CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

21bst00182 - Bijlage 1 - Bp Stationsplein Zuid (District-E)

Raadsvergadering 22 juni 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Stationsplein (District-E)36.449 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

49

maken. Ook de programmering van de plintgevels aan de spoorzone is er op gericht activiteit en verblijfskwaliteit te genereren in de aanliggende straat. Naast de hoofdentree van de woningen in het oostelijke gebouw zijn hier kleinschalige ateliers geprojecteerd voor de productie en verkoop van hoogwaardige producten. Om aan beide zijden deze straat een levendige gevel te realiseren worden op termijn, in overleg met de NS en Prorail, de bestaande ruimten in de colonnade geactiveerd met een programmering die aansluit bij het thema van District-E: Techniek, Design en Kennis. Binnen het plangebied vormt de spoorzone de belangrijke voetgangersverbinding tussen (de zijuitgang van) het Station en de Vestdijktunnel. Het ensemble van stationstoren en colonnade van 'minitorens' vormt in de nieuwe situatie een logische begeleiding van deze route. De korte allee tussen het westelijke en oostelijke blok verbindt de spoorzone met het centrale plein en de lichtas. Ter plekke van de stationstoren wijkt de gevel van het oostelijke blok van de nieuwbouw om ruimte te laten voor een pleintje. Aan dit pleintje is de entree van het Short Stay woon- en werkprogramma gesitueerd. De terrasvormige opzet van de nieuwbouw sluit aan bij het hoogteverschil tussen spoor en maaiveld. De groen ingerichte terrassen dragen bovendien bij aan de ruimtelijke beleving vanaf de perrons.

Ensemble van plintvolumes en inkaderen stationsgebouw Gezien het voorgaande heeft cultuurhistorie geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.

50

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

3.10

Verkeer en parkeren

3.10.1

Gemeentelijk beleid

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. De gemeente Eindhoven is voornemens het huidige stationsgebied te ontwikkelen. De ontwikkeling is daarbij gericht op nieuwbouw van woningen, uitbreiding van kantoren en winkels en het versterken van de functie als uitgaansgebied. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in de openbare ruimte en wordt nieuwe infrastructuur aangelegd. Onderdeel van dit plan is ontwikkeling van het gebied, District-E, tussen het Centraal Station en de Vestdijk; een route met allure naar het 18 Septemberplein. Door Royal HaskoningDHV is onderzoek uitgevoerd de verkeergeneratie, de verkeersafwikkeling en de parkeeropgave die deze ontwikkeling met zich meebrengt. Dit onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Hieronder wordt op de uitkomsten ingegaan. 3.10.2

Verkeer

Verkeersgeneratie De nieuwe ontwikkeling van Stationsgebied Zuid zal naast de parkeervraag ook extra verkeer genereren. Onderzoek naar verkeersgeneratie is in dit gebied van belang aangezien het terugdringen van autoverkeer als cruciaal wordt gezien binnen dit project. Hiermee wordt aangesloten bij de gemeentelijke ambitie om een aantrekkelijk en autoluw centrum- en stationsgebied te ontwikkelen. Uit het onderzoek blijkt dat de totale verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van District-E (worst case) tussen de 1702 en 3026 verkeersbewegingen per dag zal liggen. Vanwege het strenge parkeerregime, de ligging naast het Centraal Station en de inzet op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit is de verwachting dat deze verkeersgeneratie lager zal liggen. Wanneer er wordt uitgegaan van de bestaande parkeervoorzieningen in het plan zal de verkeersgeneratie circa 960 verkeersbewegingen per dag bedragen. Uitgaande van de huidige situatie zal het verkeer op de Vestdijk toenemen met 13%, op de Stationsweg met 15% en in de Vestdijktunnel met 7% wanneer al het gegenereerde verkeer over de desbetreffende weg zal rijden. De gemeente stelt momenteel een Ontwikkelplan Centrum op gericht op een aantrekkelijke, klimaatbestendige en autoluw centrum. Uitgangspunt daarbij is dat o.a.

al het doorgaande verkeer uit het centrum verdwijnt en gebruik van lopen, fietsen en openbaar vervoer structureel toeneemt. Verkeersafwikkeling Met betrekking tot de verkeersafwikkeling richt het plan zich op het langzame verkeer en wordt het terugdringen van het autoverkeer als cruciaal gezien om het stationsgebied te laten functioneren als een prettige openbare ruimte. Het eindbeeld is dan ook om het autoverkeer zoveel mogelijk te vermijden ten faveure van de voetganger en de fiets. Dit sluit aan bij de visie van de gemeente Eindhoven "Eindhoven op Weg". Hierin richt de gemeente zich op voetgangers en fietsers en wordt voorrang gegeven aan duurzame wijzen van verplaatsen. Ontsluiting auto De parkeergarage is aanrijdbaar vanuit zuidelijke richting (vanuit Vestdijk of Stationsweg). De uitrijrichting is richting noord (Fellenoord). Door de nabijheid van de verkeerslichten zijn er voldoende hiaten in de verkeersstroom om het uitrijdend verkeer voldoende te faciliteren. De expeditie met de logistieke afhandeling zal ook aan deze zijde geplaatst worden. Hier zal vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

51

rekening mee gehouden worden in de verdere uitwerking van het ontwerp van de inrichting van de openbare ruimte. Ontsluiting fiets De fietsroute aan de Vestdijk is in twee richtingen gerealiseerd aan de westzijde. Dit wordt ook doorgetrokken in de Vestdijktunnel. De toegang tot het fietsparkeren zit kort nabij de oversteek van de Vestdijk/ 18 Septemberplein. Ontsluiting voetganger De verbinding met het centrum wordt gemaakt met goede oversteekvoorzieningen over Vestdijk richting het 18 Septemberplein (met verkeerslichten i.v.m. HOV) en over de Stationsweg. Beide oversteken worden in lengte bekort door het verminderen van het aantal rijstroken voor autoverkeer. Ontsluiting Openbaar Vervoer Het gebied ligt direct aan Eindhoven Centraal station. Dit openbaarvervoer knooppunt heeft ontsluiting richting Den Bosch, Breda en Maastricht. Verder zit aan de noordzijde van Eindhoven Centraal een groot busstation dat de lokale centra met elkaar verbindt. Dit bij elkaar biedt een uitstekende ontsluiting middels het openbaar vervoer. Logistiek Voor de logistiek is berekend hoeveel vrachtverkeer gegenereerd wordt door de ontwikkeling van District-E. In totaal zullen circa 24 leveringen per dag worden gedaan bij het totaal van alle functies van District-E. In het maatgevende moment zullen drie leveringen per uur worden gedaan.

Op basis van deze berekeningen worden in het plangebied en de omgeving twee inpandige laad- en losdocks en een bufferlocatie gegenereerd. 3.10.3

Nota Parkeernormen 2016 en Nota Parkeernormen 2019

De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een bouwplan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Uitgangspunt daarbij is dat deze op eigen terrein worden gerealiseerd. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Deze is inmiddels geactualiseerd in 'actualisatie nota parkeernormen 2019' die is vastgesteld door college van burgemeester en wethouders op 24-09-2019. De gemeente Eindhoven heeft de parkeernormen flexibeler gemaakt ten opzichte van de parkeernormen uit 2012, maar wel met voorwaarden om parkeeroverlast in woonwijken te voorkomen. Flexibele parkeernormen maken ontwikkelingen mogelijk die goed zijn voor de stad. Ook is het wenselijk dat er niet meer parkeerplekken worden gerealiseerd in de stad dan nodig. Dan blijft er meer ruimte over voor bijvoorbeeld groen of recreatie. Tot slot wordt duurzame mobiliteit gestimuleerd, dus meer lopen, fietsen en openbaar vervoer-gebruik. Ontwikkelingen op locaties die goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer, die goede voorzieningen hebben voor fietsers en bijvoorbeeld deelauto's aanbieden, hebben minder ruimte nodig voor parkeren. Dat betekent ook dat bewoners op zo'n nieuwe locatie niet altijd recht hebben op een gemeentelijke parkeervergunning.

Zo wordt meer mogelijk gemaakt en wordt gezorgd voor een goede leefbaarheid in wijken en buurten. De voorheen geldende parkeernormen (2016) waren erop gericht dat er voldoende parkeergelegenheid was, bij voorkeur op eigen terrein. De afgelopen jaren bleek dit uitgangspunt steeds meer problemen op te leveren. Gebiedsontwikkelingen in het centrum hebben reeds een hoge planexploitatie, waarbij de huidige parkeernormen op eigen terrein niet langer reëel waren. Met de aanpassing van de nota parkeernormen 2019 wordt het mogelijk om op een andere manier in de parkeerbehoefte te voorzien, waarbij tegelijkertijd duurzame vormen van mobiliteit in de stad worden gestimuleerd.

52

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

3.10.4

Autoparkeren

Parkeernomen District E zal voorzien in woningen en commerciële functies. Om dit mogelijk te maken is een onderbouwing van de parkeervraag noodzakelijk. Het plangebied van District E bevindt zich volgens de Nota in het centrumgebied. Bij de parkeernormen voor het aandeel wonen van District E hoeft geen rekening te worden gehouden met het aandeel bezoekers. In de parkeernota van de Gemeente Eindhoven staat opgenomen dat eventuele nieuwe parkeervoorzieningen alleen mogelijk zijn voor de functie wonen en dat bezoekersparkeren en parkeren voor alle andere functies wordt opgelost in het huidige parkeeraanbod in/rond het centrum of aan de rand van de stad. Het bezoekers aandeel van de parkeervraag zal worden opgevangen in parkeerlocaties elders in de stad. In en rondom het centrum zijn op dit moment ruim 10.000 betaalde openbare parkeerplaatsen aanwezig. Daarvan is tijdens piekuren ca. twee derde tot driekwart bezet. Parkeren bewoners Normatieve parkeerbehoefte woningen Op basis van het geplande aantal woningen in het plangebied en daarbij horende is de parkeervraag voor de bewoners en de parkeervraag voor de bezoekers berekend. Uit de berekening blijkt dat op basis van de geldende parkeernormen 240 parkeerplaatsen nodig zijn om aan de normatieve parkeerbehoefte van de bewoners te voldoen.

Om te komen tot de parkeeropgave voor de gebiedsontwikkeling van District E dient er een toets op dubbelgebruik plaats te vinden op de 240 te realiseren parkeerplaatsen. Aangezien de bovengenoemde parkeerbehoefte is gericht op de parkeerbehoefte van de bewoners betreft het in zijn geheel om woonfuncties. Hiervoor is het maatgevend moment werkdagnacht met een 100% aanwezigheidspercentage. Om deze reden vindt er geen dubbelgebruik plaats en is de parkeeropgave 240 te realiseren parkeerplaatsen. Mobiliteitscorrectie Het realiseren van 240 parkeerplaatsen voor de bewoners van District E is niet reëel en komt niet overeen met de daadwerkelijke te verwachte parkeervraag van toekomstige bewoners van District E tevens wil de parkeernota van de gemeente Eindhoven sturen op andere mobiliteitsoplossingen om daarmee de nieuwe parkeervraag en extra verkeersgeneratie zo veel mogelijk te beperken. Daarom is er een mobiliteitscorrectie toegepast. Hoogwaardig Openbaar Vervoersknooppunt District E ligt direct naast een hoogwaardig openbaar vervoersknooppunt. Dit stimuleert bewoners om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Dit zal alleen maar toenemen, gezien de ontwikkelingen als MaaS en de plannen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat waarin Eindhoven staat opgenomen in het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer, waarbij het spoorvervoer uiteindelijk spoorboekloos rijdt.

Om deze reden is het redelijk om een aanvullende mobiliteitscorrectie ten aanzien van het HOV toe te passen. In de Actualisatie Nota Parkeren 2019 staat opgenomen dat op ontwikkelingen nabij haltes van het Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) een correctiefactor op de parkeeropgave van toepassing is. Indien de ontwikkeling binnen 800m hemelsbreed van station Eindhoven centraal is bedraagt de correctiefactor 50%. Voor de ontwikkeling van District E bedraagt dit een vermindering van 120 parkeerplaatsen op de normatieve parkeerbehoefte. Dit resulteert in een parkeervraag van 120 parkeerplaatsen. Er worden 120 parkeerplaatsen gerealiseerd voor de bewoners van District E. Hierdoor sluiten de parkeervraag (120) en het vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

53

parkeeraanbod (120) op elkaar aan. Parkeren bezoekers Normatieve parkeerbehoefte bezoekers De totale normatieve parkeervraag voor de bezoekers van District E, op basis van de parkeernormen van de gemeente Eindhoven, bedraagt minimaal 325 parkeerplaatsen. Als één of meerdere parkeervoorzieningen door meerdere functies worden gebruikt, kan er sprake zijn van dubbelgebruik van de parkeervoorziening(en). Om de mogelijkheden voor dubbelgebruik te bepalen, zijn aanwezigheidspercentages beschikbaar per functiegroep per moment van de week in de parkeernormen van de gemeente Eindhoven. De hoogst opgetelde parkeernorm die hoort bij alle functies gezamenlijk is maatgevend. In dit geval is de koopavond het maatgevende moment met een totale parkeerbehoefte van 218 parkeerplaatsen. Mede omdat de gemeente Eindhoven een sturend parkeerbeleid heeft en het in de gehele omgeving van District E betaald parkeren is, zullen naar verwachting minder mensen met de auto komen. Tevens zullen ook veel van de bezoekers van de publieke functies niet enkel worden aangetrokken door District E, maar door het gehele centrum van Eindhoven. Mobiliteitscorrectie Net zoals bij de bewoners zal er een mobiliteitscorrectie plaatsvinden over het bezoekersparkeren.

Hoogwaardig Openbaar Vervoersknooppunt Net zoals bij de bewoners van District E geldt ook dat de ligging direct naast een hoogwaardig openbaar vervoersknooppunt de bezoeker stimuleert om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Daarom wordt ook hier een mobiliteitscorrectie toegepast van 50%, wat resulteert in een afname van 109 parkeerplaatsen. De parkeeropgave waaraan voldaan dient te worden zijn 109 parkeerplekken. Deze worden opgevangen in de parkeervoorzieningen in de omgeving. De gemeente heeft getest of deze restcapaciteit beschikbaar is voor de maatgevende momenten. Uit deze toets is gebleken dat er voldoende capaciteit is in de omgeving. Voor het bezoekers parkeren worden er geen plekken gerealiseerd op de ontwikkellocatie. In de parkeernota van de Gemeente Eindhoven staat dat voor de binnenstad, waarin District E zicht bevindt, het niet wenselijks is om het parkeren voor bezoekers uit te breiden. Door een uitbreiding hiervan komen zowel de bereikbaarheid als goede ruimtelijke kwaliteit in het gedrang. Daar komt bij dat de ruimtelijke kwaliteit juist gebruikt moet worden voor het inpassen van goede stallingsruimte voor de fiets. Om deze reden zal de parkeeropgave worden opgevangen in openbare parkeervoorzieningen in de omgeving. Conclusie Aan de parkeervraag van 120 parkeerplaatsen voor bewoners en 109 parkeerplaatsen voor bezoekers wordt voldaan.

In het gebied van District E zullen er 120 parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor bewoners. in de nabije omgeving is een restcapaciteit van 109 parkeerplaatsen voor bezoekers beschikbaar. Op basis van dit gegeven is daarom de verwachting dat met de realisatie van 120 parkeerplaatsen in de parkeerkelder van District E geen knelpunten ontstaan in de openbare ruimte op het gebied van parkeren. Mochten er in de toekomst ontwikkelingen plaatsvinden waardoor blijkt dat er een andere behoefte is in de parkeervoorzieningen (e.g. minder vraag naar parkeerplaatsen of vraag naar deelmobiliteit) kan 54

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

de ruimte in de parkeerkelder anders worden ingezet. Door middel van deze flexibele inzet kan er optimaal gebruik worden gemaakt van de parkeervoorzieningen in het gebied. 3.10.5

Fietsparkeren

Fietsparkeren is een belangrijk onderdeel van District E. Er wordt ingezet op actieve vormen van mobiliteit en er is maar beperkt ruimte voor auto parkeren. Daarom is het van belang voldoende ruimte te bieden voor de fiets. In de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 zijn ook fietsparkeer normen opgenomen. Deze zijn gebruikt op de fietsparkeervraag te berekenen. Het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen om te voldoen aan de parkeervraag voor de kantoren en de bewoners van District E bedraagt 2142 plaatsen. In de parkeerkelder worden 2180 plaatsen gerealiseerd, waardoor er wordt voldaan aan de parkeervraag. De intree van de fietsenstalling is ruim gedimensioneerd, hierbij is rekening gehouden met de grote hoeveelheid fietsen die er dagelijks in en uit komen rijden. Deze fietsenstallingen zijn in principe alleen bedoeld voor de bewoners, werknemers en bezoekers van District E. In verband met de controle en sociale veiligheid is niet wenselijk dat de ondergrondse fietsenstalling van District E gaat fungeren als openbare fietsenstalling.

3.11

Groen

3.11.1

Groenbeleidsplan 2017

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.

Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn richtlijnen en procesafspraken geformuleerd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een richtlijn om alleen te bouwen en verharden als dat noodzakelijk is. In het algemeen geldt voor het bestaande groen dat de toevoeging van andere dan groene functies in principe niet mogelijk is. In beperkte mate wordt inbreuk op het groen toegestaan, mits er sprake is van versterking van de beleving, behoud van de kwaliteit van de openbare ruimte als totaal en aangetoond wordt dat er geen andere alternatieven mogelijk zijn. Een nadere afweging is ook mogelijk bij zwaarwegend maatschappelijk belang. Voorwaarde bij ingrepen in het groen is dat de groene kwaliteiten tenminste worden gehandhaafd door de nieuwe ontwikkeling integraal te ontwerpen, inclusief groen.

Als groen niet gehandhaafd kan blijven moet compensatie plaatsvinden van het groen vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

55

dat verloren gaat. Deze compensatie geldt alleen voor locaties die binnen het stedelijk gebied zijn gelegen. Het betreft verder een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. Een groenplan is een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling. Uitgangspunt is kwalitatief en duurzaam groen en zo min mogelijk verharding. Dit betekent behoud van het bestaande groen, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

Kaart ruimtelijke strategieën Groenbeleidsplan 2017 Dit bestemmingsplan is geheel gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend'. Strategie: Stad, rood beeldbepalend In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Het plangebied is aangeduid als groenarme buurt.

56

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

Bestaande situatie plangebied met veel harding

Uitsnede kaart ruimtelijke strategieën Groenbeleidsplan 2017 Toepassing plangebied De huidige locatie is nu zeer verhard met weinig groen. Uitgangspunt voor onderhavige ontwikkeling is een uiterst duurzaam en iconisch complex van drie torens te midden van een hoogwaardige openbare ruimte te realiseren. In combinatie met uitwaaierende verdiepingen met ruime en groene dakterrassen wordt een goed verblijfsklimaat gerealiseerd. Voor de daktuinen is een ontwerpvisie groenplan opgesteld door Zus. Dit groenplan maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Verder wordt ingezet op een maximale vergroening van het openbare plein zonder afbreuk te vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

57

doen aan de gebruiksmogelijkheden. De beoogde bomen, grassen en bloemen zullen een nieuwe sterke schakel vormen tussen het stadscentrum en de groenstructuur van de Dommelvallei. De nieuwe bomen op het plein zullen van groot belang zijn om een behaaglijk klimaat te scheppen. Ze creëren de nodige open plekken en accentueren zichtlijnen. Er zal gekozen worden voor een zeer divers assortiment, waarbij er in ieder seizoen op iedere plek een aantrekkelijk microklimaat ontstaat. In het maaiveld worden in lange stroken ook diverse plantvakken voorzien, waar een weelderige mix van planten zorgt voor een groene uitstraling. Onderhavige ontwikkeling zal samen met het terugbrengen van de Gender en het versterken van het Stationsplein leiden tot een verbetering van de grote landschappelijke dragers van de stad. Het landschap dringt daarmee tot diep in de binnenstad door. Gelet op de groenmaatregelen die toegepast worden in het plangebied en de openbare ruimte en de uitbreiding van het groenareaal voldoet het plan aan het Groenbeleidsplan 2017. Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen.

Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Hierboven is reeds ingegaan op de groenmaatregelen die toegepast worden in het plangebied en de openbare ruimte. 3.11.2

Verordening bomen

Op 7 april 2015 heeft de gemeenteraad de Verordening bomen 2015 vastgesteld. Deze is op 24 augustus 2016 in werking getreden. De verordening en (uitwerking daarvan in) 'nadere regels Bomen' samen, vervangen het onderdeel houtopstanden uit de Algemene Plaatselijke Verordening, het Bomenbeleidsplan 2008 en de Nota Niet kappen tenzij. Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie. Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de verordening Bomen is de groene kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden.

Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën: Monumentale bomen; Waardevolle bomen; Basis bomen; Bomen hoofdstructuur; Bomen nevenstructuur; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend. De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën: Waardevolle bomen; Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend; Bomen op private groter of gelijk aan 500 m². 58

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

Voor het vellen van een houtopstand die deel uitmaakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht. Nadere regels De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van de kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden. Het plangebied Binnen en direct rondom het plangebied zijn enkele bomen aanwezig die op de Groene Kaart zijn opgenomen. Dit betreffen basisbomen en waardevolle gemeentelijke bomen.

Uitsnede Gemeentelijke Groene Kaart Later in het proces zal bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit kappen een nieuw onderzoek worden verricht overeenkomstig de Verordening bomen en de Nadere regels bomen. Op basis hiervan zal een vergunning worden verkregen.

3.12

Hoogbouwvisie

In deze notitie is het hoogbouwbeleid voor Eindhoven vastgelegd. Het doel van de notitie is het vormen van een afwegingskader voor nieuwe hoogbouwprojecten. Het hoogbouwbeleid levert een bijdrage aan de doelstellingen van het raadsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit. Het beleid is bindend voor besluitvorming en visieontwikkeling, maar heeft geen juridische status (dat ligt vast in bestemmingsplannen). Het is allereerst een toetsingskader waarmee de wenselijkheid van hoogbouw kan worden bepaald. Hoogbouw is een vorm van intensief ruimtegebruik en levert een belangrijke bijdrage aan de manier hoe de stad omgaat met de verstedelijkingsdruk. Eindhoven wil het beste van twee werelden zijn. Aan de ene kant is Eindhoven een dynamische stad, die prikkelt en stimuleert, en aan de andere kant is Eindhoven ook een stad waar het goed en rustig wonen is, met vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

59

volop groenvoorzieningen. Het is dus zaak dat gebieden in de stad zich sterk van elkaar onderscheiden om daarmee die diversiteit te waarborgen. Vanuit die visie bezien moeten duidelijke keuzes worden gemaakt over de gebieden waar hoogbouw wel of niet wordt toegestaan. Dit is sterk afhankelijk van externe factoren, de bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer speelt daarin een bepalende rol. Een belangrijke functie wordt toegedicht aan de Hoogwaardig Openbaar Vervoerlijnen (HOV-lijnen). In de Hoogbouwnota wordt onderscheid gemaakt tussen: hoogbouw in de S-categorie (buurtaccenten tot vijf lagen hoog), de M-categorie (structuurdragende hoogbouw tot 45 meter), de L-categorie (stedelijke oriëntatiepunten tot ongeveer 75 meter), de XL-categorie (regionale landmarks, torengebouwen zichtbaar van buiten de stad tot 105 meter) en de XXL-categorie (gebouwen hoger dan 105 meter). In de Hoogbouwnota is aangegeven dat in het centrumgebied, en met name in het stationsgebied, mogelijkheden zijn voor verdere intensivering. In het centrum staan reeds veel hoge torengebouwen. Het gebied wordt daarnaast met de doorontwikkeling van de HOV-lijnen steeds beter bereikbaar. Hoge gebouwen versterken de stedelijkheid van het centrum en kondigen het centrum van de stad in de wijde omgeving aan.

De Binnenring vormt daarbij het 'parelsnoer' voor hoogbouw in de binnenstad, waarbij continu aansluiting wordt gezocht bij de bestaande omliggende hoogtes. Het stationsgebied leent zich, door de bijzondere ligging in de radiaalconcentrische structuur van de stad en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied, voor superhoogbouw (XXL-categorie). De bouw van de drie torens met een hoogte van 170, 120 en 90 meter ten westen van het Stationsplein sluit naadloos aan op de gemeentelijke Hoogbouwvisie.

3.13

Windhinder en bezonning

3.13.1

Windhinder

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het te verwachten windklimaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in windhinder en windgevaar. Bij overschrijding van een bepaalde windsnelheid en afhankelijk van de activiteit (doorlopen, slenteren of langdurige zitten) wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van goed, matig of slecht windklimaat. Van windgevaar is sprake indien zodanig hoge windsnelheden ontstaan dat mensen daarvan ernstige problemen ondervinden tijden het lopen. Voor het beoordelen ervan worden de gradaties gevaarlijk, beperkt risico en geen gevaar/voldoet gebruikt. Door de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) is een windonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting van dit bestemmingsplan.

Met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) is de mogelijke windhinder rondom de geplande nieuwbouw 'District-E' bepaald. De door de TU/e uitgevoerde analyse door numerieke simulatie met CFD houdt rekening met de gebouwde en te bouwen omgeving en de windstatistiek op de betreffende locatie. Uitkomst is dat er sprake is van een acceptabel woon-en leefklimaat en dat er geen onevenredige windhinder of windgevaar ontstaat.

60

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

3.13.2

Bezonning

Voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing gelden er geen algemene eisen in Nederland. Het bevoegd gezag kan in het kader van een bestemmingsplan echter wel eisen opnemen. De Gemeente Eindhoven heeft daarom beleidsregels voor bezonning van woningen opgesteld. Deze beleidsregels stellen dat er ter plekke van woningen tussen 19 februari en 21 oktober (een periode van 8 maanden) minimaal 2 uur zonlicht per dag aanwezig moet kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. Voor hoek- en doorzonwoningen mag bezonning op zij- of achtergevels worden opgeteld. Deze eis komt overeen met de veelgebruikte 'lichte TNO-norm' voor bezonning van woningen. Daarnaast stelt de gemeente eisen aan bezonning van tuinen of balkons. Hier dient tussen 21 maart en 21 september minimaal 2 uur zonlicht per dag in de tuin of op balkon te vallen. De duur van bezonning mag in een nieuwe situatie met niet meer dan 50% afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Bovenstaande eisen gelden alleen voor woonfuncties. Er zijn in Nederland, noch in Eindhoven specifieke eisen gesteld aan beschaduwing van functies zoals kantoren, hotels/short stay of andere gebouwfuncties. Door Arcadis is een beschaduwingsstudie uitgevoerd. Deze studie maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Hieruit blijkt het volgende.

Bestaande woningen omgeving Het merendeel van de reeds bestaande woningen binnen het (zomer)beschaduwingstraject van District E bevindt zich aan de Stationsweg/Stationsplein ten Zuidoosten van het plangebied (residenties Seepardstad, Haagstate en Mariënburg). Daarnaast zijn er een aantal woningen aan het 18 Septemberplein die binnen het (zomer)beschaduwingstraject liggen van de torens. De overige woningen liggen buiten het beschaduwingstraject, dan wel of op een grotere afstand van District E, waardoor de beschaduwing beperkt is in duur, terwijl beschaduwing vanuit de directe omgeving de overhand heeft. Er zijn daarom in de studie drie representatieve meetlocaties gekozen:18 Septemberplein (1), Stationsweg Seepardstad (2) en Stationsweg Haagstate-Mariënburg (3). Dit zijn allen noordgevels die inherent aan de oriëntatie maar beperkte bezonning hebben, dit is ook het geval zonder de aanwezigheid van de torens van District E. Alle mogelijk door District E beschaduwde gevels van de onderzochte woningen zijn gericht op het noorden. Dit betekent dat er alleen in de zomermaanden bezonning mogelijk is doordat de zon in overige seizoenen reeds onder is voordat de zonnestraling de noordgevels bereikt. Woningen District E District E bestaat uit drie torens van verschillende hoogte. Voor de woningen in deze torens is tevens de (onderlinge) beschaduwing getoetst.

Gezien de hoogte ondervinden de torens weinig beschaduwing van de omgeving, de onderlinge beschaduwing is in deze situatie maatgevend. In de westelijke toren zijn tot 71 meter hoogte geen woningen maar een hotelfunctie gepland. Daarboven bevinden zich woningen in deze toren. Voor alle geveldelen is de bezonningduur per gevel onderzocht. Er is, als worst case, geen rekening gehouden met de cumulatie van zonlicht op meerdere gevels in geval van hoekappartementen. Overige omliggende gebouwen De hoogbouw welke door onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt zal tevens mogelijke effecten hebben op de zonnepanelen die op het naastgelegen station liggen. Hierover zal initiatiefnemer met de betrokken partijen in overleg gaan. Conclusies Bestaande woningen omgeving vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

61

buiten de zomerperiode is er thans reeds weinig tot geen bezonning op de relevante noordgevels. Ook is er in deze periode vrijwel geen afname door District-E; in de zomerperiode is er zowel in bestaande als nieuwe situatie meer dan twee uur bezonning; de afname van de bezonningsduur bedraagt 0 - 41%, hetgeen ruim binnen de toegelaten gemeentelijke norm voor buitenruimtes valt. Woningen in District E de noordgevels van de torens voldoen buiten de zomerperiode niet aan de bezonningseis. Dit is inherent aan de zonnestand en gevel oriëntatie en daarmee onvermijdelijk; alle andere gevels voldoen aan de gestelde bezonningseisen. Geconcludeerd wordt dat de beschaduwing ten gevolge van de torens van District E beperkt is, voldoet aan de gemeentelijke normen en geen belemmering vormt voor de realisatie van District E.

3.14

Explosieven

Aan de hand van uitgebreid historisch archiefonderzoek is geïnventariseerd welke locaties mogelijk kans hebben op de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (zogenaamde blindgangers). Voor de gebieden die 'explosieven-verdacht' zijn wordt een nader onderzoek gewenst geacht. Uit zo'n nader onderzoek moet dan blijken of een feitelijk explosieven onderzoek nodig is.

Een deel van het plangebied (oranje gearceerd) wordt gezien als een 'explosieven verdacht' gebied waar mogelijk onderzoek nodig wordt geacht. Er zal - vóórdat tot realisatie van het bouwplan wordt overgegaan - een zogenaamde projectgebonden risicoanalyse uitgevoerd worden om antwoord te krijgen op de vraag of een onderzoek naar explosieven nodig is. Indien nodig zal verder onderzoek plaatsvinden.

3.15

Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig die via de regels van het bestemmingsplan beschermd dienen te worden. Het planvoornemen wordt dan ook planologisch niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden. Bij de realisatie zal verder aandacht besteed worden aan de reguliere kabels en leidingen die aanwezig zijn in het gebied, onder andere middels een Klic-melding en in nauw overleg met de leidingbeheerder.

62

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

Milieuparagraaf

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Wettelijk kader

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.

Het gaat daarbij om: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. 4.1.2

Stedelijk ontwikkelingsproject

Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. Beoordeling plan District E beschikt over een bruto vloeroppervlakte van 76.722 m2 en betreft maximaal 510 woningen. Daarmee worden de drempelwaarden van de D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet overschreden. Voor gevallen waarin de drempelwaarden niet worden overschreden geldt de verplichting een zogeheten (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te doen. Voor de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling bestaan vrijwel dezelfde procedurele vereisten als voor de formele m.e.r.-beoordeling die nodig is voor gevallen als de drempelwaarden wél overschreden worden (artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wm). De realisatie van woningen en bedrijfsvloeroppervlak is niet opgenomen in onderdeel C van de bijlage, daardoor geldt er geen directe m.e.r.-plicht. Omdat het bestemmingsplan niet kaderstellend is voor (overige) m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteiten geldt ook geen plan-m.e.r.-plicht.

District E wordt direct planologisch mogelijk gemaakt en is financieel en qua structuur niet gekoppeld aan/afhankelijk van Knoop XL.

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

63

Voor dit plan is een (vormvrije) m.e.r. beoordelingsnotitie opgesteld. Deze notitie maakt als bijlage onderdeel uit van het bestemmingsplan. Hieruit blijkt dat er geen significante (nadelige) milieueffecten te verwachten zijn. Er hoeft dan ook geen volledige milieueffectrapportage doorlopen te worden ten behoeve van dit bestemmingsplan.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Dit plangebied is gelegen in het centrum van Eindhoven. Het centrum is aan te merken als een gebied met functiemenging en wordt volgens de VNG-brochure aangemerkt als een functiemengingsgebied. Een gebied met functiemenging wordt gebruikt daar waar sprake is van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd of waar men een grote levendigheid tot stand wil brengen. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt voor dit plangebied uitgegaan van de "Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging" zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009'. Lijst van bedrijfsactiviteiten - functiemenging De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten - functiemenging". Deze lijst is gebaseerd op voornoemde "Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging" van de VNG.

In deze lijst worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in drie categorieën. De activiteiten in de Lijst van bedrijfsactiviteiten functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C. De betekenis voor de toelaatbaarheid is als volgt: Categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C De activiteiten zoals genoemd onder categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten (categorie A, B en C) geldt in zijn algemeenheid: het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.

Milieuzonering plangebied Rondom het plangebied zijn een groot aantal niet-woonfuncties mogelijk zoals: detailhandel, horecabedrijven, dienstverlenende bedrijven/instellingen en bedrijven in de categorie 1 en 2 zoals genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten in het geldende bestemmingsplan. Voor dit type horeca en bedrijven geldt volgens de "Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging" van de VNG voornamelijk de categorieën A en B. Gelet hierop vormen nabijgelegen bedrijven of bedrijfsactiviteiten geen belemmering op voor de milieugevoelige functies waarin deze 64

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

ontwikkeling voorziet. Bovendien leidt deze ontwikkeling niet tot een onevenredige aantasting van de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten van de omliggende bedrijven. De ontwikkeling zelf voorziet naast woningbouw in meerdere niet-woonfuncties, zoals detailhandel, horeca, dienstverlenende bedrijven/instellingen, kantoren, bedrijven in de categorie A en B. Dergelijke type bedrijvigheid en horeca valt binnen de categorie A en B van de "Lijst van bedrijfsactiviteiten - functiemenging". Doordat deze lijst onderdeel uitmaakt van de regels kan in het plangebied geen bedrijvigheid gerealiseerd worden dat een negatieve invloed heeft op het woon en leefklimaat van de beoogde woningen en op de woningen in de omgeving.

4.3

Geluid

4.3.1

Wettelijk kader

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

In dit bestemmingsplan worden woningen mogelijk gemaakt. Dit is een geluidgevoelige bestemming. Door Arcadis is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en het industrielawaai. Dit onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Hieronder wordt per geluidsbron ingegaan op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek. 4.3.2

Railverkeerslawaai

Het plan ligt binnen de wettelijke geluidzone van het spoortraject naar station Eindhoven. Ten aanzien van railverkeerslawaai geldt het volgende: Uit de rekenresultaten voor railverkeer volgt dat ter plaatse van de appartementen in de oosttoren voor alle geveloriëntaties, m.u.v. de zuidoostgevel, de voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 68 dB, deze waarde treedt op ter plaatse van de onderste woonlagen aan de noordgevel (short-stay functies). De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Ter plaatse van de westtoren wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor alle geveloriëntaties, m.u.v. de zuidoostgevel, overschreden. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 64 dB ter plaatse van de onderste woonlagen aan de noordgevel. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Ter plaatse van de zuidtoren wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB alleen overschreden ter plaatse van de noordwest georiënteerde appartementen. De geluidbelasting bedraagt hier ten hoogste 60 dB. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

65

Voor de appartementen in met name de oost- en westtoren zal een aanvraag om een hogere waarde noodzakelijk zijn. Door de in het ontwerp geprojecteerde balkons met voldoende afscherming wordt een geluidluwe zijde gecreëerd zodat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid. 4.3.3

Wegverkeerslawaai

Het plan is gelegen binnen de invloedssfeer van de Vestdijk, Vestdijktunnel en Stationsweg. De gemeente Eindhoven is voornemens deze verkeersluw te maken en te transformeren naar 30 km/h wegen. Dit dient nog middels een verkeersbesluit te worden bekrachtigd. Ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan zal dit geëffectueerd zijn. De geluibelasting vanwege deze wegen valt buiten het toetsingskader van de Wet geluidhinder. Wel worden deze wegen meegenomen in het kader van een beoordeling op grond van een goede ruimtelijke ordening. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van deze wegen tussen de 48 en 55 dB bedraagt. Daarmee wordt een voldaan aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening. 4.3.4

Industrielawaai

In de nabijheid van het plan is het spoorwegemplacement gelegen. Voor de geluidbelasting ter plaatse van het plan geldt dat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid voor emplacementen, dit geldt zowel voor het rijgeluid als voor het industriegeluid om het emplacement. Hiermee is tevens vastgesteld dat er geen ontoelaatbare geluidbelasting optreedt. 4.3.5

Gecumuleerde geluidbelasting

Het effect van de samenloop van verschillende brontypen is onderzocht en uitgedrukt in de gecumuleerde geluidbelasting Lcum. De hoogste gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 68 dB De maximaal toelaatbare waarde voor railverkeer wordt niet overschreden. Resumerend kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de verdere planontwikkeling. Wel dient voor de woonfuncties waar de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai wordt overschreden een hogere waarde te worden vastgesteld.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ (µg/m³), voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m³.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 66

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor: woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en; kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. 4.4.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse "Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. Dit plangebied maakt geen 'gevoelige bestemming' mogelijk als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen.

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

67

4.4.3

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.4

Planbeoordeling

Voor deze ontwikkeling is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Met de NSL-rekentool (versie 2019) zijn de concentraties en wegbijdragen (voor 2030) ten gevolge van de ontwikkeling berekend voor het zichtjaar 2024: het eerste jaar na openstelling van District-E. De ontwikkeling van District-E leidt tot een toename van de verkeersintensiteiten in het gebied. Uit de berekeningen met de NSL-Rekentool volgt dat de toenames in de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in het zichtjaar 2024 niet leiden tot een risico op overschrijding van de grenswaarden uit de Wm. Het is uitgesloten dat door uitvoering van het plan op grond van art 5.16, lid 1 sub a de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (Wm) zullen worden overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van District-E.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens wordt ingegaan op de kwantitatieve risicoanalyse van de spoorlijn en de verantwoording van het groepsrisico. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; april 2015) van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Daarnaast is het plasbrandaandachtsgebied van belang. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde 68

vastgesteld Stationsplein Zuid (District-E) Gemeente Eindhoven

(PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. PlasbrandAandachtsGebied (PAG) Het PAG is een gebied van 30 meter, aan weerszijden van wegen en hoofdspoorwegen zoals genoemd in de Regeling basisnet. Aan nieuwe gebouwen (nieuwe situatie) binnen dit gebied worden extra eisen (in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling bouwbesluit 2012) gesteld vanwege de externe veiligheidsrisico's en meer specifiek worden er maatregelen geëist om de effecten van een plasbrand te beperken. Een plasbrand kan optreden als door een incident met het vervoer van brandbare vloeistoffen deze vrijkomen en ontsteken. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet.

Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. 4.5.2

Beleidsvisie externe veiligheid

De gemeenteraad van Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid 'Risico's de maat genomen'. Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven op welke locaties in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. Het plangebied District-E ligt binnen gebiedsgerichte risicoprofiel D 'woongebied nabij hoofdtransportassen'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749174/1