20260526 05c Bijlage Motivering
Tekst van het document
Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Voor het besluitgebied kent dit beleid geen specifieke uitgangspunten. 3.5.3 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Op 8 december 2021 heeft het Waterschap Limburg het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Hierin zijn de Limburgse wateropgaven voor de toekomst bepaald. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor het beheer van het regionale oppervlaktewater in Limburg. elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met het Waterbeheerprogramma geeft het waterschap richting aan het waterbeheer in de periode 20222027. De verplichting om elke zes jaar een nieuw waterbeheerprogramma vast te stellen is vastgelegd in de Omgevingswet. Het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma hebben dezelfde looptijd en bieden de kaders voor het waterbeheerprogramma.
Het Provinciaal Waterprogramma geeft onder andere kaders voor het strategisch grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor de oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen (Kader Richtlijn Water) en de overige wateren. Het Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 geeft hier de regionale invulling aan. Voor het besluitgebied kent dit beheerprogramma geen specifieke uitgangspunten.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 23 -
Toelichting
3.5.4 Conclusie d Het plan kent geen aandachtspunten vanuit de Waterschapsverordening dan wel het waterbeleid. De reguliere waterparagraaf (vanuit de instructieregel ex artikel 5.37 Bkl) is opgenomen in paragraaf 4.8 van deze motivering.
3.6 Gemeentelijk beleid 3.6.1 Omgevingsvisie De gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem en Vaals maken een gezamenlijke omgevingsvisie voor de drie gemeenten. De drie gemeenten noemen zich samen de ‘Lijn 50-regio’, geïnspireerd op de busverbinding die de drie gemeenten doorkruist. Deze visie is nog in opbouw en derhalve nog niet gereed voor bestuurlijke besluitvorming. De uiterste datum voor vaststelling van de Omgevingsvisie is 1 januari 2027 (KB 10.07.2023). 3.6.2 Strategische visie 2022 In deze gemeentelijke beleidsvisie is een aantal hoofdthema’s benoemd (wonen, recreatie en ondernemen), dat in de jaren tot en met 2022 – maar ook daarna – van cruciaal belang is voor de verdere ontwikkeling van de gemeente Eijsden-Margraten. In algemene zin is relevant dat de gemeente wil inzetten op een passende woning in een passende woonomgeving voor elke inwoner. Daarbij geldt dat nieuwe woningen in principe in de kernen moeten worden gebouwd en dat het buitengebied zoveel mogelijk gevrijwaard blijft van verstening. Daarnaast ligt ook een accent op de kwalitatieve versterking van het toerisme en de recreatiesector, met name initiatieven die de beleving van het landschap en de karakteristieke dorpen voor de toerist vergroten. Uitgangspunt is wel dat het (im)materieel erfgoed wordt beschermd.
Het voorliggende bouwplan voorziet in de ontwikkeling van een grondgebonden woning binnen een bestaande woonbestemming in het gehucht Moerslag. Daarnaast wordt verstening ter plaatse voorkomen door het slopen van de bestaande stal en het verwijderen van een gedeelte van de bestaande verhardingen. Het onderhavige plan is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten van deze visie. 3.6.3 Bestuursakkoord 2022-2026 “Goed leven in elke kern” Het bestuursakkoord “Goed leven in elke kern” betekent voor de gemeente Eijsden-Margraten dat zij samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties blijft investeren in de gemeenschappen van alle kernen. Samen wordt gezorgd voor een aantrekkelijke woonomgeving waarin met respect voor het landschap en de natuur, tradities en cultuur voor zowel de huidige als toekomstige inwoners een thuis wordt geboden. Het woon- en leefklimaat in de gemeente EijsdenMargraten is van hoog niveau en dit moet zo blijven. De gemeente Eijsden-Margraten staat evenwel voor een groot aantal opgaven op het gebied van sociaal domein, duurzaamheid en energie, natuur en landschap, de landbouw en wonen. De gemeente wil de komende jaren werken middels de onderstaande vijf programmalijnen: 1) Kwaliteit van leven; 2) Landbouw, landschap en plattelandseconomie; 3) Duurzaamheid en klimaatverandering; 4) Wonen en leefomgeving; 5) Bestuur en dienstverlening.
Dee vijf programmalijnen vormen de koers voor de komende bestuursperiode. De gemeente gaat aan de slag met de inwoners en gemeenteraadsleden om samen succesvolle stappen te zetten en TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 24 -
Toelichting
zichtbare zaken te realiseren die recht doen aan wat de inwoners, gemeenschappen en leefomgeving nodig hebben. d Wonen en leefomgeving Eijsden-Margraten is gezien haar ligging in de directe nabijheid van het stedelijk gebied, de landschappelijke kwaliteiten en aanwezige voorzieningen een aantrekkelijke woonomgeving en wil dit graag blijven. De gemeente streeft naar een passende woningvoorraad met passende woningen voor haar inwoners, in een leefomgeving die gezond, veilig en prettig is om in te wonen. Kwaliteit en duurzaamheid zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Volgens diverse modellen blijft het aantal huishoudens tot 2030 stijgen. De meeste groei wordt verwacht in de groep alleenstaande 65-plussers. De groep tweepersoonshuishoudens 65-plussers groeit beperkt. De groep 23-65-jarigen neemt naar verwachting beperkt af. De verwachting is tevens dat in elk segment van de koopsector de behoefte toeneemt. Met name in de prijsklasse € 325.000 - € 450.000 en boven € 450.000. Woningbouw naar behoefte in elke kern De grote vraag naar woningen vraagt om een versnelling van nieuwbouw in de hele gemeente. Er wordt daarbij gestreefd naar een gevarieerd aanbod in alle kernen dat aansluit bij de behoefte. Insteek is het behoud van vitale kernen en dat inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
Focus komt primair te liggen op het realiseren van betaalbare en duurzame woningen voor starters. Daarnaast wordt middels nieuwbouw ingezet op het bevorderen van de doorstroming in de woningmarkt door levensloopgeschikte woningen te realiseren. Onderhavig plan Het plan is in overeenstemming met het Bestuursakkoord 2022-2026. Het plan sluit aan bij de ambitie om meer koopwoningen toe te voegen aan de woningvoorraad, met name voor senioren in Eijsden-Margraten die in hun eigen woonomgeving willen blijven wonen. 3.6.4 Woonvisie Eijsden-Margraten ‘Samen bouwen aan de toekomst’ 2019-2025 In lokale Woonvisie ‘Samen bouwen aan de toekomst’ is het woningbouwbeleid voor de periode 2019-2025 vastgelegd. In Eijsden-Margraten wordt ingezet op een duurzame woningvoorraad met passende woningen voor zowel starters als senioren. Hierdoor zal de doorstroming moeten worden bevorderd. Inwoners wonen daarbij in een gezonde, veilige en prettige woon- en leefomgeving, waarbij duurzaamheid en kwaliteit belangrijke uitgangspunten zijn. Hierbij heeft de herbestemming en transformatie van bestaande (leegstaande) gebouwen bijzondere aandacht. De woonambities, zoals ook vertaald in het vastgestelde gemeentelijke bestuursakkoord ‘Anders durven doen 2018-2022’, zijn geformuleerd in speerpunten van beleid. Daarbij richt het beleid zich op relevante doelgroepen en thema’s.
Concreet betreft het: - de doelgroep starters waarvoor de gemeente meer toegang wil creëren binnen de bestaande woning- en/of planvoorraad, met als doel dat het aantal koopwoningen voor starters te verhogen. Als dit (financieel) onmogelijk blijkt dan zullen deze woningen worden gerealiseerd via nieuwe capaciteit waarvoor gecompenseerd wordt om een bijdrage te kunnen leveren aan het transformeren van de woning- en/of planvoorraad; - de doelgroep oudere doorstromers waarvoor woningen gerealiseerd worden binnen de kernen en binnen het bestaand vastgoed of op locatie waar een dergelijke herbestemming ruimtelijke en volkshuisvestelijk verantwoord is; - het bieden van goede faciliterende mogelijkheden om de woningen voor de doelgroep langer thuiswoners levensloopbestendig te maken en voor de doelgroep die niet meer langer kan thuis wonen geclusterde woonzorgvormen creëren binnen het bestaand vastgoed, passend binnen het gemeentelijke woonzorgbeleid; TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 25 -
Toelichting
-
-
het realiseren van voldoende kwalitatief aanbod van betaalbare huurwoningen voor de bijzondere doelgroepen (waaronderdstatushouders, woonurgenten, gehandicapten en ggzpatiënten), bij voorkeur binnen het bestaande vastgoed binnen de kernen en waar nodig en mogelijk deze realiseren via bijzondere (tijdelijke) huisvesting; het invulling geven aan de stimulerende, faciliterende en waar mogelijk sturende rol ten aanzien van de verduurzaming van de woningvoorraad; de instandhouding van leefbare kernen waarbij de gemeente goede burgerwooninitiatieven zoveel mogelijk faciliteert.
De gemeente schakelt over van een ‘bouwvisie’ naar een ‘transformatievisie’ want de groei van de woningvoorraad voor eigen additionele behoefte is de komende jaren weliswaar groeiende maar de woonvraag wijzigt (o.a. naar meer één- en tweepersoonshuishoudens). Inbreiding gaat daarbij voor uitbreiding en vraaggericht gaat voor op aanbodsturing. Met uitzondering van de in uitvoering zijnde plancapaciteit, is bijkomende nieuwbouw op nieuwe locaties ondergeschikt aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Waar mogelijk worden bestaande woningen vervangen en additionele woningen worden gerealiseerd in bestaand vastgoed. De herbestemming van cultureel of beeldbepalend vastgoed dat leegkomt of al leeg staat, krijgt hierbij prioriteit. Nieuwe woningbouwinitiatieven ontwikkelen op onbebouwde percelen is pas een alternatief, als binnen de bestaande woningvoorraad of ander leegstaand vastgoed niet kan worden voldaan aan de haalbaarheid van de gewenste woonkwaliteiten. Onderhavig plan Middels de vaststelling van het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt de realisering van een levensloopbestendige grondgebonden woning in het middeldure koopsegment mogelijk gemaakt. De toevoeging van de beoogde woning stimuleert de doorstroming op de woningmarkt. Derhalve voorziet de beoogde woning in een evidente behoefte en past daarmee binnen de regionale en gemeentelijke beleidsuitgangspunten.
3.6.5 Manifest Buitengewoon Buitengebied Op 18 maart 2021 heeft de gemeente Eijsden-Margraten het Manifest ‘Buitengewoon Buitengebied’ vastgesteld. In dit beleidsdocument zijn richtinggevende uitspraken over de toekomstige beleidskoers voor het buitengebied vastgelegd. Daarbij wordt onderscheid in vier verschillende thema’s: 1. 2. 3. 4.
Natuur & landschap; Landbouw; Toerisme en recreatie; Wonen.
Op het gebied van wonen staat de gemeente wonen in het buitengebied in principe niet toe. Wonen in het buitengebied blijft in principe beperkt tot bestaande kernen, gehuchten, lintbebouwing en solitaire woningen (zowel bedrijfswoningen bij agrarische bebouwing als in het verleden toegestane burgerwoningen). Doorkijken/onbebouwde gedeelten in de gehuchten en in de lintbebouwing dienen daarbij in stand te blijven, omdat juist deze doorkijken zorgen voor ruimtelijke kwaliteit en het beeld bepalen van het buitengebied.
Onderhavig plan Onderhavig plan voorziet in de bouw van een nieuwe grondgebonden woning in het gehucht Moerslag. De toevoeging van bebouwing op een open plek in de bebouwingsstructuur beperkt de doorkijk naar het landschap, echter worden middels het voorliggende TAM-omgevingsplan de bouwmogelijkheden op de omliggende gronden beperkt. Verder wordt de woning landschappelijk ingepast en is het ontwerp van de beoogde woning passend binnen de stedenbouwkundige structuur van het rijksbeschermd dorpsgezicht. TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 26 -
Toelichting
3.6.6 Gemeentelijke Kwaliteitsmenu
d
De gemeente Eijsden-Margraten heeft de provinciale beleidsregel ‘Limburgs Kwaliteitsmenu’ vertaald in het ‘Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Eijsden-Margraten 2013’ (GKM). Het kwaliteitsmenu heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten de rode contour te koppelen aan een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied. De gemeente Eijsden-Margraten hecht veel waarde aan haar buitengebied en beoogt met het Kwaliteitsmenu de kwaliteiten van het buitengebied te beschermen en kwaliteitsverlies van het buitengebied tegen te gaan. Het LKM onderscheidt een aantal modules. In het GKM zijn acht modules overgenomen waarin de specifieke voorwaarden en bijdragen per module zijn opgenomen. De modules hebben betrekking op de modules: 1. Nieuwe landgoederen; 2. Gebiedseigen recreatie en toerisme; 3. Niet gebiedseigen recreatie en toerisme; 4. Agrarische uitbreiding en nieuwvestiging; 5. Uitbreiding bedrijventerrein; 6. Uitbreiding solitaire bedrijven; 7. Nieuwe (solitaire) woningen; 8. Overige (gebouwde) functies. Onderhavig plan Het onderhavige plan voorziet in een ontwikkeling passend binnen module 7 ‘Nieuwe solitaire woningen’. Het toevoegen van een nieuwe woning is enkel mogelijk indien de ontwikkeling leidt tot een per saldo kwaliteitsverbetering.
Middels het verwijderen van de bestaande stal en verhardingen aan de noordzijde van de weg Moerslag en het landschappelijk inpassen van de nieuwe woning wordt voorzien in een betere doorkijk naar het landschap. Daarnaast dient de beoogde woning aan te sluiten bij de cultuurhistorische waarden binnen het rijksbeschermd dorpsgezicht. Derhalve kan het onderhavige plan worden aangemerkt als een kwaliteitsverbetering in het kader van het Gemeentelijke Kwaliteitsmenu (GKM). 3.6.7 Conclusie Het voorliggende plan voldoet aan de beleidsuitgangspunten van de gemeente Eijsden-Margraten.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 27 -
Toelichting
4 Fysieke leefomgeving
d
4.1 Beschermen van de gezondheid 4.1.1 Wettelijk kader In artikel 1.3 Ow zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet aangegeven. De wet, zo is beschreven, is gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze in het voorliggende TAM-omgevingsplan rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. De vraag die daarbij wordt gesteld is of de vaststelling van deze omgevingsplanwijziging leidt tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. In de navolgende paragrafen 4.2 t/m 4.12 komen de aspecten die hierbij een rol spelen aan de orde.
4.2 Milieubelastende activiteiten Volgens artikel 1 Ow en de daarbij behorende bijlage is een milieubelastende activiteit een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Regels over milieubelastend activiteiten zijn opgenomen in het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving), het Bkl (in de vorm van instructieregels) en in de bruidsschat (afdeling 22.3 van het Tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten). Instructieregels In paragraaf 5.1.4 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen van milieuhygiënische aard. Het betreft de aspecten geluid door activiteiten, geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, luchtkwaliteit, trillingen, windturbines, bodemkwaliteit en geur. In het kader van het voorliggende plan zijn relevant: - paragraaf 5.1.4.2 Bkl (geluid door activiteiten): zie hiervoor paragraaf 4.3; - paragraaf 5.1.4.2a Bkl (geluid door wegen): zie hiervoor paragraaf 4.3; - paragraaf 5.1.4.1 Bkl (luchtkwaliteit): zie hiervoor paragraaf 4.4; - paragraaf 5.1.4.5 Bkl (bodemkwaliteit): zie hiervoor paragraaf 4.5. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen inzake veiligheid (externe veiligheid); zie hiervoor paragraaf 4.6.
De overige aspecten uit de instructieregels (geluid door spoorwegen en industrieterreinen, trillingen, windturbines en geur) zijn niet relevant voor dit omgevingsplan. Bruidsschat TOP Ten aanzien van het voorliggende plan is er geen sprake van milieubelastende activiteiten waarvoor in het Bal noch in de bruidsschat van het tijdelijke omgevingsplan specifieke regels zijn opgenomen.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 28 -
Toelichting
4.3 Geluid d 4.3.1 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Voor belangrijke geluidbronnen zoals wegen, spoorwegen en industrieterreinen zijn via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De geluidregels hebben een tweezijdige werking, zowel voor het realiseren van geluid veroorzakende functies en activiteiten als voor het realiseren van geluidgevoelige functies en activiteiten. Onderhavig plan Het besluitgebied ligt in het geluidaandachtsgebied van 100 meter van de weg Moerslag. Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is het aspect wegverkeerslawaai onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn beschreven in subparagraaf 4.3.3 van deze motivering. De locatie ligt niet industrieterreinen.
binnen
een
aandachtsgebied
van
andere (spoor-)wegen
en/of
4.3.2 Geluid door activiteiten Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid vindt zijn grondslag in de Omgevingswet en in het Bkl. In deze subparagraaf wordt het aspect geluid door activiteiten behandeld. Het gaat dan om geluid afkomstig van bestaande activiteiten die in de nabijheid van de geprojecteerde woning plaatsvinden en die mogelijk een belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de geprojecteerde woningen. Daarbij prevaleren de bestaande rechten van de aanwezige activiteiten boven de nieuwe woningen. Mocht er sprake zijn van overschrijding van normen vanwege de bestaande activiteiten op de beoogde woonfunctie dan zal het plan voor de woonfunctie moeten worden aangepast. Onderhavig plan Geluid van omliggende functies op de beoogde woningen Bij het beoordelen van de invloedsfeer van geluidbronnen onder de oude Wro vormde de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) een hulpmiddel. Deze publicatie geeft richtlijnen over de aan te houden afstanden van (bedrijfs)functies ten opzichte van geluidgevoelige bestemmingen.
Deze VNG-publicatie biedt handvatten om te bepalen of de geluidbelasting die wordt gegenereerd vanuit nieuwe activiteiten belemmeringen oplevert voor een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. Deze VNG-publicatie is sinds invoering van de Omgevingswet niet meer bruikbaar voor nieuwe omgevingsplannen onder de Omgevingswet. In oktober 2024 is de Handreiking Activiteiten en milieuzonering uitgebracht. Handreiking Activiteiten en milieuzonering (2024) Activiteiten en milieuzonering is een hulpmiddel waarmee kan worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid (en geur) in een bepaald gebied inpasbaar is en anderzijds of een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaatbaar is, gelet op de gebruiksruimte van een aanwezige, bestaande activiteit. In deze publicatie is aangegeven dat deze zich richt op: - rustige woonwijk (overwegend of uitsluitend woonfuncties), waarbij slechts incidenteel niet-woonfuncties plaatsvinden en - gemengde gebieden met wonen (stedelijke gebieden waar sprake is van functiemenging door de aanwezigheid van andere functies zoals detailhandel, maatschappelijke functies, zorg, horeca of onderwijs).
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 29 -
Toelichting
In het onderstaand figuur is de ligging van de verschillende zones ten opzichte van een rustige woonwijk en gemengd gebied weergegeven:d
Systematiek milieuzonering
In het akoestisch onderzoek is een uiteenzetting van aspect milieuzonering opgenomen. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn beschreven in de navolgende subparagraaf. 4.3.3 Akoestisch onderzoek Spider Monkey Consultancy, Akoestisch onderzoek toelaten van een geluidgevoelig gebouw, aan de Moerslag 16 Sint Geertruid, projectnummer ROVL230802, d.d. 29.02.2024 (separate bijlage 2). Geluidsbelasting vanwege de gemeentewegen De geluidbelasting vanwege het wegverkeer is berekend volgens bijlage Ive van de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet. Hiervoor is gebruik gemaakt van de software Geomilieu. Uit de resultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege de gemeentewegen aan de standaardwaarde van 53 Lden voldoet. Activiteiten en milieuzonering Voor de beoordeling van een ‘evenwichtige toedeling van functies en locaties’ is de bestemming ‘Agrarisch – Bedrijf’ op het perceel/adres Moerslag 5-5A relevant. Het perceel is met deze bestemming aangewezen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009 inclusief eerste herziening’. Uitgaande van “Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)” geldt hiervoor een Geluid zone 1 met een afstand geluid van 30 meter voor het omgevingstype “Rustige woonwijk”, hetgeen van toepassing wordt geacht. Het nieuwe geluidgevoelige gebouw ligt binnen die afstand.
Er is echter een ontwerpbestemmingsplan Moerslag 5/5a te Sint Geertruid (inmiddels vastgesteld d.d. 02.04.2024) opgesteld, waarbij de bedrijfsfunctie geheel komt te vervallen en het plangebied aangewezen wordt met een woonbestemming. Conclusie Het plan wordt planologisch inpasbaar geacht. 4.3.4 Conclusie Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en geluid door activiteiten vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van een grondgebonden woning.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 30 -
Toelichting
4.4 Kwaliteit van de buitenlucht d 4.4.1 Wettelijk kader De regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen is opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. De overheid beoordeelt vanuit de Omgevingswet vooral de luchtkwaliteit van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Deze aandachtsgebieden zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 en 3 Bkl. De gemeente EijsdenMargraten valt niet onder deze aandachtsgebieden. Omgevingswaarden Bkl In artikel 2.4 Bkl staan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide. Hiervoor gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: - 200 μg/m³ uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en - 40 μg/m³ als kalenderjaargemiddelde. In artikel 2.5 Bkl staan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide. Voor PM 10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: - 50 μg/m³ als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en - 40 μg/m³ als kalenderjaargemiddelde. Blootstellingscriterium Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of 'significant' is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof toetsen.
Die omgevingswaarden zijn er om de gezondheid van mensen te beschermen op plaatsen waar zij verblijven. Dit uitgangspunt heet ook wel het ‘blootstellingscriterium’. Bij de blootstellingsduur gaat het om de gemiddelde verblijftijden van personen op een plek. Daarin is geen onderscheid naar hooggevoelige groepen zoals kinderen, zieken of ouderen of het type verblijf. Het bevoegd gezag toetst niet als de blootstellingsduur kort is vergeleken met de middelingstijd van de omgevingswaarde. Dan is er geen significante blootstelling. Deze middelingstijd hangt af van de omgevingswaarde waarvoor een toets nodig is. Uitgaande van de omgevingswaarden vanuit het Bkl is voor stikstofdioxide (NO 2) de jaargemiddelde norm bepalend. De middelingstijd voor NO 2 is daarom vrijwel altijd een jaar. Voor fijnstof (PM10) is de daggemiddelde norm bepalend. De vraag is dus of de beoogde gebruiksduur in verhouding tot een jaar respectievelijk een dag significant is. Als voorbeeld van ‘significant ten opzichte van een jaar’ kan gedacht worden aan: - woningen, andere voor wonen bestemde gebouwen en woonboten; - kinderopvang; - basisscholen en scholen voor middelbaar en hoger onderwijs; - verzorgings- en bejaardentehuizen; - revalidatie-instellingen; - gebouwen waar personen langdurig verblijven (met uitzondering van werkplekken of kantoorgebouwen).
Denk bijvoorbeeld aan gevangenissen en asielzoekerscentra. Als voorbeeld van ‘significant ten opzichte van een dag’ kan gedacht worden aan: - tuinen bij woningen en bij andere voor wonen bestemde gebouwen; - recreatiewoningen en campings; - sport- en recreatieterreinen zoals buitenzwembaden, speelplaatsen, parken en pretparken; - havens voor recreatievaartuigen; - badinrichtingen in oppervlaktewater.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 31 -
Toelichting
Omdat woningen significant ten opzichte van een jaar worden geacht dient getoetst te worden aan de omgevingswaarden. d NIBM: in hoeverre verslechtert de nieuwe activiteit de luchtkwaliteit Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is volgens artikel 5.53 Bkl niet nodig als een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging (‘niet in betekende mate’ ofwel NIBM). Concreet betekent dit dat indien het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM 10 van 1,2 μg/m³ of minder (tenzij het gaat om een veehouderij). In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen NIBM aangewezen. Het bouwen van woningen behoort tot deze standaardgevallen. Bij één ontsluitingsweg geldt een ondergrens van 1.500 woningen, dat wil zeggen dat de bouw van 1.500 woningen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en dat daarvoor dus geen toetsing hoeft plaats te vinden. 4.4.2 Onderzoek Het bovenstaande in ogenschouw nemende kan voor de te realiseren woning het volgende worden aangegeven. Bestaande situatie: luchtkwaliteit projectlocatie De actuele luchtkwaliteit op en rond de projectlocatie is raadpleegbaar in de Atlas Leefomgeving.
Uit de Atlas Leefomgeving volgt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de directe omgeving van de projectlocatie lager liggen dan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld (voor NO 2 9,34 µg/m³, ‘Goed’, Atlas Leefomgeving d.d. 18.11.2024) en voor PM10 4,12 µg/m³ (‘Goed’, Atlas Leefomgeving d.d. 18.11.2024). Deze concentraties liggen (ver) beneden de grenswaarden. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor wat betreft de actuele luchtkwaliteit in de omgeving van het besluitgebied. NIBM: nieuwe activiteit In de in het voorgaande beschreven ‘regeling niet in betekenende mate’ is in artikel 5.54 Bkl vastgelegd dat het ‘omslagpunt’ voor wat betreft de verslechtering van de luchtkwaliteit ligt bij de realisering van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Aangezien op de voorliggende projectlocatie slechts één woning wordt gebouwd, kan worden geconcludeerd dat deze NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van dit plan. 4.4.3 Conclusie Middels de vaststelling van het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt de bouw van één woning mogelijk gemaakt.
Het omslagpunt voor wat betreft de verslechtering van de luchtkwaliteit ligt op de toevoeging van 1.500 bij één ontsluitingsweg. Gesteld kan dan ook worden dat de realisering van één nieuwe woning niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van de wijziging omgevingsplan.
4.5 Bodemkwaliteit 4.5.1 Wettelijk kader Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 32 -
Toelichting
risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. d Ter bescherming van de gezondheid zijn in het Bkl instructieregels voor de bodemkwaliteit opgenomen. Deze inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt daarbij voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De gemeente stelt als bevoegd gezag de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Deze toelaatbare kwaliteit is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. 4.5.2 Onderzoek Besluitgebied Ter voorbereiding van het onderhavige plan is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn in het navolgende weergegeven. Geonius Milieu B.V., Vooronderzoek Moerslag 16 te Sint-Geertruid, documentnummer MA230566.RO1.V1.0, d.d. 30.10.2023 (separate bijlage 3).
Bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie verdacht is voor bodemverontreiniging. De resultaten van het vooronderzoek alsmede verdachte deellocaties, staan samengevat in de navolgende tabel.
Verkennend bodemonderzoek wordt noodzakelijk geacht op basis van de resultaten van het vooronderzoek. Asbest Op de locatie is wel sprake van een potentieel asbestverdachte locatie. Het betreft de onbekende bouwmaterialen van de historische hoeve, de golfplaten van de opstallen, druppelzone (ontbreken dakafvoer), de onbekende fundering van de verharding en bodemvreemde bijmengingen. Verder asbestonderzoek wordt noodzakelijk geacht. Op basis van de voorgaande bevindingen is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De resultaten van dit onderzoek worden in het navolgende omschreven. TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 33 -
Toelichting
Econsultancy, Rapport verkennend bodemonderzoek, Moerslag 16, Sint Geertruid, rapportnummer d 25406.001, d.d. 08.07.2024 (separate bijlage 4). Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocatie onderzocht: Deellocatie A: perceel R202 In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten vastgesteld aan metalen (cadmium, lood, zink en kwik), PAK en organochloorbestrijdingsmiddelen of afbraakresten daarvan (aldrin/dieldrin/endrin (som), DDD (som) en DDE (som)). De bovengrond voldoet doorgaans aan de kwaliteitsklasse industrie. In de ondergrond zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarde vastgesteld. de ondergrond voldoet aan de klasse Landbouw/Natuur. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als “verdacht” dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de geringe mate van verontreiniging bestaat er op basis van deze resultaten echter geen aanleiding tot nader onderzoek voor deze deellocatie. Deellocatie A1: restverontreiniging perceelgrens Moerslag 12 Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat er op de perceelsgrens met het terrein aan de Moerslag 12 mogelijk (rest)verontreinigingen met metalen en PAK aanwezig zijn. De perceelsgrens is derhalve separaat onderzocht.
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond licht tot sterk verhoogde gehalten aan koper en zink aanwezig zijn. Deze gehalten overschrijden plaatselijk de interventiewaarde. Naast de licht tot sterk verhoogde gehalten aan koper en zink komen er tevens licht verhoogde gehalten voor aan cadmium, kobalt, lood, nikkel, kwik en minerale olie. De sterk verontreinigde grond is elders niet herbruikbaar. Deellocatie A2: erfverharding beton In de aanwezige puinfundatie onder de betonverharding zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. Deellocatie A3: druppelzone opstal In de toplaag van de druppelzone zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm een licht verhoogd asbestgehalte vastgesteld van 4,35 mg/kg d.s. Dit gehalte overschrijdt het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) niet. In de bovengrond is analytisch tevens een licht verhoogd gehalte aan PCB vastgesteld. Deellocatie B: perceel S17 In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten vastgesteld aan cadmium en zink. In de ondergrond komen licht verhoogde gehalten voor aan nikkel. Ondanks deze lichte verhogingen voldoen de boven- en ondergrond wel aan de klasse Landbouw/Natuur.
Conclusie De sterk verhoogde koper- en zinkgehalten ter plaatse van boring A01-1 en A01-2 vormen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Het doel van het nader onderzoek zal zijn om de omvang van de verontreiniging vast te stellen en om te bepalen of er sprake is van risico’s voor mens en milieu. Indien de verontreiniging groter zal zijn dan 25 m3, dan zal deze verontreiniging zoals opgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten een belemmering vormen voor de geplande ontwikkelingen van de onderzoekslocatie. Afhankelijk van TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 34 -
Toelichting
de resultaten uit het nader onderzoek zullen er mogelijk sanerende maatregelen getroffen moeten worden. d Voor de overige deellocaties geldt dat er op milieuhygiënisch vlak geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning en de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. In navolging van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De resultaten van het nader onderzoek zijn in het navolgende omschreven. Econsultancy, Rapport nader bodemonderzoek, Moerslag 16, Sint Geertruid, rapportnummer 25406.002, d.d. 11.10.2024 (separate bijlage 5). Analyseresultaten In de boringen rondom de eerder aangetoonde verontreinigingskern zijn enkel (licht) verhoogde gehalten aangetroffen met cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. Deze gehalten overschrijden de interventiewaarde niet. Over het traject 0,5 - 0,7 m onder de verontreinigingskern is nog een sterke koperverontreiniging (>Interventiewaarde) aangetroffen. Deze verontreiniging bevindt zich niet dieper dan 0,7 m -mv. Op basis van de analyseresultaten wordt de sterke verontreiniging met koper en zink als voldoende afgeperkt beschouwd.
Deze verontreiniging is gerelateerd aan de aanwezigheid van met name slakhoudend materiaal. Deze bijmengingen zijn hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de historische erfverharding, die in het verleden op het naburig perceel aanwezig is geweest. Van deze erfverharding is bekend dat deze bestond uit slakken/sintels die vermoedelijk afkomstig waren van de zinkwitfabriek in Eijsden. Naar alle waarschijnlijkheid zijn tijdens de aanleg van deze erfverharding in een ver verleden verhardingsmaterialen vermengd geraakt met de bodem op de huidige onderzoekslocatie. Mogelijk gaat het ook om uitloging van verontreinigd materiaal van het naburig perceel tot op de huidige onderzoekslocatie. De verontreinigingscontour heeft een oppervlakte van 25 m² en rijkt tot 0,7 m -mv. In totaal is hiermee circa 18 m³ (circa 30 ton) bodemmateriaal sterk verontreinigd. De verontreiniging is ontstaan in een periode vóór 1987. Conclusie Conform het omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten geldt de Interventiewaarde bodemkwaliteit (en een omvang van < 25 m³) als toetsingswaarde om vast te stellen of sprake is van een toelaatbare bodemkwaliteit voor het oprichten van bodemgevoelige bouwwerken op een bodemgevoelige locatie. Deze eis wordt niet overschreden. Er zijn derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen bouwactiviteiten.
4.5.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisering van het bouwplan.
4.6 Omgevingsveiligheid 4.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 35 -
Toelichting
water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transportd en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en de Aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Bij het vaststellen van het omgevingsplan moeten gemeenten voldoen aan regels over externe veiligheid. Enerzijds moeten ze in het omgevingsplan een grenswaarde in acht nemen voor het plaatsgebonden risico. Dit speelt bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Daarnaast moeten gemeenten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen.
Aandachtsgebieden In de externe veiligheid worden drie aandachtsgebieden onderscheiden: brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht. Het bevoegd gezag kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied geldt, aanwijzen als een brand- of explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden dan bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken boven op de standaard bouweisen. Het gaat daarbij om bouweisen die extra beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. Deze extra bouweisen gelden dan alleen voor nieuwbouw. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten. In Bijlage VI van het Bkl onder C. sub a. is aangegeven dat een woning een kwetsbaar gebouw is en dat het aspect externe veiligheid een rol kan spelen in de planvorming. 4.6.2 Onderzoek Vervoer van gevaarlijke stoffen In Bijlage VII van het Bkl zijn onder C de afstanden van de aandachtsgebieden voor wegen, spoorwegen en binnenwateren aangegeven.
Deze betreffen voor het brandaandachtsgebied 30 meter en voor het explosieaandachtsgebied 200 meter. Voor het gifwolkaandachtsgebied is nog geen afstand vastgesteld. De gemeente Eijsden-Margraten sluit daarom aan bij artikel 5.12 lid 4 van het Bkl waarin staat dat een gifwolkaandachtsgebied begrensd is door een afstand van 1.500 meter. In de omgeving van het besluitgebied is een aantal transportassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd aanwezig. Op een afstand van circa 2,1 kilometer ten westen van het besluitgebied is de Rijksweg A2 gelegen. Verder is op een afstand van circa 3 kilometer de spoorlijn Maastricht-Visé (B) aanwezig. Het besluitgebied is buiten de aandachtsgebieden van de genoemde transportassen gelegen. Buisleidingen Op een afstand van circa 1,4 kilometer ten oosten van het besluitgebied zijn de buisleidingen A-520 en A-534 gelegen. In bijlage VII van het Bkl is onder D2 aangegeven dat de afstand van aandachtsgebieden een te berekenen afstand betreft. Het brandaandachtsgebied betreft volgens TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 36 -
Toelichting
het REV 320 meter vanaf de buisleidingen. Het onderhavige besluitgebied is niet binnen deze aandachtsgebieden gelegen. d 4.6.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
4.7 Natuur 4.7.1 Wettelijk kader Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/33/EEG). Deze richtlijnen hebben de bescherming van soorten en hun natuurlijke habitats tot doel. Elke EU-lidstaat is verplicht speciale beschermingszones aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: ‘Natura 2000’. In de Omgevingswet zijn zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming in Nederland geregeld. Conform deze wet zijn de provincies het bevoegd gezag binnen hun grondgebied en zorgen zij voor eventueel noodzakelijke vergunningen en ontheffingen. De regels die in het Bkl zijn opgenomen zijn regels voor de gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming (flora en fauna) en regels ter bescherming van houtopstanden. Er zal eerst een voortoets moeten worden uitgevoerd. Deze bestaat uit een stikstofdepositieberekening (eventueel aangevuld met een ecologische voortoets) en een flora- en fauna onderzoek. Indien – na uitvoering van deze voortoets – sprake is van een overschrijding van normen ten aanzien van gebiedsbescherming wordt de activiteit tevens aangemerkt als een Natura 2000-activiteit en dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd ex artikel 5.1 lid 1 sub e Ow.
In afdeling 8.6 Bkl is het beoordelingskader opgenomen voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten. 4.7.2 Onderzoek Gebiedsbescherming In de directe omgeving van de projectlocatie is het Natura 2000-gebied ‘Savelsbos’ aanwezig op een afstand van 150 meter ten noorden van de projectlocatie. Ten zuidoosten van de projectlocatie is op een afstand van circa 2 kilometer het Natura 2000-gebied ‘Noorbeemden & Hoogbos’ gelegen. Op het navolgende kaartje zijn de genoemde Natura 2000-gebieden middels een groene kleur weergegeven.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 37 -
Toelichting
Het besluitgebied is middels een rode kleur weergegeven: d
Omliggende Natura 2000-gebieden
Stikstofdepositie De stikstofdepositie die ontstaat als gevolg van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen kan een probleem vormen voor zowel de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitattypen en soorten in veel Natura 2000-gebieden als voor het mogelijk maken van economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op deze gebieden. Een te hoge achtergronddepositie zorgt voor een stikstofdeken, die tot gevolg heeft dat in veel Natura 2000-gebieden de zogenoemde kritische depositiewaarden voor de aangewezen habitattypen ruim worden overschreden. Een overschrijding van de kritische depositiewaarde brengt het risico met zich mee dat de kwaliteit van habitattypen wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van stikstofdepositie. Deze negatieve effecten worden veroorzaakt door de uitstoot van stikstof en ammoniak. Deze stoffen komen vrij bij alle verbrandingsprocessen en door ammoniakemissies in de landbouw. De voornaamste bronnen zijn verkeer, industrie en landbouw. Voor omgevingsvergunningen en ruimtelijke plannen is een berekening van de stikstofdepositie in de gebruiksfase en de aanleg-/bouwfase noodzakelijk. Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan is door Vandewall Planologisch Advies een AERIUS-stikstofdepositieberekening uitgevoerd (separate bijlage 6).
Zowel in de bouwfase (0,09 mol/ha/jr) als in de gebruiksfase (0,01 mol/ha/jr) blijkt dat onderhavig plan leidt tot een toename van stikstofdepositie en een overschrijding van de KDW. In navolging van het voorgaande is door FF Advies een ecologische beoordeling uitgevoerd. De conclusie van de ecologische beoordeling is in het navolgende weergegeven. FF Advies, Voortoets stikstof voor de locatie Moerslag 16 te Sint Geertruid, rapportnummer R202430-A, d.d. 21.05.2024 (separate bijlage 7). Conclusie Voor de habitattypen van Natura 2000-gebied Savelsbos, waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd, is in deze voortoets nagegaan of er sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen van de voorgenomen nieuwbouw. Uit AERIUS-berekeningen door VPA blijkt namelijk dat er zowel in de aanleg- als de gebruiksfase overschrijdingen van de grenswaarde 0,00 mol/ha/jr TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 38 -
Toelichting
berekend worden voor stikstofgevoelige habitattypen in genoemd Natura 2000-gebied. In de aanlegfase vindt er een maximale stikstofdepositie plaats van 0,01 á 0,09 mol N/ha/jr op twee d habitattypen, te weten H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en H9160B Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland). Verder wordt een toename van 0,01 mol N/ha/jr berekend voor zoekgebiedtype ZGH6430C Ruigten en zomen (droge bosranden), maar voor dit type zijn geen IHD’s geformuleerd. Voor alle in de voortoets beschouwde typen geldt dat de geringe toename van stikstofdepositie ecologisch gezien geen negatief effect kan hebben. De geringe toename valt verder geheel weg tegen de geleidelijke afname van de achtergronddepositiewaarde, waarvoor in de natuurdoelanalyse van het onderhavige Natura 2000-gebied (Provincie Limburg 2023) trends zijn bepaald. Omdat significante negatieve effecten redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten, is er geen vergunning nodig en hoeft er geen Passende beoordeling te worden opgesteld. Verdere vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn niet nodig. Soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming is door Ecolybrium een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies van deze quickscan zijn in het navolgende beschreven. Ecolybrium, Rapportage quickscan ecologische waarden Moerslag 16 te Sint Geertruid, kenmerk 231498, d.d. 08.11.2023 (separate bijlage 8).
Conclusies: - Effecten op beschermde vaatplanten zijn op voorhand uit te sluiten. Er zijn geen geschikte groeiomstandigheden aanwezig in welke omstandigheden deze soorten groeien; - Effecten op broedvogels (al of niet met jaarrond beschermde nesten) zijn op voorhand uit te sluiten. Er zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig die als zodanig dienst kunnen doen; - Effecten op algemeen voorkomende soorten broedvogels die in de nabijheid van het gebied kunnen broeden zijn te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (dus buiten de periode half maart – half juli); - Effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn geheel uit te sluiten. De onderzoekslocatie herbergt geen verblijf- of foerageerplaatsen voor deze soorten. Daarmee treden er geen overtredingen van verbodsbepalingen op van de Omgevingswet; - Effecten op de gunstige staat van instandhouding van soorten (zoals de das) zijn uit te sluiten, aangezien het gebied geen op zich staand primair jachtgebied betreft. In de directe omgeving is ruim voldoende leefgebied voorhanden; - Effecten op beschermde soorten amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, reptielen en andere ongewervelden treden geheel niet op, omdat er geen optimaal habitat ontwikkeld is; - Op en rondom het perceel zullen enkel vleermuizen voor een korte periode kunnen jagen. Essentieel foerageergebied is geheel niet aanwezig.
Hiervoor is er geen optimale struiken en bomenvegetatie aanwezig. Er is ook geen sprake van aantasting van primair vliegroute, omdat deze niet aanwezig is op de locatie door het ontbreken van een opgaande bomenstructuur. Op de locatie zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen in bomen en bebouwing aanwezig, omdat deze niet aanwezig zijn; - Nader onderzoek naar het gebruik van de planlocatie door beschermde soorten is niet noodzakelijk; - Overtredingen van verbodsbepalingen in het kader van de Omgevingswet treden dan ook niet op; - In het kader van de Omgevingswet kan geconcludeerd worden dat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zoals beoogd.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 39 -
Toelichting
4.7.3 Conclusie d Het beoogde initiatief zal geen negatieve effecten veroorzaken op natuurwaarden. Derhalve vormt het aspect natuur geen belemmering voor onderhavig plan.
4.8 Water en watersysteem Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan is door Geonius een infiltratieonderzoek uitgevoerd. In het navolgende zijn de bevindingen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen beschreven. Geonius, Infiltratieadvies t.b.v. nieuwbouw a/d Moerslag 16 te Sint Geertruid, documentnummer GA231421.R01.V1.0, d.d. 08.05.2024 (separate bijlage 9). Over het algemeen wordt gesteld dat infiltratie van hemelwater interessant is indien: -
de doorlatendheid groter is dan ca. 0,2 m/d; de grondwaterstand dieper dan 0,5 á 0,7 m- maaiveld aanwezig is; het in te leiden hemelwater niet is verontreinigd.
In de navolgende tabel zijn de maatgevende doorlatendheden weergegeven ter plaatse van de metingen. De doorlatendheid van de bodem is geclassificeerd en tevens is weergegeven of de doorlatendheid aan de eerste eis voldoet.
Aan de tweede eis wordt voldaan aangezien het grondwater niet wordt verwacht tot een diepte van ca. 20,0 m- maaiveld ofwel -80,0 m. Aan de derde eis kan worden voldaan door alleen het schone regenwater te infiltreren. Voor infiltratie van het water zal een zand- en slibvangsysteem moeten worden aangebracht. De mogelijkheden voor infiltratie zijn als volgt: 1. infiltratie in de bovengrond (tot ca. 1,0 m -maaiveld) door middel van oppervlakkige infiltratie via doorlatende verharde oppervlakten. Dit behoort tot de mogelijkheden, maar is geen economisch aantrekkelijke oplossing en zeer gevoelig voor dichtslibben (met name in de aangetroffen geroerde, silthoudende ondergrond). Daarnaast heeft doorlatende verharding geen of een beperkte waterbergende functie. Doorlatende verhardingen kunnen wel toegepast worden om het af te koppelen oppervlak (en dus de toestroom van hemelwater) te beperken, bijvoorbeeld door de verhardingen met grind of grasbetontegels uit te voeren. Tevens zal rekening gehouden moeten worden met de geroerde toplaag, deze zal moeten worden verwijderd en vervangen door goed doorlatend materiaal; 2. Infiltratie in de bovengrond (tot ca. 1,0 m -maaiveld) middels een open bovengronds systeem zoals een infiltratieveld, wadi of greppel. Dit behoort tot de mogelijkheden, maar TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 40 -
Toelichting
zal ten koste gaan van de beschikbare ruimte. Afhankelijk van de beschikbare ruimte is dit wel een economisch aantrekkelijk, robuust en goed onderhoudbaar systeem; d 3. Infiltratie in de ondiepe ondergrond (tot ca. 3,5 m -maaiveld) middels een ondergronds systeem. Hierbij valt te denken aan infiltratie via infiltratiekratten, infiltratiekoffers, putten en/of infiltratieriool. Dit behoort tot de mogelijkheden. Het gekozen infiltratiesysteem dient wel op voldoende afstand van de bestaande en nieuwbouw geprojecteerd te worden; 4. Infiltratie naar de diepere ondergrond (dieper dan ca. 3,5 m -maaiveld). Dit kan middels grindpalen naar een dieper niveau. Dit behoort tot de mogelijkheden, maar biedt gezien de zandige toplaag geen toegevoegde waarde. Tevens dient dan de doorlatendheid van de diepere ondergrond onderzocht te worden. Conclusie Op basis van de gemeten doorlatendheden en de verwachte grondwaterstand wordt geconcludeerd dat infiltratie van hemelwater tot de mogelijkheden behoort. Geadviseerd wordt een infiltratievoorziening in de ondiepe ondergrond aan te leggen, bijvoorbeeld een wadi of infiltratiekratten. Dimensionering infiltratievoorziening Ten aanzien van de het totaal afwaterende oppervlak, de vrij goede doorlatendheid van de ondergrond en de beschikbare ruimte op het terrein wordt het aanleggen van een infiltratiesysteem in de ondiepe ondergrond geadviseerd.
Ten behoeve van het uitwerken van het definitieve bouwplan wordt zowel een dimensionering van een wadi als een krattenvoorziening uitgewerkt. In verband met de afwezigheid van een voorlopig bouwplan is voor de uitgangspunten een schatting gemaakt van het totaal verhard oppervlak op basis van gegevens verstrekt door de opdrachtgever en de aanwezige bebouwing in de omgeving. In de berekeningen is rekening gehouden met infiltratie door de bodem en wanden van de wadi. Om infiltratie te bevorderen en het ruimtebeslag te verkleinen kan het systeem via een bodemfilter en/of overstortvoorziening nog op een ondergronds pakket van poreus materiaal, infiltratiekratten of drainbuizen worden aangesloten. Bij het dimensioneren van de voorziening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Algemeen - conform gegevens verstrekt door de opdrachtgever en een schatting op basis van de bebouwing in de omgeving is het totale afwaterend oppervlak voor de uitbreiding geschat op ca. 350 m²; -
conform de beleidsregels van Waterschap Limburg, specifiek voor het gebied Zuid-Limburg (Heuvelland), dient de voorziening gedimensioneerd te worden op een bui T=200 (80 mm in 2 uur);
-
de hoeveelheid toestromend water is berekend op basis van het afwaterend oppervlak en de gehanteerde bui. De uitkomst van deze berekeningen bedraagt ca. 28,0 m 3;
-
conform de richtlijnen van RIONED wordt een ledigingstijd van maximaal 24 uur gehanteerd. Indien vanwege de doorlatendheid niet aan de ledigingstijd van 24 uur kan worden voldaan kan een leegloopvoorziening worden toegepast;
-
bij de dimensionering van de voorziening wordt uitgegaan van infiltratie tijdens de bui;
-
voor de doorlatendheid is op basis van de doorlatendheidsmetingen een maatgevende kwaarde gehanteerd van 0,9 m/dag;
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 41 -
Toelichting
-
Wadi -
conform ISSO-publicatie 70.1 is de afvloeiingscoëfficiënt aangehouden op 1; dat wil zeggen dat alle neerslag op het beschouwde oppervlak, in het infiltratiesysteem terecht d komt; voor de wadi is uitgegaan van een talud van 1:3 of flauwer zodat deze nog machinaal gemaaid kan worden;
-
voor de wadi wordt uitgegaan dat deze ontstaat door ontgraving van het terrein en begroeid zal zijn met gras. Derhalve is voor de berekening van de wadi conform de Leidraad Riolering uitgegaan van de doorlatendheid van gras welke conform de Leidraad 0,5 m/dag bedraagt. Eventueel kan de bodem van de wadi voorzien worden van drains en drainagezand;
-
voor de berekening is uitgegaan van een wadi met een diepte van 0,5 m en een waakhoogte van 0,1 m. De maximale waterdiepte komt hiermee op 0,4 m; voor het dimensioneren van een voorziening middels een wadi is als doorlatend oppervlak conform de Leidraad Riolering 40% van de hoogte van de wanden meegenomen en 100% van het bodemoppervlak;
-
Infiltratiekratten - voor het dimensioneren van een voorziening middels infiltratiekratten is als doorlatend oppervlak conform de Leidraad Riolering 60% van de hoogte van de wanden meegenomen en 0% van het bodemoppervlak (als gevolg van dichtslibben); - voor de berekening is uitgegaan van een porositeit van 95% voor de kratten. Ontwerpadvies In de navolgende tabellen is berekend welke dimensionering de voorziening minimaal moet hebben om aan de eisen te voldoen en of de voorziening daarmee aan de ledigingstijd voldoet. Afhankelijk van de beschikbare ruimte kunnen afwijkende afmetingen worden toegepast. Bij de berekeningen is uitgegaan van een stationaire situatie.
Op basis van de bovenstaande dimensionering is een wadi van ca. 140 m2 benodigd om aan de gestelde eisen te voldoen. De capaciteit van de wadi ligt hoger dan op basis van het verhard oppervlak aangenomen is aangezien het hemelwater dat op de wadi zelf valt ook geborgen dient te worden. Een dergelijke wadi is makkelijk aan de achterzijde van het terrein in te passen, en kan in het landschapsontwerp worden meegenomen.
Uit de dimensionering van infiltratiekratten blijkt dat een strook van ca. 29,4 m³ aan infiltratiekratten benodigd is om aan de gestelde eisen te voldoen. Op basis van de beschikbare ruimte, de mogelijkheden tot onderhoud van de voorziening en de kosten wordt het aanleggen van een wadi op het terrein om het afgekoppelde hemelwater te infiltreren geadviseerd.
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 42 -
Toelichting
4.9 Archeologie & cultuurhistorie d 4.9.1 Wettelijk kader Archeologie De gemeente Eijsden-Margraten heeft op 15 december 2012 de Erfgoedverordening EijsdenMargraten vastgesteld. Deze verordening is voor wat betreft het aspect archeologie gebaseerd op de ‘Archeologische monumenten- en verwachtingskaart en archeologische beleidskaart voor de gemeente Eijsden-Margraten’, die hiervan deel uitmaakt. Cultuurhistorie Het besluitgebied is in het TOP van de gemeente Eijsden-Margraten voorzien van de functie ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’. De voor ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande bebouwing, bouwwerken en bebouwde gronden, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang, die een beeld opleveren dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap, de cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke structurele samenhang. 4.9.2 Onderzoek Op basis van de bij de Erfgoedverordening Eijsden-Margraten behorende verwachtingskaart is het besluitgebied aangewezen als ‘categorie 3’ (Monumenten van hoge waarde, niet beschermd volgens de Monumentenwet) en ‘categorie 6’ (Gebieden met een lage verwachting/trefkans). Op onderstaande uitsnede is het besluitgebied middels een rode kleur aangeduid:
Uitsnede archeologische verwachtingskaart (besluitgebied binnen rode omlijning) met legenda (onderstaand)
TAM-omgevingsplan Moerslag ong. Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten
- pagina 43 -
Toelichting
d
Ter plaatse van de gronden aangeduid als ‘categorie waarde 3’ geldt een archeologische onderzoeksplicht wanneer de gronden worden verstoord tot een diepte van 0,50 meter of meer beneden maaiveld, over een oppervlakte van 250 m² of meer. Ter plaatse van de gronden aangeduid als ‘categorie waarde 6’ geldt een archeologische onderzoeksplicht wanneer de gronden worden verstoord tot een dieper van 0,40 meter of meer beneden maaiveld, over een oppervlakte van 25.000 m² of meer. Beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling is geprojecteerd op de gronden die zijn aangeduid als ‘categorie waarde 3’. De realisering van de nieuwe woning leidt niet tot een bodemverstoring van 250 m² of meer. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt 177,5 m². De werkzaamheden ten behoeve van het verwijderen van de stal en de bestaande verhardingen zullen niet dieper reiken dan 0,50 meter en vinden plaats binnen reeds geroerde gronden. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is derhalve niet aan de orde. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de realisering van het plan. Cultuurhistorie Het besluitgebied is gelegen binnen het Rijksbeschermd dorpsgezicht ‘Sint-Geertruid, Moerslag en Bruisterbosch’. In het TOP is het besluitgebied tevens voorzien van de functie ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’.