CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

21bst00182 - Bijlage 1 - Bp Stationsplein Zuid (District-E)

Raadsvergadering 22 juni 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Stationsplein (District-E)36.449 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Aan dit gebied stelt de visie vanuit het oogpunt van externe veiligheid de volgende voorwaarden: Geen risicovolle bedrijven toegestaan; Gebieden met grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen van woningen en kantoren; Kwetsbare objecten > 30 m uit de transportas; Functies voor beperkt zelfredzame groepen > 200 m uit transportas; Evenementen > 200 m uit transportas (met uitzondering van daartoe bestemde gebouwen/ruimtes); Zelfredzaamheid en beheersbaarheid worden op peil gebracht en restrisico's worden door het college van B&W acceptabel bevonden. 4.5.3

Toepassing plangebied

Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het spoor, de spoorlijn Boxtel Eindhoven. Daarnaast is een kwetsbaar object gedeeltelijk binnen het PAG geprojecteerd. Dit is niet in de lijn met de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid. Transport over spoor Voor dit plan dient conform de wet- en regelgeving het plaatsgebonden risico, het vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

69

plasbrandaandachtsgebied en het groepsrisico van de spoorlijn onderzocht te worden. Hiervoor is een kwantitatieve risicoanalyse van de spoorlijn opgesteld. Deze risicoanalyse maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Hieronder zijn de conclusies van de kwantitatieve risicoanalyse van de spoorlijn beschreven. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van de spoorlijn is ter hoogte van het plangebied 1 meter gemeten vanaf het hart van de spoorlijn. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 10 meter. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. PAG Het PAG betreft een gebied van 30 meter gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf, het plangebied ligt hier deels binnen. De voet van toren west en oost liggen voor ongeveer 10 meter binnen het PAG van de spoorlijn. Wat betreft de te nemen maatregelen is hier verder op ingegaan in de verantwoording van het groepsrisico. Groepsrisico Het groepsrisico van de spoorlijn ligt zowel in de huidige situatie als na realisatie van het plan boven de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt ten gevolge van de geplande ontwikkeling toe. Het groepsrisico neemt toe van 2,6 keer de oriëntatiewaarde naar 9,2 keer de oriëntatiewaarde. Deze toename is meer dan 10% en wordt veroorzaakt door het plan; een toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied van het tracé.

De verantwoording van het groepsrisico is vastgelegd in een aparte rapportage (Verantwoording groepsrisico Bestemmingsplan District-E) die als bijlage deel uitmaakt van dit bestemmingsplan. Ook is advies gevraagd aan de Veiligheidsrisico Brabant-Zuidoost. 4.5.4

Verantwoording groepsrisico

Conform het Bevt (artikel 8) dient voor het plangebied door bevoegd gezag een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden voor de risico's als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Daarnaast dient op basis van artikel 7 van het Bevt advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant. In opdracht van de initiatiefnemer is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Deze verantwoording maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. In deze verantwoording is onder andere aangegeven welke mogelijke externe veiligheidsmaatregelen genomen kunnen worden (bron- en ruimtelijke maatregelen). De haalbaarheid van bronmaatregelen is kwalitatief beoordeeld en gebleken is dat de bronmaatregelen niet haalbaar zijn. Ook niet alle geïnventariseerde ruimtelijke maatregelen zijn haalbaar. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de bijlage. Pre-advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost Tijdens een vooroverleg heeft de veiligheidsregio Brabant- Zuidoost geadviseerd om in het ontwerp en de verantwoording van het groepsrisico de volgende elementen mee te nemen (kernwaarden): 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Samen werken aan een veiligere leefomgeving; Afstand tot de risico's vergroot de veiligheid; Bebouwing en omgeving bieden bescherming; De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; Iedereen is bekend met de risico's en weet hoe te handelen als het mis gaat.

Aan de eerste kernwaarde is invulling gegeven door het voeren van overleggen met de betrokken partijen over het aspect externe veiligheid. Met de tweede en derde kernwaarden zijn waar mogelijk rekening gehouden (hoofdstuk 4 van de bijlage). Aan de kernwaarden vier, vijf en zes is invulling gegeven (paragraaf 5.4 van de bijlage). Tevens heeft de veiligheidsregio op verzoek van de gemeente Eindhoven enkele adviezen gegeven over de veiligheidsmaatregelen en wat de veiligheidsregio bij uitvoering van deze maatregelen nog kan betekenen ten aanzien van de mogelijkheden tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Deze 70

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

adviezen zijn in de bijgevoegde rapportage verwerkt. Hieronder worden de elementen van de verantwoording van het groepsrisico beschreven waarin rekening is gehouden met bovengenoemde kernwaarden zoals aangegeven door de Veiligheidsregio Brabant- Zuidoost. Groepsrisico en personendichtheid Het groepsrisico ligt zowel in de huidige situatie als na realisatie, van de geplande ontwikkeling, ruim boven de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt toe van 2,6 maal de oriëntatiewaarde tot 9,2 maal de oriëntatiewaarde. Deze toename is meer dan 10% en wordt veroorzaakt door een sterke toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De personendichtheid binnen het plangebied is hoog (meer dan 80 personen per hectare). Maatregelen Nut en noodzaak en alternatieve locatie De gemeente Eindhoven heeft in haar visie aangegeven het spoorzonegebied aan te wijzen als ruimtelijk ontwikkelingsgebied voor woningen en recreatie. Dit past in de visie van de gemeente dat het stationsgebied bedoeld is voor verbinden en te verblijven (zie ook paragraaf 3.4.3 Ontwikkelingsvisie Stationsgebied: verbinden en verblijven 2005). Dit past ook bij de ambities van de gemeente om invulling te geven aan de doelstellingen van Brainport (zie ook paragraaf 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte over het nationale belang van de Brainportregio).

Het plan District-E geeft invulling aan de visie en de ambities van de gemeente. Van een alternatieve locatie is daarom geen sprake. Maatregelen voor beperking groepsrisico De volgende maatregelen zijn in het ontwerp toegepast ter beperking van het groepsrisico: Uitsluiten van woningen binnen een gebied van 30 meter vanaf het spoor (plasbrandaandachtsgebied). Dit is geregeld in artikel 6.1 van de regels. Uitsluiten van functies voor verminderd zelfredzame personen. Dit is geregeld in artikel 6.2 van de regels Waar mogelijk functies met hoge personendichtheden verder van het spoor af situeren. In de regels van dit bestemmingsplan (artikel 3.3.1.) is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en het in stand houden van een vloeistofgoot, tussen het spoor en de toekomstige bebouwing, die tevens is aangesloten op een opvangvoorziening met voldoende opvangcapaciteit. Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid De mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid verschillen per maatgevend scenario.

De volgende maatregelen zijn getroffen ter verbetering van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid: Opvang en afvoer van gevaarlijke vloeistoffen Voldoende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen Alarmering en ontruiming plangebied Maatregelen aan gebouwen: Brandwerende gevels; Brandbaarheid materialen; Stralingswerende beglazing; Explosiewerende draagstructuur en trappenhuizen; Vluchtroutes van het spoor af buiten PAG; Glasoppervlak beperken; Constructie deuren; Afsluitbare ventilatie; Risicocommunicatie vooraf.

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

71

4.5.5

Conclusie

Omdat er sprake is van een hoog groepsrisico is het voor de aanvaardbaarheid van het plan belangrijk dat deze maatregelen daadwerkelijk getoetst kunnen worden bij het bouwplan. Enkele onderdelen van deze maatregelen, zoals een opvang van vloeistoffen en de brandwerendheid van gevels zijn daarom opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Op deze manier kunnen strengere eisen worden gesteld in verband met het beperken van de gevolgen indien zich een calamiteit voordoet. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers - woningen, winkels, kantoren - mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. 1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk.

Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

72

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

1C) warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven. 2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur.

In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. 2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. 2B) geen afval In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. 2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. 2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier. 3.

Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? 3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan. vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

73

3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen. 4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt). 4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld.

We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress. 4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. 4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering.

Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

74

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

4.6.1

Toepassing plangebied

In twee overleggen tussen de gemeente en initiatiefnemer is gesproken over de wijze waarop de gemeente het ontwerp van District-E gaat toetsen aan The Natural Step filosofie. Afgesproken is dat initiatiefnemer een toetsingskader opstelt, waarin prestatie-eisen zijn geformuleerd met de daarbij behorende toetsingsmiddelen/- methodieken. De prestatie-eisen komen voort en/of zijn deels opgenomen in de propositie 'Visie stationsplein Zuid Eindhoven' van mei 2017. Door Alba concepts is een memo opgesteld waar aan de hand van de in de propositie aangegeven thema's de prestatie-eisen zijn uitgewerkt. Deze memo maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. De thema's zijn: Klimaatrobuust duurzaam watersysteem; Geïntegreerd duurzaam energiesysteem; Gezonde aangename gebouwen en omgeving; Slimme circulaire materialisatie; Mobiliteit. Binnen de bovenstaande thema's zijn sub-thema's te onderscheiden. De sub-thema's zijn: Energie/CO2; Materialen; Klimaatadaptatie; Gezondheid & comfort; Mobiliteit; Biodiversiteit; Sociaal; Smart building/smart city. Voor de toetsingskaders van deze prestatie-eisen wordt verwezen naar de bijlage. Daarnaast is een memo opgesteld waarin de stand van zaken is aangegeven met betrekking tot het proces van duurzaamheidsmaatregelen waarbij maatregelen worden benoemd die invulling geven aan de toetsingskaders van de prestatie-eisen.

Per (sub-)thema worden duurzaamheidsmaatregelen benoemd die ingezet (kunnen) worden. Voor deze duurzaamheidsmaatregelen wordt verwezen naar voornoemde memo die als bijlage onderdeel uitmaakt van deze toelichting.

4.7

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Voor dit plangebied is een historisch en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken maken als bijlagen onderdeel uit van de toelichting. Historisch bodemonderzoek Hieruit blijkt het volgende: De uitgevoerde onderzoeken zijn uitgevoerd in de periode vanaf 2010 tot en met 2017. Een deel van de onderzoeken zijn verouderd (> 5 jaar), maar de resultaten van de meest recente onderzoeken zijn bruikbaar. Tegelijkertijd zijn deze niet volledig voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (onderdeel bouwen). Het meest recente bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN5740. Vooronderzoek heeft conform de NEN5725 plaatsgevonden om alle potentiële bodembedreigende activiteiten in beeld te brengen. Het onderzoek heeft zich met name gericht op de kwaliteit van de bovengrond en incidenteel de kwaliteit van de ondergrond tot een diepte van maximaal 2,0 m-mv. Kwaliteitsgegevens van diepere bodemlagen (grond) zijn niet bekend. Op de locatie zijn bodemlagen met bijmengingen met niet nader beschreven puinbijmengingen aanwezig. Daarnaast is lokaal in de bodem een sterk verhoogde vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

75

concentratie asbest aangetoond in zowel de grove als de fijne grondfractie. Delen van de locatie zijn hierdoor verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Asbestonderzoek conform de NEN5707 en NEN5897 heeft voor zover bekend niet of slechts gedeeltelijk plaatsgevonden. De aanwezigheid van minerale olie of een brandstofgerelateerde verontreiniging is zintuiglijk waargenomen maar analytisch niet bevestigd Op de locatie is een reeds bekende grondwaterverontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (vinylchloride) aanwezig. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging waar bij het huidige gebruik geen sprake is van onaanvaardbare risico's. Als gevolg van de aanwezigheid van de verontreiniging zijn beperkingen aan het gebruik van het terrein van toepassing. Er zijn geen aanwijzingen dat op de onderzoekslocatie sprake is van een verontreinigingsbron met VOCL. Naar aanleiding van de conclusies van het historisch bodemonderzoek is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd dat voorziet in: Het vaststellen van de milieu hygiënische kwaliteit van de ondergrond ter plaatse van het voorgenomen grondverzet. Het vaststellen of binnen het projectgebied sprake is van een asbestverontreiniging in de bovengrond. Het vaststellen of in de bodem een aantoonbare verontreinigingsbron aanwezig is voor de reeds bekende VOCl verontreiniging in het grondwater.

Aanvullend bodemonderzoek Op basis van de bevindingen tijdens de veldwerkzaamheden en de resultaten van de chemische analyses zijn de onderzoeksresultaten onderstaand samengevat: Ter plaatse van de onderzoekslocatie is de uit zand (en lokaal leem of veen) bestaande bodem tot een diepte van circa 2,0 m-mv sterk geroerd. In deze bodemlaag zijn lichte tot uiterste bijmengingen met bodemvreemd materiaal aangetroffen; De uit zand, leem en/of veen bestaande ondergrond is beoordeeld als niet-sterk verontreinigd. Er zijn maximaal (zeer) licht verhoogde concentraties zware metalen aangetoond. De kwaliteit van de uit zand bestaande ondergrond voldoet aan de kwaliteit Achtergrondwaarde. De uit veen bestaande ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse Industrie. Op de ontwikkellocatie is geen bron voor de VOCL verontreiniging aangetroffen; In de bodem onder de tegelverharding is de aanwezigheid van asbest bevestigd. De aangetroffen concentratie asbest ligt onder de saneringsnorm. Met uitvoering van het aanvullend onderzoek is, in combinatie met de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemkwaliteit ter plaatse van het projectgebied tot een diepte van 5 meter minus maaiveld in beeld gebracht. Ter plaatse van het eerder aangetoonde asbest in de bodem direct onder de tegelverharding is de aanwezigheid van asbest opnieuw bevestigd. Er is geen sprake van een asbestverontreiniging.

Op basis van deze onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat in de grond geen sprake is van een sterke verontreiniging. Er zijn binnen het projectgebied geen aantoonbare verontreinigingsbronnen aangetroffen voor de destijds vastgestelde VOCl verontreiniging in het grondwater. Bij het verrichten van (graaf)werkzaamheden in het verontreinigde pakket of bij uitvoering van bemalingswerkzaamheden ter plaatse dient hiervoor een saneringsprocedure in het kader van de Wet bodembescherming te worden doorlopen. Na de bodemsanering zijn er geen milieuhygiënische belemmeringen meer en vormt het omgevingsaspect bodem dan ook geen beletsel voor de realisatie van District-E.

76

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

4.8

Natuur

De Wet Natuurbescherming, hierna Wnb, biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden, hout en houtproducten. Aanwezigheid van beschermde gebieden of beschermde soorten en/of hun beschermde leefomgeving kan van invloed zijn op de uitwerking van bestemmingen. In het onderhavig plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In het kader van onderhavig plan worden ook geen negatieve effecten verwacht op elders gelegen Natura 2000-gebieden. Onderhavig bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de gunstige staat van instandhouding van beschermde planten- of diersoorten. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De notitie van de quickscan maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Deze notitie voorziet in een toets aan het soorten- en gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb aan de hand van een bureaustudie en een habitatgeschiktheidsanalyse. 4.8.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden onder het Natuur Netwerk Brabant (hierna NNB). In de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen beschermde gebieden die deel uitmaken van het NNB. Het dichtstbijzijnde NNB betreft de Dommel door Eindhoven, gelegen op ruim 300 meter afstand oostelijk van het plangebied. Gezien deze afstand van het plangebied tot de Dommel en verder weg gelegen gebieden en de mate waarin gebieden binnen een kilometer van het plangebied al verstoord zijn door licht, geluid en optische verstoring, is van externe werking ten aanzien van NNB-gebieden geen sprake. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 4,5 kilometer afstand van het plangebied en betreft Leenderbos, Groote Heide & Plateaux. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven ligt op 7 kilometer hemelsbreed. Gelet op deze afstanden zijn directe effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. De storingsfactoren die via externe werking mogelijk kunnen leiden tot effecten op de voor enig Natura 2000-gebied geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen geldt, eveneens dat voor NNB het geval was, dat tussenliggend landgebruik in combinatie met de afstand ervoor zorgt dat bedoelde effecten op voorhand zijn uitgesloten.

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

77

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde gebieden 4.8.2

Soortenbescherming

Op basis van raadpleging van verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna en overige openbaar beschikbare bronnen is een beeld gevormd van de in de regio voorkomende soorten. De habitatgeschiktheid van het plangebied en directe omgeving voor deze soorten is ingeschat met behulp van een oriënterend veldbezoek. Hieronder volgt per soortgroep kort een uitwerking van de bevindingen. Vaatplanten Er zijn geen beschermde vaatplanten aanwezig in het plangebied. Zoogdieren, inclusief vleermuizen Het plangebied voorziet op grond van geraadpleegde verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek niet in vaste verblijfplaatsen (holen, nesten, overige schuilplaatsen) van krachtens de Wnb beschermde zoogdiersoorten. Verder zijn er waarnemingen gedaan van de gewone dwergvleermuis en meervleermuis in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is vanwege de hoge verlichtingsgraad en afwezigheid van inheemse loofboomsoorten hoogstens een marginaal jachtgebied voor deze en andere in de omgeving voorkomende vleermuissoorten (bijvoorbeeld laatvlieger). Het is verder niet aannemelijk dat er paar- en verblijfplaatsen aanwezig zijn, omdat deze vaak in de (directe) nabijheid van geschikte leefgebieden aanwezig zijn. Daarnaast kan gesteld worden dat er geen indicaties zijn voor vleermuistoegankelijke danwel vleermuisgeschikte holtes in de aanwezige gebouwen.

Vleermuistoegankelijke spleten en kieren zijn ook niet aangetroffen. Tevens ontbreekt het aan geschikte bomen om als (semi)vaste paar- en verblijfplaats te dienen, omdat er geen vleermuisgeschikte holtes aanwezig zijn in de bomen in het plangebied. Het plangebied voorziet niet in functioneel leefgebied van beschermde zoogdier- en vleermuissoorten. Vissen In het plangebied is geen open water aanwezig, zodat het voorkomen van vissen danwel beschermde vissoorten uitgesloten is. Reptielen & Amfibieën In het plangebied zijn geen leefgebieden van beschermde reptielen en amfibieën aanwezig. Broedvogels Op grond van de aanwezige habitats en intensief beheerd groen is geconstateerd dat het plangebied nagenoeg ongeschikt is voor broedvogels, vanwege het intensieve gebruik, de geluidsbelasting en beperkte broedgelegenheden in bomen en gebouwen. Alleen de soorten die het beste zijn aangepast aan drukke stedelijke omgevingen zouden kunnen broeden in het plangebied, denk aan ekster, kauw en (hout)duif. Uitgevoerde veldinspectie wijst niet op het voorkomen van jaarrond beschermde nesten. Aanwezige bomen en gebouwen voorzien op het oog niet in geschikte structuren voor soorten met een jaarrond beschermd nest als gierzwaluw, huismus en sperwer. Ook zijn de aanwezige gebouwen ongeschikt als nestlocatie voor huismus en gierzwaluw. Daarnaast is ook gekeken naar de "plint" van het spoortalud.

Ook hier zijn in en tussen de betonnen delen geen geschikte nestgelegenheden danwel indicaties daarvoor aangetroffen. In het plangebied zijn wel individuen van huismus en gierzwaluw waargenomen in de omgeving van het plangebied. Deze broeden ongetwijfeld in gebouwen in de directe omgeving, maar niet in het plangebied. Voorkomen van broedvogels met en zonder jaarrond beschermd nest kan met zekerheid uitgesloten worden. Ongewervelden Beschermde ongewervelden zijn niet aanwezig in het plangebied.

78

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

4.8.3

Effectbeoordeling en mitigatie

Flora en Fauna Omdat er geen beschermde flora en fauna voorkomt in en rond het plangebied zijn effecten op beschermde soorten uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig ten aanzien van soortbescherming. Mitigerende maatregelen zijn ook niet nodig. Natura 2000 - stikstofdepositie Op basis van de AERIUS Calculator 2019 berekening kan worden geconcludeerd dat voor de zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen stikstofdepositie bijdragen groter dan 0,00 mol/ha/jaar zijn berekend, waarmee significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op voorhand uitgesloten zijn. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8.4

Algemene zorgplicht

Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken. 4.8.5

Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.9

Trillingen en laagfrequent geluid

In Nederland bestaat geen specifiek juridisch kader voor trillingen zoals geld voor geluid met de Wet Geluidhinder. Het juridisch kader wordt door wetgeving bepaald, welke niet specifiek voor trillingen is bestemd. Partijen kunnen elkaar in geval van trillingshinder of -schade civielrechtelijk aanspreken op basis van onrechtmatige daad. Hierbij wordt aangetekend dat in dergelijke geschillen de rechter tegenwoordig verder kijkt dan het pure causale verband tussen trillingen en het geclaimde gevolg (hinder of schade). Van minstens even groot belang voor de uitkomst van dergelijke zaken is de mate waarin partijen deskundig zijn en zich redelijk en zorgvuldig hebben opgesteld. Partijen die terzake deskundig zijn (grote opdrachtgevers van infrastructurele werken, bouwbedrijven, grote beheerders van infrastructuur) hebben een zwaardere plicht waar het betreft het informeren van de andere partij, het instellen van onderzoeken en het overwegen van alternatieven. Het principe dat de partij die eist ook moet bewijzen geldt altijd maar in de praktijk wordt deze bewijsplicht door de rechter aanzienlijk lichter gewogen, zeker als de deskundige partijen zich weinig zorgvuldig hebben opgesteld. In het ruimtelijk spoor is het kader de Wet ruimtelijke ordening. Daarom dienen voor het aspect trillingen bestemmingen ruimtelijk zorgvuldig te worden gescheiden.

Verder is de jurisprudentie met betrekking tot meetrichtlijnen en normstelling van belang. In de gebruiksfase van de infrastructuur is de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" als normstelling te hanteren. Ook is de SBR A richtlijn "schade aan gebouwen" als normstelling te hanteren met betrekking tot de aanlegfase. De beoordelingssystematiek in de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" kent streefwaarden. Het aspect trillingen en laagfrequent geluid is onderzocht. Deze notitie maakt als bijlage vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

79

onderdeel uit van de toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies die volgen uit deze notitie. Op basis van trilling- en laagfrequent geluidmetingen worden de volgende conclusies geformuleerd: De maximale trillingssnelheid Vmax bedraagt in het maaiveld maximaal 0,25. De hoogste waarden worden door de goederentreinen veroorzaakt. Er is in de noordzijde van de oosttoren en de westtoren naar verwachting sprake van een lichte overschrijding van de streefwaarden voor de maximale trillingssterkte Vmax in de nachtperiode voor de woonfunctie. In de dagperiode wordt voldaan aan de streefwaarde voor de maximale trillingssterkte Vmax voor de woonfunctie. Deze overschrijding treedt alleen op bij passages van goederentreinen. Alle torens voldoen aan de streefwaarden voor kantoorfunctie en bijeenkomstfunctie voor de maximale trillingssterkte Vmax. Alle torens voldoen aan de streefwaarden voor woon-, kantoor- en bijeenkomstfunctie voor de gemiddelde trillingssterkte Vper. De verwachting voor de noordzijde van de oosttoren en de westtoren van District-E bedraagt Vmax 0,29 - 0,37. Dit komt overeen met de onderzijde van de hinderkwalificatie "matige hinder" (Vmax 0,2 - 0,8). Als voldaan zou worden aan de streefwaarde voor de nachtperiode A2 = 0,2 komt dat overeen met hinderkwalificatie "weinig hinder" (Vmax 0,1 - 0,2).

De overschrijding van de streefwaarden worden beperkt in mate, beperkt in optredende duur en beperkt tot een deel van de trillingsgevoelige objecten. In het plan zijn verdergaande mitigerende maatregelen om diverse redenen niet uitvoerbaar, niet effectief, dan wel niet proportioneel. De afwijking van de streefwaarden wordt daarmee toelaatbaar geacht. De beoordelingssystematiek uit de SBR B richtlijn is voor het District E zorgvuldig doorlopen, hiermee is in het licht van de SBR B richtlijn aangetoond dat de bestemming spoor en de bestemming wonen en kantoor in het bestemmingsplan zorgvuldig zijn gescheiden. De toekomstige eigenaren/bewoners zullen geïnformeerd worden dat er sprake is van een licht verhoogde mate van trillingshinder in de woningen. Op basis van subjectieve waarnemingen die door de meettechnicus op locatie uitgevoerd zijn, is geen herkenbaar laagfrequent geluid vastgesteld. In de spectra van de geluidmetingen zijn geen relevante pieken aanwezig. De spectra kunnen als relatief vlak worden beoordeeld. Het geluid vertoont geen relevante kenmerken van laagfrequent geluid. Gelet op het bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect trillingen niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

80

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB).

Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

81

provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan. De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor.

Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water. 5.2.3

Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's. Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking.

In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn: Voldoende water voor landbouw en natuur; Wateroverlast en hittestress; Kringloop denken; Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; Vergroten waterbewustzijn.

82

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

5.2.4

Keur Waterschap De Dommel 2015

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. 5.2.5

Hydrologisch neutraal bouwen

Hydrologisch neutraal bouwen is overgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar het voor staat en welke maatregel er nodig is om hier aan te voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits "vasthouden-bergen-afvoeren". Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of het infiltreren van water in de bodem en past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewaterals grondwatersysteem. Als niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Het gaat hier dan om een voorziening die ervoor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. 5.2.6

Gemeentelijk rioleringsplan (2019 - 2022)

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

83

gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave. 5.2.7

Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3

Oppervlaktewater

Ter hoogte van het plangebied is momenteel de ondergrondse Gender gelegen. In de toekomst is het de bedoeling dat de verbinding tussen de Gendervijver aan de Willem de Rijkelaan en de Dommel aan de Dommelstraat deels ondergronds- maar ook deels bovengronds wordt aangelegd. In de huidige situatie zijn twee ondergrondse tracédelen reeds gerealiseerd; vanaf de Gendervijver tot en met de Willemstraat en ter hoogte van het 18 Septemberplein. De overige delen dienen nog uitgevoerd te worden. Ter plaatse van het Stationsplein zal de Gender bovengronds aangelegd worden met een stuwpeil van NAP +14,8m met fluctuaties tot NAP +15,0m. Het streefpeil in de Gendervijver ligt op een hoogte van NAP +15,3m. Ter plaatse van het plangebied ligt in de huidige situatie een ondergrondse leiding van ø1500mm overgaand naar ø500mm. De overkluisde Gender stort momenteel middels een leiding ø500mm over op het hemelwaterstelsel (400/600mm), voorheen in gebruik als gemengd stelsel. Het hemelwaterstelsel heeft vervolgens een kleine overstortmogelijkheid (ø315mm) op de Dommel. Het gemiddelde peil in de Dommel in de zomer ligt op NAP +14,11m; in de winter is het gemiddelde peil NAP +14,16m.

De verwachting is dat het peil in de Dommel bij een T=100-situatie tot NAP+15,81m zal stijgen (bij T=1-situatie tot NAP +14,83m; bij T=10 tot NAP +15,6m) Om ervoor te zorgen dat het water in de Gender en de Gendervijver voldoende ververst wordt, wordt vanuit het afwateringskanaal water ingelaten met een debiet van 0,15m³/s.

5.4

Riolering

In het plangebied is in de huidige situatie zowel gemengde riolering als ook hemelwaterriolering (huidige overkluisde Gender) aanwezig. De gemengde riolering (ei-buizen 300/450 en 500/750mm) voeren momenteel het vuilwater en hemelwater af van het stationsgebied ten oosten van het plangebied. In de huidige situatie vindt dus afvoer van buiten het plangebied door het plangebied plaats. De gemeente zal bij de ontwikkeling van het gebied buiten het plangebied hiermee rekening dienen te houden.

5.5

Bodem en grondwater

De gegevens met betrekking tot de bodemopbouw en geohydrologie zijn ontleend aan beschikbare onderzoeksgegevens, de Grondwaterkaart van Nederland (dienst Grondwaterverkenning TNO) en Dinoloket (Hydrogeologisch model REGIS II). Opgemerkt wordt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een voormalig beekdal van de Gender. Hierdoor kan de lokale bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie anders zijn dan in de directe omgeving zoals is weergegeven in de regionale bodemopbouw. 84

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

Uit de gegevens blijkt dat per plaatse van het plangebied een slecht doorlatende, holocene toplaag aanwezig is met een dikte van circa 2 à 3 meter. De bodem bestaat uit een deklaag van ca. 20m tot 25m dik, bestaande uit matig fijne tot matig grove zandlaag (Formatie van Boxtel). Op 15 tot 20 meter minus maaiveld worden ook leemlagen aangetroffen. Onder de deklaag bevindt zich het eerste watervoerend pakket (formatie van Sterksel). De grondwaterstromingsrichting in de deklaag lijkt oost-noordoostelijk te zijn. De grondwaterstromingsrichting in het eerste watervoerende pakket is regionaal noordoostelijk maar kan in de omgeving beïnvloed zijn door lokale grondwateronttrekkingen zoals de WKO ter plaatse van het Centraal station. Op basis van het grondwatermeetnet van de gemeente Eindhoven (peilbuis B07 Hermanus Boexstraat en peilbuis B51G2567 Mathildestraat) is de gemiddelde grondwaterstand bepaald op NAP +14,7m. Op de locatie is verder een reeds bekende grondwaterverontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (vinylchloride) aanwezig. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging waar bij het huidige gebruik geen sprake is van onaanvaardbare risico's. Als gevolg van de aanwezigheid van de verontreiniging zijn beperkingen aan het gebruik van het terrein van toepassing.

Er zijn geen aanwijzingen dat op de locatie sprake is van een verontreinigingsbron met VOCL. Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats en het plangebied is niet gelegen in een boringsvrije zone van het grondwaterbeschermingsgebied.

5.6

Toekomstige situatie watersysteem plangebied

Door RoyalHaskoning DHV is een waterparagraaf opgesteld voor deze ontwikkeling. Hierin is o.a. het huidige watersysteem in beeld gebracht, het effect van de geplande herontwikkelingen op het stationsplein op het watersysteem en de benodigde maatregelen. Over deze waterparagraaf is overlegd gevoerd met gemeente en Waterschap. De waterparagraaf is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

5.7

Advies / overleg Waterschap

Onderhavig planvoornemen is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het waterschap. Het waterschap heeft op akkoord gegeven op het plan.

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

85

86

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan "Stationsplein Zuid (District-E)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

6.2

Planmethodiek

Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

6.3

Verbeelding

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.4

Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Inleidende regels (Artikel 1 en 2) De Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht. Bestemmingsregels Bestemming `Centrum´ (Artikel 3) De opzet van onderhavige bestemming is flexibel. Het planvoornemen, de realisatieperiode en de locatie vraagt om mogelijke onherroepelijke veranderingen vanuit de markt of voortschrijdend inzicht te kunnen verwerken. De beoogde flexibiliteit betreft het programma dat niet te strak is vastgelegd per gebouw. Het betreft hier een "verzamelbestemming" ten behoeve van wonen, werken en publieksgerichte functies. vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

87

Voor de toegestane functies is een totaal maximum bruto-vloeroppervlak opgenomen voor alle drie de torens. Daarnaast zijn voor bepaalde functies de bruto vloeroppervlaktes gemaximeerd. Daarnaast zijn het maximum aantal woningen opgenomen. Gebouwen boven maaiveld mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd waarvoor een maximum bouwhoogte is opgenomen. Binnen het bouwvlak vallen ook de grote luifels die overgaan in riante groene terrassen. De ondergrondse parkeergarage is ook toegestaan buiten het bouwvlak. Tevens is er een specifieke bouwaanduiding opgenomen rondom de gebouwen, daar waar het maaiveld niet bebouwd mag worden. De ondergrondse parkeergarage is toegestaan binnen de aanduiding 'parkeergarage'. Bestemming `Verkeer - Verblijfsgebied” (Artikel 4) Deze bestemming ligt op de gronden die behoren tot het openbaar gebied. De ondergrondse parkeergarage (incl. bijbehorende bebouwing) is toegestaan binnen de aanduiding 'parkeergarage'. Ook is binnen de bestemming een (ondergrondse) expeditieruimte (incl. bijbehorende bebouwing) toegestaan. Ter plaatse van een specifieke bouwaanduiding is een voorwaardelijke verplichting opgenomen t.b.v. het aanleggen en in stand houden van een vloeistofgoot. Algemene regels Onder de Algemene regels zijn de Anti-dubbeltelregel, Algemene aanduidingsregels, Algemene afwijkingsregels en de Overige regels opgenomen.

Deze regels gelden voor het hele plan. De Algemene aanduidingsregels bevatten de bepalingen die te maken hebben met externe veiligheid. Zie hiervoor ook paragraaf 4.5. De Algemene afwijkingsregels bevatten bepalingen op basis waarvan in bepaalde gevallen binnenplans kan worden afgeweken van de bepalingen uit de bestemmingsregels. Onder de Overige regels zijn eisen opgenomen die gelden met betrekking tot het aspect parkeren. Voor het aantal parkeerplaatsen wordt in de regels verwezen naar de vigerende parkeernormen. Overgangs- en slotregels In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.

88

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 7

7.1

Handhaving

Algemeen

De gemeente stelt jaarlijks het toezicht- en handhavingsprogramma vast. In dit handhavingsprogramma is aangegeven dat de gemeente zich inzet om van Eindhoven een sterke stad met een levendige economie te maken. Veiligheid en leefbaarheid staan daarbij voorop. Het gemeentebestuur heeft een gemeente voor ogen die maximaal dienstverlenend is, maar die ook de grenzen aangeeft en de spelregels bewaakt. Zij treedt, waar dat nodig is, daadkrachtig op in het algemeen belang voor de bescherming van de rechtszekerheid van individuele belangen. De gemeente handhaaft consequent, werkt in belangrijke mate stadsdeel- en gebiedsgericht en programmatisch en staat dicht bij de burger. Goed toezicht en handhaving zijn van cruciaal belang om de leefbaarheid, de rechtszekerheid, de veiligheid, bedrijvigheid en het milieu in Eindhoven te bevorderen. Overlast en vervuiling dienen te worden teruggedrongen en naleving van voorschriften van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, bouw , milieu- en gebruiksvergunningen is hierbij noodzakelijk. De wet- en regelgeving blijft het uitgangspunt voor toezicht en handhaving. Cruciaal is evenwel dat de gemeente zich vanuit toezicht en handhaving als partner opstelt en daarbij de nodige dynamiek toont en helder communiceert over wat wel en niet kan.

Handhavingsmodel Er is een handhavingsmodel voor toezicht en handhaving en dit model wordt gekenmerkt door zeven basisprincipes: 1. Integrale aanpak vanuit een samenhangende organisatie. 2. Toezicht en handhaving als sterke schakels in de reguleringsketen (zowel beleidsmatig als qua uitvoering). 3. Optimaal toepassen van moderne communicatietechnologie bij toezicht en handhaving. 4. Goede informatiepositie van de handhavers door een betere beschikbaarheid van betrouwbare gegevens over kenmerken van de stad, vergunningen, controles, activiteiten en procedures. 5. In een vroegtijdig stadium van toezicht en handhaving in gesprek gaan met de burgers en bedrijven gericht op het zo min mogelijk hoeven toepassen van bestuursrechtelijke maatregelen. 6. In alle redelijkheid is ruimte voor maatwerk maar zo nodig wordt doorgepakt. 7. We zeggen wat we doen; we doen wat we zeggen en we laten zien wat we gedaan hebben. Op basis van dit toezicht- en handhavingsprogramma is een gemeentelijk werkplan opgesteld waarin per aandachtsveld de toezicht- en handhavingsactiviteiten SMART zijn vorm gegeven. Voor het aandachtsveld Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening (strijdigheid met het bestemmingsplan) zijn op ruimtelijke ordeningsgebied onder meer de volgende activiteiten benoemd: Controle panden op illegale bewoning/strijdig gebruik woning met bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749174/1