21bst00683 - Bijlage 6 - Cumulatienotitie Stationslocatie Zuid-Oost Eindhoven
Tekst van het document
Beschermde soorten Het gebied vormt mogelijk geschikt foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen, maar dit betreft slechts een marginaal deel van het totale foerageergebied. Vliegroutes worden niet verwacht door het ontbreken van lijnvormige, opgaande structuren. Ook zijn er geen potentiële verblijfplaatsen aanwezig in het gebied. Het gebied maakt dus geen deel uit van essentieel of functioneel leefgebied van vleermuizen. Aanvullend onderzoek of ontheffingsaanvraag is voor deze soortgroep daarom niet nodig. Het gebied vormt wel potentieel geschikt leefgebied/biotoop voor algemeen voorkomende dier- en plantensoorten, waardoor de aanwezigheid hiervan in het gebied niet op voorhand kan worden uitgesloten. Voor algemeen voorkomende soorten geldt echter een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen werkzaamheden. Aanvullende onderzoeken of ontheffingsaanvragen zijn niet aan de orde. Voor minder algemeen voorkomende diersoorten (grondgebonden zoogdiersoorten zoals eekhoorn en steenmarter en vogelsoorten zoals grote gele kwikstaart, huismus en roek) en plantensoorten vormt het gebied geen geschikt leefgebied/biotoop. De aanwezigheid van dergelijke soorten kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Aanvullende onderzoeken of ontheffingsaanvragen zijn niet aan de orde.
Voor andere algemeen voorkomende soorten (zoals reeën, muizen, egels) geldt een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen werkzaamheden. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? In 2011 zijn in het kader van het planMER de effecten op beschermde natuurwaarden in het gebied (Stationsgebied) en de nabijgelegen Dommelzone getoetst. Recentelijk is deze beoordeling geactualiseerd. In de sectie hierna volgt eerst een samenvatting van de getoetste effecten uit 2011. Daarna volgt de geactualiseerde effectbeoordeling. Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? In het planMER uit 2011 wordt gewezen op de positieve effecten van het project op natuur en groen. Het herstel van de Gender, de aanleg van een gescheiden rioolstelsel en het afkoppelen van verhard oppervlak leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit van De Dommel. De Dommel is onderdeel van NNB. Het project draagt hierdoor in positieve zin bij aan het beschermde gebied van de Dommelzone en de daarin voorkomende beschermde soorten. De Dommelzone vormt geschikt leefgebied voor diverse vleermuissoorten. Zo is er geschikt foerageergebied aanwezig en is er in de Dommeltunnel bij de noordelijke ingang een verblijfplaats van de watervleermuis aangetroffen.
Verder zijn nesten van kraai en ekster aangetroffen in oudere bomen langs de Fellenoord en J.F. Kennedylaan. In het planMER uit 2011 is de mogelijke verstoring van beschermde vleermuissoorten en broedende vogels tijdens de uitvoering van de werkzaamheden als aandachtspunt genoemd. Bij uitvoerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het beperken van lichthinder. Dit geldt met name voor de watervleermuis die gevoelig is voor verlichting. Door te kiezen voor een weinig verstorend type verlichting, zorgvuldige plaatsing van nieuwe lantaarnpalen, het hanteren van smalle lichtbundels en naar beneden gerichte armaturen, wordt voorkomen dat de verlichting in de Dommelzone toeneemt. Door het verwijderen van oude bomen langs de Fellenoord en J.F. Kennedylaan kunnen nesten van ekster en zwarte kraai worden vernietigd. Deze werkzaamheden kunnen alleen buiten het broedseizoen plaatsvinden. Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatvinden hebben ze geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze vogelsoorten. Het aandeel openbaar groen in het Stationsgebied is beperkt. Maatregelen worden getroffen om meer groenelementen te realiseren. Daarnaast is voorzien in maatregelen om de levensduur en kwaliteit van de monumentale bomen (kastanjes) te verlengen, respectievelijk te vergroten.
De verwachte grondwaterstandswijziging heeft geen gevolgen voor het openbaar groen en de monumentale bomen in het Stationsgebied.
47 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Actualisatie van de effectbeoordeling Actualisatie van de effectbeoordeling uit 2011 is gedaan in de verschillende m.e.r.-beoordelingsnotities. Deze actualisatie volgt in de secties hierna per regime (Natura 2000, Natuurnetwerk Brabant en Beschermde soorten). Natura 2000-gebieden Gezien de grote afstand van het gebied met de zes ontwikkelingen tot de Natura 2000-gebieden is verstoring of verandering van de waterhuishouding uitgesloten. Wel kunnen Natura 2000-gebieden gevolgen ondervinden door additionele stikstofdepositie van de ontwikkelingen. De projecten zijn niet onlosmakelijk met elkaar verbonden, in die zin dat ze onafhankelijk van elkaar uitgevoerd kunnen worden. In lijn daarmee vraagt ieder project zijn eigen omgevingsvergunning en Wnbvergunning/-toestemming aan, waarbij ieder project een aparte doorlooptijd heeft. Door middel van AERIUS-berekeningen is onderzocht of als gevolg van de ontwikkelingen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (tabel 4.4). Op basis van het onderzoek en de bijbehorende AERIUS-berekeningen bij de afzonderlijke projecten is geconcludeerd, dat er sprake is van tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. op overbelaste habitattypen en/of leefgebieden in het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux.
De afzonderlijke projecten hebben in de gebruiksfase een depositie van maximaal 0,00 mol/ha/j. Lichthoven fase 1 heeft een Wet natuurbeschermingsvergunning, Lichthoven fase 2 heeft deze aangevraagd en district-E moet dit nog doen. Vergunningverlening, voor zover nodig, is mogelijk, niettegenstaande de geringe tijdelijke deposities. Dit kan door gebruikmaking van het stikstofregistratiesysteem waarin vrijgekomen ruimte van de snelheidsverlaging voor woningbouwdoeleinden mag worden aangewend dan wel onder gebruikmaking van de redeneerlijn mobiele werktuigen ingevolge waarvan tijdelijke depositie-effecten onder de 0,05 mol/ha/jr voor maximaal 2 jaar (of een equivalent daarvan) niet significant zijn. Bij gebruikmaking van de redeneerlijn zijn significante effecten uitgesloten en is geen vergunning nodig.
Tabel 4.4 Overzicht van relevante tijdelijke projectbijdrage op Natura 2000-gebieden Project Lichthoven fase 1 (Kavel A) Lichthoven fase 1 (Kavel C en D) Lichthoven fase 2 (Edge)
Hoogste depositie aanlegfase [mol/ha.jr] 0,00
Natura2000Natura-2000 gebied
0,02
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux n.v.t.
0,02
District-E
0,011
Fietsenstalling
0,00
n.v.t.
Tijdelijke projectbijdrage Zoals hiervoor aangegeven worden deposities tijdens de aanlegfase als tijdelijke deposities met een zeer geringe omvang beschouwd die niet leiden tot significante gevolgen op Natura 2000-gebied(en). Permanente projectbijdrage De projecten hebben geen permanente bijdrage op stikstof. Natuurnetwerk Brabant Het gebied met de zes ontwikkelingen valt deels in het NNB gebied ten oosten van The Edge. De ruimtelijke beslaglegging op het NNB leidt niet tot een aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden. Het is wel een voorwaarde de inrichting van het terrein aan te laten sluiten op de aanwezige natuurwaarden, eventueel de doelsoorten van het EVZ, en deze waar mogelijk te versterken (zie Bijlage 1 bijgaand aan de toelichting 1 meest recent aangeleverde AERIUS berekening van maatgevend jaar in versie AERIUS 2020, zonder notitie
48 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
van het ontwerp-bestemmingsplan Lichthoven fase 2 (Edge) - NL.IMRO.0772.80357-0201). De gehele Dommel alsook de oever tussen het water en het bestaande parkeerterrein vallen buiten de plangrenzen van Lichthoven fase 1 (kavel A t/m D) en Distric-E). Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten bij deze ontwikkelingen. Het toetsingskader van provincie Noord-Brabant omtrent het NNB omvat naast directe effecten ook een toets aan externe effecten als gevolg van licht, geluid en optische verstoring. Het gebied (onderdeel kavel C+D) bevindt zich op 140 m van het dichtstbijzijnde NNB‐gebied (natuurbeheertype N03.01 ‘Beek en Bron’). Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNB‐ gebied. De werkzaamheden zullen mogelijk leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. De kwalificerende soorten van het beheertype N03.01 'Beek en Bron' behoren tot de soortgroepen broedvogels, libellen, vissen en planten. Het is nog onduidelijk of bij de aanleg van de ondergrondse parkeer garage de waterhuishouding van het beheertype N03.01 ‘Beek en Bron’ wordt beïnvloed. Er vindt mogelijk externe werking plaats op het NNB of op kwalificerende soorten door de aanleg van een ondergrondse park eergarage. Significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden kan worden uitgesloten als aan de zorgplicht kan worden voldaan.
Voor de kavel Edge is uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling een effect heeft op de voorkomende doelsoorten (allen watergebonden). Het project leidt daarmee niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het aangewezen NNB-gebied. Uitgangspunt is wel, dat geen van de groene elementen (grasveld, opgaande groenstructuren), die samenhangen met de Dommel worden verwijderd of beschadigd. Het gebied (onderdeel kavel Stationsplein Zuid (District E) maakt ook geen deel uit van NNB. Het NNBgebied de Dommel ligt op circa 300 meter afstand. Gezien de afstand van het gebied tot de Dommel en verder weg gelegen gebieden en de mate waarin gebieden binnen een kilometer van het gebied reeds verstoord zijn door licht, geluid en optische verstoring, is van externe werking ten aanzien van NNBgebieden geen sprake. Het gebied (onderdeel fietsenstalling (District-E)) bevindt zich ook op geruime afstand van NNB gebieden. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op het NNB. Door de voorgenomen plannen zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB derhalve niet worden aangetast. Beschermde soorten In het gebied kavel A en de directe omgeving komen geen beschermde soorten voor en worden ze niet verwacht. Er hoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Wel dient er voor de uitvoer van de werkzaamheden gewerkt te worden conform de zorgplicht.
De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. De zorgplicht geldt dus ook voor soorten zonder specifieke beschermingsstatus onder de Wet natuurbescherming. Voor kavel C en D is gebleken, dat het gebied mogelijk deel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de huismus en dat ‘vogels zonder jaarrond beschermd nest’ op de planlocatie aanwezig kunnen zijn. De huismus dient nader onderzocht te worden. Dit nader onderzoek is in bijlage 13 te vinden. In het nader onderzoek wordt er bevestigd dat de huismus aanwezig is en daardoor een wetsovertreding te verwachten valt. Vanwege de huismus is op 4 februari 2021 een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Voor de aanvraag ontheffing is een activiteitenplan opgesteld. In maart 2021 zijn tijdelijke compenserende maatregelen getroffen. Overtreding van een of meerdere verbodsbepalingen uit de Wnb kunnen worden uitgesloten.
49 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Voor de kavel Edge is geconcludeerd, dat overtreding van een of meerdere verbodsbepalingen uit de Wnb kunnen worden uitgesloten. De Dommel en haar oever vallen buiten het gebied van de kavel Edge. Voor Stationsplein Zuid (District-E) is geconcludeerd, dat er geen beschermde planten- of diersoorten voorkomen in en rond het gebied, waardoor overtreding van een of meerdere verbodsbepalingen uit de Wnb uitgesloten zijn. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig ten aanzien van soortbescherming. Voor de kavel fietsenstalling (District E) is geconcludeerd, dat geen aanvullend onderzoek hoeft te worden verricht in het kader van de Wet natuurbescherming. De potenties als leefgebied voor beschermde soorten zijn op basis van het verkennend onderzoek voldoende inzichtelijk. Omdat de kans op overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wnb kan worden uitgesloten, hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd om uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen doorgang te kunnen laten vinden. Conclusie Natura 2000 Gezien de grote afstand van het gebied tot de Natura 2000-gebieden is verstoring of verandering van de waterhuishouding uitgesloten. Omdat stikstofdepositie wel relevant is, zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd voor de ruimtelijke ontwikkelingen afzonderlijk.
Het resultaat is dat dat er sprake is van tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. op overbelaste habitattypen en/of leefgebieden in het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (tabel 4.1). De projecten hebben geen permanente bijdrage (van meer dan 0,00 mol N/ha/jr.) op stikstof. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden vanwege tijdelijke stikstofdepositie door de aanlegfase van het planvoornemen zijn uitgesloten op grond van de redeneerlijn mobiele werktuigen. Natuurnetwerk Brabant Het overgrote deel van het gebied ligt niet binnen het NNB. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Verder worden er geen effecten op NNB voorzien als aan enkele voorwaarden wordt voldaan: - in kavel C+D, maar ook bij Edge moet bij de aanleg van de ondergrondse parkeergarage aan de zorgplicht worden voldaan, waarbij de waterhuishouding van het beheertype N03.01 Beek en Bron niet wordt beïnvloed om daarmee externe werking te vermijden. In het bestemmingsplan van alle kavels is een verbod op ondergronds bouwen opgenomen, waarvan kan worden afgeweken als uit geohydrologisch onderzoek blijkt dat negatieve effecten uitgesloten kunnen worden; - voor de kavel Edge is van belang, dat geen van de groene elementen (grasveld, opgaande groenstructuren), die samenhangen met de Dommel worden verwijderd of beschadigd.
Beschermde soorten Voor de verschillende ontwikkelingen is geconcludeerd dat overtreding van één of meerdere verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is in die gevallen niet nodig ten aanzien van soortbescherming. Uitzonderlijk is kavel C en D waar rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van de huismus. Hiervoor is een activiteitenplan opgesteld met daarin enkele (compenserende) maatregelen waarmee een ontheffing Wnb verkregen kan worden. Naast deze specifieke maatregelen uit het activiteitenplan dient bij de uitvoering van de werkzaamheden de algemene zorgplicht uit de Wnb in acht genomen te worden.
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
Wat is het potentiële effect? Het aantreffen van archeologische restanten tijdens de aanlegfase en het aantasten van bestaande cultuurhistorische waarden tijdens de gebruiksfase.
50 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Hoe ontwikkelt Cultuurhistorie en archeologie zich autonoom in het gebied? Zie paragraaf 3.3.3. voor de beschrijving van de huidige situatie. De waardering voor de historische stedenbouwkundige structuur betekent evenwel niet dat alle aanwezige bebouwing behouden zou moeten blijven. Het stationsgebouw zelf is in 2009 aangewezen als Rijksmonument en bij de recente verbouwing ervan heeft ook restauratie plaatsvinden. Het gebouw van het stationspostkantoor is in 2002 gewaardeerd. Mede op grond van het advies van de Monumentencommissie is toen een afweging gemaakt waarbij uiteindelijk is besloten om dit gebouw niet te behouden. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? Bij de inrichting van het Stationsgebied wordt rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle monumenten en structuren. Monumenten en andere aanwezige cultuurhistorische waarden blijven gehandhaafd. Het station is aangewezen als rijksmonument. Overige cultuurhistorische waarden zijn de stedenbouwkundige structuur met waardevolle Wederopbouwarchitectuur en het historische wegenpatroon. Voorschriften in het bestemmingsplan kunnen waarborgen bieden om schade aan cultuurhistorische waarden te voorkomen.
De verwachte stijging van de grondwaterstand met enkele centimeters heeft geen gevolgen voor de in het gebied aanwezige cultuurhistorische objecten. Welke effecten treden op in samenhang? Cultuurhistorie In de herinrichting van de omgeving van het station wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische aanduiding. ‘Lichthoven fase 1’ is geprojecteerd op de plaats die ingevolge het Wederopbouwplan de oostelijke begrenzing vormde van het Stationsplein. Tegelijkertijd is er rekening mee gehouden dat het stationsgebouw ruimtelijk voldoende tot zijn recht komt. Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Eindhoven zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren in de locatie van de ontwikkeling Edge en District-E aanwezig. Archeologie Het gebied met de zes ontwikkelingen staat niet als een archeologisch waardevol gebied aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. Daarmee zal er hoogstwaarschijnlijk geen archeologische restanten worden aangetroffen tijden de aanlegfase. Het is daarom niet noodzakelijk een archeologisch (voor)onderzoek uit te voeren in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Negatieve effecten kunnen voor het aspect archeologie worden uitgesloten. Wanneer bij graafwerkzaamheden toch onverhoopt waardevolle resten worden aangetroffen, dienen deze wel te worden gemeld.
Conclusie Op basis van bovenstaande inventarisatie worden er geen belangrijke nadelige gevolgen in cumulatie voor het milieu verwacht vanwege de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied met de zes ontwikkelingen op cultuurhistorie en archeologie. In de herinrichting van de omgeving van het station wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische aanduiding.
4.10
Trillingen
Wat is het potentiële effect? Tijdens de bouw kunnen de bouwactiviteiten trillingen veroorzaken. Dit geeft tijdelijk hinder voor de omgeving. In de gebruiksfase kan het treinverkeer en het (vracht)autoverkeer trilling veroorzaken.
51 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? Tijdens bouwactiviteiten kunnen tijdelijk verhoogde geluidsniveaus voorkomen en bestaat het risico op trillinghinder. Het gemeentelijk beleid voor bouw- en trillinghinder is erop gericht ernstige hinder en schade zoveel mogelijk te beperken. In de voorbereidingsfase worden met de bouwaannemers afspraken gemaakt over de uitvoering van de werkzaamheden en de communicatie met omwonenden. Voor werkzaamheden waarbij 11 dagen of langer palen en/of damwanden worden geheid/getrild, activiteiten waarbij een overschrijding van geluid- en trillingsnormen plaatsvindt en het ’s avonds en ’s nachts werken, is een ontheffing op grond van de APV vereist. In 2011 was nog sprake van lokaal beleid voor bouwhinder met o.a. de “11-dagenregeling voor heien”. Met de invoering van regels voor bouwhinder (geluid, trillingen, etc.) in het Bouwbesluit 2012 is het lokale beleid hiervoor komen te vervallen. Nu kunnen indieningsvereisten gelden voor onderzoek naar de te verwachten geluid- en trillingsoverlast. Voor het werken in de avond, nacht, zondag is ontheffing nodig.
Door het toepassen van trillingsongevoelige constructies, bouwkundige maatregelen die de trillingoverdracht vanuit de bodem naar het gebouw of onderdelen (wanden en vloeren) verminderen, wordt trillinghinder in de gebruiksfase van de woningen en kantoren voorkomen. In 2011 was nog sprake van lokaal beleid voor bouwhinder met onder andere de ‘11-dagen-regeling voor heien’. Met de invoering van regels voor bouwhinder (geluid, trillingen, et cetera) in het Bouwbesluit 2012 is het lokale beleid hiervoor komen te vervallen. Nu kunnen indieningsvereisten gelden voor onderzoek naar de te verwachten geluid- en trilling overlast. Voor het werken in de avond, nacht, zondag is ontheffing nodig. Welke effecten treden op in samenhang? In de verschillende m.e.r.-beoordelingsnotities wordt voor de aanlegfase verwezen naar het Bouwbesluit 2012 en voor de gebruiksfase naar het zodanig ontwerpen, dat geen trillinghinder wordt ervaren. Gebruiksfase Kavel A, C en D: om inzicht te krijgen in het trilling risico is trilling onderzoek uitgevoerd. Uit trilling metingen op de bouwkavel, de overdrachtsmetingen aan TSH en daarop gebaseerde prognoses wordt geconcludeerd dat het huidige spoorgebruik niet tot trillinghinder hoeft te leiden in het nieuw te bouwen kantoorgebouw.
Als er een gebouw wordt gezet met een betonnen draagconstructie en vloeren met een stijfheid zodanig dat de laagste buig-eigenfrequentie tenminste 12 Hz bedraagt, dan zullen hooguit licht voelbare trillingen optreden tijdens goederentreinpassage. Er wordt dan ruim voldaan aan de SBR-B voor kantoren. Voor een gebouw met een stalen draagstructuur en betonvloeren met grote overspanningen zijn wel goed voelbare trillingen te verwachten en is niet geheel zeker of voldaan kan worden aan de streefwaarden uit de SBR-B voor kantoren. Indien voor deze optie wordt gekozen is nader onderzoek noodzakelijk. In het ontwerp van het kantoorgebouw zal rekening worden gehouden met de bovenstaande conclusies uit het trilling onderzoek waardoor negatieve effecten worden voorkomen. Edge: in de omgeving van het spoor is een verhoogd trillingsniveau ten gevolge van passages van treinen te verwachten. Voor trillingen geldt geen direct juridisch kader waaraan getoetst kan worden of een ontwikkeling een goede ruimtelijke ordening waarborgt. Royal HaskoningDHV heeft voor de beoordeling van het aspect trillingen de streefwaarden uit de SBR B-richtlijn ‘hinder voor personen in gebouwen’ als normstelling gehanteerd en de SBR A-richtlijn ‘schade aan gebouwen’ voor de aanlegfase. Ter toetsing aan deze richtlijnen zijn een aantal metingen uitgevoerd. De hoogste waarden worden door goederentreinen veroorzaakt.
Op basis van het ontwerp voldoen naar verwachting alle functies in het plan Lichthoven fase 2 (Edge) aan de beoordelingssystematiek van de SBR B richtlijn ‘hinder voor personen in gebouwen’. Op basis van de gemeten waarden wordt geconcludeerd dat het ontwerp naar verwachting voldoet aan de streefwaarden in de SBR richtlijnen. Daarom wordt dit onderdeel neutraal beoordeeld. District-E: door Royal Haskoning zijn trilling metingen op locatie verricht. Geconstateerd is, dat in de nacht niet overal wordt voldaan aan de streefwaarde voor woningen (SBR-richtlijn B). Hierom is een nadere toelaatbaarheidsoverweging opgesteld: ‘ De overschrijding van de streefwaarden wordt beperkt in mate,
52 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
beperkt in optredende duur en beperkt tot een deel van de trilling gevoelige objecten geacht. In het plan zijn verdergaande mitigerende maatregelen om diverse redenen niet uitvoerbaar, niet effectief, danwel niet proportioneel. De afwijking van de streefwaarden wordt daarmee toelaatbaar geacht. De beoordelingssystematiek uit de SBR B richtlijn is voor District E zorgvuldig doorlopen, hiermee is in het licht van de SBR B richtlijn aangetoond dat de bestemming spoor en de bestemming wonen en kantoor in het bestemmingsplan zorgvuldig zijn gescheiden. Geadviseerd wordt om de toekomstige eigenaren/bewoners te informeren dat er sprake is van een licht verhoogde mate van trillinghinder in de woningen.’ Geconcludeerd wordt, dat trillinghinder in beperkte mate optreedt, van beperkte duur is en bij een beperkt deel van de bebouwing. Fietsenstalling: hiervoor is trillinghinder niet relevant omdat mensen er niet langdurig verblijven. Aanlegfase In de aanlegfase zullen door de bouwactiviteiten in het gebied met de zes ontwikkelingen trillingen kunnen ontstaan. Dit kan als hinder worden ervaren door de bewoners in en om het gebied. In de aanlegfase moet worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Daarmee wordt de hinder begrensd tot een niveau dat als acceptabel moet worden gezien. Conclusie In de aanlegfase zullen als gevolg van de bouwactiviteiten trillingen kunnen ontstaan.
Bij deze activiteiten moet rekening worden gehouden met de bepalingen in het Bouwbesluit 2012. Negatieve effecten kunnen daardoor niet worden vermeden, maar wel tot een aanvaardbaar niveau worden begrensd. Trillinghinder tijdens de aanleg kan wel cumuleren omdat er over meerdere jaren en mogelijk gelijktijdig werkzaamheden plaatsvinden in het gebied. Coördinatie van bouwwerkzaamheden voor de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen is noodzakelijk om deze cumulatie te vermijden. In de gebruiksfase kunnen trillingen ontstaan door treinverkeer. Door bij het ontwerp van de gebouwen rekening te houden met trillinghinder, kunnen negatieve effecten worden vermeden. Voor District E treedt een licht verhoogde mate van trillinghinder op die de streefwaarden overschrijdt. De duur is beperkt en voor een beperkt deel van de woningen. De bewoners/eigenaren moeten hierover worden geïnformeerd. Deze effecten cumuleren niet tussen de ontwikkelingen.
4.11
Bezonning
Wat is het potentiële effect? Door de realisatie van (hoge) bebouwing in het gebied kunnen schaduwen ontstaan op nabijgelegen woonen kantoorgebouwen. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? In het MER uit 2011 is dit effect niet beschreven. Welke effecten treden op in samenhang? In de m.e.r.-beoordelingsnotities wordt aandacht besteed aan het effect van de bebouwing op de bezonning van het gebied. Gebruiksfase Voor Lichthoven fase 1 kavel A en C: door de architect is een bezonningsstudie uitgevoerd waarbij alle zes ontwikkelingen in het model is opgenomen. Op verschillende data is het effect van de schaduwvorming van het gebouw getoetst. Dit is op de dagen gedaan waar de zon het hoogst (21 juni) en het laagst is (21 december). De zon op 21 maart en 21 september geven het beste beeld van de gemiddelde bezonning door het jaar heen.
53 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Hieruit blijkt dat gebouwen (onder andere appartementen) ten zuiden van de Stationsweg geen verandering ondervinden aan de huidige situatie door de nieuwe gebouwen van de zes ontwikkelingen ten noorden van de Stationsweg. De nieuwe gebouwmassa’s creëren over het algemeen alleen een slagschaduw op het spoor en het station. Kavel C en D: door de architect is een bezonningsstudie uitgevoerd, hieruit blijkt dat de gebouwmassa alleen een slagschaduw op het spoor en het station creëert. In december is de zon pas laat op hoogte en tegen die tijd is die al ver genoeg naar het zuiden opgeschoven, om geen slagschaduw te geven op het dak van het stationsgebouw. In maart/september geeft gebouw A een slagschaduw van zonsopgang tot ongeveer 9 uur. In juni is dit vanaf zonsopgang tot 10 uur. Aangezien de dichtstbijzijnde woningen en ‘The Student Hotel’ zich ten zuiden van gebouw A bevinden, veroorzaakt gebouw A geen schaduw op deze bebouwing. De meeste slagschaduw wordt in het algemeen door The Student Hotel veroorzaakt. Er zijn geen negatieve milieueffecten. De torens van District-E liggen ten noorden van bestaande appartementen aan de Seepaardstaete, Haagstate en Marienburg. Deze noordgevels van de appartementen hebben al vrij weinig zon waarbij in de huidige situatie er niet aan het gemeentelijke beleid met de norm wordt voldaan van minimaal 2 uur bezonning per dag in de woningen.
Dit blijft ongewijzigd door de komst van District-E. De schaduw van de torens van District-E valt vooral richting en over het spoor. Ondergrondse fietsenstalling: geen effecten Conclusie Er zijn geen negatieve effecten vanwege de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied met de zes ontwikkelingen op de bezonning. De nieuwe gebouwmassa’s creëren over het algemeen alleen een slagschaduw op het spoor en het station. Uit de bezonningsstudies blijkt dat de gebouwmassa van gebouw C vooral een slagschaduw op het spoor en het station creëert. Ten oosten en westen van het gebouw veroorzaakt de massa minimale slagschaduw. Gebouwen ten zuiden van de Stationsweg ondervinden geen verandering aan de huidige situatie door de nieuwe gebouwen ten noorden van de Stationsweg.
4.12
Windhinder
Wat is het potentiële effect? Door de realisatie van (hoge) bebouwing in het gebied met de zes ontwikkelingen kan windhinder in het gebied ontstaan. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? In het planMER uit 2011 is dit effect niet beschreven. Er was toen geen beleidsregel voor windhinder.
Beleidsregel voor windhinder (2020) Op 26 mei 2020 heeft de gemeente Eindhoven de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder vastgesteld. De gemeente Eindhoven kiest nadrukkelijk voor het toevoegen van hoge gebouwen binnen de stad maar stelt ook eisen aan windhinder en windgevaar. Windhinder en windgevaar moeten conform NEN 8100:2006 in beeld worden gebracht. Voor de openbare ruimte moet als ondergrens een 'goed' (zoals gekwalificeerd in NEN 8100:2006) windklimaat worden nagestreefd. Voor 'langdurig zitten' wordt altijd een kwalificatie 'goed' verlangd. Deze kwalificatie geldt ook voor 'slenteren' wanneer een hoofdentree van een gebouw ineen dergelijk gebied is gelegen.
54 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Welke effecten treden op in samenhang? In de verschillende aanmeldingsnotities m.e.r.-beoordeling is ingegaan op het effect van windhinder in het gebied. De gemeente Eindhoven heeft een eigen Hoogbouwbeleid. Hierin is aangegeven dat op locatieniveau wordt gevraagd om een Hoogbouw Effect Rapportage (HER) op te stellen waarin het effect van het gebouw op het windklimaat op de locatie wordt beschreven. Ten behoeve van de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Lichthoven fase 1 Kavel C en D is een windonderzoek uitgevoerd. Voor het beschrijven van de cumulatieve effecten van de zestal ontwikkelingen samen is het windonderzoek voor Lichthoven fase 1 Kavel C en D als basis genomen. Dit windonderzoek is de meest recente onder de windonderzoeken van de afzonderlijke ontwikkelingen en bevat alle zes ontwikkelingen in het model (afbeelding 4.3).
Afbeelding 4.3 Impressie windmodel voor de windonderzoek Lichthoven Kavel C en D (Actiflow, 2020).
Openbare ruimte voldoet aan de ondergrens van de kwaliteitseis vanuit Eindhovense beleid Het windonderzoek is uitgevoerd volgens de voorgeschreven NEN‐norm (NEN 8100:2006 nl ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving). - er is geen windgevaar of een beperkt risico hierop aanwezig in de nabijheid van alle bouwvolumes. - aan de hoeken van de nieuwbouw zijn enkele zones aanwezig die meer windrijk zijn. Hier worden de criteria conform het Eindhovens beleid niet overschreden bij blok C en D. Er kan echter een meer luw klimaat worden voorzien door vegetatie in de leefzone toe te voegen. - na toevoeging van blokken C en D kent de directe omgeving een luw windklimaat. · het windklimaat aan de noordwestzijde van blok C en D, het gebied tussen blok C en D en zuidoostzijde van blok D is luw met overwegend windhinderklasse A. Hierdoor kunnen alle gewenste activiteiten comfortabel worden uitgevoerd conform het Eindhovends beleid; · nabij de entreegebieden is het windklimaat acceptabel conform het Eindhovends beleid. Als gevolg van de realisatie van Edge zal er met name bij een noordenwind en noordoostenwind sprake kunnen zijn van hogere windsnelheden ter plaatse van de plint tussen de toren en de overige gebouwdelen. Deze windrichtingen komen vrij weinig voor op de locatie van het voornemen.
Bij de meest voorkomende windrichting (WZW-wind) zorgt de hoogbouw op zo’n 600 m van het voornemen tot minder overlast in en rondom het gebied. Aandachtspunten De toename van de gebouwhoogtes van de zestal ontwikkelingen zal windhinder tezamen wel versterken door een toename van wind1 (afbeelding 4.4). Windhinder in de openbare ruimte als gevolg van de nieuwe stedelijke configuratie dient te worden voorkomen. 1
Twee redenen voor een toename van windhinder door hoogbouw:
55 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
De volgende aandachtspunten gelden met betrekking tot windhinder: - regio's met windhinderklasse D worden toegeschreven aan de versnelling van de stroming rond de hoeken van het gebouw (hoekstroomeffect), maar ook als gevolg van de positionering van de nabijgelegen gebouwen (tabel 4.5); - met name de toren ten westzuidwesten van kavel C en D en het Student Hotel beïnvloeden (gedeeltelijk) het windklimaat in de directe nabijheid van de nieuwbouw en het gebied ten zuiden van het station Eindhoven Centraal (op het Stationsplein); - maatgevend voor de optredende windhinderklasse zijn de horizontale stromingen op het Stationsplein welke versnellen in de vernauwingen ten westen en ten zuiden van Lichthoven kavel A; - er worden kleine zones met een beperkt risico op windgevaar gevonden. De zone bij het Student Hotel zou aanleiding kunnen geven om hiervoor maatregelen te voorzien mits er in de buurt een gebouwentrée aanwezig is. Om het aanwezig zijn van windhinderklasse D in bepaalde gebieden te voorkomen worden passende maatregelen aanbevolen binnen de verschillende windonderzoeken.
Afbeelding 4.4 Windhinder op voetgangersniveau conform Windhinder klasse Eindhovense beleid windhinder (Actiflow, 2020)
Tabel 4.5 Resultaat windonderzoek ten opzichte van Eindhovense beleidsregel windhinder Ontwikkeling
Locatie
Kwaliteitseis
Ondergrens kwaliteitseis (beleid)
Voldoet aan beleid
Lichthoven fase 1 kavel A
Openbare ruimte
C
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Ja
Entree
C
kwaliteitseis B bij de activiteit slenteren
Nee
Hoeken
D
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Nee
A. De windsnelheid aan het aardoppervlak is altijd nul en neem toe met hoogte. Een hoog gebouw heeft dus bovenaan hogere windsnelheden te verwerken en zorgt ervoor dat de druk op de gevel veel is. Vanuit dat hoge drukpunt gaat die lucht, windstroom naar beneden waar minder hoge druk is. B. De combinatie van smalle straten en hoogbouw kan resulteren in een wind-tunneleffect en daarmee een toename van wind op menselijke maat.
56 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Ontwikkeling
Locatie
Kwaliteitseis
Ondergrens kwaliteitseis (beleid)
Voldoet aan beleid
Lichthoven fase 1 kavel B
Openbare ruimte
C
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Ja
Lichthoven fase 1 kavel C en D
Openbare ruimte
A
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Ja
Hoeken
C
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Ja
Lichthoven fase 2 (Edge)
Openbare ruimte
A
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Ja
District-E
Openbare ruimte
C
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Ja
Hoeken
D
kwaliteitseis C bij de activiteit doorlopen
Nee
Mitigerende maatregelen De hierna genoemde aanbevelingen zijn bedoeld om het windcomfort te verbeteren. Het lokale windklimaat kan worden geoptimaliseerd op basis van mitigerende maatregelen. Deze zijn afhankelijk van de functie van het gebied. De belangrijkste aandachtspunten zijn aanwezig op de hoeken van het bouwvolume. -
-
maatregelen voor Lichthoven fase 1 en 2: om de zones met windhinderklasse D te verminderen alsmede de zone met beperkt risico op windgevaar te verkleinen of zelfs kwijt te raken wordt aanbevolen om vegetatie te plaatsen rondom de zuidwesthoek van het gebouw en de entree. Er wordt aanbevolen om hier vegetatie met een afwisselende hoogte (struiken: 2 tot 3 m, bomen: 5 tot 8+ m), opbouw (kruin hoog of laag) en ook porositeit (wintergroen of bladverliezend) toe te passen. Daarnaast wordt aanbevolen om lagere vegetatie toe te passen op het Stationsplein en nabij de vernauwingen ten westen en ten zuiden van kavel A (groenblijvende hagen/struiken 1,5 tot 3 m hoogte); maatregelen voor District-E: bij het ontwerp van de torens van District E is rekening gehouden met windhinder. Het ontwerp is daarop aangepast ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp. Het terugleggen van de torengevel ten opzichte van de plintgevel beperkt windhinder of - gevaar op maaiveldniveau.
De aanbevelingen worden meegenomen in het inrichtingsplan. Dit inrichtingsplan wordt momenteel integraal opgesteld voor de gebiedsontwikkeling Lichthoven. Om de uitvoerbaarheid hiervan te garanderen, wordt in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen om het inrichtingsplan uit te voeren en in stand te houden. Met de gemeente is afgesproken dat zij met deze aanbevelingen rekening houden bij het herinrichten van het Stationsplein. Door het toepassen van de hierboven genoemde aanbevelingen worden negatieve effecten uitgesloten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de nieuwbouw voldoet aan het Eindhovens beleid in relatie tot het windklimaat voor voetgangers in het openbaar gebied. Windhinder levert geen negatieve milieueffecten op, mits bij het ontwerp met de aanbevelingen uit de uitgevoerde onderzoeken rekening wordt gehouden. Vegetatie rondom de ruimtelijke ontwikkelingen hebben een positieve invloed op het lokale windklimaat. Er is met name een positief effect in de lente en zomer wanneer de bomen bladdragend zijn. Bij het inrichtingsplan voor de openbare ruimte kan het toevoegen van vegetatie zorgen voor een afname van windhinder. Ten behoeve van het inrichtingsplan is het advies om nogmaals voor het gehele gebied een windhinderonderzoek te laten uitvoeren om te toetsen of de beoogde maatregelen inderdaad op gebiedsniveau leiden tot het gewenste windklimaat.
57 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
4.13
Sloop- en aanlegwerkzaamheden
Wat is het potentiële effect? In het gebied moeten bestaande bebouwing en parkeerterreinen worden gesloopt en nieuwe bebouwing worden gerealiseerd. Hierbij ontstaat hinder voor de omgeving, vooral door extra verkeersbewegingen en geluid vanwege de sloop- en bouwactiviteiten. Sloopafval moet worden afgevoerd en bouwmaterialen worden aangevoerd. De effecten zijn per definitie tijdelijk. Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? In het planMER uit 2011 staat geen effectbeschrijving en beoordeling voor sloop- en aanlegwerkzaamheden. Wel is het volgende opgenomen: Stationslocatie Zuid-Oost is geen gebied met archeologische verwachtingswaarde. Sloop- en grondwerkzaamheden zullen niet leiden tot schade aan archeologische waarden in de ondergrond (paragraaf 3.5.2). Welke effecten treden op in samenhang? De hinder van sloop- en aanlegwerkzaamheden wordt sterk bepaald door de fasering van de realisatie van de verschillende kavels. Tegelijkertijd moeten de betrokken aannemers zich houden aan het Bouwbesluit 2012. De bepalingen hierin zijn maatgevend voor de hinder. Aanlegfase De realisatie van de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zal gefaseerd plaatsvinden, zodat de bouwhinder gespreid wordt.
De gemeente coördineert de bouwfasering, zodat de bouwwerkzaamheden zodanig gespreid worden uitgevoerd, dat de sloop- en aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd conform het Bouwbesluit 2012. Hiermee wordt rekening gehouden met de omliggende woningen. Verder worden afvalstoffen vervoerd naar een erkende verwerker. Een integraal BLVC team is opgericht welke op basis van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie afwegingen maakt m.b.t. de bouwlogistiek. Er is een ontwerp voor de tijdelijke inrichting met aparte routing t.b.v. bouwverkeer, waarbij het bouwverkeer via de Vestdijktunnel het gebied in en uitrijdt en daarmee o.a. de Fuutlaan en het drukke fietspad richting TU mijdt. Ook worden bouwplaats inrichtingen op elkaar afgestemd om de veiligheid en goed gebruik van de openbare ruimte te regelen. Daarnaast is er een integraal communicatieplan en strategie opgezet om te zorgen voor heldere en duidelijke gebiedsgerichte communicatie. Significant negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen met deze maatregelen worden uitgesloten. Conclusie De sloop- en aanleg veroorzaken geen belangrijke negatieve effecten voor het milieu. Belangrijke voorwaarde hiervoor is een gecoördineerde bouwfasering, gericht op vermindering van hinder en overlast.
4.14
Niet-Gesprongen Explosieven
Wat is het potentiële effect? Bij de aanleg van de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen niet gesprongen explosieven worden aangetroffen. Welke autonome ontwikkelingen spelen er rondom Niet-Gesprongen Explosieven in het gebied? De gemeente Eindhoven is tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen door bombardementen en beschietingen. Bij grondroerende werkzaamheden worden nog steeds conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen. Gezien de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Stationslocatie ZuidOost heeft de gemeente Eindhoven een vooronderzoek Conventionele Explosieven (vooronderzoek CE) uitgevoerd. Welke effecten treden op door de ontwikkelingen?
58 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? Niet-gesprongen explosieven zijn niet onderzocht in het MER uit 2011. Welke effecten treden op in samenhang? Onderzoek niet gesprongen explosieven voor Distict E moet nog plaatsvinden. Lichthoven fase 1 (kavel A, B, C en D) en 2 (EDGE) Op basis van de analyse (Bombsaway) is Lichthoven (fase 1 en 2) gedeeltelijk verdacht op het aantreffen van conventionele explosieven in de bodem (Bobs Away, 2019). Het gebied is verdacht op afwerpmunitie en submunitie afkomstig van de bombardementen op 6 december 1942 en 19 september 1944. Uit de resultaten van het stadsbrede vooronderzoek van Bombs Away is gebleken dat binnen het in deze PLS weergegeven projectgebied CE in de vorm van diverse gewichten afwerpmunitie van zowel Duitse als geallieerde origine met een maximum van 500 kilogram kunnen zijn achtergebleven. In een PLS-CE (projectleiderssamenvatting CE) is nagegaan in hoeverre op de projectlocatie Lichthoven A, C en D sprake is van de mogelijke aanwezigheid van CE. In 2014 is voor de ontwikkelingslocatie Lichthoven door de firma Expload een projectgebonden risicoanalyse (hierna: PRA) opgesteld. In deze PLS-CE zijn de resultaten van de PRA uit 2014 en het stadsbrede vooronderzoek uit 2019 vergeleken en beoordeeld.
Vanuit OCE-oogpunt kunnen voorgenomen werkzaamheden vanaf een diepte van 1,00m-MV niet zonder beperkende maatregelen worden uitgevoerd.
Afbeelding 4.5 CE-Bodembelastingkaart van het onderzoeksgebied Stationsplein Zuid-Oost/Lichthoven. Bron: Bombs Away, 2019)
De ondergrondse fietsenstalling Uit het historisch vooronderzoek CE van Bombs Away B.V./IDDS Explosieven B.V. voor de gemeente Eindhoven, blijkt dat het projectgebied in een gebied ligt dat verdacht is op het aantreffen van Conventionele Explosieven (CE).
59 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Na het vaststellen van de verdachte gebieden is een algemene risicoanalyse uitgevoerd voor de ontwikkeling de ondergrondse fietsenstalling. Binnen het proces van de WSCS-OCE volgt de Risicoanalyse CE na het vaststellen van het op CE verdachte gebied middels een vooronderzoek. Volgens de Algemene Risicoanalyse Conventionale Explosieven kunnen de te verwachten CE tijdens de geplande werkzaamheden middels toucheren of verplaatsen geïnitieerd worden. In relatie tot de reeds naoorlogs geroerde gronden vormen de volgende werkzaamheden, met betrekking tot de verdacht afgebakende gebieden, een risico-element: 1 het (eventueel) uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek; 2 het aanleggen van de ondergrondse fietsenstalling ter hoogte van het Stationsplein; 3 het (eventueel) toepassen van bemaling; 4 het toepassen van damwanden voor de ondergrondse (fiets)kelder; 5 het leggen van kabels en leidingen en riolering; 6 het aanleggen van water/de Gender langs de noordkant van de Stationsweg; 7 het herinrichten van het terrein qua bermen, wegwijzerborden en lichtmasten.
Afbeelding 4.6 CE-Bodembelastingkaart van het onderzoeksgebied De ondergrondse fietsenstalling. Bron: Bombs Away, 2020)
In de verdachte gebieden worden de volgende stappen ondernomen om de veiligheid voor de medewerkers te borgen: - (indien nog niet gedaan) het laten uitvoeren van een Projectgebonden Risicoanalyse voor het verdacht gebied door een daarvoor gecertificeerd bureau; - het laten uitvoeren van detectiewerkzaamheden (bijvoorbeeld bodemonderzoek middels Ground Penetrating radar; - het opstellen van een strategie die aangeeft op welke wijze wordt omgegaan met de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in de ondergrond; Conclusie Uit het historisch vooronderzoek CE, blijkt dat het projectgebied in een gebied ligt dat verdacht is op het aantreffen van Conventionele Explosieven (CE). Om de veiligheid voor de medewerkers te borgen tijdens de aanleg van de ruimtelijke ontwikkelingen zijn er toereikende maatregelen.
60 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
4.15
Bodemenergiesystemen
Wat is het potentiële effect? Bij de aanleg van de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effecten op bestaande bodemenergiesystemen optreden. Welke autonome ontwikkelingen spelen er rondom bodemenergiesystemen in het gebied? Het is niet bekend welke bodemenergiesystemen er in het gebied reeds aanwezig zijn (nog checken) Welke effecten treden op door de ontwikkelingen? Welke effecten waren in het MER uit 2011 voorzien? Effecten op bodemenergiesystemen zijn niet onderzocht in het MER uit 2011. Welke effecten treden op in samenhang? Het voornemen bestaat om Edge Eindhoven duurzaam te klimatiseren met een open bodemenergiesysteem. Het doel van de activiteit is om het gebouw op een zo duurzaam mogelijke manier te voorzien van koeling en verwarming. Indien de koeling en verwarming niet duurzaam uitgevoerd worden, wordt het gebouw gekoeld met bijvoorbeeld conventionele koelsystemen (elektrische koelmachines) en conventioneel verwarmd (verwarmingsketels). Hierbij wordt meer elektriciteit en gas verbruikt en vindt een grotere uitstoot van broeikas- en eutrofiërende gassen plaats. De Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant heeft besloten (zie besluit m.e.r.beoordeling Edge 23 januari 2020 bijlage 15) dat er geen sprake is van een activiteit die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en het opstellen van een m.e.r. voor deze activiteit niet noodzakelijk is.
Conclusie Uit de m.e.r.-beoordeling en effectenstudie blijkt dat het beoogde bodemenergiesysteem van Edge Eindhoven andere belangen niet schaadt. Hierdoor wordt dit thema als neutraal beoordeeld.
4.16
Conclusie soort en kenmerken van het potentiële effect
In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten besproken. Daaruit blijkt dat er op tal van thema’s effecten optreden. In de afzonderlijke plannen met bijbehorende m.e.r.-beoordelingen zijn deze effecten beschreven en zijn de nodige randvoorwaarden opgenomen en diverse mitigerende en compenserende maatregelen getroffen. Wanneer specifiek gekeken wordt naar de potentiële cumulatieve effecten van de ontwikkelingen gezamenlijk vallen de aanlegeffecten, effecten door windhinder, de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000 en de effecten op grondwater op. Voor deze vier onderwerpen dienen aanvullende maatregelen getroffen te worden om belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van cumulatie te voorkomen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de potentiële effecten en aanvullende maatregelen die nodig zijn.
61 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Tabel 4.6 Overzicht van effecten en benodigde maatregelen. Thema’s
Is er sprake van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen?
Verkeer en parkeren
Nee, de toename van het wegverkeer door de ontwikkelingen wordt ruim gecompenseerd door de autonome afname van wegverkeer in het gebied en omgeving. Daarnaast wordt ingezet op alternatieve duurzame vervoerswijzen als lopen, OV, fiets en deelmobiliteit.
Geluid
Nee, het extra wegverkeer in combinatie met een snelheidsverlaging leidt tot een geringe toename of zelf een afname van wegverkeerslawaai. Bovendien vindt dit plaats tegen een achtergrond van een autonome afname van wegverkeer en daarmee wegverkeerslawaai in het gebied (zie hierboven). Het industrielawaai vanuit het emplacement leidt niet tot relevante cumulatieve effecten. Voor railverkeerslawaai is de geluidbelasting op de west- en oosttoren van district E relevant. Cumulatie met de andere ontwikkelingen door reflectie van gevels van naastgelegen ontwikkelingen is onaannemelijk.
Luchtkwaliteit
Het extra wegverkeer in combinatie met de snelheidsverlaging leidt ten hoogste tot een beperkte toename van luchtverontreinigende stoffen. De luchtkwaliteit in het gebied en omgeving verbetert afgelopen jaren autonoom sterk en voldoet al ruimschoots aan de grenswaarden.
Externe Veiligheid
Nee, al heeft met name de toename van het groepsrisico potentieel belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze effecten zijn echter reeds gesignaleerd in het MER uit 2011 en opnieuw in samenhang met de aangrenzende ontwikkelingen in de afzonderlijke m.e.r.-beoordelingen in beeld gebracht. De verdere stijging van het groepsrisico tot ver boven de oriëntatiewaarde is door een uitgebreide verantwoording in samenwerking met de veiligheidsregio tot stand gekomen. Diverse maatregelen zijn getroffen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.
Bodem
Nee, de aanwezige bodemverontreinigingen worden waar nodig gesaneerd via de daarvoor voorgeschreven procedures..
Water
Nee, de toename van de verharding in het gebied wordt per ontwikkeling gecompenseerd. Door het toepassen van gescheiden hemelwaterafvoer verslechtert de waterkwaliteit niet. In de aanlegfase vormt opstuwing van het grondwater rondom District-E een aandachtspunt dat oplosbaar lijkt. In de aanlegfase bestaat een risico op het verplaatsen van verontreinigd grondwater door bemaling van grondwater tijdens het bouwen van parkeergarages in kelders. In het bestemmingsplan van alle kavels is een verbod op ondergronds bouwen opgenomen, waarvan kan worden afgeweken als uit geohydrologisch onderzoek blijkt dat negatieve effecten uitgesloten kunnen worden
1 Aanvullend op de maatregelen in de afzonderlijke m.e.r.-beoordelingen.
62 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Welke aanvullende1 maatregelen, randvoorwaarden of stappen zijn nodig of wenselijk?
De gemeente maakt afspraken met partijen (ook over de fasering), zodat de bouwvoorschriften uit het Bouwbesluit 2012 kunnen worden nageleefd.
De ontwikkelingen dienen gefaseerd te worden gerealiseerd en er dient bij iedere omgevingsvergunning te worden aangetoond dat er geen onevenredige beïnvloeding is van de waterhuishouding. Zo wordt voorkomen dat cumulatie van verlaging van het grondwater tot problemen zal leiden. Daarnaast hebben al deze voorzieningen ook een permanente invloed op de grondwaterstroming. Het betreft niet alleen de kelders, maar ook eventuele damwanden die achter blijven in de bodem.
Thema’s
Is er sprake van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen?
Welke aanvullende1 maatregelen, randvoorwaarden of stappen zijn nodig of wenselijk? Ook hiervoor dient bij iedere omgevingsvergunning te worden aangetoond dat er geen onevenredige beïnvloeding is van de waterhuishouding. Zo wordt voorkomen dat cumulatie van opstuwing van het grondwater tot problemen zal leiden. Bronbemalingswater moet indien nodig worden gezuiverd. Bij het risico op te grote tijdelijke grondwaterstandsdaling, moet retourbemaling worden toegepast.
Ecologie (inclusief effecten stikstof)
Nee, effecten op Natura 2000, Natuurnetwerk Brabant en beschermde soorten zijn uitgesloten mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden vanwege tijdelijke stikstofdepositie door de aanlegfase van het planvoornemen zijn uitgesloten op grond van de redeneerlijn mobiele werktuigen. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden vanwege permanente stikstofdepositie door de gebruiksfase van het planvoornemen zijn voor alle projecten uitgesloten. Voor zover nodig, kan voor de afzonderlijke projecten een vergunning Wet natuurbescherming worden verkregen.
Naast de nu in de afzonderlijke plannen opgenomen mitigatie wordt aanbevolen de kwaliteit en de staat van de Dommel als ecologische verbindingszone verder te versterken. Coördinatie van ontwikkelingen in de aanlegfase is noodzakelijk om te waarborgen dat de mitigerende en compenserende maatregelen daadwerkelijk getroffen kunnen worden.
Voor het Natuurnetwerk Brabant kunnen potentiële effecten worden voorkomen door voorafgaand de bouw via geohydrologisch onderzoek aan te tonen dat ondergronds bouwen geen externe werking heeft op NNB. Daarnaast geldt als voorwaarde dat groene elementen uit het NNB niet aangetast worden. Voor beschermde soorten geldt dat onder voorwaarde van toepassing van het activiteitenplan voor kavel C+D en het in acht nemen van de algemene zorgplicht uit de Wnb geen belangrijk nadelige effecten optreden. Cultuurhistorie en archeologie
Nee, er wordt bij de herinrichting van het stationsgebied rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van het station. Archeologische waarden worden niet verwacht, maar wanneer deze bij de graafwerkzaamheden toch onverhoopt worden aangetroffen, worden deze gemeld en afgehandeld volgens de archeologische monumentencyclus.
Trillingen
Nee, alleen voor District E treedt een licht verhoogde mate van trillinghinder op die de streefwaarden overschrijdt. De duur is beperkt en voor een beperkt deel van de woningen. De bewoners/eigenaren worden hierover geïnformeerd. Deze effecten cumuleren niet tussen de ontwikkelingen. Trillinghinder tijdens de aanleg kan wel cumuleren omdat er over meerdere jaren en mogelijk gelijktijdig werkzaamheden plaatsvinden in het gebied. Coördinatie van bouwwerkzaamheden is noodzakelijk
63 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
Coördinatie van de werkzaamheden in de aanlegfase is noodzakelijk om cumulatieve effecten van trillinghinder te voorkomen.
Thema’s
Is er sprake van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen?
Welke aanvullende1 maatregelen, randvoorwaarden of stappen zijn nodig of wenselijk?
Bezonning
Nee, het gebied ligt ten noorden van de woningen ten zuiden van de stationsweg. Daardoor treedt schaduwwerking voornamelijk op tussen de ontwikkelingen in het gebied en op het station en het spoor. De woningen ten zuiden van de stationsweg ondervinden geen verandering aan de huidige situatie door de nieuwe gebouwen ten noorden van de Stationsweg.
Windhinder
Nee, windhinder neemt toe maar voldoet in het algemeen aan het Eindhovens beleid voor windklimaat mits de nu aanbevolen mitigerende maatregelen daadwerkelijk worden toegepast in het inrichtingsplan.
Geadviseerd wordt het nog uit te werken inrichtingsplan nogmaals voor het gehele gebied te onderzoeken op windhinder. Dit om vast te stellen of de beoogde maatregelen inderdaad op gebiedsniveau leiden tot het gewenste windklimaat.
Sloop- en aanlegwerkzaamheden
Nee, de sloop- en aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd conform het bouwbesluit 2012.
Om cumulatieve effecten tijdens de bouw te voorkomen is het nodig werkzaamheden te coördineren voor in ieder geval verkeershinder, trillingen, grondwater en ecologie (zie betreffende thema’s)
Niet gesprongen explosieven
Nee, de verdachte gebieden worden onderzocht conform de daarvoor geldende procedures. Explosieven worden waar nodig verwijderd.
Bodemenergie
Nee, uit de m.e.r.-beoordeling en effectenstudie blijkt dat het beoogde bodemenergiesysteem van Edge Eindhoven andere belangen niet schaadt.
Kanttekeningen bij het onderzoek Voorliggende cumulatienotitie is opgesteld op basis van de informatie die beschikbaar was uit de diverse onderliggende m.e.r.-beoordelingen voor de afzonderlijke projecten. De effecten zijn met zorg beschreven op basis van de informatie uit de aanmeldingsnotities m.e.r.-beoordeling van de zes ruimtelijke ontwikkelingen met de achterliggende bijlagen en de toelichting van de verschillende bestemmingsplannen. Als effecten of maatregelen om effecten te verkleinen of te vermijden afwijken ten opzichte van de achterliggende stukken (o.a. afzonderlijke m.er.-beoordelingsnotities), prevaleert de inhoud van de achterliggende stukken met uitzondering van de aanvullende maatregelen die in deze notitie worden voorgesteld. De cumulatienotitie is een globale beschouwing van cumulatieve effecten waarvoor geen aanvullende berekeningen of verdiepende analyses zijn uitgevoerd, met uitzondering voor de thema’s verkeer en parkeren. Voor verkeer en parkeren is gebruik gemaakt van de koepelnotitie mobiliteit en parkeren (gemeente Eindhoven, 2021) die is opgesteld door de gemeente op basis van waarnemingen en prognoses. Dit geeft een goede indicatie van de te verwachten cumulatieve effecten. Er is echter geen overkoepelende verkeersmodelberekening uitgevoerd waarmee de cumulatieve effecten gedetailleerder en met een hogere betrouwbaarheid weergeven kunnen worden.
Ook voor de thema's luchtkwaliteit en geluid is gebruik gemaakt van de beschouwing uit de koepelnotitie in combinatie met waarnemingen en trendanalyse van geluidsniveaus en concentraties luchtverontreinigende stoffen. Vanwege de nog onbekende fasering tussen de ontwikkelingen zijn de effecten op grondwaterkwaliteit (verplaatsing verontreinigingen in het grondwater) en -kwantiteit (overlast door te hoog grondwater of kans op schade door te lage grondwaterstanden) niet precies bekend. De grondwaterkwaliteit kan ook van
64 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
invloed zijn op de externe werking van het NNB in de Dommelzone. Vanwege deze kennisleemte is het noodzakelijk om voorafgaand aan de feitelijke bouw grondwatereffecten van District-E in beeld te brengen en waar nodig maatregelen te treffen. Daarnaast is er nader integraal geohydrologisch onderzoek en coördinatie tussen de werkzaamheden in de ondergrond nodig om te voorkomen dat er tijdens de aanleg grondwaterproblematiek ontstaat. Conclusie De zes ontwikkelingen in Stationslocatie Zuid-Oost zijn zekerheidshalve in samenhang beschouwd in deze cumulatienotitie. De vraag is of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Onder de voorwaarden uit de onderliggende m.e.r.-beoordelingen en de aanvullende voorwaarden uit deze cumulatienotitie op het gebied van aanlegeffecten, windhinder, grondwater en stikstofdepositie op Natura 2000, zijn belangrijke cumulatieve milieueffecten uit te sluiten.
65 | 70
Witteveen+Bos | 126265/21-007.123 | Definitief |
5 CONCLUSIE De zes ontwikkelingen in Stationslocatie Zuid-Oost zijn volledigheidshalve in samenhang beschouwd in deze cumulatienotitie. De vraag is of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Onder de voorwaarden uit de onderliggende m.e.r.-beoordelingen en de aanvullende voorwaarden uit deze cumulatienotitie op het gebied van aanlegeffecten, windhinder, grondwater en stikstofdepositie op Natura 2000, zijn belangrijke cumulatieve milieueffecten uit te sluiten. Kenmerken van het project In hoofdstuk 2 zijn de kenmerken van het project besproken. Het gaat om zes ontwikkelingen met in totaal ongeveer 1.100 woningen, 800 eenheden hotel/shortstay, 5.900 m2 commerciële functies (horeca/detailhandel) en 53.700 m2 kantoren. Door de aard en kenmerken van deze ontwikkelingen zijn effecten op de fysieke leefomgeving niet uit te sluiten. Het gaat om een breed palet van effecten als gevolg van functieverandering, ruimtebeslag, ingrepen in de ondergrond, wijzigende verkeersstromen en daarmee samenhangende emissie. Er kunnen zowel tijdelijke effecten (in de aanlegfase) als langdurige of permanente effecten (toename verkeer of aantasting functies of waarden) optreden. Het is daarom nodig om te kijken naar de locatie van de voorgenomen activiteit en de aanwezige waarden (hoofdstuk 3), om daarna de effecten en de waarden te kunnen koppelen en toetsen (hoofdstuk 4).