CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20250408 06e TAM Motivering

* Raadsvergaderingen 8 april 2025, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Raadsvoorstel TAM-omgevingsplan Woningbouw Oost-Maarland24.560 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw OostMaarland Gemeente Eijsden-Margraten

NL.IMRO.1903.TAMOP22bOMaarland-VG01 VASTGESTELD 18 februari 2025

Contactpersoon T M E

Arcadis Nederland B.V. Maastricht

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Inhoudsopgave

Motivering Hoofdstuk 1

7 Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Wijzigingsgebied

7

1.3

Omgevingsplan van rechtswege

8

1.4

Planvorm

8

1.5

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Voorgenomen wijziging

10

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

12

3.1

Rijksbeleid en Rijksregels

12

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

19

3.3

Regionaal beleid

23

3.4

Beleid Waterschap

24

3.5

Gemeentelijk beleid

25

Hoofdstuk 4

Beperkingengebieden

28

Hoofdstuk 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden

29 3

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

5.1

Landschap

29

5.2

Archeologie en cultuurhistorie

32

5.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

33

Hoofdstuk 6

Aspecten van de fysieke leefomgeving

36

6.1

Natuur

36

6.2

Water

40

6.3

Klimaatadaptatie

41

6.4

Verkeer en parkeren

43

6.5

Bodem

45

6.6

Geluid

49

6.7

Luchtkwaliteit

52

6.8

Geurhinder

55

6.9

Milieuzonering

55

6.10 Omgevingsveiligheid

56

6.11 Gezondheid

58

6.12 Duurzaamheid

59

6.13 Mer-beoordeling

59

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

60

7.1

Kostenverhaal

60

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

60

Hoofdstuk 8

Artikelsgewijze toelichting

63

8.1

Uitwerking in de regels

63

8.2

Functies en activiteiten

64

Hoofdstuk 9

Belangenafweging en conclusie

66

4

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

5

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

6

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Motivering

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Eijsden-Margraten heeft het voornemen om ter plaatse van een weiland ten noorden en oosten van de Pastoor Rosierstraat in Oost-Maarland woningen en appartementen te realiseren. Daarbij hoort ook de inrichting van verkeer- en parkeerruimte. Om de realisatie van de woningbouw en bijbehorende inrichting van de openbare ruimte planologisch mogelijk te maken, is voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld.

1.2

Wijzigingsgebied

Het wijzigingsgebied betreft de onbebouwde grond ten noorden en oosten van de Pastoor Rosierstraat. Het bevindt zich ten westen van het spoortraject tussen station Maastricht Randwyck en station Eijsden. De beoogde woningbouwontwikkeling is voorzien op de percelen kadastraal bekend als Eijsden, sectie G nummers 108, 109 en 110.

Wijzigingsgebied

Huidige situatie

7

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

De beoogde ontwikkellocatie bestaat uit weilanden met enkele fruitbomen. Aan de west- en zuidzijde wordt de locatie begrensd door de Pastoor Rosierstraat respectievelijk de Remigiushof. Ten zuiden en westen van het wijzigingsgebied is een woonwijk gelegen. Ten noorden van de ontwikkellocatie, aan de Parrestraat, zijn enkele percelen met bomen en een woning met agrarische bebouwing gelegen. Aan de oostzijde loopt de spoorlijn tussen de stations Maastricht Randwyck en Eijsden.

Wijzigingsgebied vanaf Pastoor Rosierstraat

1.3

Wijzigingsgebied richting spoorlijn

Omgevingsplan van rechtswege

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten (/akn/nl/act/gm1903/2020/omgevingsplan, 1 januari 2024). Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het wijzigingsgebied die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. Het betreft de volgende bestemmingsplannen: Bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 27 april 2010. Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten, vastgesteld op 25 augustus 2018. De voorgenomen woningbouwontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan.

1.4

Planvorm

Deze wijziging van het omgevingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen: 1. een plankaart (NL.IMRO.1903.TAMOP22bOMaarland-VG01) waarop de functies van het wijzigingsgebied zijn weergegeven. Deze functies zijn gerelateerd aan de regeling. 2. de regeling waarin het gebruik van de binnen het wijzigingsgebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. De regeling is conform de Omgevingswet opgesteld. Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Deze wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld met een motivering waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording zijn opgenomen.

8

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van deze wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen wijziging. Hoofdstuk 3 beschrijft het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 besteed aandacht aan de relevante beperkingengebieden. Hoofdstuk 5 schetst de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van deze wijziging uiteengezet. Hoofdstuk 8 biedt een artikelsgewijze toelichting van de in de wijziging van dit omgevingsplan opgenomen regels.

9

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Hoofdstuk 2

Voorgenomen wijziging

Ten behoeve van de ontwikkeling van de woningen en het appartementencomplex is een inrichtingsplan opgesteld (zie Bijlage 1). De ontwikkeling bestaat uit drie onderdelen die hierna worden toegelicht. Woningen Verkeersstructuur Groenstructuur

Inrichtingsplan met het appartementencomplex in het zuidoosten en de grondgebonden woningen in het zuidwesten van het gebied.

Woningen Het inrichtingsplan omvat 38 woningen, verdeeld in de volgende vier woningbouwtypologieën: 6 grondgebonden woningen uitgevoerd als 3-onder-1-kap (driekapper; koop tot betaalbaarheidsgrens); 6 grondgebonden woningen uitgevoerd als 2-onder-1-kap (tweekapper; koop, vrije sector); 25 Appartementen waarvan 9 in de sociale huur en 16 als goedkope koop. 1 Vrijstaande woning. Het appartementencomplex Aan de zuidwestzijde van het wijzigingsgebied is een appartementencomplex in drie en vier bouwlagen voorzien. Aan de achterzijde van het appartementencomplex wordt parkeergelegenheid gerealiseerd.

10

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Aan de Pastoor Rosierstraat is het complex drie bouwlagen en richting het noorden verandert de bouwhoogte naar vier lagen. De grondgebonden woningen In de ontwikkeling worden 13 grondgebonden woningen gerealiseerd, variërend tussen twee- en driekappers alsmede één vrijstaande woning. De driekappers zullen worden gerealiseerd in de zuidwestzijde van de ontwikkeling, de tweekappers worden gerealiseerd tussen de driekappers en het appartementencomplex in. Ten oosten van de te realiseren weg en ten westen van het spoor wordt een vrijstaande kavel gerealiseerd. Elke grondgebonden woning heeft aan de achterzijde een tuin. Verkeersstructuur De toename in verkeer die de beoogde ontwikkeling met zich meebrengt, wordt afgewikkeld op de bestaande weginfrastructuur. Aan de zuidzijde wordt een trottoir gerealiseerd om de grondgebonden woningen lopend te kunnen bereiken en te wandelen. Parkeren vindt plaats aan de straatkant in de vorm van openbare parkeervakken aan de Pastoor Rosierstraat. De bewoners van de tweekappers en de vrijstaande woning kunnen ook op eigen terrein parkeren. Daarnaast wordt achter de tuin van de tweekappers een privé parkeerplaats gerealiseerd voor het appartementencomplex. Toegang tot dit parkeerterrein wordt gerealiseerd via een toegangsweg van en naar de Pastoor Rosierstraat.

Groenstructuur Aan de Pastoor Rosierstraat worden er naast de te realiseren parkeervakken groenvoorzieningen/ beplanting aangelegd in de vorm van bomen. De al bestaande bomen op het perceel worden verwijderd ten behoeve van de ontwikkeling. Dit wordt gecompenseerd door bomen te herplanten aan de straatkant. De nieuwe groenstructuur sluit aan bij de directe omgeving. Aan de noord- en oostzijde van de beoogde ontwikkeling wordt een groengebied gerealiseerd met mogelijkheden voor waterberging. De nieuwe groenstructuren binnen de planontwikkeling sluiten aan bij de landschappelijke kwaliteiten uit de directe omgeving (zie paragraaf 5.1). De kenmerkende vegetatiesoorten van het Maasdal landschap worden ingezet om de nieuwe uitbreiding op te laten gaan in het landschap en een passende identiteit te geven.

11

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het project toegelicht en wordt het project hieraan getoetst.

3.1

Rijksbeleid en Rijksregels

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken. In Nederland zijn er een aantal dringende maatschappelijke opgaven, die niet apart van elkaar kunnen worden opgelost, maar in samenhang bekeken moeten worden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving van Nederland. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbetert het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig.

Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken

12

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatsvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht. ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem.

Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast. Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt. Om beleidskeuzes op een voorspelbare en heldere wijze te maken, worden er door de NOVI drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen bij het prioriteren van de diverse opgaven en belangen: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.

Afwegen met de NOVI

De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: We werken als één overheid, samen met de samenleving. We stellen de opgave(n) centraal. We werken gebiedsgericht. We werken permanent en adaptief aan de opgaven.

13

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

In de NOVI is een instrument opgenomen om de opgaven te realiseren, dit betreffen de zogenaamde NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarmee het Rijk en de regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. In het NOVI-gebied Zuid-Limburg zijn alle fysieke opgaven sterk vervlochten met elkaar: het uitbouwen en circulair maken van de economie (o.a. Chemelot), de complexe transformatie van het stedelijk gebied (met wijken met grote achterstanden en herstructureringsopgaven in combinatie met bevolkingsdaling) en behoud en versterking van het groene middengebied (de Groene Long). De gedeelde stip op de horizon van regio en Rijk ziet er als volgt uit voor Zuid-Limburg: 1. Europese schakelregio en internationale verbondenheid; a. Met een hoge ruimtelijke kwaliteit en een eigen economische kracht, gebruik makend van de gunstige positie tussen de nabijgelegen West-Europese metropolen; b. Met snelle boven- en ondergrondse verbindingen met de rest van Nederland (via Eindhoven naar de Randstad) en over de grens richting België en Duitsland; 2. Een circulaire en kennisintensieve samenleving, waarin onder andere de Chemelot-site en de campussen in de Euregio als motor en proeftuin fungeren 3. Brede welvaart voor iedereen; a.

Sociale- en gezondheidsachterstanden ten opzichte van het gemiddelde in Nederland inlopen; b. Een duurzame, betrouwbare en landschappelijk goed ingepaste energievoorziening; c. Een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, werken en recreëren voor bestaande en nieuwe inwoners, en toeristen; d. Zowel een snelle stedelijke omgeving als een rustige, ontspannen, natuurlijke en natuurrijke omgeving. Relatie met het omgevingsplan Met voorliggend plan wordt voorzien in de realisatie van woningen aan de rand van al bestaand stedelijk gebied. Tevens wordt met de ontwikkeling een verduurzaming en herinrichting van de openbare ruimte voorzien. Daarmee wordt ook de leefbaarheid ter plekke verbeterd. Voor de wijziging van het omgevingsplan kent de Nationale Omgevingsvisie geen relevante bepalingen. Het voorliggend plan past daarmee binnen het beleid uit de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2

Instructieregels Rijk

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's: Voldoen aan de Dienstenrichtlijn (paragraaf 5.1.1). Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2). Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3). Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking.

14

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) zoals autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving (paragraaf 5.2). In de volgende paragrafen zijn de voor deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.

3.1.2.1 Omgevingsveiligheid Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het wijzigingsgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen (artikelen 5.7 en 5.11 Bkl). Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.

Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. Relatie met het omgevingsplan Voor het aspect omgevingsveiligheid wordt verwezen naar paragraaf 6.10.

15

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

3.1.2.2 Water Op grond van artikel 5.37 Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. Op Europees niveau is dit de Kaderrichtlijn Water (KRW), op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt, is opgenomen in de waterschapsverordening. Relatie met het omgevingsplan Door de toenemende verstedelijking en klimaatverandering dient steeds meer rekening te worden gehouden met water binnen ruimtelijke plannen. De toename van verhard oppervlak zorgt naast hitte en verdroging ook voor een vergrote kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten alle waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het wijzigingsgebied expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Vroegtijdig overleg en afstemming met de waterbeheerders is daarom van groot belang. Voor de weging van het waterbelang wordt verwezen naar paragraaf 6.2.

3.1.2.3 Luchtkwaliteit Het Bkl geeft in hoofdstuk 5 (paragraaf 5.1) instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten (artikel 5.51 Bkl): die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Relatie met het omgevingsplan Voor het onderzoek luchtkwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 6.7.

3.1.2.4 Geluid Het Bkl beoogt de burger te beschermen tegen hoge geluidbelastingen. De instructieregels in de artikelen 5.78t en 5.78u stellen beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel. Dit aandachtsgebied is het gebied langs het wegennetwerk waarbinnen (zonder rekening te houden met afschermende objecten) de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB voor het Lden. Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van

16

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. Art. 5.78ac en art. 5.78ad Bkl schrijven voor dat bij het toestaan van een overschrijding van de standaardwaarde, danwel grenswaarde, de aanvaardbaarheid van het gecumuleerd geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld dient te worden, respectievelijk het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald dient te worden en in het omgevingsplan vastgelegd dient te worden. Relatie met het voorliggend plan In deze wijziging van het omgevingsplan gaat het om het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarom dient met een akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat er sprake is van aanvaardbare geluidsbelasting of dat er maatregelen getroffen worden om de geluidsbelasting aanvaardbaar te maken. Voor het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 6.6.

3.1.2.5 Geur De instructieregels ten aanzien van geur zijn opgenomen in de artikel 5.92 tot en met 126 van het Bkl. Uit artikel 5.92 eerste lid van het Bkl volgt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 6.8 is het geuronderzoek opgenomen.

3.1.2.6 Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (Ladder voor duurzame verstedelijking) In het Bkl is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (artikel 5.129g). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 5.3 is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen.

17

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

3.1.2.7 Cultureel erfgoed De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; d. het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten, voor beschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en 2.

het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en e. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Relatie met het omgevingsplan In het wijzigingsgebied zijn geen monumentale panden noch rijksmonumenten aanwezig. Het voornemen heeft geen betrekking op bestaand cultureel erfgoed in het wijzigingsgebied. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 5.2.

3.1.2.8 Toegankelijkheid openbare buitenruimte Paragraaf 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte in dat plan rekening gehouden wordt met het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. In artikel 5.162 Bkl zijn instructieregels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door eenieder. Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Als maatregelen nodig zijn, kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan. Door bij nieuwe ontwikkelingen vroegtijdig, dat wil zeggen bij inrichting en ontwerp, met toegankelijkheid van openbare ruimten rekening te houden, leidt deze instructieregel naar verwachting niet tot hogere kosten en bestuurslasten. De "Integrale toegankelijkheidsstandaard" (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte.

In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal toegankelijke projecten. Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.

18

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

Relatie met het omgevingsplan In het ontwerp van de nieuwe woonontwikkeling wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid van de buitenruimte. Zo worden in de woonstraat overrijdbare trottoirs gerealiseerd, waardoor mensen met een functiebeperking ook eenvoudig de trottoirs op en af kunnen.

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1

Provinciale omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Limburg fungeert als de leidraad voor de opgestelde ambities van de provincie Limburg om de kwaliteiten van Limburg in de toekomst te versterken. De provincie streeft ernaar om Limburg zo toekomstbestendig mogelijk te ontwikkelen waarbij steeds de balans gezocht wordt tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is vastgesteld op 1 oktober 2021 en bevat de belangrijkste ambities voor de periode 2021 tot 2030 en 2050. De Omgevingsvisie is opgedeeld in verschillende thema's, waarbij tevens ingegaan wordt op een gebiedsgericht onderdeel. Centraal binnen de Omgevingsvisie staan een drietal hoofdopgaven. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving Ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, energie en economie hebben een grote impact op de samenleving. Uit prognosecijfers blijkt dat de samenstelling van de bevolking van Limburg verandert. Voor het jaar 2050 zal er een daling zijn ten opzichte van 2020 van ongeveer 45.000 - 115.000 inwoners. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op de fysieke leefomgeving, zowel in landelijk als stedelijk gebied. In stedelijke gebieden heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid en de bereikbaarheid en/of toegankelijkheid van voorzieningen.

Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie Limburg kent een economie waarbij innovatieve bedrijven en MKB goed gerepresenteerd zijn. Tot 2020 groeide het aantal banen in Limburg, waarbij de welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau toenamen. Echter is gebleken dat de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag is. De provincie Limburg wil de arbeidsparticipatiegraad verhogen, waarbij tevens ingezet wordt op het aantrekken van internationale werknemers. Op deze manier kunnen ontwikkelingen zoals digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten tegengaan. Daarnaast kan het harmoniseren van sociaal-economische spelregels, het verbeteren van (grensoverschrijdende) bereikbaarheid en de aansluiting op de (inter)nationale energiehoofdstructuur en/of digitale netwerken veel kansen bieden voor de provincie Limburg. Het is daarom uiterst belangrijk dat er geïnvesteerd wordt in infrastructuur en bereikbaarheid via de weg, het spoor, water, lucht, buis of digitaal. Klimaatadaptatie en energietransitie Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Ook voor de provincie Limburg zal er in de komende jaren een grote verandering in de energievoorzieningen ontstaan.

Energiebesparing en het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie zal een grote impact hebben op de leefomgeving in Limburg. Limburgse principes Elke afweging die gemaakt wordt binnen de thema's wordt gedaan op basis van de Limburgse principes: 1. We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving. 2. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal.

19

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

3. Meer stad, meer land. 4. We gaan zorgvuldig om met onze ruimte en voorraden; boven- en ondergronds. 5. Procesmatige uitgangspunten zoals gebiedsgericht en adaptief werken. Algemene zonering Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Ontwikkelingen dienen te passen binnen deze zonering. De algemene zonering van Limburg bestaat uit: 1. Landelijke gebieden: waaronder de groenblauwe mantel, het Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura 2000-gebieden) en het buitengebied. 2. Bebouwde gebieden: waaronder het stedelijk gebied, stedelijk centra, landelijke kernen en werklocaties. 3. Infrastructuren: waaronder (inter)nationale wegen, provinciale wegen, (inter)nationale spoorwegen en waterwegen, (lucht)haven en (inter)nationale leidingstroken. Relatie met het omgevingsplan De voorgenomen ontwikkeling heeft voornamelijk een raakvlak met de eerste hoofdopgave, een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt kleinschalige woningbouw gerealiseerd bestaande uit een mix van koop- en huurwoningen. Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de Limburgse principes.

Zo draagt de ontwikkeling bij aan een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, door te voorzien in een mix van woonvormen voor verschillende (sociale) doelgroepen en door de openbare ruimte zo in te richten dat een aantrekkelijk gebied ontstaat. Daarnaast wordt gekozen voor een goede landschappelijke inpassing die recht doet aan de kenmerken en identiteit van het gebied. De woningbouwontwikkeling vindt plaats aan de rand van bestaand stedelijk gebied waarmee wordt voldaan aan het principe meer stad, meer land. Tevens wordt ook in de realisatie rekening gehouden met een openbare ruimte die klimaatadaptief is en bijdraagt aan de verduurzaming en biodiversiteit, door het toevoegen van kwalitatief en divers groen en voorzieningen voor waterberging. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de Omgevingsvisie van Limburg.

3.2.2

Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Provinciale Staten hebben deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven; regels voor activiteiten die voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. Met de Omgevingsverordening Limburg wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen. De instructies die in de omgevingsverordening staan, moeten door de gemeenten in acht worden genomen bij het opstellen (of wijzigen) van het omgevingsplan. In de volgende paragrafen zijn de van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.

20

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

3.2.2.1 Instructieregel Klimaatadaptatie In artikel 3.5 is de Instructieregel Klimaatadaptatie opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de risico’s wateroverlast, overstroming en droogte betrokken. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 6.3 van deze motivering is de beschrijving van het aspect klimaatadaptatie opgenomen.

3.2.2.2 Instructieregel nieuwe planvoorraad wonen In artikel 12.1 is de Instructieregel nieuwe planvoorraad wonen opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen een beschrijving bevat waarin is opgenomen: a. hoe rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. dat er sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. dat over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. dat het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5; e. dat realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 3.2.1 van deze motivering is opgenomen hoe de voorgenomen ontwikkeling past binnen de Limburgse principes.

In voorliggende subparagrafen is aangegeven dat de ontwikkeling ook past bij de algemene zoneringen die voor dit gebied zijn getypeerd. In paragraaf 5.3 is in de laddertoets aangetoond dat er een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is naar de voorziene woningen.

3.2.2.3 Instructieregels beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg In artikel 7.1 en 7.2 zijn de instructieregels beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg opgenomen. De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, omvat een beschrijving van de kernkwaliteiten van het beschermingsgebied nationaal landschap Zuid-Limburg. De kernkwaliteiten van het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg zijn: a. b. c. d.

het reliëf; het open-besloten karakter; het groene karakter; het cultuurhistorisch erfgoed.

De kernkwaliteiten van het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg zijn nader

21

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

uitgewerkt in bijlage VII van de omgevingsverordening. Voor motiveringen geldt dat bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied, een beschrijving moet worden opgenomen van in ieder geval: a. de in het wijzigingsgebied voorkomende kernkwaliteiten; b. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; c. de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op het groene karakter wordt bijlage VII in de omgevingsverordening gevolgd. Bijlage VII van de omgevingsverordening is in onderstaande tabel weergegeven.

De kernkwaliteiten met wat het inhoud en de nadere ruimtelijke duiding.

Relatie met het omgevingsplan Het voornemen tot realisatie van de ontwikkeling dient te voldoen aan bovenstaande instructieregels. De kernkwaliteiten worden in dit plan behandeld. De aspecten reliëf, open-besloten en het groene karakter worden behandeld in paragraaf 5.1. Het aspect cultuurhistorisch erfgoed wordt weergegeven in paragraaf 5.2.

3.2.2.4 Instructieregel beschermingsgebied Einstein Telescope In artikel 16.1 worden instructieregels gegeven aan het beschermingsgebied Einstein Telescope. De opgenomen regels luidden als volgt. 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied binnen het beschermingsgebied Einstein Telescope laat de activiteiten genoemd in artikel 16.2, eerste lid, niet toe. 2. Het omgevingsplan bedoeld in het eerste lid bepaalt dat voor de activiteiten genoemd in artikel 16.2, eerste lid, onderdelen b en c, het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning kan afwijken van het verbod van het eerste lid, mits uit door de aanvrager vooraf overgelegd onderzoek, naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat de activiteit geen trillingen kan veroorzaken die een nadelig effect kunnen hebben op de werking van de Einstein Telescope. 3. Het omgevingsplan bepaalt dat het bevoegd gezag, alvorens zij een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid verleent, gedeputeerde staten in de gelegenheid stelt advies uit te brengen

22

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

over de vergunningaanvraag. 4. Het bevoegd gezag kan zich bij haar beslissing op een vergunningaanvraag als bedoeld in het tweede lid laten adviseren door een of meer deskundigen. Het verbod in artikel 16.2 eerste lid luid als volgt. 1. In het beschermingsgebied Einstein Telescope is het verboden een aanvang te maken met de volgende activiteiten in het beschermingsgebied Einstein Telescope: a. plaatsen of hebben van een windturbine; b. ontgronding met uitzondering van een ontgronding die op grond op grond van artikel 16.7 of 16.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningvrij is; c. boring of andere ingreep in de bodem anders dan bedoeld in onderdeel b, dieper dan 100 meter beneden het maaiveld. Relatie met het omgevingsplan Bovenstaande instructieregel vormt geen belemmering voor het voorliggend plan. Met deze ontwikkeling wordt geen activiteit mogelijk gemaakt die is opgenomen in artikel 16.2.

3.3

Regionaal beleid

De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang.

3.3.1

Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL)

Op 18 oktober 2016 heeft de gemeente Eijsden-Margraten de regionale 'Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg' (SVWZL) vastgesteld. Dit is een gezamenlijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Ook erkennen de gemeenten met deze gemeenschappelijke aanpak, dat onderlinge concurrentie leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio, zeker met de huidige bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennisregio heeft. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie woonsferen: stedelijk, suburbaan en landelijk. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in de woonsfeer 'suburbaan'. Hier is sprake van een kwantitatief overschot van woningen. Er is een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, meer kwaliteit en meer vraaggerichtheid. Toevoegen van woningen kan om die reden alleen als het niet 'meer van hetzelfde' betreft en als dit binnen de kaders van de kwantitatieve opgave past. Hierbij moet de Ladder voor Duurzame Verstedelijking als uitgangspunt dienen.

Actualisatie SVWZL In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeenten is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om Beleidsafspraak VI van de SVWZL te versoepelen. Deze versoepeling heeft ertoe geleid dat de gemeenteraad van Eijsden-Margraten in dat kader op 15 december 2020 de 'Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen Eijsden-Margraten' vastgesteld. Op grond van deze beleidsregel kunnen burgemeester en wethouders voor de zogenoemde 'kwalitatief goede plannen', afzien om compenserende voorwaarden te stellen aan bepaalde woningbouwplannen, zoals bedoeld in Beleidsafspraak VI van de SVWZL. Onderstaand wordt nader ingegaan op deze beleidsregel. Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen Eijsden-Margraten Met deze beleidsregel wordt beleidsafspraak VI uit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg voor goede

23

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

plannen losgelaten. De beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel ''Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'. Goede woningbouwplannen hoeven niet meer te worden gecompenseerd. Woningbouwplannen worden beschouwd als goede plannen als zij voldoen aan alle drie de onderstaande criteria: Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij moet worden aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte; Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte; Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd Er dient subregionale afstemming plaats te vinden zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd. Woningbouwinitiatieven die mogelijk worden gemaakt via deze beleidsregel, dienen binnen 2 jaar na afstemming in de (sub)regio planologisch te zijn vastgesteld en binnen 3 jaar nadat het plan planologisch onherroepelijk is geworden, te zijn gerealiseerd. Woningbouwplannen die deze termijn en omgevingsvergunning niet halen, verliezen hun status op de subregionale woningmarktprogrammering. Relatie met het omgevingsplan De voorgenomen woningbouwontwikkeling past binnen de SVWZL en de beleidsregel. Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde, het type woningen (mix van sociale huur - koop voor verschillende doelgroepen) draagt bij aan de bestaande woningvoorraad.

Deze ontwikkeling vindt plaats aan de rand van stedelijk gebied en past binnen het uitgangspunt 'een straatje erbij'. Het plan is ook planologisch aanvaardbaar, zoals is aangetoond met het doorlopen van de Ladder van Duurzame verstedelijking (zie paragraaf 5.3). Op 20 juni 2024 en 27 september 2024 is de beoogde woningbouwontwikkeling afgestemd in de regio. Het beoogde planvoornemen voldoet aan de criteria uit de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’ en voldoet aan de maatschappelijke meerwaarde alsmede de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Hiermee wordt voldaan aan criterium 3 van de voornoemde beleidsregel.

3.4

Beleid Waterschap

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen.

24

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

3.4.1

Waterschapsverordening Waterschap Limburg

De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. In de waterschapsverordening staan regels voor verschillende soorten activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving in samenhang met water. De regels zijn nodig om het watersysteembeheer en de zuiveringstaak, en eventueel het wegenbeheer, goed te kunnen vervullen. Ze gaan over: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. veilig en doelmatig gebruik, in overeenstemming met de functies die volgens de wet aan het watersysteem toegedeeld zijn. Denk aan drinkwatervoorziening, voedselvoorziening, industrie, landbouw, visserij, transport, recreatie, enzovoorts. de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de chemische grondwaterkwaliteit. In de waterschapsverordening staan niet alleen regels voor het waterschap. Er gelden ook verplichtingen voor een initiatiefnemer. Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen. Het gaat om de volgende activiteiten: lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam.

lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie). activiteiten in of nabij het oppervlaktewater. activiteiten in, op of nabij waterkeringen. het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. activiteiten aan, op of nabij wegen in het beheer van het waterschap. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Een ontwikkeling waar bestaande verharding wordt vervangen voor nieuwe verharding wordt ook gezien als een toename aan verharding. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Waterschap Limburg hanteert geen ondergrens. Dynamische bergings- en infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op met een inhoud van 80 mm in het (noordelijk) beheergebied van Waterschap Limburg. Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden. Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 6.2 wordt ingegaan op de weging van het waterbelang.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Woonvisie 2019-2025'Samen bouwen aan de toekomst'

In de lokale Woonvisie ‘Samen bouwen aan de toekomst’ is het woningbouwbeleid voor de periode 2019-2025 vastgelegd. In Eijsden-Margraten wordt ingezet op een duurzame woningvoorraad met passende woningen voor zowel starters als senioren. Hierdoor zal de doorstroming moeten worden bevorderd. Inwoners wonen daarbij in een gezonde, veilige en prettige woon- en leefomgeving, waarbij duurzaamheid en kwaliteit belangrijke uitgangspunten zijn. Hierbij heeft de herbestemming en transformatie van bestaande (leegstaande) gebouwen bijzondere aandacht. De woonambities zijn geformuleerd in speerpunten van beleid. Daarbij richt het beleid zich op relevante doelgroepen en thema’s. Concreet betreft het:

25

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

de doelgroep starters waarvoor de gemeente meer toegang wil creëren binnen de bestaande woning- en/of planvoorraad, met als doel dat het aantal koopwoningen voor starters te verhogen. Als dit (financieel) onmogelijk blijkt dat zullen deze woningen worden gerealiseerd via nieuwe capaciteit waarvoor gecompenseerd wordt om een bijdrage te kunnen leveren aan het transformeren van de woning- en/of planvoorraad; de doelgroep oudere doorstromers waarvoor woningen gerealiseerd worden binnen de kernen en binnen het bestaand vastgoed of op locatie waar een dergelijke herbestemming ruimtelijke en volkshuisvestelijk verantwoord is; het bieden van goede faciliterende mogelijkheden om de woningen voor de doelgroep langer thuiswoners levensloopbestendig te maken en voor de doelgroep die niet meer langer kan thuis wonen geclusterde woonzorgvormen creëren binnen het bestaand vastgoed, passend binnen het gemeentelijke woonzorgbeleid. het realiseren van voldoende kwalitatief aanbod van betaalbare huurwoningen voor de bijzondere doelgroepen (waaronder statushouders, woonurgenten, gehandicapten en ggzpatiënten), bij voorkeur binnen het bestaande vastgoed binnen de kernen en waar nodig en mogelijk deze realiseren via bijzondere (tijdelijke) huisvesting.

het invulling geven aan de stimulerende, faciliterende en waar mogelijk sturende rol ten aanzien van de verduurzaming van de woningvoorraad; de instandhouding van leefbare kernen waarbij de gemeente goede burger-wooninitiatieven zo veel mogelijk faciliteert. De gemeente schakelt over van een ‘bouwvisie’ naar een ‘transformatievisie’ want de groei van de woningvoorraad voor eigen additionele behoefte is de komende jaren weliswaar groeiende maar de woonvraag wijzigt (o.a. naar meer één- en tweepersoonshuishoudens). Inbreiding gaat daarbij voor uitbreiding en vraaggericht gaat voor op aanbodsturing. Met uitzondering van de in uitvoering zijnde plancapaciteit, is bijkomende nieuwbouw op nieuwe locaties ondergeschikt aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Waar mogelijk worden bestaande woningen vervangen en additionele woningen worden gerealiseerd in bestaand vastgoed. De herbestemming van cultureel of beeldbepalend vastgoed dat leegkomt of al leeg staat, krijgt hierbij prioriteit. Hiermee wordt ook beoogd toekomstige leegstand boven de frictienorm (2%) zoveel mogelijk voorkomen. Nieuwe woningbouwinitiatieven ontwikkelen op onbebouwde percelen is pas een alternatief, als binnen de bestaande woningvoorraad of ander leegstaand vastgoed niet kan worden voldaan aan de haalbaarheid van de gewenste woonkwaliteiten.

Ten aanzien van starterswoningen wordt met name gekeken naar bestaande woningvoorraad. Voor het overige zet de gemeente meerdere middelen in om starterswoningen gerealiseerd te krijgen (zoals starterslening, grondbeleid, eventueel tijdelijke woningen). Relatie met het omgevingsplan Het onderhavige bouwplan voorziet in de realisering van 38 woningen, waarvan 12 grondgebonden en 25 appartementen. Het type woningen (mix van sociale huur - koop voor verschillende doelgroepen) draagt bij aan de bestaande woningvoorraad. De gemeenteraad heeft op 20 februari 2024 de kaders voor de woningbouwprogrammering tot en met 2030 voor Eijsden-Margraten geamendeerd vastgesteld en hierbij burgemeester en wethouders de opdracht verleend om, gelet op de grote woningbehoefte en om de leefbaarheid van de kernen te garanderen, inspanningen te verrichten om naast de grotere kernen ook in alle overige kernen een 'straatje erbij' te realiseren.

26

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

3.5.2

Strategische visie 2022 Vernieuwen door verbinden

In de Strategische visie 2022 is mede benoemd dat het voor jong en oud aantrekkelijk is om in de gemeente Eijsden-Margraten te wonen. De diversiteit in het woningaanbod zal daarvoor moeten toenemen. Met een woonaanbod dat past bij behoeften, met bereikbare en levensvatbare voorzieningen en een prettige, sociale en groene leefomgeving. Deze verandering wil de gemeente vooral realiseren door het bestaande bouwareaal aan te passen. Verdere 'verstening', vooral verstening richting buitengebied, moet voorkomen worden. De gemeente kiest daarbij voor kwaliteit. Wat woningen betreft, zet de gemeente in op innovatie, transformatie en inbreiding. Veiligheid, duurzaamheid en energiebewust beleid zijn een onlosmakelijk deel van deze ambitie. Relatie met het omgevingsplan Voorliggend voornemen bestaat uit het veranderen van een weiland met fruitbomen naar woningbouw. De gemeente voorziet met de realisatie van het voornemen een woonaanbod dat past bij de behoeften van de inwoners. De locatie van het voornemen valt tussen het bestaande spoor en de Pastoor Rosierstraat in. Hiermee is sprake van inbreiding, gezien het een al omsloten gebied is. De ontwikkeling past daarmee binnen de Strategische visie 2022.

27

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=079f0c85-c36a-4796-b71e-160ee5dc318f