een overzicht gegeven van de gemiddelde grondwaterstand rondom het plangebied.

Afbeelding: overzicht van de gemiddelde grondwaterstand rondom het plangebied

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

97

5.4

Toekomstige situatie

5.4.1

Beschrijving plan

Lichthoven fase 2 (EDGE Eindhoven) is een stedenbouwkundige ontwikkeling aan de zuidkant van Centraal station Eindhoven. Het programma bestaat uit een mix van circa 27.500 m2 kantoor en circa 15.000 m2 woningen met in de plint voorzieningen voor de gebruikers en de directe omgeving. EDGE maakt onderdeel uit van een stedenbouwkundig plan voor het gebied Lichthoven. Kantoorruimten zijn gesitueerd in een drietal gebouwen verbonden met glazen atria. De woontoren is in het zuidoosten van het plangebied geplaatst. Ten oosten van het atrium wordt een open verharde ruimte gecreeerd waarbij een deel als terras zal worden ingericht ten behoeve van voorzieningen (horeca) voor de bewoners en gebruikers van de kantoorruimten. Het plan en de openbare verhardingen binnen het plangebied krijgen geen verbinding met de ecologische verbindingszone gelegen aan de westzijde van de Dommel. Parkeren voor auto's en fietsen vindt plaats in de ondergrondse parkeergarage. Hiervoor zal onder het gehele plangebied een parkeerkelder worden aangebracht. De vrije ruimte tussen onderkant dek en bovenkant keldervloer zal circa 3 m worden. Na het VO wordt de constructie verder uitgewerkt en wordt de maatvoering vastgesteld. Zie paragraaf 2.3.2 voor een uitgebreide beschrijving van het plan. 5.4.2

Toekomstig peil

In deze fase is nog geen vloerpeil van de nieuwbouw vastgesteld. Het plangebied ligt in de huidige situatie op een gemiddelde hoogte van NAP +16,65m. De Stationsweg ten zuiden van het plangebied loopt naar het oosten op van NAP +16,0m naar NAP +16,3m. Bij de bepaling van het vloerpeil zal rekening worden gehouden met de beleidsregel 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' (gemeente Eindhoven, februari 2018). De hierin opgenomen richtlijn om voor nieuwbouw een hoogteverschil van 30 cm te creeren tussen dorpel en straatpeil als het plan dat toelaat, wordt daarbij in ogenschouw genomen. Aangezien het de verwachting is dat het peil in de Dommel bij een T=100-situatie tot NAP+15,81m zal stijgen, wordt er bij het toepassen van deze richtlijn ook geen wateroverlast vanuit de Dommel verwacht. 5.4.3

Waterstromen binnen het plangebied

De afvoer van de waterstromen (hemelwater en vuilwater) van de kantoorgebouwen, woontoren en het verhard oppervlak ten oosten van het atrium zijn belangrijk voor de verdere invulling en uitwerking van de gebouwen, waterberging en afvoer richting het gemeentelijke hemelwater- en vuilwatersysteem. Voor de waterstromen afkomstig van de gebouwen en omliggende verharding gelden de volgende uitgangspunten: Dakwater: Het dakwater van de gebouwen wordt afgevoerd naar de hemelwaterberging in of op de kelder. De hemelwaterberging wordt voorzien van een overstort (vertraagde afvoer) op het gemeentelijke hemelwaterstelsel, in dit geval de Gender gelegen aan de zuidzijde van het plangebied; Verhardingen rondom gebouwen: Het hemelwater afkomstig van de verhardingen rondom de gebouwen wordt eveneens afgevoerd naar de hemelwaterberging met een overstort op het gemeentelijke hemelwaterstelsel (Gender). Uitzondering hierop zijn de verhardingen die als terras zal worden ingericht ten behoeve van voorzieningen (horeca) voor de bewoners en gebruikers van de kantoorruimten. Deze verhardingen dienen in verband met mogelijke vervuilingen aangesloten te worden op het gemeentelijke vuilwaterstelsel. Verhardingen balkons: De hemelwaterafvoer van de balkons van de woontoren wordt aangesloten op het hemelwaterstelsel.

Na overleg tussen gemeente en waterschap is besloten om het hemelwater afkomstig van balkons af te laten voeren naar het 98

vastgesteld Lichthoven fase 2 Gemeente Eindhoven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749348/1