20250408 06e TAM Motivering
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Relatie met het omgevingsplan Het voornemen is gelegen naast een hoofdspoorweg en voor een heel klein deel in het beperkingengebied van het spoor. Het beperkingengebied geldt namelijk binnen een afstand van 11 meter uit het midden van het buitenste spoor. Voor dit beperkingengebied gelden de regels zoals die zijn opgenomen in de paragrafen 9.2.1 en 9.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De beoogde woningbouw met bijbehorende voorzieningen en de aan te leggen infrastructuur zijn buiten het beperkingengebied voorzien.
Dit beperkingengebied vormt daarmee geen belemmering voor voorliggend woningbouwplan.
28
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Hoofdstuk 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden In dit hoofdstuk worden de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van het voornemen weergegeven.
5.1
Landschap
Landschappelijk kader Het wijzigingsgebied, gelegen tussen de Pastoor Rosierstraat en de spoorlijn, is vanuit historie altijd in gebruik geweest als agrarisch gebied. Door de jaren heen is het door fruitbomen verdichtte landschap omgevormd tot een landschap met meer open ruimten. Dit komt omdat de hoogstamboomgaarden gedeeltelijk zijn verdwenen door de efficiëntere vorm van landbouw. Ten noorden van het wijzigingsgebied heeft de eerste bebouwing vanaf ca.1990 haar intrede gedaan, betreffend de woning Parrestraat 22 en de naastgelegen loods Parrestraat 26. Beide panden zijn nog aanwezig in eenzelfde hoedanigheid. Het wijzigingsgebied zelf is altijd vrij geweest van bebouwing. De woningen ten westen en zuiden van de Pastoor Rosierstraat zijn ook rond het jaar 1990 ontwikkeld; hiermee werd de zuidelijke rand van het wijzigingsgebied gedefinieerd. Tot 2020 deed het perceel 108 (het westelijke deel van het wijzigingsgebied) dienst als fruitboomgaard. Tegenwoordig bestaat dit deel van het wijzigingsgebied uit graslanden met een aantal grotere fruitbomen. Kavels 109 en 110 zijn tot op heden nog steeds in gebruik als hoogstamboomgaard. Het gebied ten noorden, oosten en zuiden van Oost-Maarland bevindt zich op ooivaaggronden met zowel een zwaar als licht karakter welke een lagere doorlatendheid kunnen hebben.
Het omliggend landschap wordt getypeerd door een afwisseling van graslanden, akkerlanden en hoogstamboomgaarden die omsloten zijn door geschoren hagen bestaande uit meidoorn, Spaanse aak, sleedoorn, haagbeuk en vuilboom. Ten westen van het wijzigingsgebied stroomt de Maas en is er een grote plas te vinden die gevormd is door een voormalige grindontginning. In de uiterwaarden van de Maas bevinden zich Natura-2000 gebieden met bijbehorende plantsoorten zoals: zwarte elzen en wilgen. Verder richting het oosten, nabij Kasteel-Oost, bevinden zich bepaalde natuurdoeltypen, zoals Kruiden-en faunarijk grasland, Dennen-, eiken-, en beukenbos, en Ruigteveld. Bomen en struiken die binnen deze natuurdoeltypen voorkomen zijn: eiken, dennen, beuken, berken, lijsterbes, ratelpopulier, linde, vlier, vuilboom etc. Het wijzigingsgebied kenmerkt zich door de combinatie tussen hoogstamboomgaarden en open landschap, wat beide karakteristiek is voor de omgeving. Ten behoeve van het voornemen is een landschapsanalyse uitgevoerd die is opgenomen in het landschapsplan (zie Bijlage 2).
29
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Landschapsanalyse (bron: CB5)
Kernkwaliteiten landschap Het landschap, waar het plankavel zich in bevindt, heeft de volgende kernkwaliteiten: de Maas met Natura 2000 gebieden en bijbehorende natuurdoeltypen, een diversiteiten aan open en gesloten landschap, weilanden, akkerlanden, bomenrijen en karakteristieke boomgaarden omringd door hagen. Kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel De groenblauwe mantel is een ruimtelijk concept bedoeld als strategisch middel om de gevolgen van klimaatverandering op de natuur te kunnen verzachten. Een groenblauwe mantel is een multifunctioneel gebied dat wordt ontwikkeld ter versterking van de EHS (Ecologische Hoofdstructuur) en tevens andere maatschappelijke diensten levert. Het landschap in een groenblauwe mantel heeft een sterke groenblauwe dooradering waardoor de ruimtelijke samenhang van de EHS wordt versterkt en de gevolgen van klimaatextremen (zoals temperatuur en hydrologie) voor biodiversiteit worden gebufferd. Deze dooradering biedt ook een risicovermindering voor de gevolgen van klimaat gebonden ziekten en plagen, levert een bijdrage aan watervasthoudende en waterbergende vermogen van het landschap, versterkt de cultuurhistorische identiteit en verhoogt de recreatieve draagkracht en kwaliteit van het landschap. De groenblauwe mantel ligt nabij de voorgenomen woningbouwontwikkeling en doorkruist de planlocatie niet.
Echter wordt er wel rekening gehouden bij de aanplant van nieuwe planten en bomen met de lokale omgeving. Door het herintroduceren van deels inheemse planten- en bomensoorten en door de toevoeging van wadi's in de oostelijke zone van het wijzigingsgebied worden nieuwe foerageerplekken ontwikkeld waar aanwezige diersoorten in de groenblauwe mantel gebruik van kunnen maken. Zo wordt de biodiversiteit versterkt en wordt er een kans geboden aan diersoorten om zich door het landschap te kunnen bewegen.
30
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Bestaande groenkarakteristieken De huidige situatie van het plangebied kent een visuele tweedeling. De westkant bestaat uit een weide met een aantal solitaire bomen met aan de noordzijde een breed struweel op het aangrenzende perceel. De oostkant bestaat uit een aantal hoogstambomen welke relatief ver uit elkaar staan. Voor het landschappelijk inpassen van de nieuwe, stedenbouwkundige ontwikkeling zullen alle bomen moeten wijken in verband met de ruimtereservering voor de benodigde waterberging, maar ook voor de eventuele uitbreiding van de planvorming. De aanplant van de nieuwe bomen zorgt er echter voor dat de kroonprojecties van de te verwijderen bomen worden gecompenseerd. Groenstructuurwijzigingsgebied De nieuwe groenstructuren binnen de planontwikkeling sluiten aan bij de landschappelijke kwaliteiten uit de directe omgeving. De kenmerkende vegetatiesoorten van het Maasdal landschap worden ingezet om de nieuwe uitbreiding op te laten gaan in het landschap en een passende identiteit te geven. De nieuwe beplanting binnen het gebied kent een variantie in hoogte, gelaagdheid, bloeitijd etc. De aanplant van de woonomgeving met merendeels inheems plantmateriaal én de toevoeging van veel variatie voorziet een natuurinclusieve omgeving voor zowel mens en dier. Binnen deze omgeving wordt lokale biodiversiteit, zoals insecten en vogels, behouden maar ook verbeterd.
Bomen De kenmerken van de nieuwe bomen in de stedenbouwkundige ontwikkeling sluiten aan bij het gebruik en karakter van deze locatie. Voor de nieuwe laanstructuur aan de Pastoor Rosierstraat is juist gekozen voor boomsoorten met een minimale vruchtvorming wat geen hinder vormt voor geparkeerde auto's. Deze laanbomen zorgen voor een uitbundige herfstverkleuring. In de oostelijke, parkachtige structuur worden inheemse bomen toegepast, zoals lindes en zwarte els etc. De inheemse bomen zorgen voor een compact bladerdek en een verticale gelaagdheid. Naast deze inheemse bomen worden er ook vruchtbomen toegepast, namelijk een tamme kastanje, boomhazelaar en walnotenboom. Dit is ter verwijzing naar de voormalige hoogstamboomgaard die hier op deze locatie aanwezig was. Hagen en struwelen De groene Maasheggen zijn kenmerkend voor het Maasdal. In het plangebied zijn de Maasheggen terug te vinden als scheerheggen en struwelen. Nabij de parkeerkoffers worden de scheerheggen toegepast en nabij de spoorlijn en het nieuwe, private perceel worden struwelen toegepast. De landschappelijke scheerheggen bestaan uit twee soorten, namelijk Meidoorn en Spaanse aak. De hoogte van deze heggen zal maximaal 80 cm hoog zijn.
Zowel de lage als hoge hagen zijn van grote waarde, doordat ze nest- & schuilgelegenheid voor insecten, vogels en kleine zoogdieren bieden, een verbindingsroute vormen voor zoogdieren en een bijdrage leveren voor een aantrekkelijk groenbeeld wat aansluit op het omliggend landschap. Grasruigte Ten oosten en noorden van de nieuwe woningbouw wordt bloemrijk grasland als onderbegroeiing van de bomen toegepast. Er worden twee bloemrijke mengsels toegepast, namelijk een bloemenmengsel voor in de wadi’s en een bloemenmengsel voor de overige oppervlaktes. De bloemenmengsels passen met hun bijbehorende vegetatiesoorten binnen het landschappelijk karakter van de aanliggende weides en fungeert als leefgebied voor de lokale fauna. Daarnaast gedijen deze mengsels goed op de aanwezige, lichte ooivaaggronden. De grasruigte wordt op een ecologische manier beheerd. Hierbij staat de flora en fauna centraal, waarbij het beheer gericht is op behoud en verbetering van de ecologie. De grasruigte wordt gefaseerd gemaaid (per vak of locatie) om de ecologie zo min mogelijk te beperken en de variatie te bevorderen. Gefaseerd beheer voorziet in het behoud van schuilgelegenheid en nectarvoorziening voor microfauna. Wadi’s en
31
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
bermen kunnen machinaal gemaaid worden waarbij het maaisel afgevoerd moet worden om de ondergrond niet te verrijken en de biodiversiteit in stand te houden. Om ervoor te zorgen dat de grasruigte zo min mogelijk als belemmerend wordt ervaren, wordt er parallel aan de padenstructuur een smalle strook (intensief) gemaaid van 0,50 tot 1,00 meter. Bescherming Nationaal Landschap Zuid-Limburg De beoogde ontwikkeling integreert plantsoorten binnen de planlocatie die aansluiten op de directe omgeving. De karakteristieke beplantingselementen vanuit het omliggende landschap van het Maasdal worden ingezet om de woningbouwontwikkeling een passende identiteit te geven. Door toepassing van nieuwe boom- en plantsoorten zal de wijk meer lokale fauna (insecten en vogels) aantrekken; iets dat zorgt voor een meer levendiger en gezondere woonomgeving. Door toepassing van wadi's in het wijzigingsgebied worden er nieuwe standplaatsen voor de verschillende dier-, insect- en plantensoorten die in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg leven ontwikkeld. Tevens wordt de biodiversiteit van de omgeving weer herstelt én versterkt. Door de toepassing van nieuwe planten- en bomensoorten krijgen insecten en vogels weer de kans om zich hier te vestigen.
Met het doorzetten van de groenstructuur uit de directe omgeving wordt het leefgebied van plant- en diersoorten uitgebreid, wat de biodiversiteit ten goede komt. De ontwikkeling tast het reliëf nauwelijks aan: er wordt rekening gehouden met natuurlijke hoogteverschillen binnen het wijzigingsgebied. Zo wordt er op de laagst gelegen gronden ruimte gereserveerd voor een wadi waar de waterberging wordt ingepast. Daarnaast wordt noordelijk van deze wadi de waterberging voor een mogelijke fase 2 al uitgewerkt, waarbij deze tweede wadi als overstortplaats dient. Deze wadi's vormen de nieuwe groene afzoming van het wijzigingsgebied richting het spoor. Ook vormen ze pleisterplaatsen voor dier-, insect- en plantensoorten die voorkomen in het Zuid-Limburgse landschap. Relatie met het omgevingsplan Het voornemen sluit aan bij de bestaande landschapsstructuren. Het landschapsplan waarborgt de kernkwaliteiten van het gebied op het aspect landschap en zorgt ervoor dat deze worden behouden danwel verbeterd. De hagen zijn van grote waarde voor het wijzigingsgebied en zijn in dat kader via een voorwaardelijke verplichting voorgeschreven in de regeling van dit TAM-omgevingsplan.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
Voor het wijzigingsgebied is een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O, verkennend booronderzoek) uitgevoerd (zie Bijlage 3). Het wijzigingsgebied ligt in het meest zuidelijke deel van het Limburgse Maasdal. De afstand tot het huidige zomerbed van de Maas bedraagt circa 1,2 km. Het wijzigingsgebied ligt in een gebied dat bestaat uit een serie Maasterrassen waarbij het wijzigingsgebied op het terras van Oost-Maarland is gelegen. Dit terras dateert uit het Weichsel. Daarboven heeft de Maas rivierkleien afgezet. In deze rivierkleien zijn verbruinde ooivaaggronden ontstaan. Historisch ligt het wijzigingsgebied binnen agrarische landen en velden tussen de oude dorpen van Oost en Maarland. Het wijzigingsgebied lijkt nooit bebouwd geweest te zijn en ook de omgeving van het wijzigingsgebied is pas recent (late 20ste eeuw) in de stedelijke uitbreidingen van Oost en Maarland opgegaan. Voor archeologie is slechts een beperkte hoeveelheid informatie beschikbaar. De beperkte informatie wijst op bewoning en gebruik vanaf het neolithicum tot in de nieuwe tijd. Hierbij worden de resten uit late middeleeuwen en nieuwe tijd overwegend in en rond de oude kernen en bewoningsclusters aangetroffen. Voor resten of vindplaatsen ouder dan het neolithicum ontbreken momenteel alle aanwijzingen.
Bodemkundig is enkele keren vastgesteld dat er inderdaad sprake is van jonge en oude rivierkleiafzettingen op terrasafzettingen (van Terras van Oost-Maarland) en dat in deze
32
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
rivierkleiafzettingen geen bodems gevormd zijn. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het wijzigingsgebied een variabele archeologische verwachting: onbekend voor vindplaatsen uit het paleolithicum en mesolithicum (gelegen in de top van de terrasafzettingen); middelhoog voor nederzettingen, begravingen en off site fenomenen uit de periode neolithicum tot en met de Romeinse tijd (in de top van de jonge dan wel oude rivierklei) laag voor nederzettingen, begravingen uit de periode middeleeuwen en nieuwe tijd; hoog voor off site fenomenen uit de periode middeleeuwen en nieuwe tijd (in de top van de jonge rivierklei). Het verkennend booronderzoek (bestaande uit 19 boringen) heeft een zeer uniform beeld gecreëerd. De bodemopbouw bestaat uit een sequentie van een bouwvoor van 15 tot 40 cm dikte op een jonge rivierklei (lichtbruine tot bruine, matig tot sterk siltige, matig stevige klei) op een oude rivierklei (bruine tot lichtbruine sterk tot uiterst siltige klei met een zwakke tot matig zwakke zandfractie). In geen van de rivierkleiafzettingen zijn sporen aangetroffen van bodemvorming. Tijdens het booronderzoek zijn geen zandige en/of grindige bedding- c.q. terrasafzettingen van de Maas aangetroffen. Het booronderzoek heeft geen aanleiding gegeven om de verwachting van het bureauonderzoek bij te stellen.
Relatie met het omgevingsplan Gezien de impact van het planvoornemen en de potentiële archeologische niveaus, wordt geadviseerd om vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren, waarbij zowel aandacht wordt besteed aan het niveau van de jonge rivierklei (resten tot Ijzertijd) als dat van de oude rivierklei (resten van neolithicum en/of bronstijd).
5.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. De ladder bestaat inmiddels nog maar uit "twee treden": 1. Behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele behoefte? Het kan zowel om een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte gaan. 2. Binnen- of buitenstedelijk: indien er sprake is van een actuele behoefte, dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties. Middels de te doorlopen procedure wordt een wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd. Hiermee wordt de realisatie van een reeks woningen en appartementen mogelijk gemaakt. Alvorens het onderhavige plan te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dient eerst bepaald te worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het onderhavige plan is sprake van woningbouwontwikkeling in de vorm van 25 appartementen en 13 grondgebonden woningen. Gesteld kan worden dat een bouwplan met een dergelijke omvang kan worden beschouwd als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Behoefte In de Woondeal Limburg 2023-2030 is afgesproken dat in Limburg minimaal 26.550 nieuwe woningen gebouwd worden met een ambitie voor 20.000 extra. Het gaat hierbij om een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Landelijk, provinciaal en in de regio gaat 2/3 van de nieuwbouw verplicht bestaan uit betaalbare woningen. Van de nieuwbouw is 40% bedoeld voor middeninkomens. Voor sociale huur geldt
33
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
dat gemeenten in de nieuwbouw een been moeten bijtrekken om op 30% te komen, als ze nu een lager aandeel hebben, terwijl gemeenten die al (ruim) boven het gemiddelde zitten meer moeten bouwen voor de middeninkomens. Voor Zuid-Limburg wordt uitgegaan van de volgende cijfers: Gedurende de periode tot 2025, wordt ingezet op het bruto toevoegen van 7.872 woningen. In deze periode is de sloop voorzien van 898 woningen; Gedurende de periode van 2025 tot en met 2030 is voorzien in een bruto plancapaciteit dan wel voornemen tot realisatie van 15.746 woningen. In de plannen zijn in deze periode al 7.543 sloopaantallen voorzien. Eijsden-Margraten maakt deel uit van de regio Maastricht-Heuvelland, een populaire plek om te wonen. De verwachting is dat de populariteit van deze subregio aanhoudt en toeneemt, mede door de groei van de universiteit, bruisende stadscentra, de wens van senioren en jongeren om in hun omgeving te blijven wonen en de buitenlandse migratie. De vraag naar woningen in de regio komt helaas niet altijd overeen met het aanbod. Bestaande woningen moeten daarom worden verduurzaamd of levensloopgeschikt worden gemaakt. De transformatie- en herstructureringsopgave is onmogelijk om te realiseren zonder nieuwbouw. Nieuwbouw kan zorgen voor doorstroming, snellere verduurzaming, betere menging van woning typologieën en goedkopere woonproducten.
Ook wil de regio plek blijven bieden aan expats en andere kenniswerkers uit de (Eu)regio om passend te blijven wonen en ook hun kinderen hier te laten opgroeien. Het United World College zorgt voor een passend onderwijsaanbod. Op basis van de prognoses en programmeringen van Maastricht-Heuvelland is er sprake van een behoefte van circa 9.000 woningen tot 2030, waarvan 4.640 reguliere woningen en 4.365 tijdelijke woningen. De tijdelijke behoefte is gebaseerd op de groei van de universiteit Maastricht (circa 3% per jaar), maar ook stijgende migratie, behoefte aan tijdelijke woonruimtes en de huidige krapte op de woningmarkt. De lokale woningbouwambitie bestaat uit een uitbreidingsopgave en een herstructureringsopgave. Deze nieuwe woningen zijn noodzakelijk om de herstructureringsprojecten te realiseren. De nieuwbouw is namelijk nodig om doorstroom uit de beoogde herstructureringsprojecten te genereren en draagt daardoor bij aan de transformatie van de regio. De opgaven hangen dus met elkaar samen. De regio monitort periodiek de subregionale woonprogrammering en stelt deze bij op basis van actuele afspraken met corporaties en marktpartijen.
Projecten binnen Maastricht-Heuvelland ontvangen hiervoor al steun van de Provincie Limburg en het Rijk door middel van verschillende regelingen: het Volkshuisvestingsfonds, het Kader Kwaliteit in Limburgse Centra, Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen en de Versnellingsafspraken BO MIRT. Daarnaast is er samen met de subregio Westelijke Mijnstreek een aanvraag ingediend voor de 4e tranche Regio Deal met de naam InGenieus, Groen en Gezond. Uit het woningmarktonderzoek van de provincie Limburg komt naar voren dat er grote behoefte is aan woningen voor senioren, starters,internationale werknemers en spoedzoekers. En dan met name in het sociale huursegment. Omdat het aantal één- en tweepersoons huishoudens sterk toeneemt, wordt voor wat betreft de kwantitatieve opgave uitgegaan van een toename van de woningbehoefte van bijna 4.000 tot circa 6.000 extra woningen tot en met 2030. In kwalitatief opzicht is er een tekort van 26.810 aan met name nultredenwoningen en appartementen en een overschot van 11.535 reguliere grondgebonden woningen. Dit overschot aan reguliere grondgebonden woningen bevindt zich met name in de regio Zuid-Limburg. Ook vindt er een duidelijke verschuiving plaats van koopwoningen naar huurwoningen.
Van de circa 3.800 woningen die in 2021 in Limburg zijn toegevoegd, zijn ruim 250 koopwoningen geschikt voor starters en ruim 900 zelfstandige woningen geschikt voor senioren (c.q. ouderenzorg). In het betaalbare segment zijn 1.200 sociale huurwoningen of betaalbare koopwoningen gerealiseerd. Uit het onderzoek blijkt dus dat er een vraag is naar huur- en koopwoningen in de regio, met name voor ouderen, starters, internationale werknemers en spoedzoekers. En dan met name in het sociale
34
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
huursegment. De ontwikkeling voorziet onder meer in starterswoningen en appartementen. Een deel van deze appartementen en (starters)woningen betreffen ook sociale huur en koop. Daarmee sluit het voorgenomen plan op deze vraag. De behoefte aan deze ontwikkeling is daarmee aangetoond. Binnen- of buiten bestaand stedelijk gebied Met bestaand stedelijk gebied wordt een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca bedoeld, inclusief de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De voorgenomen woningbouw ontwikkeling bevindt zich in het bestaand stedelijk gebied van de kern Oost-Maarland. Het voornemen past binnen de omgeving.
35
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Hoofdstuk 6
Aspecten van de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.
6.1
Natuur
6.1.1
Quickscan ecologie
Ten behoeve van het voornemen is een ecologische quickscan Omgevingswet uitgevoerd (zie Bijlage 4). De gemeente Eijsden-Margraten heeft het voornemen om in Oost-Maarland het woningaanbod uit te breiden. Hiervoor worden de percelen 108 en 109 gebruikt. Om dit te realiseren dient de vegetatie van percelen 108 en 109 verwijderd te worden. Daarnaast dient er ten behoeve van het plaatsen van de funderingen van de woningen gegraven te worden. Vervolgens worden de woningen gebouwd. Tijdens deze werkzaamheden worden bouwmaterialen tijdelijk en lokaal opgeslagen. Bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met mogelijk negatieve effecten op soorten, Natura 2000-gebieden, houtopstanden en Natuurnetwerk Limburg (NNL) die in het kader van de Omgevingswet beschermd zijn. Negatieve effecten, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, leiden mogelijk tot conflict met de Omgevingswet. Om te onderzoeken in hoeverre dergelijke negatieve effecten optreden, is de ecologische quickscan Omgevingswet opgesteld. Hieronder is per deelaspect de conclusie van de quickscan ecologie weergegeven. Soortbescherming Op basis van de quickscan is de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet uit te sluiten in het wijzigingsgebied. Niet alle overtredingen van de verbodsbepalingen zijn te voorkomen door de mitigerende maatregelen.
Daarom is soortgericht onderzoek en een mogelijk daaruit voortvloeiende vergunning van de Omgevingswet noodzakelijk. Afhankelijk van of alle voorgestelde mitigerende maatregelen toegepast kunnen worden, dienen de volgende soorten onderzocht te worden: Akkerdoornzaad en grote bosaardbei Sperwer en torenvalk Steenuil Grauwe klauwier Kramsvogel Steenmarter (onderzoek is te voorkomen met mitigerende maatregelen) Eekhoorn (onderzoek is te voorkomen met mitigerende maatregelen) Grote bosmuis Grote vos, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart Gebiedsbescherming Directe effecten op Natura-2000 gebieden van zowel de aanleg als de gebruiksfase zijn uitgesloten, vanwege de grote afstand (> 1,5 km) ten opzichte van deze gebieden. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn niet uitgesloten. Een Aerius-berekening voor zowel de aanleg als gebruiksfase is noodzakelijk om mogelijke effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de genoemde Natura 2000-gebieden vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten. Deze resultaten zijn weergegeven in paragraaf 6.1.3. NatuurNetwerk Limburg
36
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Het wijzigingsgebied ligt op 450 meter van De Eijsder Beemden, onderdeel van NatuurNetwerk Limburg. De voorgenomen woningbouwontwikkeling heeft geen invloed op NNL waardoor negatieve effecten op NNL zijn uitgesloten. Verdere toetsing is aan de NNL is daarom niet nodig. Relatie met het omgevingsplan Ondanks genoemde te hanteren maatregelen in het onderzoek, vindt mogelijk als gevolg van de geplande werkzaamheden wel overtreding van enkele verbodsartikelen uit de Omgevingswet plaats met betrekking tot de soorten. Derhalve is het noodzakelijk - voor het verkrijgen van een eventuele vergunning Omgevingswet - om voorafgaand aan de werkzaamheden soortgericht onderzoek naar genoemde soorten uit te voeren conform de vigerende protocollen. Met dit onderzoek wordt de aan- dan wel afwezigheid van essentiële onderdelen van functioneel leefgebied van de voornoemde beschermde soorten. De resultaten van het soortgericht onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 6.1.2.
6.1.2
Soortgericht onderzoek
In de quickscan (zie paragraaf 6.1.1) is geconcludeerd dat voor enkele soorten nader soortgericht onderzoek noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of sprake is van negatieve effecten op de betreffende soorten. Dit betreft broedvogels (steenuil, sperwer, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel), zoogdieren (steenmarter), vaatplanten (akkerdoornzaad en grote bosaardbei) en vlinders (grote vos en teunisbloempijlstaart). Deze onderzoeken zijn in 2024 uitgevoerd door Arcadis en Ecosprong. In het activiteitenplan (zie Bijlage 5) zijn de resultaten van het soortgericht onderzoek beschreven, zijn de effecten op de aanwezige beschermde functies inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de Omgevingswet. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten als gevolg van de geplande werkzaamheden, wordt gesproken over een flora- en fauna-activiteit. De werkzaamheden kunnen dan enkel doorgang vinden na het verkrijgen van een Omgevingsvergunning. Onderzoek Voor de onderzochte soorten geldt dat de negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden bestaan uit tijdelijke effecten, die zich enkel voordoen gedurende de werkzaamheden, en permanente effecten.
Het gaat om de volgende effecten: Tijdelijke effecten: Doden of verwonden; Verstoring door geluid, licht, trillingen en optische prikkels (bijvoorbeeld aanwezigheid mensen); Permanente effecten: Verlies van verblijfplaatsen; Mechanische effecten door vergraven/comprimeren van de bodem door heen en weer rijden; Vermesting en verzuring (bijvoorbeeld door stikstof uit de lucht); Versnippering (aantasting samenhang van gebieden). Voor de verschillende soorten zijn veldbezoeken uitgevoerd in de periode maart tot en met oktober 2024. Broedvogels Binnen het wijzigingsgebied zijn géén essentiële leefgebieden aanwezig van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Effecten zijn daarom uitgesloten. Er is voor deze soorten geen sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor deze soorten daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een omgevingsvergunning aan te vragen. Mogelijk komen er binnen het wijzigingsgebied wel vogels voor zonder jaarrond beschermd nest. Voor
37
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
deze soorten kan geen omgevingsvergunning worden aangevraagd en moeten mitigerende maatregelen worden getroffen. Maatregel voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is: Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden, totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Steenmarter Binnen het wijzigingsgebied zijn geen essentiële functies aanwezig voor steenmarter. Het wijzigingsgebied maakt door sporadisch gebruik geen essentieel deel uit van het leefgebied van de steenmarter. Er zijn dus geen essentiële functies voor steenmarter aanwezig binnen het wijzigingsgebied. Effecten zijn daarom uitgesloten. Er is voor deze soort geen sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor steenmarter daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een omgevingsvergunning aan te vragen. Flora Het onderzoek naar akkerdoornzaad en grote bosaardbei is uitgevoerd in de bloeiperiode van beide planten. Binnen het wijzigingsgebied zijn geen groeiplaatsen aanwezig van akkerdoornzaad en grote bosaardbei. Effecten zijn daarom uitgesloten.
Er is voor deze soorten geen sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor deze soorten daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een omgevingsvergunning aan te vragen. Vlinders Bij de onderzoeken naar grote vos zijn waardbomen (fruitbomen, waaronder pruim) met kleine holten en deuken aangetroffen. De bomen zijn gecontroleerd op (vraatsporen van) rupsen en de holten zijn gecontroleerd op overwinterende imago’s. Deze zijn niet aangetroffen. Waardplanten van teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder zijn niet aangetroffen. Er zijn in dat kader ook geen (vraatsporen en uitwerpselen van) rupsen aangetroffen. Door het ontbreken van de aanwezigheid van zowel grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder, zijn effecten op deze soorten als gevolg van de werkzaamheden per definitie uitgesloten. Er is geen toetsing noodzakelijk voor deze soorten. Er is voor deze soorten geen sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor deze soorten daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een omgevingsvergunning aan te vragen. Zorgplicht Ten aanzien van de zorgplicht zijn in de Omgevingswet verplichtingen opgenomen. De algemene zorgplicht geldt voor alle soorten, de aanvullende zorgplicht geldt voor beschermde soorten. Het is belangrijk om ook rekening te houden met vrijgestelde soorten.
Relatie met het omgevingsplan In het wijzigingsgebied is in 2024 nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar broedvogels met jaarrond beschermd nest (steenuil, sperwer, torenvalk, grauwe klauwier, kramsvogel), zoogdieren (steenmarter), planten (akkerdoornzaad en grote bosaardbei) en vlinders (grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder). De onderzochte soorten zijn niet aangetroffen, beschermde functies van deze soorten zijn niet aanwezig in het wijzigingsgebied. Wel zijn er mogelijke nestplaatsen van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest aanwezig in het wijzigingsgebied. Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest moeten de mitigerende maatregelen worden opgevolgd. Voor overige soorten geldt de zorgplicht. Met de genoemde maatregelen worden effecten op beschermde soorten volledig voorkomen. Daarmee is
38
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
bij de geplande werkzaamheden geen sprake van een flora- en fauna- activiteit; er hoeft geen omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor de geplande werkzaamheden. Het is aan te bevelen om de mitigerende en zorgplicht-maatregelen overzichtelijk te bundelen in een ecologisch werkprotocol voor de partij die de werkzaamheden gaat uitvoeren. Daarmee wordt geborgd dat deze maatregelen deel uit maken van de werkwijze van de betreffende partij. Hiermee wordt onverhoopt afwijken van deze maatregelen, en daarmee het begaan van overtredingen in het kader van de soortbescherming in de Omgevingswet, voorkomen.
6.1.3
Stikstofdepositie
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening voor zowel de gebruiksfase als de realisatiefase uitgevoerd (zie Bijlage 6). Realisatiefase De werkzaamheden starten in 2025. In de realisatiefase wordt stikstofdepositie veroorzaakt vanwege het gebruik van dieselmaterieel tijdens de werkzaamheden en de uitstoot van het bouwverkeer. Bij het gebruik van dieselmaterieel komt NOx en NH3 vrij. De uitstoot is afhankelijk van het brandstofverbruik, het aantal draaiuren, het motorische vermogen en de stageklasse van het materieel. Hierin zijn het aantal draaiuren en het motorische vermogen van het materieel projectafhankelijk. Daarnaast worden gedurende de realisatie voertuigen ingezet voor het transport van materieel van en naar de bouwlocatie. Met ingang van Aerius 2024 moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stilgestaan heeft en kan gelden voor: Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn; Middelzware en zware vrachtwagens die bij laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laaden lostijd meer dan 2 uur bedraagt. Uit de resultaten van de berekening blijkt dat er geen toename in stikstofdepositie wordt berekend.
Gebruiksfase De belasting van de Natura 2000-gebieden rondom de emissiebronnen is berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De verspreidingsberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de online-applicatie Aerius-Calculator (versie 2024.0.1). Aerius-Calculator is een rekenprogramma om de verspreiding van stoffen in de lucht te simuleren. Daarnaast berekent het model hoeveel van die stoffen per hectare terechtkomt (depositie). In de gebruiksfase van dit project wordt mogelijk NOx en NH3 uitgestoten vanwege het verkeer dat over de Pastoor Rosierstraat rijdt. Een verschilberekening is gemaakt tussen de beoogde plansituatie en de autonome situatie. De intensiteit neemt in de beoogde situatie toe door het extra verkeer van de nieuwe woningen op de ontwikkellocatie. Ook in de gebruiksfase dient rekening te worden gehouden met de koude start van motorvoertuigen. Uit de resultaten van de berekening blijkt dat er geen toename in stikstofdepositie wordt berekend. Realisatiefase De werkzaamheden starten in 2025. In de realisatiefase wordt stikstofdepositie veroorzaakt vanwege het gebruik van dieselmaterieel tijdens de werkzaamheden en de uitstoot van het bouwverkeer. Bij het gebruik van dieselmaterieel komt NOx en NH3 vrij. De uitstoot is afhankelijk van het brandstofverbruik, het aantal draaiuren, het motorische vermogen en de stageklasse van het materieel.
Hierin zijn het aantal draaiuren en het motorische vermogen van het materieel projectafhankelijk. Daarnaast worden gedurende de realisatie voertuigen ingezet voor het transport van materieel van en naar de bouwlocatie.
39
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Met ingang van Aerius 2024 moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stilgestaan heeft en kan gelden voor: Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn; Middelzware en zware vrachtwagens die bij laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laaden lostijd meer dan 2 uur bedraagt. Uit de resultaten van de berekening blijkt dat er geen toename in stikstofdepositie wordt berekend. Hersteldoelhexagonen Op 17 juni 2024 heeft de Raad van de EU de Natuurherstelwet goedgekeurd. Hiermee geldt een natuurherstelverplichting in alle Europese landen. In de afgelopen jaren zijn in Nederland habitats verdwenen - en niet op een andere locatie voor hetzelfde oppervlak teruggekomen. Nederland moet deze natuur dus herstellen. Hierom wordt sinds de release van Aerius 2024 bij de Aeriusrapportage ook een rapportage met hersteldoelhexagonen meegestuurd. Uit deze rapportages blijkt dat er geen hersteldoelhexagonen worden geraakt. Doorwerking in het voorliggend plan Omdat de maximale berekende waarde in zowel de bouwfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha bedraagt, wordt voldaan aan het wettelijk kader en is een omgevingsvergunning voor een Natura2000-activiteit, in het kader van stikstofdepositie, niet noodzakelijk.
6.2
Water
Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. De gemeente en/of de initiatiefnemer moet de opvattingen van de waterbeheerders betrekken bij het (wijzigen van het) omgevingsplan. Onderzoek De aanleiding voor het uitvoeren van de watertoets wordt gevormd door de voorgenomen ontwikkeling van woningbouw in het wijzigingsgebied. Bij het ontwikkelen van nieuwe projecten is het van essentieel belang om water op een expliciete en evenwichtige wijze te integreren. Concreet houdt dit in dat onderzocht moeten worden hoe op een duurzame manier met water kan worden omgegaan in toekomstige plannen. Hierbij is het vasthouden, bergen en afvoeren van water binnen het betreffende gebied van groot belang. Tevens is het van belang om te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om regenwater te infiltreren en in welke mate bestaande watersystemen, zowel in hun oorspronkelijke vorm als in alternatieve vormen, behouden of hersteld kunnen worden. Het advies inzake berging en infiltratie van hemelwater is opgenomen in Bijlage 7.
Uitgangspunten voor het ontwerp van de bergings- en infiltratievoorziening is volledige opvang van het regenwater, afkomstig van het verhard oppervlak, binnen het wijzigingsgebied. Hiertoe dient binnen het wijzigingsgebied voorzieningen te worden gerealiseerd waarin 80 mm/m2 verhard oppervlak kan worden geborgen. Deze voorziening dient een leeglooptijd van maximaal 24 uur te hebben. De woningen en appartementen dienen een berging c.q. infiltratievoorziening op eigen terrein te realiseren. Infiltratie De bovengrond in het traject van 1,0 tot 2,6 m beneden maaiveld heeft een matige k-waarde van 0,17 -
40
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
0,35 meter per dag. Deze k-waarde maakt de bovengrond slecht geschikt voor infiltratie. De laag van 4,5 tot 5,5, m beneden maaiveld heeft een zeer goede k-waarde van 14 - 15 meter per dag. In deze laag is infiltratie goed mogelijk. Het grondwater is aangetroffen op een diepte van 3,2 - 3,3 m beneden maaiveld. Infiltratie vindt daardoor plaats in de verzadigde zone. Berging De benodigde berging voor de beoogde woningbouwontwikkeling bedraagt 430 m3. Ontwerp In het wijzigingsgebied is een wadi opgenomen met een diepte van ca. 1,0 m beneden maaiveld. Bij een maximale waterspiegelhoogte van 0,35 m heeft de wadi een bergingsvermogen van 191 m3. Dit is voldoende om het voortuinen, openbaar terrein, nieuwe en bestaande verharding, te bergen. Indien sprake is van een grotere hoeveelheid neerslag dan heeft de wadi de mogelijkheid om nog maximaal 0,25 m extra waterkolom te kunnen bergen alvorens over te storten op de laagte in de groenvoorzieningen. Om de wadi binnen 24 uur te laten leeglopen dient een verbinding gemaakt te worden met de verzadigde zone, aangezien de bovengrond een matige k-waarde heeft. Deze verbinding kan worden gerealiseerd door het boren van enkele infiltratiepalen tot een diepte van ca. 4,5 m beneden maaiveld. Een tweede optie is een sleuf van bodem wadi tot een diepte van 4,5 m beneden maaiveld. Deze sleuf kan gevuld worden met Porodur lava 16/32.
Het water kan hierdoor eenvoudig afstromen richting verzadigde zone. Een bijkomend voordeel is dat lava een zekere mate van zuiverend vermogen heeft, waardoor mogelijke vervuiling in het regenwater niet wordt afgevoerd naar de ondergrond. De wadi dient sowieso te worden voorzien van een bodempassage. Het verhard oppervlak van de bouwkavels / appartementen en het parkeerterrein behorende bij de appartementen dient op eigen terrein te worden geborgen en geïnfiltreerd. Een overstort bij een bui > 80 mm is toegestaan via het maaiveld op het openbaar terrein. Riolering De hemelwaterafvoer van het wijzigingsgebied wordt niet aangesloten op het bestaande rioolstelsel, maar op het bestaande rioolstelsel evenwijdig aan het spoor. Gezien de capaciteit van dit stelsel en het beperkt aantal toe te voegen woningen (38) is het effect hiervan op dit bestaande rioolstelsel als nihil te beschouwen. Het nieuwbouwplan maakt geen gebruik van het bestaande rioolstelstel richting Parrestraat (afvoer via de Dorpsstraat). Het functioneren en de algehele kwaliteit van het bestaande rioolstelsel zal geïnspecteerd worden en indien hier aanleiding toe is, aangepast. Doorwerking in het omgevingsplan Door de aanleg van een wadi met infiltratiepalen wordt aan 191 m3 van de totale bergingseis van 430 m3 voldaan.
Het verhard oppervlak van de bouwkavels / appartementen en het parkeerterrein behorende bij de appartementen dient op eigen terrein te worden geborgen en geïnfiltreerd. In de regeling is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van waterberging met een bergingscapaciteit van ten minste 430 m3 binnen het wijzigingsgebied.
6.3
Klimaatadaptatie
In artikel 3.5 van de omgevingsverordening is de instructieregel opgenomen dat de motivering bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving moet bevatten over de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Onderzoek
41
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
In de notitie klimaatadaptatie (zie Bijlage 8) wordt de instructieregel van de Provincie Limburg inzake klimaatadaptatie beantwoord door de klimaatadaptieve ingrepen die in de stedenbouwkundige planontwikkeling zijn beoogd nader toegelicht. Hittestress Er worden maatregelen getroffen om de negatieve effecten door opwarming van de omgeving te voorkomen. Hiertoe wordt er in het ontwerp zo min mogelijk verharding toegepast, alleen verharding toe te passen waar nodig. Daarnaast wordt er in het ontwerp bewust gekozen om de verharde objecten te beschaduwen door middel van groen. Onder andere de toepassing van bomen op plekken waar schaduw op de verharde delen optreedt, is hierbij van belang. Indien objecten in het ontwerp niet of onvoldoende beschaduwd kunnen worden, is het advies om in het ontwerp te kiezen voor materialen die weinig warmte opslaan (materialen met een lage dichtheid) of juist zonnestraling reflecteren (materialen die een hoge Albedowaarde hebben). De voor- en achtertuinen van de te realiseren woningen mogen maar een beperkt percentage verharding toepassen om het plan zo groen mogelijk in te kleden. De opritten van de twee-onder-een kapwoningen worden verhard uitgevoerd. Tevens geldt dat naar de rijwoningen een voetpad naar de voordeur verhard wordt uitgevoerd. Het verhardingspercentage van de percelen van de rijwoningen bedraagt circa 85%.
De percelen voor de twee-onder-eenkapwoningen hebben een verhardingspercentage van circa 60%. Het verhardingspercentage bij het appartementencomplex betreft 50%. Om de verhardingspercentages op de particuliere percelen te kunnen handhaven, wordt er in het koopcontract een bepaling te worden opgenomen waarin staat in hoeverre particulieren hun perceel mogen verharden. Daarnaast is als advies de vermindering van hittestress en droogte binnen het plangebied ook mogelijk middels toepassing van groene (sedum)daken. Droogte Ook worden er maatregelen getroffen met betrekking tot het zoveel mogelijk tegengaan van droogte, als een gevolg van de klimaatverandering. Middels de aanplant van nieuwe kwalitatieve, goede bomen wordt het water langer in de grond vastgehouden, wat ten goede komt voor de droogte in het wijzigingsgebied. Als extra oplossing kunnen groen daken (sedum) worden toegepast. Deze daken kunnen water vasthouden die een goede voedingsbodem voor vlinders en insecten in de omgeving vormen. Wateroverlast Klimaatadaptatie houdt ook in dat er slim omgegaan wordt met hemelwater. Dit wordt bereikt door het hemelwater zo lang mogelijk vast te houden en op de planlocatie te laten infiltreren waar dit mogelijk is.
Ook hiervoor geldt dat zo min mogelijk verharden en het toepassen van zoveel mogelijk groen van positieve invloed is om het regenwater vast te houden en te laten infiltreren in de bodem. De hemelwaterberging biedt daarnaast veel mogelijkheden voor het verrijken van een ontwerp én inrichting van een leefomgeving. Een tijdelijke verandering van speelplekken – bijvoorbeeld door het overstromen van delen van speelplekken tijdens of na een hevige regenval – zorgt voor een dynamische omgeving. Verder zorgt het opslaan van regenwater voor een robuust beheer van de openbare ruimte in tijden van droogte. Bij de wateropgave wordt rekening gehouden met de vanuit de gemeente of het waterschap aangedragen normering van piekbuien. Wateroverstroming De laatste pijler binnen de klimaatadaptatie, zoals vastgesteld door de raad in de vergadering van december 2022, ‘Klimaatadaptatieplan Eijsden-Margraten 2023-2027’ heeft betrekking op overstroming binnen het wijzigingsgebied. Zoals bovengenoemd kunnen speelplekken tijdelijk veranderen indien er veel regen in korte tijd valt. Dit zorgt voor een dynamische omgeving en op deze manier kan overtollig water tijdelijk worden vastgehouden, alvorens dit wordt afgevoerd naar de daarvoor bestemde wadi’s en rioleringen.
42
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Doorwerking in het omgevingsplan In de voorgenomen woningbouwontwikkeling worden verschillende maatregelen toegepast om zo de risico's en gevolgen van klimaatverandering te beperken. Er wordt vanuit klimaatadaptief en duurzaam oogpunt ontworpen. Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die getroffen zijn in het plan: De toepassing van zoveel mogelijk robuust, zowel inheems groen als niet-gecultiveerd groen (dit zijn de fruitbomen die worden aangeplant als verwijzing naar de voormalige fruitboomgaard); Het beperken van verharding in het gebied: alleen verharding waar noodzakelijk; De toepassing van lichte materialen in de rijbaan en opritten; en betontegels voor het trottoir ter plaatse van de Pastoor Rosierstraat; De toepassing van lichte materialen voor de haaks- en langsparkeervakken; Het planten van voldoende bomen op een schaduw-activerende manier; De toepassing van groene erfafscheidingen; De toepassing van stimulerende maatregelen voor biodiversiteit, zoals nestkasten, insectenhotels, vleermuishuizen e.d.; De toepassing van water regulerende maatregelen, waaronder wadi's; Toepassen van waterbergingsmaatregelen; Een hemelwaterafvoer van de openbare verhardingen naar de regenwaterbuffers (wadi's) in het oosten van het wijzigingsgebied; Wadi's voorzien van infiltratie- en transportpalen.
6.4
Verkeer en parkeren
Ten behoeve van het voornemen is een verkeerstoets uitgevoerd om de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer inzichtelijk te maken. De volledige verkeerstoets is opgenomen in Bijlage 9 van deze onderbouwing. De planontwikkeling wordt ontsloten aan de Pastoor Rosierstraat. De Pastoor Rosierstraat is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Gezien de ligging van de Pastoor Rosierstraat is het aannemelijk dat in de huidige situatie en de situatie na realisatie van de planontwikkeling uitsluitend bestemmingsverkeer (aanwonenden en gasten) gebruik maken van deze weg. Een groot deel van het verkeer van/naar het wijzigingsgebied zal richting Maastricht of Eijsden rijden. Hiervoor maken ze gebruik van de Parrestraat, Dorpsstraat en Putstraat om bij de Catharinastraat/ Kloppenbergweg te komen. De Parrestraat, Dorpsstraat en de Putstraat zijn alle erftoegangswegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30km/u. De Putstraat is een éénrichtingsweg in zuidelijke richting. Alle straten zijn met name woonstraten die weinig doorgaand verkeer kennen en met name gebruikt worden door de bewoners en bezoekers van Oost-Maarland. De Catharinastraat/Kloppenbergweg is voor de huidige bewoners van Oost-Maarland en de toekomstige bewoners van de planontwikkeling een belangrijke verbinding van/naar Maastricht en Eijsden.
Het is een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50km/u. De weg heeft een vrijliggend fietspad in twee richtingen aan de westzijde van de weg. Bereikbaarheid De omliggende kernen zijn goed bereikbaar voor fietsers. Het centrum van Eijsden is gelegen op circa 3 kilometer (10 minuten fietsen) en het centrum van Maastricht is gelegen op circa 6 kilometer (20 minuten fietsen) vanaf het wijzigingsgebied. Beide plaatsen zijn te bereiken middels het vrijliggende fietspad aan de westzijde van de Catharinastraat/Kloppenbergweg. Het wijzigingsgebied is matig ontsloten middels het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte, is de halte Catharinastraat. Deze ligt op 700 meter afstand (circa 10 minuten lopen). Bushalte Catharinastraat wordt aangedaan door buslijn 15 (Maastricht - Eijsden) en kent overdag (tot circa 20:00) een halfuur dienstregeling. Het wijzigingsgebied is van meerdere kanten te benaderen en daarmee goed bereikbaar voor
43
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
hulpdiensten. Maatregelen om de bereikbaarheid voor hulpdiensten te verbeteren zijn dan ook niet nodig. Parkeren Bij het bepalen van de aantal benodigde parkeerplaatsen voor de ontwikkeling is onderstaande berekening uitgevoerd.
In totaal worden in het plan 25 parkeerplaatsen op eigen terrein, 33 openbare parkeerplaatsen, 6 opritten voor één voertuig en 1 oprit voor 2 voertuigen. In totaal komt dit neer op 66 parkeerplaatsen. Hiermee worden voldoende parkeerplekken gerealiseerd om te voldoen aan de toekomstige parkeerbehoefte ten behoeve van de planontwikkeling. Conform de berekening van de parkeerbehoefte in bovenstaande tabel voorzien de beoogde woningbouwontwikkeling in voldoende parkeercapaciteit om te voorzien in de toekomstige parkeerbehoefte. Verkeersgeneratie De ontwikkeling van de beoogde bouwplannen zorgt voor een toename van de hoeveelheid verkeer in de omgeving van het wijzigingsgebied. In onderstaande tabel is de berekening van de verkeersgeneratie van gemotoriseerde voertuigen per weekdagetmaal opgenomen.
Bij de beschouwing van de verkeerseffecten van een planontwikkeling op het omliggende wegennet wordt gekeken naar het verkeer per werkdag. Voor het omrekenen van de verkeersgeneratie van weekdag naar werkdag is een omrekenfactor van 1,11 toegepast. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 269 mvt/werkdagetmaal.
44
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Het bestaande wegennet kan de toename van verkeer als gevolg van de planontwikkeling dan ook goed verwerken. Relatie met het omgevingsplan De bereikbaarheid van het wijzigingsgebied voor gemotoriseerd verkeer, fietsers en hulpdiensten is goed. De bereikbaarheid van het wijzigingsgebied voor openbaar vervoer is matig, met name door de afstand van het gebied tot bushaltes en een treinstation (in Eijsden). Na toepassing van het parkeerbeleid van de gemeente Eijsden-Margraten op het voorliggende plan is gebleken dat de verwachte parkeerbehoefte 66 parkeerplaatsen betreft. Gezien het feit dat in de huidige plannen 68 parkeerplaatsen zijn opgenomen kan worden geconcludeerd dat parkeren geen belemmering vormt voor de uitvoering van het voorgenomen plan. De beoogde planontwikkeling genereert 269 motorvoertuigbewegingen/werkdagetmaal. Deze verkeersgeneratie zorgt voor een toename van de verkeersintensiteiten op een aantal wegen in de omgeving van het wijzigingsgebied. Uit de berekeningen is op te maken dat de toename van de verkeersintensiteiten niet leidt tot onacceptabele intensiteiten op wegen in de omgeving. Concluderend kan worden gesteld dat er voldoende rekening is gehouden met de toename in verkeer dat het wijzigingsgebied mogelijk maakt. Het vormt geen belemmering voor het voornemen.
6.5
Bodem
Naar aanleiding van voorliggend plan is een tweetal bodem- en asbestonderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken betreffen verschillende percelen die van functie veranderen met voorliggend plan. De volledige onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 10 en Bijlage 11. De percelen uit sectie G met de kadastrale nummers 108, 109, 110 en 276 zijn onderzocht in de onderzoeken, ten behoeve van voorliggend plan zijn alleen de resultaten van de percelen 108, 109 en 110 opgenomen in deze motivering. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het oostelijk deel en het westelijk deel van het wijzigingsgebied in deze motivering. Aanleiding tot de uitvoering van de bodemonderzoeken vormt de actualisatie van het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek (E15552.24, d.d. 22 maart 2007) op de onderzoekslocatie, in het kader van de voorgenomen bouwplannen. In beide onderzoeken zijn proefboringen uitgevoerd om de bodemkwaliteit te onderzoeken. Onderzoek westelijk deel wijzigingsgebied (Bijlage 10)
45
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Onderzoekslocatie rapport te Eijsden (west).
Bovengrond De bovengrond is analytisch in de grondmengmonsters 01 t/m 06 onderzocht. Uit de analyseresultaten kan het navolgende worden geconcludeerd: Uit de analyseresultaten blijkt, dat de bovengrond veelal verontreinigd is met diverse zware metalen en OCB tot boven de normwaarden (LN). Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kunnen de grond(meng)monsters 02 en 06 als klasse Landbouw/natuur grond worden bestempeld en kunnen de grondmengmonsters 01, 03, 04 en 05 als klasse industrie grond worden bestempeld.
46
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Boorpunten voor grondmonsters
Ondergrond De ondergrond is analytisch in de grondmengmonsters 07 en 08 onderzocht. Uit de analyseresultaten kan het navolgende worden geconcludeerd: Uit de analyseresultaten van de ondergrond blijkt, dat de ondergrond marginaal verontreinigd is met nikkel en kobalt. Voor het overige zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond als klasse Landbouw/natuur grond worden bestempeld. PFAS Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt, dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS worden aangetroffen ten opzichte van de detectiegrenzen. De concentraties overschrijden niet de achtergrondwaarden. De aangetroffen overschrijdingen zijn van dien aard, dat deze geen directe belemmeringen opleveren voor de voorgenomen bouwplannen en de uiteindelijke kwalificatie van de onderzochte bodemlagen. Grondwater In het grondwater overschrijden geen van de onderzochte concentraties de signaleringswaarden. Asbest De gehele onderzoekslocatie is analytisch op asbest in een 3-tal grond-/puinmengmonsters onderzocht. Hieruit blijkt, dat in geen van de onderzochte asbestmonsters verhoogde concentraties asbest voorkomen. Onderzoek oostelijk deel wijzigingsgebied (Bijlage 11)
47
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Onderzoekslocatie rapport te Oost-Maarland (oost). Alleen het meest rechtse onderzoeksgebied op de weergegeven afbeelding is meegenomen in deze motivering.
Bovengrond Uit de analyseresultaten blijkt, dat de bovengrond veelal verontreinigd is met diverse zware metalen en OCB tot boven de normwaarden (LN). In MM4 is de concentratie zink tot boven de (voormalige) bodemindex verhoogd aangetoond. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de bovengrond als klasse Industrie grond worden bestempeld.
48
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld) Boorpunten voor grondmonsters
Ondergrond Uit de analyseresultaten van de ondergrond blijkt, dat de ondergrond marginaal verontreinigd is met nikkel en kobalt. Voor het overige zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond als klasse Landbouw/natuur grond worden bestempeld. PFAS Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt, dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS worden boven de detectielimiet aangetroffen. De aangetroffen gehaltes overschrijden niet de maximale waarde voor de klasse Landbouw/natuur. Grondwater In het grondwater zijn overschrijdingen met xylenen en naftaleen aangetroffen. De aangetroffen concentraties overschrijden de signaleringswaarde niet. De aangetroffen concentraties zijn dermate marginaal dat deze geen belemmeringen opleveren voor de beoogde nieuwbouw. Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek, zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Geen van de onderzochte asbestconcentraties overschrijden de detectiegrenzen van 2 mg/kg ds. Relatie met het omgevingsplan Resumerend kan gesteld worden, dat ondanks de (licht) verhoogde concentraties in de boven- en ondergrond, deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik, zijnde woningbouw.
Voor wat betreft de onderzoekslocaties, is er geen aanleiding om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Voor het overige dient men rekening te houden met de diversiteit in kwalificatie van de onderzochte bodemlagen. Indien de vrijkomende grond niet ter plaatse kan worden herschikt, dienen de bodemlagen op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit afgezet te worden bij een erkend verwerker of er dient een partijkeuring conform Besluit Bodemkwaliteit BRL1000, protocol 1001 uitgevoerd te worden.
6.6
Geluid
Woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Om de realisatie hiervan mogelijk te maken, dient een akoestisch onderzoek aan te tonen en/of te onderbouwen dat er ten aanzien van het aspect geluid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gezien de ligging van het bouwplan dient er rekening te worden gehouden met geluid afkomstig van: rijkswegen, gemeentewegen en spoorwegen. Het akoestisch onderzoek is weergegeven in Bijlage 12. Onderzoek In het akoestisch onderzoek is het voornemen getoetst aan de bepalingen van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De standaardwaarde bedraagt 50 dB vanwege rijkswegen, 53 dB voor gemeentewegen en 55 dB vanwege spoorwegen. De grenswaarde bedraagt 60 dB vanwege rijkswegen, 70 dB vanwege gemeentewegen en 65 dB vanwege spoorwegen. Het geluid is berekend ter plaatse van de geprojecteerde nieuwe woningen en op de perceelgrens van de kavel waarop een vrijstaande woning gerealiseerd kan worden. Zie de onderstaande figuur voor de